Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Betalingsbalans - Vrijmaking van betalingsverkeer - Deviezentransfers welke betrekking hebben op goederenverkeer - Dubbele wisselmarkt - Aan exporteurs opgelegde verplichting uit hoofde van hun verkopen verkregen deviezen op gereglementeerde wisselmarkt te verkopen - Toelaatbaarheid - Geen discriminatie op grond van nationaliteit
( EEG-Verdrag, artikelen 7 en 106 )
Samenvatting
Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht vormt een nationale regeling die de exporteurs verplicht zich de uit hoofde van hun verkopen verkregen deviezen via een bank te doen betalen en ze op de gereglementeerde wisselmarkt te verkopen, en die hun bijgevolg verbiedt zich in bankbiljetten te doen betalen, geen met artikel 106 EEG-Verdrag onverenigbare belemmering van de vrijheid van betalingen uit hoofde van het goederenverkeer .
Zelfs indien zij een ongelijke behandeling ten opzichte van de in andere Lid-Staten gevestigde exporteurs tot gevolg heeft, bevat een dergelijke regeling geen discriminatie als bedoeld in artikel 7 EEG-Verdrag, wanneer zij op alle betrokkenen volgens objectieve criteria en ongeacht hun nationaliteit van toepassing is .
Partijen
In zaak 308/86,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de cour d' appel van het Groothertogdom Luxemburg, in de aldaar dienende strafzaak tegen
R . Lambert,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 3, sub a en f, 5, 7, 31, 32, 34, 67, lid 2, en 106 EEG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde kamer ),
samengesteld als volgt : G . Bosco, kamerpresident, U . Everling, Y . Galmot, R . Joliet en F . Schockweiler, rechters,
advocaat-generaal : Sir Gordon Slynn
griffier : B . Pastor, administrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door
- R . Lambert, verdachte in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door H . Frank, advocaat,
- de Luxemburgse regering, vertegenwoordigd door J . Guill als gemachtigde, bijgestaan door P . Le Roy als deskundige,
- de Belgische regering, vertegenwoordigd door M . Waelbroeck, advocaat,
- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door M . Conti als gemachtigde,
- de Franse regering, ter terechtzitting vertegenwoordigd door G . de Bergues als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J . Amphoux als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 11 februari 1988,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 31 mei 1988,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 25 november 1986, ingekomen ter griffie van het Hof op 9 december daaraanvolgend, heeft de cour d' appel van het Groothertogdom Luxemburg krachtens artikel 177 EEG-Verdrag vijf prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van een aantal verdragsbepalingen, met name de artikelen 7, 67 en 106, ten einde de verenigbaarheid met die bepalingen te kunnen beoordelen van een regeling die de exporteurs verplicht, zich de uit hoofde van hun verkopen verkregen deviezen via een bank te doen betalen en ze op de gereglementeerde wisselmarkt te verkopen, en die hun bijgevolg verbiedt zich in bankbiljetten te doen betalen .
2 Die vragen zijn gerezen in een strafzaak tegen de Luxemburgse veehandelaar R . Lambert, die ter zake van verkopen van vee in Duitsland en in Nederland in de jaren 1981 tot 1983 betaling in bankbiljetten, zowel in buitenlandse valuta ( DM en HFL ) als in Luxemburgse franken, had aanvaard . Hij werd strafrechtelijk vervolgd voor het tribunal d' arrondissement te Diekirch wegens overtreding van artikel 8, tweede alinea, van reglement I betreffende de invoer en de uitvoer ( Mém . A . 1964, blz . 1422, M.B . 1964, blz . 10456 ), waarvan de oorspronkelijke versie in 1955 was vastgesteld door het Belgisch-Luxemburgs Instituut voor de Wissel ( BLIW ).
3 Genoemde bepaling stelt de betalingsmodaliteiten voor uitvoerverrichtingen vast en luidt als volgt :
"a ) ...
b ) de betaling in buitenlandse valuta' s moet ontvangen worden, hetzij in de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, hetzij in het buitenland, onder vorm van transfer in rekening of van cheque . Binnen de acht dagen na hun ontvangst moeten de buitenlandse valuta' s in de gereglementeerde markt gecedeerd worden ...
c ) de betaling in Belgische of Luxemburgse franken moet ontvangen worden ten laste van een buitenlandse 'convertibele' rekening aangehouden bij een erkende bank ."
