Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Handelingen van de instellingen - Richtlijnen - Uitvoering door Lid-Staten - Noodzakelijkheid van volledige omzetting
( EEG-Verdrag, artikel 189, derde alinea )
Partijen
In zaak 322/86,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E . Traversa, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door L . Ferrari Bravo, hoofd van de afdeling Diplomatieke geschillen, als gemachtigde, bijgestaan door P . G . Ferri, avvocato dello stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Italiaanse ambassade,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, door niet binnen de gestelde termijn de nodige maatregelen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 78/659/EEG van de Raad van 18 juli 1978 betreffende de kwaliteit van zoet water dat bescherming of verbetering behoeft ten einde geschikt te zijn voor het leven van vissen ( PB 1978, L 222, blz . 1 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : Mackenzie Stuart, president, G . Bosco, J . C . Moitinho de Almeida en G . C . Rodríguez Iglesias, kamerpresidenten, T . Koopmans, U . Everling, Y . Galmot, C . Kakouris, F . Schockweiler, rechters,
advocaat-generaal : C . O . Lenz
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 24 februari 1988,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 maart 1988,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 19 december 1986, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat de Italiaanse Republiek de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, door niet binnen de gestelde termijn de nodige maatregelen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 78/659/EEG van de Raad van 18 juli 1978 betreffende de kwaliteit van zoet water dat bescherming of verbetering behoeft ten einde geschikt te zijn voor het leven van vissen ( PB 1978, L 222, blz . 1; hierna : de richtlijn ).
2 Het doel van de richtlijn is, de kwaliteit te beschermen of te verbeteren van stromend of stilstaand zoet water waarin vissen leven of, indien de verontreiniging zou worden verminderd of weggenomen, zouden kunnen leven, die tot bepaalde soorten behoren . Volgens artikel 1, lid 1, is de richtlijn van toepassing op water dat door de Lid-Staten is aangewezen als deze bescherming of verbetering behoevende . Artikel 4 bepaalt dat de Lid-Staten binnen twee jaar na de kennisgeving van de richtlijn voor het eerst wateren voor zalmachtigen en wateren voor karperachtigen aanwijzen . Krachtens artikel 5 moeten de aangewezen wateren bovendien binnen vijf jaar na die aanwijzing voldoen aan de waarden die de Lid-Staten hebben vastgesteld voor de in bijlage I bij de richtlijn vermelde fysisch-chemische parameters, en wel door middel van programma' s die worden opgesteld om de verontreiniging te verminderen . Luidens artikel 17 doen de Lid-Staten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om binnen een termijn van twee jaar volgende op de kennisgeving van de richtlijn aan deze richtlijn te voldoen en stellen zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis . Aangezien de richtlijn op 20 juli 1978 ter kennis werd gebracht, is die termijn verstreken op 20 juli 1980 .
3 Omdat de Commissie door de Italiaanse regering niet in kennis was gesteld van maatregelen voor de omzetting van de betrokken richtlijn, stuurde zij haar op 11 maart 1985 een schriftelijke ingebrekestelling, waarbij zij haar verzocht haar opmerkingen te maken . Bij brief van 5 november 1985 antwoordde de Permanente Vertegenwoordiging van Italië bij de Europese Gemeenschappen, dat een groep deskundigen van het interministeriële comité voor de bescherming van water tegen verontreiniging de opdracht had gekregen om een wetsontwerp op te stellen om de richtlijn in de Italiaanse rechtsorde om te zetten . Aangezien nadien geen mededeling meer werd ontvangen over de vaststelling van dit wetsontwerp, bracht de Commissie op 28 februari 1986 overeenkomstig artikel 169 EEG-Verdrag een met redenen omkleed advies uit . In antwoord hierop verklaarde de Italiaanse regering in een brief van de Italiaanse Permanente Vertegenwoordiging van 15 juli 1986, dat de procedure tot vaststelling van dit wetsontwerp was stopgezet, omdat de ministerraad op 23 mei 1986 een wetsontwerp had goedgekeurd en bij het Parlement had ingediend . In artikel 24 van dat wetsontwerp werd aan de regering de bevoegdheid gedelegeerd om een wetsbesluit houdende een Testo unico vast te stellen, die de gehele vigerende Italiaanse wetgevingen betreffende de bescherming van wateren tegen verontreiniging en de verwijdering van afvalstoffen zou moeten reorganiseren, rekening houdende met de ter zake geldende communautaire richtlijnen . Aangezien de Italiaanse regering die Testo unico niet had vastgesteld, heeft de Commissie het onderhavige beroep wegens niet-nakoming ingesteld .
4 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
5 De Italiaanse regering geeft toe, dat zij haar verplichtingen niet is nagekomen, maar zij merkt op dat de Italiaanse overheidsinstanties die belast zijn met het beheer en de bescherming van het water in staatseigendom, namelijk de Staat en de regio' s, op basis van de ter zake geldende wetgeving over alle bevoegdheden beschikken, die nodig zijn voor de uitvoering van de bepalingen van de richtlijn en meer bepaald van artikel 4 inzake de aanwijzing van wateren voor zalmachtigen en wateren voor karperachtigen . In dit verband verklaart zij, dat de minister van Land - en Bosbouw bij besluit van 16 januari 1981 een aantal op het grondgebied van de autonome provincie Bolzano gelegen zoete wateren heeft aangewezen, die geschikt worden geacht voor het leven van vissen . Met betrekking tot de maatregelen die voor de aldus aangewezen wateren moeten worden genomen om te voldoen aan de verplichtingen krachtens artikel 5 van de richtlijn, merkt de Italiaanse regering op, dat artikel 1, sub d, van wet nr . 319 van 10 mei 1976 ( GURI nr . 141 van 29.5.1976 ) voorziet dat regionale en nationale plannen voor waterzuivering moeten worden opgesteld, in het kader waarvan alle maatregelen moeten worden genomen die nodig zijn voor de bescherming van de wateren tegen verontreiniging . Bijgevolg zou de niet-nakoming slechts bestaan in een onvolledige omzetting van de richtlijn als gevolg van een gebrekkige aanwijzing van de te beschermen wateren .
6 Zoals het Hof laatstelijk heeft vastgesteld in zijn arrest van 2 maart 1988 ( zaak 309/86, Commissie/Italië, Jurispr . 1988, blz . 0000 ), moet de omzetting van communautaire richtlijnen in nationaal recht verzekeren, dat deze daadwerkelijk en volledig worden toegepast . De maatregelen die de Italiaanse regering heeft genomen voor de omzetting van de betrokken richtlijn in de nationale rechtsorde, zijn evenwel ontoereikend . Behalve voor de autonome provincie Bolzano heeft zij immers niet de wateren voor zalmachtigen en voor karperachtigen op het grondgebied van de Italiaanse Republiek aangewezen . Evenmin heeft zij voor die wateren de concrete waarden vastgesteld voor de in bijlage I van de richtlijn neergelegde parameters of de programma' s opgesteld, die moeten verzekeren dat deze parameters voldoen aan de vastgestelde waarden .
7 Mitsdien moet worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek haar verplichtingen krachtens het EEG-Verdrag niet is nagekomen, door niet binnen de gestelde termijn de nodige maatregelen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 78/659 van de Raad van 18 juli 1978 .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
8 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien verweerster in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat :
1 ) Door niet binnen de gestelde termijn de nodige bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 78/659/EEG van de Raad van 18 juli 1978 betreffende de kwaliteit van zoet water dat bescherming of verbetering behoeft ten einde geschikt te zijn voor het leven van vissen, is de Italiaanse Republiek de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen .
2 ) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten .
Full & Egal Universal Law Academy