CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MISCHO
van 18 november 1988 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
In 1983 voerde de regering van het Verenigd Koninkrijk, bezorgd wegens het aantal Spaanse vaartuigen dat zich in het Verenigd Koninkrijk liet registreren en visvergunningen verwierf, een wettelijke regeling in (British Fishing Boats Act en British Fishing Boats Order), waarin werd bepaald dat ten minste 75% van de bemanningsleden van Britse vissersvaartuigen de Britse nationaliteit of die van een andere Lid-Staat moest bezitten om binnen de visserijgrenzen van het Verenigd Koninkrijk te mogen vissen.
2.
Verzoekster in het hoofdgeding, Agegate Ltd, exploiteert een dergelijk vissersvaartuig, de Ama Antxine, dat na registratie in het Verenigd Koninkrijk in 1981, de Britse vlag voert. De bemanning van de Ama Antxine bestaat evenwel nog steeds hoofdzakelijk uit Spaanse vissers, die overigens worden betaald met een aandeel in de besomming, zogenoemde „share fishermen”. Agegate Ltd zelf is een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap met Londen als maatschappelijke zetel. Het aandelenkapitaal is voor 95% in Spaanse en voor 5% in Britse handen.
3.
Op 23 januari 1986 werd een reeks vergunningen van Agegate Ltd voor de Ama Antxine per 1 januari 1986 verlengd. De aan die vergunning verbonden voorwaarden waren evenwel gewijzigd ten einde volgens de Britse autoriteiten een betere garantie te scheppen, dat de vaartuigen die binnen de aan het Verenigd Koninkrijk toegekende quota visten, een „reële economische band” met dat land hadden.
4.
Het betreft drie voorwaarden:
1)
het vaartuig moet zijn activiteiten verrichten vanuit het Verenigd Koninkrijk, vanaf het eiland Man of de Kanaaleilanden;
2)
ten minste 75% van de bemanning moet bestaan uit Britse onderdanen of EEG-onderdanen (tot 1 januari 1988 met uitzondering van Griekse onderdanen en tot 1 januari 1993 met uitzondering van Spaanse en Portugese onderdanen die niet zijn een echtgenoot of een kind beneden de 21 jaar van een Griekse, Spaanse of Portugese werknemer die reeds in het Verenigd Koninkrijk gevestigd is) met gewone woonplaats aan wal in het Verenigd Koninkrijk, op het eiland Man of de Kanaaleilanden.
3)
De kapitein en alle bemanningsleden moeten bijdragen betalen aan het stelsel van sociale zekerheid van het Verenigd Koninkrijk of aan de overeenkomstige stelsels van het eiland Man of de Kanaaleilanden.
5.
Terwijl zaak C-216/87 (Jaderow, Jurispr. 1989, blz. 4509) de eerste voorwaarde voor de exploitatie van vissersvaartuigen betreft, wordt het Hof door de High Court te Londen in de onderhavige zaak in hoofdzaak gevraagd of en in hoeverre de twee andere voorwaarden verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht, dus de voorwaarde betreffende de nationaliteit en de woonplaats, alsook die betreffende het bijdragen aan het socialezekerheidsstelsel door de bemanning van die schepen, een en ander met name in het licht van de uitlegging die moet worden gegeven aan de artikelen 55 en 56 van de Akte betreffende de toetreding van Spanje en Portugal ( 1 ) en aan enkele andere bepalingen van gemeenschapsrecht, onder meer betreffende het gemeenschappelijk visserijbeleid.
6.
Vooraf evenwel vraagt de verwijzende rechter met zijn eerste prejudiciële vraag aan het Hof:
„Aan de hand van welke criteria moet worden vastgesteld, of een visser die wordt beloond met een aandeel in de besomming (share fisherman), een dienstverrichter of een werknemer is ?”
De eerste vraag
7.
Deze vraag is te verklaren door het feit, dat de Toetredingsakte ten aanzien van Spanje overgangsbepalingen bevat inzake het vrije verkeer van werknemers, maar niet inzake het vrije verkeer van diensten.
8.
Luidens artikel 60 EEG-Verdrag
„worden als diensten beschouwd de dienstverrichtingen welke gewoonlijk tegen vergoeding geschieden, voor zover de bepalingen betreffende het vrij verkeer van goederen, kapitaal en personen niet van toepassing zijn”.
Enkel indien derhalve de bepalingen inzake het vrije verkeer van werknemers niet van toepassing zijn, kunnen de bepalingen betreffende het vrij verrichten van diensten aan de orde komen.
9.
In zijn vaste rechtspraak (met name in het arrest van 3 juli 1986, zaak 66/85, La-wrie-Blum, Jurispr. 1986, blz. 2121), heeft het Hof verklaard:
„Daar het vrije verkeer van werknemers een van de grondbeginselen van de Gemeenschap is, mag het begrip werknemer in de zin van artikel 48 niet naar gelang van het nationale recht verschillend worden uitgelegd, maar heeft het een communautaire inhoud.”
10.
Reeds in het arrest van 19 maart 1964 (Unger) ( 2 ) heeft het Hof daarvoor de redenen genoemd, namelijk
„dat, indien dit begrip afhankelijk zou zijn van het nationale recht, iedere Lid-Staat in de gelegenheid zou zijn de inhoud ervan te wijzigen en zodoende bepaalde categorieën van personen naar welgevallen van de bescherming van het Verdrag uit te sluiten”.
Volgens diezelfde uitspraak
„moet het gemeenschapsrechtelijk begrip werknemer, aangezien dat het toepassingsgebied van die fundamentele vrijheid bepaalt, ruim worden uitgelegd”.
11.
Uit het voorgaande volgt, dat men zich in de onderhavige context niet behoeft te baseren op de door de nationale rechtsstelsels aan „share fishermen” gegeven juridische kwalificatie.
12.
Hetzelfde geldt voor de door partijen zelf aan hun rechtsverhouding gegeven kwalificatie. In het arrest-Lawrie-Blum heeft het Hof namelijk verklaard:
„Bij de omschrijving van dit begrip moet worden uitgegaan van objectieve criteria die, wat de rechten en plichten van de betrokkenen betreft, kenmerkend zijn voor de arbeidsverhouding. Het hoofdkenmerk van de arbeidsverhouding is, dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt.” (r.o. 17)
13.
Ofschoon zeker alle door het Hof genoemde elementen een rol spelen bij de bepaling of iemand al dan niet werknemer is, komt toch een bijzonder belang toe aan het feit dat het werk gedurende een bepaalde tijd wordt verricht voor een ander en onder diens gezag. Dit lijkt in casu het geval te zijn.
14.
Het criterium van de vergoeding dient veeleer voor het bepalen of het om een economische activiteit gaat.
15.
Het Hof heeft uitgesproken ( 3 ), dat de hoogte van het genoten inkomen er niet aan in de weg staat dat iemand als werknemer wordt aangemerkt, noch het feit dat zijn inkomen in de tijd varieert. Bij mijn weten is er dan ook geen enkel beletsel om iemand die bij voorbeeld wordt betaald naar verhouding van de door hem gedolven hoeveelheid erts of aan de hand van het aantal door hem in een bepaalde periode vervaardigde banden, als werknemer aan te merken. Het kan dan ook a fortiori niet anders zijn voor een visser die zijn werk, anders dan in de gegeven voorbeelden, verricht in zeer direct verband met dat van anderen die hetzelfde werk verrichten, zonder dat de bijdrage van elkeen aan het eindresultaat afzonderlijk kan worden bepaald. De visser wordt immers beloond op basis van de door de gehele bemanning verrichte arbeid en zijn loon bestaat er niet in dat hij de vis mag behouden die hij persoonlijk en alleen uit zee heeft gehaald, of de tegenwaarde ervan in geld.