4 Op de gereglementeerde markt wordt de wisselkoers iedere dag door de erkende banken in de verrekenkamer vastgesteld, onder toezicht van de Nationale Bank van België . Deze koers wordt binnen de in het kader van het Europees Monetair Stelsel overeengekomen marges gehouden, eventueel door interventies van de Nationale Bank, die daartoe gebruik kan maken van de deviezenreserves van de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie ( BLEU ). Met de bepaling dat alle overmakingen van deviezen ter zake van de uitvoer van goederen via die markt moeten verlopen, beoogt artikel 8, tweede alinea, van reglement I deze deviezen te reserveren voor de betalingen ter zake van importen en aldus bij te dragen tot het evenwicht van de betalingsbalans van de BLEU, zodat de interventies van de Nationale Bank beperkt kunnen blijven en de deviezenreserves van de BLEU in stand blijven .
5 Om te verzekeren dat de van exporten afkomstige deviezen daadwerkelijk langs de gereglementeerde markt worden geleid, verplicht artikel 8, tweede alinea, van reglement I de exporteurs, zich die deviezen via een bank te doen betalen . Zij mogen bijgevolg geen betaling in bankbiljetten aanvaarden . Transfer van bankbiljetten wordt door het BLIW niet als een lopende betaling beschouwd, maar als kapitaalverkeer, daar het verband tussen die transfer en de eventuele onderliggende transactie niet met zekerheid kan worden vastgesteld . De transfer van bankbiljetten valt dus onder de vrije markt, waar de wisselkoers door vraag en aanbod wordt bepaald .
6 In de betrokken periode leidde de conjunctuur in de BLEU tijdelijk tot een zwakke positie van de frank . Die zwakte liet zich nadrukkelijker gevoelen op de vrije markt dan op de gereglementeerde markt . De wisselkoersen van buitenlandse valuta' s op de vrije markt noteerden daardoor 5 tot 10% hoger dan die op de gereglementeerde markt . Dit was nadelig bij de aankoop van deviezen op de vrije markt, maar voordelig bij de verkoop van deviezen op die markt .
7 Lambert liet zich voor zijn veeverkopen in het buitenland in bankbiljetten betalen, die hij op de vrije markt kon omwisselen . Dit leverde hem een koerswinst op van ongeveer vijf miljoen Luxemburgse frank .
8 Bij vonnis van 17 mei 1985 veroordeelde de rechtbank te Diekirch Lambert tot een boete, met verbeurdverklaring van de door de overtreding behaalde winst van vijf miljoen frank . Van dit vonnis is zowel door Lambert als door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld bij de cour d' appel van het Groothertogdom, waar Lambert aanvoerde, dat artikel 8 van reglement I de vrijheid van de handel belemmert en uit dien hoofde onverenigbaar is met het EEG-Verdrag . Daarop besloot de cour d' appel de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof van Justitie vijf prejudiciële vragen te stellen . Deze vragen luiden als volgt :
"1 ) Is het in strijd met de in de artikelen 67, lid 2, en 106, lid 1, EEG-Verdrag voorziene vrijmaking van de betalingen betreffende het intracommunautaire goederenverkeer, dat een op het grondgebied van de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie wonende exporteur wordt verplicht, de buitenlandse valuta die hij ter betaling van in Duitsland en Nederland verkochte goederen ontvangt, op de gereglementeerde wisselmarkt aan erkende banken te verkopen, in aanmerking genomen dat het in nationale valuta verkregen bedrag in dit geval 5 tot 10% lager ligt dan het bedrag dat hij op de vrije markt had kunnen verkrijgen?
2 ) Vormt het verbod om ter zake van bovenbedoelde exporten buitenlandse of nationale bankbiljetten als betaalmiddel te aanvaarden, een belemmering van het vrije betalingsverkeer?
3 ) Is het non-discriminatiebeginsel van artikel 7 EEG-Verdrag van toepassing op omgekeerde ongelijke behandeling, dat wil zeggen op nationale maatregelen die, hoewel niet beoogd, als feitelijk gevolg hebben dat de exporteurs van de betrokken Lid-Staat worden benadeeld ten opzichte van die welke in de andere Lid-Staten zijn gevestigd?
4 ) Verzetten de in artikel 3, sub a en f, EEG-Verdrag neergelegde beginselen, te weten afschaffing van maatregelen van gelijke werking als douanerechten bij uitvoer van goederen en invoering van een regime waardoor wordt gewaarborgd dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt niet wordt vervalst, zich tegen een dergelijke omgekeerde discriminatie, indien de gevolgen van de beperkende regeling, los van haar specifieke doel, een aanzienlijke bevoordeling van de exporteurs in de andere Lid-Staten inhouden en daardoor het handelsverkeer tussen de Lid-Staten al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kunnen belemmeren?
