Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A - Feiten
1 . In de onderhavige zaak stelt een vrouwelijk ambtenaar beroep in tegen haar ontslag ambtshalve na een lang verlof om redenen van persoonlijke aard . Daarnaast verlangt zij vergoeding van de schade die zij heeft geleden doordat zij niet tijdig is herplaatst in de diensten van verweerster .
2 . Verzoekster was sedert 1961 als ambtenaar in dienst van verweerster, met als standplaats het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek te Ispra . Zij was laatstelijk ingedeeld in de rang C 1 . In december 1975 verzocht zij in het genot te worden gesteld van verlof om redenen van persoonlijke aard, dat haar voor het jaar 1976 werd verleend . Als rechtvaardiging voerde zij gezondheidsredenen aan . Na twee verlengingen zou het verlof om redenen van persoonlijke aard op 5 januari 1979 verstrijken . Reeds in de brief van 4 november 1977 waarin zij om de tweede verlenging vroeg, gaf zij te kennen dat zij na afloop van het verlof weer ter beschikking van verweerster zou staan . Op navraag van het hoofd van de administratie te Ispra, de heer H . Hannaert, ( brief van 19 januari 1979 ) antwoordde verzoekster bij brief van 1 februari 1979 dat zij herplaatst wilde worden .
3 . Ongeveer twee jaar later, op 18 maart 1981, werd verzoekster met een standaardbrief van de administratie ervan in kennis gesteld, dat er tot dan toe geen post in haar rang was vrijgekomen, en werd haar onder meer gevraagd of zij onmiddellijk dan wel later wenste te worden herplaatst . Zij antwoordde bij brief van 14 april 1981, dat zij belangstelling had voor een latere herplaatsing, en wel uitsluitend in de standplaats Ispra . Een jaar later werd verzoekster bij brief van 4 februari 1982 een post te Ispra aangeboden . Daarop deelde verzoekster de administratie mee, dat zij een Luxemburger had gehuwd en derhalve de voorkeur gaf aan herplaatsing te Luxemburg . Voorts liet zij verweerster weten, dat zij nog slechts halve dagen werkte . Op haar vraag of een overgang naar Luxemburg mogelijk was en het aanbod ook nog geldig bleef wanneer het haar bedoeling was meteen naar Luxemburg te verhuizen, antwoordde Hannaert, dat het niet mogelijk was de vacature voor een overgang naar Luxemburg te reserveren en dat zij zich beter rechtstreeks tot de diensten te Luxemburg kon wenden .
4 . Nog in april 1982 had verzoekster een telefoongesprek met een vertegenwoordiger van de afdeling Personeelszaken te Luxemburg, naar aanleiding waarvan zij verweerster op 5 april 1982 schriftelijk meedeelde, dat het haar om redenen in verband met de beroepswerkzaamheden van haar echtgenoot voorlopig onmogelijk was, in dienst van verweerster te Luxemburg te treden . Zij vroeg, haar aanvraag naar een latere datum te verschuiven, maar behield zich de mogelijkheid voor om zelf opnieuw contact op te nemen .
5 . Bijna twee jaar later, op 28 mei 1984, werd haar door de diensten te Ispra gevraagd, of zij te Ispra dan wel in een andere standplaats herplaatst wilde worden . Zij antwoordde, dat van herplaatsing te Ispra voor haar geen sprake meer kon zijn . Op 15 oktober 1984 werd haar een tweede aanbod - standplaats Ispra - gedaan, waarop zij op 28 oktober 1984 antwoordde, dat zij geen herplaatsing te Ispra meer wenste en in rechtstreeks contact stond met de afdeling Personeelszaken te Luxemburg . Na een drukke briefwisseling over de geldigheid van beide aanbiedingen liet verzoekster op 16 december 1984 weten, dat haar beroepswerkzaamheid om gezondheidsredenen op losse schroeven was komen te staan .
6 . Bij brief van 4 juni 1986 werd verzoekster meegedeeld, dat de procedure tot het verlenen van ontslag ambtshalve zou worden ingeleid . Bij brieven van 1 juli 1985 en 6 september 1985 opperde zij hiertegen bezwaren . Na het horen van de paritaire commissie op 14 november 1985, besloot het tot aanstelling bevoegde gezag op 25 maart 1986, verzoekster ambtshalve ontslag te verlenen . Tegen dit besluit diende zij op 18 juni 1986 een klacht in, waarin zij onder meer stelde, dat zij het tweede aanbod nooit uitdrukkelijk van de hand had gewezen; zij zou tijdens de procedure tot het verlenen van ontslag ambtshalve bovendien niet zijn gehoord .