16.
Het enkele feit dat het inkomen van „share fishermen” afhangt van de (wisselende) omvang van de vangsten betekent derhalve niet dat zij geen werknemer zouden zijn.
17.
Mijns inziens moet dan ook op de eerste prejudiciële vraag worden geantwoord als volgt:
„een visser die voor een ander en onder diens gezag prestaties verricht waarvoor hij een vergoeding ontvangt, moet worden beschouwd als werknemer in de zin van artikel 48, lid 1, EEG-Verdrag, ook als die vergoeding afhankelijk is van de opbrengst van de vis die hij mede heeft gevangen, en zulks ongeacht de juridische kwalificatie die door het nationale recht of de partijen zelf aan hun rechtsverhouding wordt gegeven”.
De tweede vraag
18.
De tweede prejudiciële vraag luidt als volgt:
„Mag een Lid-Staat na de toetreding van Spanje en Portugal tot de Europese Gemeenschappen bij de afgifte van een vergunning aan de eigenaar of charteraar van een onder de vlag van die Lid-Staat varend en aldaar geregistreerd vissersvaartuig op grond van de artikelen 55 en 56 van de Akte inzake de toetreding van Spanje en Portugal tot de Europese Gemeenschappen (die alleen van toepassing zijn op werknemers) als voorwaarde stellen dat:
i)
75% van de bemanning van een onder de vlag van die Lid-Staat varend en aldaar geregistreerd vissersvaartuig bestaat uit EEG-onderdanen die in die Lid-Staat woonplaats aan wal hebben, doch tot 1 januari 1993 met uitzondering van Spaanse onderdanen die niet een echtgenoot of een kind beneden de 21 jaar zijn van een Spaanse werknemer die reeds in de Lid-Staat die de vergunning afgeeft, is gevestigd, en dat
ii)
de kapitein en alle bemanningsleden bijdragen moeten betalen aan het sociale zekerheidsstelsel van die Lid-Staat ?”
19.
Allereerst zij eraan herinnerd, dat artikel 55 van de Toetredingsakte het volgende bepaalt:
„Artikel 48 van het EEG-Verdrag is, voor wat betreft het vrije verkeer van werknemers tussen Spanje en andere Lid-Staten, slechts van toepassing onder voorbehoud van de overgangsbepalingen neergelegd in de artikelen 56 tot en met 59 van deze Akte.”
20.
In artikel 56, lid 1, eerste alinea, wordt het volgende bepaald:
„De artikelen 1 tot en met 6 van verordening (EEG) nr. 1612/68 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap zijn in Spanje ten aanzien van onderdanen van de andere Lid-Staten en in de andere Lid-Staten ten aanzien van Spaanse onderdanen pas van toepassing vanaf 1 januari 1993.”
21.
De artikelen 1 tot en met 6 van deze verordening ( 4 ), betreffende de toegang tot arbeid in loondienst, vormen op dat punt de uitvoering van het reeds in artikel 48 EEG-Verdrag neergelegde beginsel van gelijke behandeling. Ingevolge de Toetredingsakte wordt dat beginsel derhalve in de betrekkingen tussen Spanje en de andere Lid-Staten tot 1 januari 1993 buiten toepassing verklaard.
22.
Luidens artikel 56, lid 1, tweede alinea, van de Toetredingsakte zijn
„het Koninkrijk Spanje en de andere Lid-Staten bevoegd, onderscheidenlijk ten aanzien van de andere Lid-Staten en ten aanzien van Spaanse onderdanen, tot en met 31 december 1992 de nationale bepalingen of bepalingen die voortvloeien uit bilaterale overeenkomsten waarbij immigratie met het oog op het verrichten van arbeid in loondienst en/of toegang tot arbeid in loondienst aan een voorafgaande vergunning wordt onderworpen, te handhaven”.
23.
Er is gesteld, dat het hier om een zelfde situatie gaat als in het arrest-Peskeloglou ( 5 ), dat betrekking had op artikel 45, lid 1, tweede alinea, van de Akte betreffende de toetreding van Griekenland ( 6 ), dat qua inhoud identiek is aan artikel 56, lid 1, tweede alinea, van de Toetredingsakte van Spanje.
24.
In dat arrest verklaarde het Hof, dat die bepaling, als afwijking van het in artikel 48 EEG-Verdrag neergelegde beginsel van het vrije verkeer van werknemers, eng moet worden uitgelegd en dat de Lid-Staten en de toetredende staten weliswaar op grond daarvan de reeds bestaande beperkingen mogen handhaven, maar na de inwerkingtreding van de Toetredingsakte in geen geval de voorwaarden voor toegang tot een betrekking ten aanzien van hun respectieve onderdanen strenger mogen maken door nieuwe beperkende maatregelen in te voeren (r. o. 12 en 13).
25.
Waarom ging het evenwel in het arrest-Peskeloglou ? De Duitse wetgeving betreffende de toegang tot een betrekking voor onderdanen van derde landen was na de toetreding van Griekenland daadwerkelijk strenger gemaakt, doordat aan de echtgenoot van een buitenlandse werknemer eerst een arbeidsvergunning kon worden verleend na een legaal verblijf in Duitsland van ten minste twee jaar.
26.
In het thans voorliggende geval is de situatie mijns inziens geheel anders. De Spanjaarden werden uitgesloten van de 75% van de bemanning die sinds 1983, het jaar van de vaststelling van de British Fishing Boats Act en Order, moest bestaan uit Britse en gemeenschapsonderdanen, aangezien zij op dat ogenblik geen gemeenschapsonderdanen waren.
27.
Na die datum hadden zij nog steeds niet het recht van toegang tot de arbeidsmarkt, dat door de artikelen 1 tot en met 6 van verordening (EEG) nr. 1612/68 aan werknemers uit de Gemeenschap wordt toegekend, en hun situatie blijft derhalve in dat opzicht vergelijkbaar met die van onderdanen van derde landen. Aangezien de 75%-regeling van voor de toetreding dateert, kan die regeling op hen van toepassing blijven.
28.
Het persbericht van 6 december 1985 en de in alle na die datum verleende visvergunningen voorkomende passage waarin de Spaanse vissers van de 75% werden uitgesloten, vormen geen nieuwe maatregel, maar geven mijns inziens veeleer slechts aan, dat het Verenigd Koninkrijk gebruik wenst te maken van de mogelijkheid die artikel 56, lid 1, van de Toetredingsakte biedt om ten aanzien van de Spaanse onderdanen de voorheen op hen toepasselijke regeling te handhaven.
29.
De voorwaarde van de woonplaats aan wal is geen maatregel ten aanzien van de onderdanen van derde landen of daarmee gelijkgestelden, maar van de onderdanen van de Gemeenschap, Britse burgers daaronder begrepen. Zelfs indien het een nieuwe voorwaarde is, valt zij toch niet onder de standstill-clausule in de Toetredingsakte. De verenigbaarheid ervan met het gemeenschapsrecht in het algemeen moet evenwel hierna worden onderzocht.
30.
Dan wil ik nu nog iets zeggen over de „gemeenschappelijke verklaring betreffende werknemers van de huidige Lid-Staten die in Spanje of Portugal zijn gevestigd en Spaanse of Portugese werknemers die in de Gemeenschap zijn gevestigd, alsmede hun gezinsleden”. ( 7 ) Ik geloof niet dat deze de zojuist gemaakte gevolgtrekking wijzigt.
31.
Die verklaring is als volgt geformuleerd:
„1.
De huidige en de nieuwe Lid-Staten verplichten zich ertoe om op onderdanen van andere Lid-Staten die op regelmatige wijze op het grondgebied verblijven of werken, geen nieuwe restrictieve maatregelen toe te passen indien zij deze na de datum van ondertekening van deze Akte zouden aannemen op het gebied van het verblijf en de werkgelegenheid van buitenlanders.
