Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . In het kader van een geschil inzake investeringssteun tussen Andrianou-Gizinou en het Griekse Ministerie van Financiën verzoekt de Rechtbank van eerste aanleg te Athene om uitlegging van verordening nr . 389/82 van de Raad van 15 februari 1982 betreffende producentengroeperingen en unies daarvan in de sector katoen ( PB 1982, L 51, blz . 1 ). De verwijzende rechter wenst met name te vernemen, of de Lid-Staten verplicht zijn de in deze verordening bedoelde voordelen toe te kennen indien aan de gestelde voorwaarden is voldaan, en of zij, bij het maken van een selectie tussen de steunaanvragen, bepaalde groeperingen mogen uitsluiten op grond van hun rechtsvorm .
Andrianou-Gizinou, een landbouwmaatschap naar Grieks recht, is een overeenkomstig artikel 2 van genoemde verordening erkende groepering van katoenproducenten . Op 5 december 1984 diende zij een investeringsplan in, betreffende de aankoop van een plukmachine . De bevoegde nationale autoriteiten keurden dit plan goed en namen het op in het bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen ingediende algemene investeringsprogramma . Bij beschikkingen nrs . 83/106 van 7 maart 1983 en 85/412 van 23 juli 1985 ( PB 1983, L 66, blz . 18, respectievelijk PB 1985, L 229, blz . 19 ) keurde de Commissie dat programma goed .
Aangezien de aanvragen om investeringssteun het in het programma voorziene bedrag overschreden, besloten de Griekse autoriteiten een selectie te maken en de steun bij voorkeur toe te kennen aan op cooeperatieve grondslag georganiseerde groeperingen . De steun werd dus geweigerd aan Andrianou-Gizinou, waarop deze zich tot de Rechtbank van eerste aanleg te Athene wendde, die het Hof bij vonnis van 30 juni 1986 om een prejudiciële beslissing over de navolgende vragen heeft verzocht :
a ) Is ingevolge de bepalingen van de artikelen 4 en 5 van verordening nr . 389/82 een Lid-Staat verplicht om de door een erkende producentengroepering aangevraagde steun voor geplande investeringen in het kader van de in die bepalingen neergelegde doelstellingen uit te keren, wanneer die investeringen zijn goedgekeurd en passen in het jaarlijks economisch steunprogramma van de Lid-Staat?
b ) Kan een Lid-Staat in het sub a bedoelde geval een selectie maken tussen de steunaanvragen en daarbij voorrang geven aan de aanvragen van op cooeperatieve grondslag georganiseerde groeperingen?
Bij het Hof zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de partijen in het hoofdgeding en de Commissie . Deze laatste en de Griekse regering zijn voorts ter terechtzitting verschenen .
2 . Gelijk de Commissie terecht opmerkt, berust de verwijzing naar artikel 4 in de eerste vraag op een vergissing . Voor het antwoord op de vraag van de verwijzende rechter is immers alleen artikel 5 van belang, volgens hetwelk "... de Lid-Staten aan producentengroeperingen en unies, opgericht op de grondslag van artikel 2, steun voor investeringen (( verlenen )) a ) die nodig zijn voor de toepassing van de ... gemeenschappelijke voorschriften (( en )) de ... afzet op de markt; b ) die bestemd zijn voor gebruik door de groepering of unie ...; c ) die passen in ... goedgekeurde programma' s ".
Heel de vraag komt er kennelijk op neer, of het woord "verlenen" al dan niet op een verplichting duidt . Volgens de Griekse regering is dat niet het geval, volgens mij wel . Immers, in communautaire bepalingen waarbij een verplichting wordt opgelegd, wordt geen modaal hulpwerkwoord ( moeten, dienen ) gebruikt om de verplichting aan te duiden, maar gewoon de indicatief van de tegenwoordige tijd . In het EEG-Verdrag kan men daarvan talloze voorbeelden vinden, die voor het merendeel betrekking hebben op de Lid-Staten : zie de artikelen 5, 6, 11, 12, 14, leden 3 en 6, 15, lid 2, 16, 17, leden 2 en 3, 18, 23, lid 1, 27, 31-33, 35, 37, leden 1 en 2, 40, 50, 53, 64, 67, 68, 71, 72, 74, enzovoort .
3 . Nu de tweede vraag . Volgens de Griekse regering is er geen sprake van, dat de administratie bepaalde producentengroeperingen gediscrimineerd zou hebben op grond van hun rechtsvorm; zij zou enkel maar objectieve criteria hebben toegepast . Dit argument overtuigt echter niet . Het wordt tegengesproken door de verwijzende rechter, die er in zijn vraag van uitgaat, dat er een selectie heeft plaatsgevonden op basis van de rechtsvorm van de groeperingen, en door de Griekse regering zelf, die de weigering van de steun aan Andrianou-Gizinou rechtvaardigt met een verwijzing naar het winstoogmerk van die onderneming . Het is immers welbekend, dat cooeperatieve verenigingen zich juist hierin onderscheiden van andere samenwerkingsvormen, dat zij hoofdzakelijk een mutualistisch doel hebben .
Laat ons dan nu artikel 2, lid 1, sub c, van verordening nr . 389/82 eens bezien . Dit bepaalt dat de Lid-Staten de groeperingen erkennen die "rechtspersoonlijkheid bezitten, dan wel voldoende handelingsbevoegdheid om volgens de nationale wetgeving rechten en verplichtingen te kunnen hebben ". Hieruit blijkt duidelijk, dat het er niet op aankomt, welke rechtsvorm de groepering heeft . Hieruit volgt, dat de Lid-Staten bepaalde groeperingen niet enkel op grond van hun rechtsvorm van de in de richtlijn voorziene voordelen mogen uitsluiten .
Een dergelijk verschil in behandeling zou trouwens in strijd zijn met het non-discriminatiebeginsel van artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag, dat de Lid-Staten bij de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in acht dienen te nemen : zie met betrekking tot het begrip bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw, 's Hofs arrest van 18 december 1986 ( zaak 312/85, Villa Banfi, Jurispr . 1986, blz . 4039, r.o . 10 ).
4 . Gelet op het voorgaande geef ik in overweging, de door de Rechtbank van eerste aanleg te Athene bij vonnis van 30 juni 1986 aan het Hof voorgelegde vragen inzake het aldaar aanhangig geding tussen Andrianou-Gizinou en het Griekse Ministerie van Financiën te beantwoorden als volgt :
"c ) Artikel 5 van verordening nr . 389/82 moet aldus worden uitgelegd, dat de Lid-Staten verplicht zijn, de door een erkende producentengroepering aangevraagde steun voor investeringen die binnen de doelstelling van genoemde bepaling vallen, uit te betalen, wanneer die steun is goedgekeurd en in het jaarlijkse economisch steunprogramma past .
d ) Artikel 5 moet in samenhang met artikel 2 aldus worden uitgelegd, dat het de Lid-Staten niet is toegestaan bepaalde producentengroeperingen enkel op grond van hun rechtsvorm van de voordelen van de verordening uit te sluiten ."
(*) Vertaald uit het Italiaans .
Full & Egal Universal Law Academy