7 . Verzoekster concludeert dat het den Hove behage :
1 ) nietig te verklaren het besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag van 25 maart 1986 alsook het stilzwijgend besluit tot afwijzing van haar klacht,
2 ) verweerster te veroordelen om haar bij de eerste vacature te herplaatsen op een post van haar categorie en rang, en wel, wat anciënniteit en pensioenregeling betreft, met terugwerkende kracht tot 5 januari 1979,
3 ) verweerster te veroordelen om verzoekster te betalen de som van de bezoldigingen sedert 5 januari 1979, onder aftrek van de elders ontvangen netto beroepsinkomsten doch vermeerderd met rente op de voet van 8 % 's jaars vanaf de dag waarop zij herplaatst had moeten worden,
4 ) verweerster te verwijzen in de kosten .
8 . Verweerster concludeert tot verwerping van het beroep .
9 . Voor nadere feitelijke bijzonderheden en voor het betoog van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting .
B - Standpunt
1 . Het beroep tot nietigverklaring
10 . Eerst dient de rechtmatigheid van het bestreden ontslagbesluit van 25 maart 1986 te worden onderzocht . In artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut zijn de voorwaarden voor een dergelijk ontslag geformuleerd als volgt :
"Na het verstrijken van het verlof om redenen van persoonlijke aard moet de ambtenaar bij de eerste vacature worden herplaatst in een tot zijn categorie of groep behorend ambt dat met zijn rang overeenkomt, mits hij de voor dit ambt vereiste geschiktheid bezit . Indien hij het hem aangeboden ambt weigert, behoudt hij, onder dezelfde voorwaarde, het recht om bij de tweede vacature te worden herplaatst in een tot zijn categorie of groep behorend ambt dat met zijn rang overeenkomt; indien hij ten tweeden male weigert, kan hij, nadat de Paritaire Commissie is geraadpleegd, ambtshalve worden ontslagen ."
11 . Het tot aanstelling bevoegde gezag kan dus een ambtenaar ambtshalve ontslaan, wanneer hem twee geldige aanbiedingen zijn gedaan, die hij beide van de hand heeft gewezen . In artikel 49, tweede alinea, Ambtenarenstatuut, dat het ontslag ambtshalve regelt, is, naast het vereiste dat de paritaire commissie moet worden gehoord, de verplichting om de ambtenaar te horen, neergelegd in de volgende bewoordingen :
"Nadat de betrokkene is gehoord en het advies van de paritaire commissie is ingewonnen, neemt het tot aanstelling bevoegde gezag een met redenen omkleed besluit ."
Derhalve rijst de vraag of verweerster verzoekster twee geldige aanbiedingen heeft gedaan, die deze van de hand heeft gewezen, en of de procedure een normaal verloop heeft gehad .
12 . Het eerste aanbod werd verzoekster onbetwistbaar gedaan op 4 februari 1982 . Het ging om een post in verzoeksters categorie en rang in de standplaats Ispra . Tot dan toe had verzoekster nooit de wens uitgesproken om in een andere standplaats te worden herplaatst . Eerst bij brief van 15 februari 1982 - het antwoord op het aanbod - gaf zij voor het eerst haar voorkeur voor de standplaats Luxemburg te kennen . Het aanbod van 4 februari 1982 kon ten hoogste te laat zijn gedaan . Deze omstandigheid kan in dit verband echter in het midden worden gelaten, daar het concrete aanbod niet zijn regelmatigheid verliest doordat de administratie daarvóór mogelijkerwijs onjuist heeft gehandeld . Hooguit kan in een andere context de vraag rijzen, welke rechtsgevolgen aan een gestelde vertraging van het aanbod moeten worden verbonden . Het aanbod is dus geldig .