2.
De huidige en de nieuwe Lid-Staten verplichten zich ertoe om na de ondertekening van deze Akte in hun voorschriften geen nieuwe beperkingen op te nemen ten aanzien van de toegang tot de arbeidsmarkt voor de gezinsleden van deze werknemers.”
32.
De regel dat Spaanse onderdanen uitgesloten blijven van de 75%, vormt zoals gezegd geen nieuwe beperkende maatregel. Hij wordt dan ook niet geraakt door deze gemeenschappelijke verklaring (die trouwens aan de slotakte is toegevoegd en niet aan de Toetredingsakte zelf).
33.
Opgemerkt zij overigens, dat krachtens lid 1 van de Gemeenschappelijke verklaring de verplichting van de huidige en de nieuwe Lid-Staten om geen nieuwe restrictieve maatregelen toe te passen indien zij deze na 12 juni 1985 zouden aannemen op het gebied van het verblijf en de werkgelegenheid van buitenlanders, enkel geldt voor onderdanen van andere Lid-Staten, „die op regelmatige wijze op hun grondgebied verblijven of werken”. De titel zelf bevestigt, dat zij enkel betrekking heeft op Spaanse werknemers die reeds op het grondgebied van een Lid-Staat van de Gemeenschap zijn „geves-tigd”.
34.
Toch vormt de in de nieuwe visvergunningen voorkomende voorwaarde ook ten aanzien van die laatsten geen nieuwe beperking, daar zij enkel bevestigt, dat Spanjaarden evenals vroeger niet tot de 75% van de bemanning kunnen worden gerekend, die uit gemeenschapsonderdanen moet bestaan.
35.
Vóór 12 juni 1985 kon overigens geen enkele Spanjaard als „op regelmatige wijze werkzaam” tot die 75% worden gerekend.
36.
Aan het voorafgaande doet volgens mij niet af, dat artikel 57, lid 1, van de Toetredingsakte onder de aldaar gestelde voorwaarden het recht op toegang tot de arbeidsmarkt toekent aan bepaalde familieleden van een werknemer, namelijk de echtgenoot en bloedverwanten in neergaande lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of te hunnen laste [zie artikel 10, lid 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 1612/68], „die op regelmatige wijze met hem op het grondgebied van een Lid-Staat zijn geïnstalleerd” bij (sub a) of na (sub b) de ondertekening van de Toetredingsakte.
37.
Waarschijnlijk wegens deze bepaling kent het Verenigd Koninkrijk thans het recht om tot de 75% te worden gerekend, toe aan de echtgenoot en kinderen jonger dan 21 jaar van op 12 juni 1985 reeds in het Verenigd Koninkrijk geïnstalleerde Spaanse werknemers. Indien mijn uitlegging juist is, was het Verenigd Koninkrijk daartoe evenwel niet verplicht, aangezien geen enkele Spanjaard vóór die datum het recht had tot de 75% te worden gerekend. Dat recht kon hij dus ook niet op zijn familieleden overdragen.
38.
Aangezien het Verenigd Koninkrijk dat recht evenwel thans toekent aan de familieleden van Spaanse onderdanen die reeds vóór de ondertekening van de Toetredingsakte in het Verenigd Koninkrijk waren geïnstalleerd, moet het dit recht ook toekennen aan de werknemer zelf die aan die voorwaarde voldoet. Voorts zijn, zoals ik hierna zal uiteenzetten, de visquota bedoeld voor dat deel van de bevolking van elke Lid-Staat, dat voor zijn bestaan van de visvangst afhankelijk is. Voor zover een Spaans burger vóór 12 juni 1985 reeds op Britse bodem woonachtig was, is er geen reden om hem te beletten, na die datum en vanaf dat grondgebied de visvangst te beoefenen en tot de 75% te worden gerekend.
39.
Ten slotte zij ten aanzien van de voorwaarde betreffende de sociale zekerheid opgemerkt, dat ter zake de enige overgangsmaatregel in de Toetredingsakte artikel 60 ( 8 ) is, dat evenwel enkel gezins- en kinderbijslagen betreft. De verenigbaarheid van die voorwaarde met het gemeenschapsrecht moet dus evenmin worden beoordeeld met inachtneming van de Toetredingsakte maar met inachtneming van het „commune gemeenschapsrecht”, te meer daar zij voor de gehele bemanning geldt.
40.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof derhalve in overweging, de tweede vraag te beantwoorden als volgt:
„De artikelen 55, 56 en 57 van de Toetredingsakte Spanje en Portugal moeten aldus worden uitgelegd, dat een Lid-Staat op grond van deze bepalingen ten aanzien van Spaanse onderdanen de beperkingen voor de toegang tot arbeid in loondienst op zijn grondgebied mag handhaven, indien die ten aanzien van hen vóór de inwerkingtreding van de Toetredingsakte golden.”
De derde vraag
41.
Terwijl de tweede prejudiciële vraag uitdrukkelijk enkel de artikelen 55 en 56 van de Akte betreffende de toetreding van Spanje en Portugal vermeldt en, door de wijze waarop zij is geformuleerd, uitsluitend betrekking heeft op de situatie van Spaanse onderdanen, betreft de derde vraag zeer in het algemeen de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht, daaronder begrepen het gemeenschappelijk visserijbeleid, van de voorwaarden betreffende de nationaliteit, de woonplaats en de aansluiting bij het socialezekerheidsstelsel, die krachtens de in geding zijnde vergunningen aan 75% respectievelijk aan de gehele bemanning van Britse vissersvaartuigen worden gesteld.
42.
De vraag luidt als volgt:
„Is het hoe dan ook verenigbaar met het gemeenschapsrecht, daaronder begrepen het gemeenschappelijk visserijbeleid, dat na de toetreding van Spanje en Portugal tot de Europese Gemeenschappen de afgifte van een vergunning door een Lid-Staat aan de eigenaar of charteraar van een onder de vlag van die Lid-Staat varend en aldaar geregistreerd vissersvaartuig wordt gekoppeld aan de volgende voorwaarden:
i)
dat ten minste 75% van de bemanning 1. onderdaan is van de Lid-Staat die de vergunning afgeeft, dan wel EEG-onderdaan (doch tot 1 januari 1993 met uitzondering van Spaanse onderdanen die niet een echtgenoot of een kind beneden de 21 jaar zijn van een Spaanse werknemer die reeds in de Lid-Staat die de vergunning afgeeft, is gevestigd in overeenstemming met de overgangsregeling inzake het vrije verkeer van werknemers na de toetreding van Spanje tot de Gemeenschappen, voorzien in het Toetredingsverdrag), en 2. zijn gewone woonplaats heeft in de Lid-Staat die de vergunning afgeeft (dat wil zeggen woonplaats aan wal, dienst aan boord van een onder de vlag van die Lid-Staat varend schip niet daaronder begrepen);
ii)
dat de kapitein en alle bemanningsleden bijdragen betalen aan het socialezekerheidsstelsel van de Lid-Staat die de vergunning afgeeft ?”
A — De voorwaarden betreffende de nationaliteit en de woonplaats
43.
Voor punt i van de derde vraag van de High Court, zij uiteraard allereerst herinnerd aan's Hofs arrest van 19 januari 1988 (zaak 223/86, Pesca Valentia, Jurispr. 1988, blz. 83).
44.
Volgens dat arrest volgt uit de bepalingen van verordening (EEG) nr. 101/76 van de Raad van 14 januari 1976 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector ( 9 ), dat de Lid-Staten, zolang communautaire maatregelen voor de uitoefening van de visserij krachtens artikel 4 van de verordening niet in werking zijn getreden,
„hun eigen regeling voor de uitoefening van de visserij in het gedeelte der zee dat onder hun soevereiniteit of hun jurisdictie valt (artikel 2), mogen toepassen en hun eigen structuurbeleid voor deze sector mogen vaststellen (artikel 1)”.