5 ) Zijn de 'standstill' -bepalingen van de artikelen 5, 31, 32 en 34 EEG-Verdrag van toepassing op de in de eerste twee vragen bedoelde maatregelen, die weliswaar dateren van vóór de inwerkingtreding van het Verdrag, doch die thans merkbare distorsies veroorzaken wanneer het verschil tussen de wisselkoersen op de gereglementeerde en op de vrije markt oploopt tot ongeveer 5 à 10% van de tegenwaarde in nationale valuta van de in buitenlandse valuta gefactureerde prijs, zoals dit in casu het geval was in de jaren 1981, 1982 en 1983?"
9 Voor een nadere uiteenzetting van de toepasselijke bepalingen, de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
10 Vooraf zij eraan herinnerd, dat, naar het Hof overwoog in zijn arrest van 31 januari 1984 ( gevoegde zaken 286/82 en 26/83, Luisi en Carbone, Jurispr . 1984, blz . 377 ), artikel 106 betrekking heeft op lopende betalingen, dat wil zeggen overmakingen van deviezen als vergoeding voor een bepaalde prestatie, terwijl artikel 67 het kapitaalverkeer betreft, dat wil zeggen financiële operaties die in wezen op belegging of investering van het betrokken bedrag zijn gericht en niet op vergoeding van een prestatie .
11 De eerste en de tweede vraag moeten bijgevolg aldus worden begrepen, dat de nationale rechter daarmee in wezen wenst te vernemen, of een regeling die de exporteurs verplicht zich de uit hoofde van hun verkopen verkregen deviezen via een bank te doen betalen en ze op de gereglementeerde wisselmarkt te verkopen, en die hun bijgevolg verbiedt betaling in bankbiljetten te aanvaarden, een met artikel 106 EEG-Verdrag onverenigbare belemmering vormt van de vrijheid van betalingen ter zake van het goederenverkeer .
12 Dienaangaande moet er in de eerste plaats op worden gewezen, dat een dergelijke regeling beoogt te verzekeren, dat lopende betalingen uitsluitend via de gereglementeerde markt verlopen, terwijl de vrije markt voor het kapitaalverkeer is gereserveerd . Zij moet in feite dus waarborgen, dat die twee markten gescheiden blijven .
13 In de tweede plaats zij opgemerkt, dat volgens artikel 1, lid 2, eerste alinea, van de Eerste richtlijn betreffende de vrijmaking van het kapitaalverkeer ( PB 1960, blz . 921 ), voor de door de richtlijn geliberaliseerde kapitaalbewegingen in beginsel de wisselkoersen dienen te worden toegepast welke voor lopende betalingen gelden, dat wil zeggen die van de gereglementeerde markt . Ingevolge artikel 1, lid 2, tweede alinea, evenwel mogen de Lid-Staten waar ook een wisselmarkt bestaat waarop de koersschommelingen niet aan officieel vastgestelde grenzen zijn gebonden, die markt behouden, en zij kunnen dan verlangen, dat de door de richtlijn geliberaliseerde kapitaalbewegingen via die markt verlopen . De op die markt toegepaste wisselkoersen mogen echter niet aanzienlijk en blijvend afwijken van de koersen welke op de gereglementeerde markt gelden voor betalingen uit hoofde van lopende transacties .
14 Lambert heeft er in dit verband op gewezen, dat het verschil tussen de officiële en de vrije koers in de betrokken periode groter was dan die afwijkingsbepaling toestaat . Hij kan zich echter hoe dan ook niet met succes beroepen op een eventuele schending van de richtlijn, waarmee hij overigens zelf zijn voordeel heeft trachten te doen . Bij wat hij heeft gedaan, ging het immers niet om een kapitaalbeweging, maar om een transfer van uit hoofde van goederenverkeer verkregen deviezen .
15 Uit artikel 5, lid 1, van dezelfde richtlijn volgt, dat het de Lid-Staten waar een dubbele wisselmarkt bestaat, vrijstaat de maatregelen te treffen die nodig zijn om te verzekeren dat lopende betalingen uitsluitend via de gereglementeerde markt geschieden en dat de vrije markt gereserveerd blijft voor kapitaalverkeer . Daartoe kunnen zij met name de exporteurs verplichten, zich de deviezen die zij uit hoofde van hun lopende transacties verkrijgen, via een bank te doen betalen .
