BESCHIKKING VAN HET HOF
6 december 1989 ( *1 )
In zaak C-147/86 TO 3,
Beroepsorganisatie Panhellinios Syndesmos Idioktiton Idiotikon Technikon Epangelmatikon ke Naftikon Scholikon Monadon — PSIITENSM (Helleense Federatie van eigenaren van particuliere scholen voor technisch, maritiem en beroepsonderwijs), vertegenwoordigd door T. Dim. Antóniou en S. Athanassiou Taliadouros, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. May, advocaat aldaar, 31, Grand-rue,
verzoekster,
tegen
Helleense Republiek
en
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, bijgestaan door S. Karalis, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij eerstgenoemde, Centre Wagner, Kirchberg,
verweersters,
betreffende derdenverzet tegen het arrest van het Hof van 15 maart 1988 (zaak 147/86, Commissie/Helleense Republiek, Jurispr. 1988, blz. 1637),
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, Sir Gordon Slynn, C. N. Kakouris, F. A. Schockweiler en M. Zuleeg, kamerpresidenten, T. Koopmans, G. F. Mancini, R. Joliét, T. F. O'Higgins, J. C. Moitinho de Almeida, G. C. Rodríguez Iglesias, F. Grévisse en M. Diez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: J.-G. Giraud
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
1
Bij op 8 juni 1988 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de beroepsorganisatie Panhellinios Syndesmos Idioktiton Idiotikon Technikon Epangelmatikon ke Naftikon Scholikon Monadon — PSIITENSM (Helleense Federatie van eigenaren van particuliere scholen voor technisch, maritiem en beroepsonderwijs) krachtens artikel 39 van 's Hofs Statuut-EEG en artikel 97, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering derdenverzet aangetekend tegen het arrest van 15 maart 1988 (zaak 147/86, Commissie/Helleense Republiek, Jurispr. 1988, blz. 1637).
2
Na op bepaalde punten de niet-nakoming van de Helleense Republiek te hebben vastgesteld, verwierp het Hof in dit arrest de conclusies van de Commissie aangaande de scholen voor beroepsonderwijs in de zin van artikel 16, lid 7, van de Griekse grondwet, ertoe strekkende dat het Hof niet-nakoming van de artikelen 52 en 59 EEG-Verdrag zou vaststellen. Het Hof verwierp die conclusies door met name in rechtsoverweging 13 vast te stellen, dat „de Commissie... niet heeft kunnen aantonen, dat een nationale wet de oprichting van particuliere scholen in deze sector toestaat, en ook niet dat er werkelijk dergelijke scholen bestaan”.
3
Met haar derdenverzet bestrijdt verzoekster het litigieuze arrest voor zover het Hof in voornoemde rechtsoverweging het bestaan ontkent van particuliere scholen voor beroepsonderwijs en de Commissie in het ongelijk stelt waar zij betoogt, dat de Helleense wettelijke bepalingen betreffende die scholen in strijd zijn met de artikelen 52 en 59 EEG-Verdrag.
4
De Commissie voert twee excepties van niet-ontvankelijkheid aan en verzoekt het Hof krachtens artikel 91, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering, zich hierover uit te spreken zonder op de zaak ten gronde in te gaan. In de eerste plaats betoogt zij, dat door andere personen dan de Lid-Staten en de instellingen van de Gemeenschap geen derdenverzet kan worden aangetekend tegen een arrest van het Hof, gewezen op een beroep wegens niet-nakoming. In de tweede plaats zouden de rechten van de derde-opposante door het bestreden arrest niet worden geschaad.
5
Tot staving van haar eerste exceptie van niet-ontvankelijkheid voert de Commissie aan, dat de deelneming van andere natuurlijke of rechtspersonen dan de Lid-Staten en de instellingen van de Gemeenschap in de procedure van een beroep wegens niet-nakoming is uitgesloten, daar die personen de Commissie niet kunnen dwingen, een dergelijk beroep in te stellen. Bovendien zou artikel 37 van 's Hofs Statuut-EEG hun niet het recht verlenen, in een dergelijk geding een verzoek tot voeging in te dienen. De onmogelijkheid van voeging zou impliceren, dat derdenverzet eveneens onmogelijk is.
6
De derde-opposante verzoekt om verwerping van deze exceptie van niet-ontvankelijkheid met het betoog, dat de Commissie de interventieprocedure verwart met de procedure voor derdenverzet. Alleen deze laatste zou de gerechtelijke bescherming waarborgen van derden wier belangen geschaad zijn, ongeacht de aard van het geschil.
7
Bij een overeenkomstig artikel 91, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering ingediend verzoek geschiedt krachtens artikel 91, paragraaf 3, de verdere behandeling van de zaak mondeling, tenzij het Hof anders beslist. In casu is het Hof voldoende op de hoogte van de inhoud van het dossier. Derhalve zijn er termen aanwezig om bij beschikking, zonder mondelinge behandeling, uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van het verzoek.