Het Hof vervolgt:
„Voorts zij opgemerkt dat de verordening het heeft over vissersvaartuigen ‚die onder de vlag’ van een Lid-Staat varen of op diens grondgebied staan ‚ingeschreven’, doch het omschrijven van die begrippen aan de nationale wetgever overlaat.” (r. o. 13)
Het Hof verbond hieraan de conclusie:
„artikel 1, noch artikel 2, lid 1, van de verordening (staat) eraan in de weg, dat een Lid-Staat — gelijk in casu het geval is — een maatregel vaststelt betreffende de samenstelling van de bemanning van onder zijn vlag varende vissersvaartuigen die de visserij beoefenen in het onder zijn jurisdictie vallende gedeelte der zee” (r. o. 14).
45.
Ik herinner eraan, dat de in de zaak-Pesca Valentia aan de orde zijnde Ierse maatregel identiek was aan de Britse maatregel, behalve dat zij geen woonplaatsvereiste bevatte.
46.
Het Hof heeft, na aldus te hebben bevestigd dat de Lid-Staten bevoegd zijn om een dergelijke maatregel vast te stellen, eveneens verklaard (r. o. 21) dat de voorwaarde dat de bemanning voor ten minste een bepaald gedeelte uit gemeenschapsonderdanen moet bestaan, niet in strijd is met artikel 7 EEG-Verdrag.
47.
Nu een deel van de vraag van de High Court dus op basis van het arrest-Pesca Valentia kan worden beantwoord, behoef ik nog slechts het woonplaatsvereiste te onderzoeken.
48.
Alvorens dat punt aan te snijden zou ik evenwel willen benadrukken, dat uit de passage in het arrest-Pesca Valentia betreffende de bevoegdheid van de Lid-Staten om hun structuurbeleid zelf te bepalen, volgt dat zij de bevoegdheid hebben, de capaciteit van hun vissersvloot te beperken ten einde te voorkomen, dat door een ondoordachte toename van het aantal vissersvaartuigen de vangstmogelijkheden van de reeds aanwezige schepen dusdanig zou afnemen dat hun rentabiliteit en de levensstandaard van de aan boord werkzame vissers in gevaar komen.
49.
Verordening (EEG) nr. 101/76 voorziet overigens, dat de Lid-Staten (artikel 8) of de Gemeenschap (artikel 9) steun kunnen verlenen om de produktiviteit van de visserij te bevorderen, met name door herstructurering van de vissersvloten. Verordening (EEG) nr. 2908/83 van de Raad van 4 oktober 1983 inzake een gemeenschappelijke actie voor herstructurering, modernisering en ontwikkeling van de visserij, alsmede voor ontwikkeling van de aquicultuur (PB 1983, L 290, biz. 1), die is gebaseerd op artikel 9, lid 2, van verordening (EEG) nr. 101/76, beoogt eveneens, in het kader van meerjarige programma's, een bevredigend evenwicht te bereiken tussen de vangstcapaciteit en de omvang van de visbestanden (zie met name de derde overweging en de artikelen 3, 4 en 11).
50.
Ten slotte heeft de richtlijn van de Raad van 4 oktober 1983 inzake bepaalde acties voor de aanpassing van de capaciteit in de visserijsector (PB 1983, L 290, biz. 15) ten doel, de Lid-Staten aan te sporen, specifieke acties te nemen voor de structurele aanpassing van hun vissersvloten door middel van hun eigen wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen (zie met name de vijfde, zesde en zevende overweging). Op grond van die richtlijn mogen de Lid-Staten forfaitaire premies toekennen voor de stillegging van vaartuigen waarvan de rentabiliteit door de vangstbeperkingen onzeker is, of beëindigingspremies ter definitieve verlaging van de vangstcapaciteit van de vloten, die door hun technische kenmerken moeilijk aan te passen zijn aan de op middellange termijn te voorziene vangstmogelijkheden.
51.
Uit al deze teksten blijkt, dat de Lid-Staten hun bevoegdheid hebben behouden om binnen de door de Gemeenschap gestelde grenzen alle voor een rationele herstructurering van hun vissersvloot noodzakelijke maatregelen te nemen. Deze bevoegdheid omvat noodzakelijkerwijs ook de bevoegdheid om te weigeren nieuwe vissersschepen in te schrijven, indien de bevoegde autoriteiten van mening zijn, dat een verhoging van het globale tonnage van hun vloot onverenigbaar is met het waarborgen van een redelijke levensstandaard voor degenen die van de visserij leven (zie de vijfde overweging van verordening nr. 101/76).
52.
Dezelfde zorg om een zeker verband te handhaven tussen de vangstmogelijkheden en het aantal vissersvaartuigen heeft vooropgestaan bij de redactie van de artikelen 156 tot en met 164 van de Toetredingsakte van 12 juni 1985. Zonder de vaststelling van de jaarlijkse quota te prejudiciëren, wordt in die bepalingen voor Spanje in een lijst van nominatief aangeduide vaartuigen voorzien, die bij toerbeurt mogen vissen in de onder de jurisdictie van de oude Lid-Staten vallende wateren, en wordt daarnaast bepaald dat die Lid-Staten jaarlijks het aantal schepen vaststellen aan de hand van de aan die Lid-Staten toegekende visserijmogelijkheden in de onder Spaanse jurisdictie vallende wateren.
53.
Ten slotte betekent de opmerking in het arrest-Pesca Valentia dat de Lid-Staten zelf bevoegd zijn om de begrippen „onder de vlag van een Lid-Staat varen” of „aldaar staan ingeschreven” te omschrijven, mijns inziens dat die staten met name bevoegd zijn om passende maatregelen te nemen ten einde te voorkomen dat hun vlag verwordt tot wat men gemeenlijk een „goedkope vlag” noemt.
54.
Rest de vraag of een Lid-Staat die meent niet zover te moeten gaan om de inschrijving van elk nieuw schip te weigeren, toch maatregelen kan nemen om te waarborgen dat de door die schepen gedane vangsten overwegend ten goede komen aan op zijn grondgebied gevestigde vissers.
55.
Bezien wij allereerst, welke regel van gemeenschapsrecht in casu van toepassing is. Aangezien ik voor de beantwoording van de eerste vraag tot de conclusie ben gekomen dat „share fishermen” werknemers zijn, kan het enkel gaan om de artikelen 48 en volgende en om verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, biz. 2). Luidens artikel 1, lid 1, van die verordening heeft
„iedere onderdaan van een Lid-Staat, ongeacht zijn woonplaats, het recht, op het grondgebied van een andere Lid-Staat arbeid in loondienst te aanvaarden en te verrichten, overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die de tewerkstelling van de nationale werknemers van deze staat regelen”.
56.
Thans bezie ik de litigieuze Britse bepaling in het licht van die beginselen.
57.
In de eerste plaats moet ik vaststellen, dat het Verenigd Koninkrijk in het kader van de 75%-regel de onderdanen van andere Lid-Staten volledig met zijn eigen onderdanen heeft gelijkgesteld. Om tot de 75% te kunnen worden gerekend, moeten ook de Britse burgers in het Verenigd Koninkrijk woonachtig zijn. Het woonplaatsvereiste is zonder onderscheid van toepassing op Britse onderdanen en op onderdanen van de andere Lid-Staten.
58.