16 Een dergelijk voorschrift is niet onverenigbaar met artikel 106, lid 1, van het Verdrag . Ingevolge die bepaling moet de Lid-Staat waarin de importeur verblijf houdt, deze toestaan de exporteur te betalen in de valuta van de Lid-Staat waarin deze laatste zijn verblijfplaats heeft . Een regeling als de hier bedoelde belet noch de importeur de betaling te verrichten in de valuta van de staat van de koper, noch de exporteur die betaling te ontvangen . Zij betreft immers enkel de modaliteiten volgens welke de exporteur die betaling moet ontvangen, ongeacht of deze in vreemde dan wel in nationale valuta luidt .
17 Het verbod voor de exporteurs om zich in bankbiljetten te doen betalen, dat noodzakelijkerwijs met het bovengenoemde voorschrift samenhangt, is evenmin onverenigbaar met artikel 106 van het Verdrag, dat, zoals het Hof overwoog in zijn arrest van 23 november 1978 ( zaak 7/78, Thompson, Jurispr . 1978, blz . 2247 ), tot doel heeft de vrijheid te verzekeren van de deviezentransfers die voor het vrije verkeer van goederen noodzakelijk zijn . Zoals het Hof reeds opmerkte in zijn arrest van 11 november 1981 ( zaak 230/80, Casati, Jurispr . 1981, blz . 2595 ), kan de transfer van bankbiljetten niet worden aangemerkt als noodzakelijk voor het vrije verkeer van goederen, aangezien die betalingswijze niet gebruikelijk is .
18 Mitsdien moet op de eerste en de tweede vraag van de nationale rechter worden geantwoord, dat bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht een regeling die de exporteurs verplicht zich de uit hoofde van hun verkopen verkregen deviezen via een bank te doen betalen en ze op de gereglementeerde wisselmarkt te verkopen, en die hun bijgevolg verbiedt zich in bankbiljetten te doen betalen, geen met artikel 106 EEG-Verdrag onverenigbare belemmering vormt van de vrijheid van betalingen uit hoofde van het goederenverkeer .
19 Met de derde en de vierde vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of een regeling als de onderhavige een met artikel 7 EEG-Verdrag strijdige discriminatie vormt .
20 De nationale rechter heeft die vragen gesteld, omdat hij meende dat een dergelijke regeling de exporteurs op wie zij van toepassing is, kan benadelen ten opzichte van hun concurrenten in andere Lid-Staten waar een andere regeling geldt .
21 Het volstaat erop te wijzen, dat een eventuele ongelijke behandeling van in de BLEU gevestigde exporteurs ten opzichte van hun concurrenten die in andere Lid-Staten gevestigd zijn, eenvoudig een uitvloeisel is van verschillen tussen de wettelijke regelingen van de betrokken Lid-Staten .
22 Volgens vaste rechtspraak is een dergelijke ongelijke behandeling geen discriminatie als bedoeld in artikel 7 EEG-Verdrag, wanneer de betrokken wettelijke regeling op alle betrokkenen volgens objectieve criteria en ongeacht hun nationaliteit van toepassing is .
23 Mitsdien moet op de derde en de vierde vraag van de nationale rechter worden geantwoord, dat een regeling als de onderhavige geen met artikel 7 EEG-Verdrag strijdige discriminatie bevat .
24 Met zijn vijfde vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of een dubbele wisselmarkt, die al vóór de inwerkingtreding van het Verdrag bestond, doch die gedurende een bepaalde tijd na die inwerkingtreding distorsies veroorzaakt, onverenigbaar is met sommige "standstill"-bepalingen van het Verdrag op het gebied van het vrije verkeer van goederen .
25 Aangezien de voor de nationale rechter bestreden regeling tot geen enkele belemmering van de door artikel 106 EEG-Verdrag gewaarborgde vrijheid van lopende betalingen heeft geleid, is ook het goederenverkeer door die regeling niet belemmerd . De vijfde vraag is bijgevolg zonder voorwerp .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
26 De kosten door de Belgische, de Luxemburgse en de Italiaanse regering en door de Commissie wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde kamer ),
uitspraak doende op de door de cour d' appel van het Groothertogdom Luxemburg bij arrest van 25 november 1986 gestelde vragen, verklaart voor recht :
1 ) Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht vormt een regeling die de exporteurs verplicht zich de uit hoofde van hun verkopen verkregen deviezen via een bank te doen betalen en ze op de gereglementeerde wisselmarkt te verkopen, en die hun bijgevolg verbiedt zich in bankbiljetten te doen betalen, geen met artikel 106 EEG-Verdrag onverenigbare belemmering van de vrijheid van betalingen uit hoofde van het goederenverkeer .
2 ) Een regeling als de onderhavige bevat geen met artikel 7 EEG-Verdrag strijdige discriminatie .
Full & Egal Universal Law Academy