8
Luidens artikel 39 van 's Hofs Statuut-EEG kunnen „de Lid-Staten, de instellingen van de Gemeenschap en alle andere natuurlijke of rechtspersonen... in de gevallen en overeenkomstig de bepalingen vast te stellen in het reglement voor de procesvoering, derdenverzet instellen tegen de arresten gewezen in rechtsgedingen, waarin zij niet geroepen zijn geweest, indien hun rechten door deze arresten worden geschaad”.
9
Het ter uitvoering van deze bepaling vastgestelde artikel 97 van het Reglement voor de procesvoering bepaalt, dat de derdeopposant in zijn verzoekschrift de punten moet aangeven waarop het bestreden arrest zijn rechten benadeelt alsmede de redenen waarom hij niet aan het hoofdgeding heeft kunnen deelnemen.
10
Artikel 37 van 's Hofs Statuut-EEG bepaalt het volgende: „De Lid-Staten en de instellingen van de Gemeenschap kunnen zich voegen in een voor het Hof aanhangig rechtsgeding. Hetzelfde recht heeft elke andere persoon, die aannemelijk maakt belang te hebben bij de beslissing van een voor het Hof aanhangig rechtsgeding, met uitzondering van de rechtsgedingen tussen Lid-Staten, tussen instellingen van de Gemeenschap, of tussen Lid-Staten enerzijds en instellingen van de Gemeenschap anderzijds.”
11
Blijkens deze laatste bepaling kunnen andere natuurlijke of rechtspersonen dan de Lid-Staten en de instellingen van de Gemeenschap zich niet voegen in onder de artikelen 169 en 170 EEG-Verdrag vallende rechtsgedingen waarin een Lid-Staat of de Commissie het Hof verzoekt, vast te stellen dat een Lid-Staat zijn communautaire verplichtingen niet is nagekomen.
12
Nu deze bepaling die personen niet toestaat, aan dergelijke rechtsgedingen deel te nemen, sluit zij hen bijgevolg uit van het toepassingsgebied van voornoemd artikel 39. Zij voldoen immers niet aan de in dit artikel gestelde voorwaarde, dat derdenverzet alleen kan worden ingesteld door personen die, gelijk artikel 97 van het Reglement voor de procesvoering preciseert, aan het hoofdgeding hadden kunnen deelnemen, daar bovenstaande bepalingen van artikel 37 van 's Hofs Statuut-EEG hen uitsluiten van de niet-nakomingsprocedure.
13
Deze uitlegging van de gezamenlijke bepalingen van de artikelen 37 en 39 van 's Hofs Statuut-EEG vindt voorts steun in het doel van derdenverzet en de rol ervan in de contentieuze procedure.
14
Derdenverzet heeft tot doel, personen die aan het rechtsgeding hadden moeten of hadden kunnen deelnemen, in staat te stellen hun rechten te doen erkennen.
15
Zoals het Hof reeds overwoog in het arrest van 12 juli 1962 (gevoegde zaken 9 en 12/60 TO, Regering van het Koninkrijk België/Société Commerciale Antoine Vloeberghs en Hoge Autoriteit, Jurispr. 1962, blz. 347), dient ter wille van een goede rechtsbedeling en ter wille van de rechtszekerheid zoveel mogelijk te worden vermeden, dat degenen die belang hebben bij de uitkomst van een voor het Hof aanhangig geding, dit belang eerst laten gelden nadat het Hof arrest heeft gewezen en daardoor de rechtsstrijd heeft beslist.
16
Dit vereiste is weliswaar geformuleerd in een arrest van het Hof, gewezen in het kader van het EGKS-Verdrag, maar behoudt ook voor de toepassing van het EEG-Verdrag zijn volle waarde.
17
Onder die omstandigheden zou het paradoxaal zijn, indien personen aan wie artikel 37 van 's Hofs Statuut-EEG verbiedt, zich in een geding te voegen, via derdenverzet het in dat geding gewezen arrest opnieuw aan de orde zouden kunnen stellen.
18
Uit bovenstaande overwegingen volgt, dat andere natuurlijke of rechtspersonen dan de Lid-Staten en de instellingen van de Gemeenschap geen derdenverzet kunnen instellen tegen een arrest van het Hof, gewezen op een beroep wegens niet-nakoming.
19
Bijgevolg is het onderhavige derdenverzet, dat door een beroepsorganisatie is ingesteld tegen het arrest van het Hofvan 15 maart 1988, kennelijk niet-ontvankelijk. Het desbetreffende verzoek moet dan ook worden afgewezen zonder dat behoeft te worden ingegaan op de tweede exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Commissie.
Kosten
Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE
beschikt:
1)
Het derdenverzet wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2)
De derde-opposante wordt in de kosten verwezen.
Luxemburg, 6 december 1989.
De griffier
J.-G. Giraud
De president
O. Due
( *1 ) Procestaai: Grieks.
Full & Egal Universal Law Academy