Na 1 januari 1993 zullen de Spaanse staatsburgers op hun beurt van die gelijkstelling profiteren. In dit gedeelte van mijn betoog moet ik dus de overgangssituatie voor de Spanjaarden buiten beschouwing laten (dit probleem vormt het voorwerp van de tweede vraag van de High Court) en slechts de argumenten bespreken die zijn aangevoerd met betrekking tot het woonplaatsvereiste, zoals die voor de onderdanen van de andere Lid-Staten ongeacht hun nationaliteit, is voorgeschreven.
59.
In de derde plaats verzet het Verenigd Koninkrijk zich niet in algemene zin tegen het vrije verkeer van zeevissers uit andere Lid-Staten, aangezien zij zich op elk moment in dat land mogen vestigen en er hun beroep mogen uitoefenen. De in geding zijnde beperking lijkt veeleer op een verbod om dat beroep uit te oefenen, om zo te zeggen als grensarbeider of seizoenarbeider, zonder dat die termen technisch moeten worden opgevat.
60.
Terzijde zij opgemerkt, dat men zich kan afvragen, of een werknemer die in een Lid-Staat aan boord gaat van een in een andere Lid-Staat geregistreerd schip, om in buiten de twaalf-mijlszone van die andere Lid-Staat gelegen wateren te vissen zonder ooit aan wal te gaan, die niet is aangesloten bij het socialezekerheidsstelsel van dat land, die wordt betaald in de munt van zijn land van herkomst, en die aan het einde van de visreis rechtstreeks terugkeert in een haven in zijn eigen land, wel daadwerkelijk gebruik maakt van het recht om zich vrij te verplaatsen binnen het grondgebied van een andere Lid-Staat (artikel 48, lid 3, sub b, EEG-Verdrag) of in een andere Lid-Staat te verblijven ten einde daar een beroep uit te oefenen (artikel 48, lid 3, sub c). De meeste landen beschouwen schepen immers niet als een deel van het grondgebied van het land waarvan zij de „nationaliteit” bezitten.
61.
Op die vraag zal ik evenwel niet nader ingaan, daar de oplossing van het onderhavige probleem niet kan afhangen van een feitelijke situatie die van geval tot geval kan verschillen.
62.
In de verklaring die de Minister of Agriculture, Fisheries and Food op 6 december 1985 in het Britse parlement heeft afgelegd toen hij de per 1 januari 1986 geldende nieuwe voorwaarden voor visvergunningen presenteerde, stelde hij dat „de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid en in het bijzonder het beginsel van de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten duidelijk in gevaar komen, indien de schepen van andere landen zich kunstmatig aan een andere Lid-Staat kunnen verbinden om uit de quota van dat land te putten”.
63.
Het Britse standpunt komt er derhalve in wezen op neer, dat het bestaan van nationale quota zelf de „objectieve rechtvaardigingsgrond” vormt, waarop elke Lid-Staat zich kan beroepen voor het nemen van maatregelen die moeten verzekeren dat die quota met name ten goede komen aan degenen die op zijn grondgebied van de visvangst leven.
64.
Agegate stelt harerzijds (punt 56 van het rapport ter terechtzitting), dat „het door de Gemeenschap ingevoerde quotastelsel niet een verkapte manier mag zijn om het beginsel van gelijke toegang tot de wateren van de Lid-Staten af te schaffen”.
65.
Ten aanzien van dit laatste argument zij opgemerkt, dat het quotastelsel dat beginsel weliswaar niet afschaft, maar wel de draagwijdte ervan aanzienlijk beperkt, zonder dat dat voor het Hof aanleiding is geweest, het onwettig te verklaren.
66.
Zoals elk gemeenschappelijk beleid berust ook het visserijbeleid op het beginsel van non-discriminatie. In casu is dat beginsel als volgt tot uiting gebracht in artikel 2, lid 1, van verordening (EEG) nr. 101/76:
„De in elk van de Lid-Staten geldende regeling voor de uitoefening van de visserij in het gedeelte der zee dat onder hun soevereiniteit of hun jurisdictie valt mag niet leiden tot verschillen in behandeling ten aanzien van andere Lid-Staten.
Met name dienen de Lid-Staten te waarborgen dat voor alle vissersvaartuigen die onder de vlag van één der Lid-Staten varen en op het grondgebied van de Gemeenschap staan ingeschreven, gelijke voorwaarden gelden ten aanzien van de toegang tot en de bevissing van de visgronden in het in de voorgaande alinea bedoelde gedeelte der zee.”
67.
Het beginsel van „gelijke toegangsvoor-waarden” vormt derhalve voor het zeer bijzondere terrein van de zeevisserij de uitdrukking van het algemene beginsel van non-discriminatie, neergelegd in artikel 7 EEG-Verdrag, dat elders tot uitdrukking komt in de artikelen 48 (vrij verkeer van werknemers), 52 (vrijheid van vestiging) en 59 (vrij verrichten van diensten).
68.
Daar echter op het gebied van de visserij de overbevissing van de bestanden van de voornaamste vissoorten de levensstandaard van degenen die van de visvangst leven in gevaar heeft gebracht, zijn op tijdelijke basis zeer belangrijke uitzonderingen op het beginsel van gelijke toegangsvoorwaarden geschapen door het Toetredingsverdrag van 1972, verschillende verordeningen van de Raad en het Toetredingsverdrag van 1985.
69.
In een zone van zes mijl mogen de Lid-Staten derhalve de vangst beperken tot vaartuigen waarmee traditioneel in die wateren wordt gevist vanuit havens in het geografische kustgebied. Hetzelfde geldt voor de wateren gelegen tussen zes en twaalf mijl, behoudens dat bijlage I van verordening (EEG) nr. 170/83 dienaangaande in bepaalde zones aan de vissers van andere Lid-Staten per soort vastgestelde rechten verleent (soms mogen die rechten ook worden uitgeoefend in de zone tussen 3 of 4 en 12 mijl). In de onder de jurisdictie van de Lid-Staten vallende wateren, dat wil zeggen de wateren tussen 12 en 200 mijl, mogen de Lid-Staten enkel de visserij beoefenen met inachtneming van de vangstquota die elk jaar per soort en per Lid-Staat worden vastgesteld. De door de gemeenschap verworven vangstrechten in onder de jurisdictie van derde landen vallende wateren en in internationale wateren worden evenzo, in de vorm van quota, onder de Lid-Staten verdeeld. Ten slotte is bij de Toetredingsakte voor Spanje en Portugal, die aan de quota verdragswaarde heeft verleend, het aantal vaartuigen beperkt waarmee mag worden gevist.
70.
De verdeling van de totaal toegestane vangsten geschiedt volgens de in artikel 4, lid 1, van verordening (EEG) nr. 170/83 neergelegde regel, luidende:
„Het ... gedeelte dat voor de Gemeenschap beschikbaar is wordt zo onder de Lid-Staten verdeeld dat elke Lid-Staat een relatieve stabiliteit wordt gewaarborgd in de visserijactiviteiten met betrekking tot elk van de betrokken bestanden.”
71.
Voor elke vissoort wordt bij de toekenning van het aan elke Lid-Staat toegekende percentage van het beschikbare vangstvolume rekening gehouden met de door de vloten van de verschillende Lid-Staten in de periode 1973-1978 gemiddeld gevangen hoeveelheden.
72.
„Een dergelijke methode”, aldus het Hof in rechtsoverweging 23 van het arrest-Romkes ( 10 ),
„is niet in strijd met het discriminatieverbod van artikel 7 EEG-Verdrag, aangezien de beperkingen die aan de vissers van elke Lid-Staat worden opgelegd, evenredig zijn aan him vangsten vóór de inwerkingtreding van de communautaire regeling voor de instandhouding van de visbestanden”.
73.
Het quotastelsel vormt derhalve weliswaar een fundamentele afwijking van het beginsel van vrije toegang, die door de visschaarste wordt gerechtvaardigd, maar het is niet in strijd met het beginsel van non-discriminatie, aangezien in dat stelsel de offers die door de vissers van elke Lid-Staat moeten worden gebracht, op objectieve basis worden verdeeld.
74.
Indien dan ook de vissers van één van die Lid-Staten waaraan quota zijn toegekend op basis van hun vangsten in de periode 1973-1978, zich plotseling geconfronteerd zien met de mededinging van schepen die voorheen in een ander land waren geregistreerd en die zeelieden aan boord hebben die in andere Lid-Staten of in derde landen woonachtig zijn, dan kunnen de vissers van de eerste Lid-Staat zich gediscrimineerd achten, aangezien het door de gemeenschapswetgever gewenste evenwicht in offers in hun nadeel wordt verstoord.
75.
Daartegen kan niet worden ingebracht, dat de communautaire quotaregeling enkel ten doel heeft, „aan elke Lid-Staat een relatieve stabiliteit te verzekeren van de visserij op alle betrokken bestanden” en dat het weinig uitmaakt of die visserij geschiedt door 100 of 150 schepen, door personen die in die Lid-Staat wonen of door personen die slechts op doorvaart zijn in de onder de jurisdictie van die staat vallende wateren.
76.
Uit de consideransen en de bepalingen van het merendeel van de verordeningen in de visserijsector blijkt immers duidelijk, dat het doel van al die regelingen is, dat „aan degenen die van de visserij leven een redelijke levensstandaard wordt gewaarborgd” (vijfde overweging van de considerans van verordening (EEG) nr. 101/76 van de Raad van 19 januari 1976 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector).
77.
Dat kan duidelijk enkel degenen betreffen die in een bepaalde Lid-Staat wonen, want indien degenen die enkel op doorvaart zijn in de onder de jurisdictie van die staat vallende wateren, een deel van de nationale quota zouden mogen vangen, dan zou dat de levensstandaard van de eersten in gevaar brengen.
78.
De levensstandaard van in andere Lid-Staten woonachtige vissers moet worden gewaarborgd door de aan die staten toegekende quota.
79.
Het communautaire quotastelsel legt zijn beperkingen op aan alle vissers in een Lid-Staat in verhouding tot de visserijactiviteiten van die vissers vóór de inwerkingtreding van het communautaire stelsel voor het behoud van de visbestanden; het stelsel van nationale quota is ook bestemd om aan die vissers het uitoefenen van hun visserijactiviteiten op een op lange termijn stabiele basis te garanderen.
80.
Dat bijzondere regiem is gerechtvaardigd omdat, zoals de Raad zegt in de tweede overweging van verordening (EEG) nr. 101/76,
„de sector van de zeevisserij ... een oorspronkelijke maatschappelijke structuur heeft en een specifiek karakter in verband met de exploitatie van de zeerijkdommen”.
81.
Wegens die bijzondere kenmerken van de visserijsector en de- noodzaak dat het doel van het quotastelsel wordt bereikt, moet het door het Verenigd Koninkrijk gestelde woonplaatsvereiste als verenigbaar met het gemeenschapsrecht worden beschouwd.
82.
Dat woonplaatsvereiste vormt als het ware het logisch gevolg.van de afwijking van bepaalde regels van gemeenschapsrecht, die uit het quotastelsel als zodanig voortvloeit.
83.
De voorwaarde betreffende de samenstelling van de bemanning kan bovendien worden gezien als een voorschrift voor het gebruik van de nationale quota in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 170/83 van de Raad van 25 januari 1983 tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden (PB 1983, L 24, blz. 1).
84.
Die bepaling is als volgt geformuleerd:
„De Lid-Staten stellen, in overeenstemming met de geldende communautaire bepalingen, de voorschriften vast voor het gebruik van de hun toegewezen quota.”
85.
In het arrest van 3 oktober 1985 (zaak 207/84, De Boer, Jurispr. 1985, blz. 3203, 3218) heeft het Hof verklaard:
„voor zover een nationale regeling het aantal schepen dat op haringvangst kan gaan, regelt door aan de toegang tot het quotum de voorwaarde te verbinden, dat de betrokken visser in staat is om de gevangen haring aan boord tot maatjes ... te verwerken, vormt die regeling een voorschrift voor het gebruik van het quotum in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 170/83, dat tot de bevoegdheid van de Lid-Staten behoort...” (r. o. 28).
86.
Het lijdt derhalve geen twijfel, dat dat artikel de Lid-Staten de bevoegdheid verleent om het recht van hun schepen om te vissen op vissoorten waarvoor een quotum geldt, aan bepaalde voorwaarden te binden.
87.
In casu regelt een Lid-Staat het aantal schepen dat op visvangst kan gaan door als toelatingscriterium voor het quotum te stellen, dat de bemanning van die schepen tot 75% moet bestaan uit gemeenschapsonderdanen die in die staat woonachtig zijn. Aangezien ik die maatregel verenigbaar met het gemeenschapsrecht heb geacht, kon zij dus worden genomen op basis van vorengenoemd artikel 5, lid 2.
88.
Het door de Commissie aan het arrest van 20 april 1978, Ramel ( 11 ), ontleende argument lijkt mij aan die conclusies niet af te doen.
89.
Met name met een beroep op dat arrest stelt de Commissie, dat zelfs indien de gemeenschapswetgever, toen hij de Lid-Staten de bevoegdheid verleende om voorschriften voor het gebruik van de quota vast te stellen, hun had willen toestaan van één van de bepalingen van het Verdrag af te wijken, hij daartoe stellig niet bevoegd was.
90.
Inderdaad heeft het Hof ter zake van het vrij verkeer van goederen meerdere malen geoordeeld ( 12 ), dat indien niet duidelijk een uitzondering is voorzien, die bovendien strikt dient te worden geïnterpreteerd, de bevoegdheden, hoe ruim ook, waarover de gemeenschapsinstellingen beschikken, hun niet toestaan af te wijken of de Lid-Staten te machtigen af te wijken van de bepalingen van het Verdrag, in het bijzonder van de bepalingen die grondbeginselen van de gemeenschappelijke markt betreffen.
91.
Ik stel evenwel vast, dat het Hof dat beginsel weliswaar heeft bevestigd, maar dat het in het arrest-Ramel zelf heeft verklaard dat zulke afwijkingen mogelijk zijn indien een bepaling in het Verdrag daarin voorziet of daartoe machtigt, niet enkel „formeel” maar ook „bij noodzakelijke implicatie” (r. o. 26). Sinds de Toetredingsakte Spanje en Portugal heeft het quotastelsel echter verdragswaarde.
92.
Ook in het arrest van 2 februari 1988 (zaak 61/86, Verenigd Koninkrijk/Commissie, Jurispr. 1988, blz. 431) heeft het Hof uitdrukkelijk verklaard, dat
„een belemmering van het vrije verkeer van goederen binnen de gemeenschappelijke markt ... echter gerechtvaardigd (kan) zijn in een nog niet geheel eengemaakte markt, wanneer zij ongelijkheden moet opheffen die het gevolg zijn van de omstandigheid, dat een gemeenschappelijke marktordening nog niet geheel verwezenlijkt is, opdat produkten die daaronder vallen, op gelijke voorwaarden kunnen worden verhandeld zonder dat de mededinging tussen producenten uit verschillende gebieden kunstmatig wordt vervalst” (r. o. 10 en 11).
93.
Het vrije verkeer van personen maakt op dezelfde voet deel uit van de grondslagen van de Gemeenschap als het vrije verkeer van goederen, zodat die rechtspraak mij evenzeer toepasselijk lijkt op de regels van het Verdrag die dat vrije verkeer van personen garanderen. Mitsdien kunnen uitzonderingen op de desbetreffende verdragsregels, zij het strikt geïnterpreteerd, toelaatbaar zijn, ook als zij niet uitdrukkelijk zijn voorzien, mits zij maar niet verder gaan dan nodig is om te verzekeren dat andere bepalingen van gemeenschapsrecht, die overigens volkomen gerechtvaardigd en in overeenstemming met de doelstelling van het Verdrag zijn, het door de wetgever gewenste effect kunnen hebben.
94.
In de visserijsector was een dergelijke situatie reeds aan het Hof voorgelegd in de zaak-Kramer. Op een tijdstip dat er nog geen gemeenschapsregels inzake de instandhouding en het beheer van de visbestanden bestonden, is de verenigbaarheid van nationale quota met de gemeenschapsregeling op het gebied van het structuurbeleid en de gemeenschappelijke ordening der markten in de visserijsector aan de orde gesteld.
95.
In het arrest van 14 juli 1976 ( 13 ) erkende het Hof, dat dergelijke maatregelen gevolgen kunnen hebben voor de werking van bepaalde onderdelen van het gehele op dat gebied tot stand gebrachte stelsel, met name voor de prijsregeling, en heeft het de Lid-Staten opgedragen ervoor te zorgen dat de vangstbeperkingen zodanig werden toegepast dat de gevolgen ervan tot een minimum worden beperkt. Het Hof concludeerde niettemin, dat een Lid-Staat die dergelijke maatregelen vaststelt, de werking van het communautaire stelsel niet in gevaar brengt (r. o. 50 tot en met 52).
96.
In zijn redenering baseerde het Hof zich uitdrukkelijk op het gehele stelsel en op de doelstellingen van de in de visserijsector tot stand gebrachte regeling, met name op de aard en de „produktie”-voorwaarden van het produkt: vis (r. o. 56 en 57).
97.
Ongetwijfeld moet in het onderhavige geval in aanmerking worden genomen, dat de nationale maatregelen die beogen, de nationale quota ten minste voor een deel ten goede te laten komen van de bevolking van die Lid-Staat die van de visvangst leeft, in overeenstemming zijn met het gehele stelsel en met de doelstellingen van de op dit gebied tot stand gebrachte gemeenschapsregeling.
98.
Ook in andere arresten van het Hof is de mogelijkheid om van een verdragsregel af te wijken, erkend. Zo blijkt uit het „claw-back”-arrest van 2 februari 1988 (zaak 61/86, reeds aangehaald) dat afwijkingen gerechtvaardigd kunnen zijn door de onvolledigheid van een gemeenschappelijke marktordening.
99.
Evenzo heeft het Hof in het arrest van 27 september 1988 (zaak 51/87, Commissie/Raad, Jurispr. 1988, blz. 5459), waarnaar de Commissie ter terechtzitting veelvuldig heeft verwezen, het volgende overwogen :
„bij de huidige stand van de gemeenschappelijke handelspolitiek kan een dergelijk stelsel (van nationale quota, dat distorsies en verleggingen van het handelsverkeer kan veroorzaken) verenigbaar zijn met de artikelen 9 en 113 van het Verdrag, wanneer de verdeling in nationale quota gerechtvaardigd wordt door dwingende omstandigheden van administratieve, technische of economische aard, die aan communautair beheer van het contingent in de weg staan” (r. o. 8).
100.
Ten slotte heeft het Hof in het arrest van 29 november 1978 (zaak 83/78, Pigs Marketing Board, Jurispr. 1978, blz. 2347), dat ter terechtzitting door het Verenigd Koninkrijk is aangehaald, verklaard, dat
„uit artikel 38, lid 2, EEG-Verdrag volgt dat, in geval van onderlinge verschillen, de verdragsbepalingen betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid voorrang hebben op de andere regels voor de instelling van de gemeenschappelijke markt” (r. o. 37).
Het voegde daaraan toe,
„dat derhalve de bijzondere bepalingen tot instelling van een gemeenschappelijke marktordening in de betrokken sector voorrang hebben ten opzichte van de regeling van artikel 37 ten gunste van nationale monopolies van commerciële aard” (r. o. 38).
101.
In het arrest van 4 december 1986 (zaak 205/84, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1986, blz. 3755) heeft het Hof verklaard :
„Terwijl het vergunningsvereiste een beperking op het vrij verrichten van diensten vormt, is het vereiste van een vaste inrichting in feite de ontkenning van die vrijheid. Het leidt ertoe, dat aan artikel 59 van het Verdrag, dat juist strekt tot opheffing van de beperkingen op het vrij verrichten van diensten door personen die niet zijn gevestigd in de staat waar de dienst moet worden verricht, ieder nuttig effect wordt ontnomen.”
Dit belette het Hof evenwel niet, hieraan toe te voegen:
„Wil een dergelijk vereiste aanvaardbaar zijn, dan moet vaststaan dat het onmisbaar is om het beoogde doel te kunnen bereiken” (r.o. 52).
In die zaak was het beoogde doel de bescherming van de verzekeringnemer en de verzekerde, die volgens de Duitse regering enkel voldoende door de autoriteiten kon worden gewaarborgd door middel van toezicht bij een vaste inrichting die over alle noodzakelijke documenten beschikte.
102.
In de zaken-Agegate en -Jaderow is het beoogde doel, nationale quota te reserveren voor degenen voor wie ze zijn ingevoerd, te weten de vissers van iedere Lid-Staat. Zoals gezegd kan het daarbij enkel gaan om vissers die in die Lid-Staat woonachtig zijn, ongeacht hun nationaliteit.
103.
Ten slotte zou ik het arrest van 15 januari 1987 willen aanhalen (gevoegde zaken 271/83, 15/84, 36/84, 113/84, 158/84 en 203/84 en 13/85, Ainsworth, Jurispr. 1987, blz. 167), waarin het Hof heeft erkend, dat wetenschappelijke onderzoekers die dezelfde werkzaamheden verrichten als op dezelfde plaats door andere onderzoekers worden verricht, lager mochten worden bezoldigd, omdat de zeer bijzondere situatie van de United Kingdom Atomic Energy-Authority, waaronder zij, anders dan de andere onderzoekers, vielen, een objectieve rechtvaardiging van dat verschil in behandeling opleverde.
104.
Ik merk tot besluit op, dat in casu de gemeenschapsonderdanen en zelfs de onderdanen van derde landen die niet aan het woonplaatsvereiste voldoen, toch niet noodzakelijkerwijs van de bemanning van Britse vissersvaartuigen worden uitgesloten. Zij kunnen immers nog altijd onder de 25% van de bemanning vallen, voor wie een dergelijke voorwaarde niet geldt.
105.
B — Tot slot moet de voorwaarde worden besproken dat de vissers bij het socialezekerheidsstelsel moeten zijn aangesloten. Dit vereiste geldt voor de gehele bemanning en niet enkel voor degenen die woonachtig moeten zijn in het Verenigd Koninkrijk, op het eiland Man of op de Kanaaleilanden. Dienaangaande zij er allereerst aan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak de bepalingen van titel II van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals uitgebreid tot zelfstandigen bij verordening (EEG) nr. 1390/81 van de Raad,
„een volledig stelsel van conflictregels (vormen), hetgeen ertoe leidt dat de wetgevers der Lid-Staten niet meer bevoegd zijn om de draagwijdte en de toepassingsvoorwaarden van hun nationale wetgeving te bepalen met betrekking tot de personen die eraan onderworpen zijn en het grondgebied waarbinnen de nationale bepalingen effect sorteren. Gelijk het Hof immers overwoog in de arresten van 23 september 1982 (zaak 276/81, Kuijpers, en zaak 275/81, Koks, Jurispr. 1982, blz. 3027, resp. 3013) kunnen de Lid-Staten niet zelf bepalen ‚in hoeverre hun eigen wettelijke regeling of die van een andere Lid-Staat van toepassing is’, en zijn zij ‚gehouden de vigerende gemeenschapsbepalingen na te leven”’ (arrest van 12 juni 1986, zaak 302/84, Ten Holder, Jurispr. 1986, blz. 1821, r. o. 21). ( 14 )
106.
Luidens artikel 13, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 ( 15 ) is
„onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17:
...
c)
op degene die zijn beroepswerkzaamheden uitoefent aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een Lid-Staat vaart, de wetgeving van die Staat van toepassing”.
107.
Mitsdien is een voorwaarde die de gehele bemanning van een vissersvaartuig dat onder Britse vlag vaart, verplicht zich aan te sluiten bij het socialezekerheidsstelsel van het Verenigd Koninkrijk, in beginsel verenigbaar met het gemeenschapsrecht.
108.
Het maakt daarvoor niet uit, of de bemanningsleden voor de werkzaamheden die zij aan boord van dit schip verrichten, als werknemer of als zelfstandige moeten worden beschouwd. Artikel 13, lid 2, sub c, spreekt in algemene zin van „beroepswerkzaamheden”, anders dan sub a en sub b, waarin werkzaamheden in loondienst en anders dan in loondienst worden onderscheiden.
109.
Weliswaar gebruikt de Engelse taalversie de term „employed”, die (in tegenstelling tot sub b „self-employed”) overeenkomstig sub a („employed”) zou kunnen worden begrepen als enkel slaande op werknemers, maar de andere taalversies gebruiken in overeenstemming met de Franse versie respectievelijk bij voorbeeld „Berufstätigkeit”, „beroepswerkzaamheden”, „attività professionale”. Wat meer is, uit de Engelse versie van artikel 14 ter, dat alleen op zeelieden van toepassing is, blijkt duidelijk dat artikel 13, lid 2, sub c, eveneens betrekking heeft op degene die aan boord van een schip als zelfstandige werkzaam is. Er moet dan ook worden vastgesteld, dat hier sprake is van een onjuiste vertaling en dat de wetgever wel degelijk heeft willen bepalen, dat op zeelieden de wetgeving van de vlagstaat van toepassing is, ongeacht of zij als werknemer dan wel als zelfstandige werkzaam zijn.
110.
Artikel 14 ter regelt evenwel bepaalde gevallen waarin de wetgeving van een andere Lid-Staat van toepassing is. De voorwaarde dat de kapitein en de gehele bemanning bijdragen aan het Britse socialezekerheidsstelsel moeten betalen, is dan ook enkel met het gemeenschapsrecht onverenigbaar, wanneer daaraan zo'n absolute draagwijdte wordt gegeven dat er in de gevallen, genoemd in artikel 14 ter, geen uitzondering kan worden gemaakt. Er is evenwel geen reden om aan te nemen, dat de Britse autoriteiten niet bereid zouden zijn, dat artikel toe te passen in de waarschijnlijk uitzonderlijke gevallen dat de daarin voorziene omstandigheden zich voordoen.
111.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de derde prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
„a)
Het gemeenschapsrecht verzet zich er niet tegen, dat een Lid-Staat de toekenning van een visvergunning aan een in die Lid-Staat ingeschreven vissersvaartuig dat onder diens vlag vaart, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat ten minste 75% van de bemanning onderdaan is van de Lid-Staat die de vergunning verleent, of van de Europese Economische Gemeenschap, noch tegen het vereiste dat voor de visserij op soorten waarvoor quota gelden, de betrokken bemanningsleden gewoonlijk op het grondgebied van die Lid-Staat woonachtig zijn.
b)
Behoudens de bijzondere gevallen bedoeld in artikel 14 ter van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad, verzet het gemeenschapsrecht zich er niet tegen dat die Lid-Staat eist, dat de kapitein en de gehele bemanning van een dergelijk vaartuig bijdragen betalen aan het socialezekerheidsstelsel van die staat.”
De vierde vraag
112.
Met zijn vierde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of
„de houder van een dergelijke vergunning voor de nationale rechter een beroep (kan) doen op de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van een of meer van de in de derde vraag bedoelde voorwaarden, ten einde te doen vaststellen dat het opleggen van dergelijke voorwaarden onwettig is en moet worden nietig verklaard”.
113.
De High Court stelt daarmee de vraag of de hiervóór besproken bepalingen van gemeenschapsrecht die, binnen de grenzen van de overgangsbepalingen van de Toetredingsakte Spanje en Portugal, het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap garanderen, rechtstreeks toepasselijk zijn.
114.
In het arrest van 4 december 1974 (zaak 41/74, Van Duyn, Jurispr. 1974, blz. 1337) heeft het Hof voor recht verklaard, dat artikel 48 EEG-Verdrag rechtstreekse werking heeft en „voor particulieren rechten doet ontstaan, welke zij in een Lid-Staat geldend kunnen maken”.
115.
Hetzelfde geldt voor de bepalingen van de verordeningen nrs. 1612/68 ( 16 ) en 1408/71, die naar hun aard voor een nationale rechter kunnen worden ingeroepen.
116.
Zoals ik evenwel hiervóór heb vastgesteld, is de voorwaarde betreffende de samenstelling van de bemanning niet onverenigbaar met het gemeenschapsrecht, zodat de vraag in dat opzicht zonder voorwerp is geraakt.
117.
De voorwaarde van de aansluiting bij het stelsel van sociale zekerheid is, zoals bleek, verenigbaar met het gemeenschapsrecht, behalve wanneer één van de gevallen, bedoeld in artikel 14 ter van verordening (EEG) nr. 1408/71, zich voordoet.
118.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging op de vierde prejudiciële vraag te antwoorden als volgt:
„De bepalingen van artikel 14 ter van verordening (EEG) nr. 1408/71 kunnen door particulieren voor de nationale rechter worden ingeroepen tegen de toepassing van nationale bepalingen die daartegen indruisen.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 1 ) PB 1985, L 302.
( 2 ) Zaak 75/63, Jurispr. 1964, blz. 369,385.
( 3 ) In die zin de arresten van 23 maart 1982 (zaak 53/81, Levin, Jurispr. 1982, blz. 1035) en van 3 juni 1986 (zaak 139/85, Kempf, Jurispr. 1986, blz. 1741).
( 4 ) Verordening nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, biz. 2).
( 5 ) Arrest van 23 maart 1983, zaak 77/82, Jurispr. 1983, blz. 1085.
( 6 ) PB 1979, L 291.
( 7 ) PB 1985, L 302, biz. 480.
( 8 ) Voor Portugal is dat artikel 220.
( 9 ) PD 1976, L 20, blz. 19.
( 10 ) Arrest van 16 juni 1987, zaak 46/86, Romkes, Jurispr. 1987, blz. 2671.
( 11 ) Gevoegde zaken 80 en 81/77, Les Commissionnaires réunis et les fils de Henri Ramel, Jurispr. 1978, blz. 927.
( 12 ) Zie naast liet hiervoor aangehaalde arrcst-Ramel ook de arresten van 7 oktober 1985, zaak 199/84, Migliorini, Jurispr. 1985, blz. 3317, en van 2 februari 1988, zaak 61/86, Verenigd Koninkrijk/Commissie, Jurispr. 1988, blz. 431.
( 13 ) Gevoegde zaken 3/76, 4/76 en 6/76, Kramer, Jurispr. 1976, blz. 1279.
( 14 ) Zie met name het arrest van 10 juli 1986, zaak 60/85, Luijten, Jurispr. 1986, blz. 2365, 2368, 2372, 2373, r.o. 14.
( 15 ) Zie voor een gewijzigde versie verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6).
( 16 ) Zie dienaangaande vooral het arrest van 4 april 1974, zaak 167/73, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1974, blz. 359, r.o. 35.
Full & Egal Universal Law Academy