13 . Daarmee rijst de vraag, of het door verzoekster is "geweigerd" in de zin van artikel 40, lid 4, sub d, Ambtenarenstatuut . Daar verzoekster zich niet uitdrukkelijk in de zin van een aanvaarding noch in de zin van een weigering heeft uitgesproken, moet het antwoord blijken uit de uitlegging van haar gedrag, met name uit de overgelegde briefwisseling .
14 . Daarbij moet om te beginnen worden vastgesteld, hoe de rechtssituatie er voor verzoekster uitzag . In de brief waarbij haar de post werd aangeboden, was haar een termijn van twee weken na ontvangst verleend om haar belangstelling voor de post te laten blijken of deze te weigeren . Tevens werd haar meegedeeld dat, indien zij binnen de gestelde termijn niet reageerde, zulks als een weigering zou worden uitgelegd . Weliswaar heeft verzoekster binnen de termijn geantwoord, maar zij heeft daarbij slechts verzocht om inlichtingen over de vraag of een spoedige overgang naar Luxemburg mogelijk was en of het aanbod ook dan nog geldig zou zijn, wanneer het haar bedoeling was meteen naar Luxemburg te worden overgeplaatst . Op het afwijzende antwoord van het hoofd van de administratie Hannaert, dat de post niet voor een overgang naar Luxemburg kon worden gereserveerd, heeft zij niet meer gereageerd . Vaststaat, dat zij het aanbod onmiddellijk noch op een later tijdstip heeft aanvaard .
15 . De administratie heeft dit stilzwijgen van verzoekster dan ook terecht als een weigering opgevat . Zuiver hypothetisch is het weliswaar juridisch mogelijk, een aanbod ook zonder uitdrukkelijke verklaring te aanvaarden . Dat ontslaat de betrokkene echter geenszins van de verplichting, zijn aanvaarding in een of andere vorm voor de buitenwereld duidelijk kenbaar te maken . Het afzien van een verklaring dat men aanvaardt, kan niet tot gevolg hebben, dat ook de uiting van de wil tot aanvaarding overbodig is . Door geen kennisgeving te verlangen van de wil om zich rechtens te binden, zou men aan een rechtens irrelevant gedrag rechtsgevolgen verbinden, die dan onder omstandigheden tegen de wil van de potentieel aanvaardende partij rechtsbetrekkingen doen ontstaan .
16 . Verzoekster voert nu aan, dat het aanbod na de brief van Hannaert niet meer geldig was, zodat zij het ook niet meer kon aanvaarden . Zelfs wanneer men ervan uitgaat dat verzoekster, ook zonder onmiddellijke aanvaarding van het aanbod, nog de mogelijkheid had moeten hebben om er zich ook op een later tijdstip op te beroepen, dan zou dat wellicht nog mogelijk zijn geweest onder de door de administratie gestelde voorwaarden, daar in de brief van Hannaert enkel was gepreciseerd, dat er geen sprake van kon zijn, de post voor een overgang naar Luxemburg te "reserveren ". Verzoekster heeft zich echter nooit bereid verklaard, de post te Ispra toch te aanvaarden . Daar verzoekster sinds geruime tijd helemaal niet meer in contact was getreden met de administratie, kan uit de omstandigheden evenmin een aanvaarding van het aanbod worden afgeleid . Wordt een aanbod echter uitdrukkelijk noch stilzwijgend aanvaard, dan moet dat als een "weigering" in de zin van artikel 40, lid 4, sub d, Ambtenarenstatuut worden uitgelegd, te meer daar verweerster zich reeds schriftelijk in die zin had uitgesproken .
17 . Het tweede aanbod werd verzoekster op 15 oktober 1984 gedaan, ook nu voor de standplaats Ispra . Tegen de geldigheid van dit aanbod kunnen echter in tweeërlei opzicht bezwaren worden gemaakt . In de eerste plaats rijst de vraag, of de aangeboden post met verzoeksters categorie en rang overeenkwam . Bovendien is het onzeker of een aanbod in de standplaats Ispra op dat ogenblik toelaatbaar was en of de administratie niet in het kader van haar zorgplicht en op grond van haar eerdere gedrag krachtens het vertrouwensbeginsel gehouden was, een aanbod voor Luxemburg te doen . Ten slotte heeft verzoekster kritiek op het feit, dat de aangeboden post reeds sedert zeventien maanden vacant was verklaard, voordat hij haar werd aangeboden .
18 . Het is een feit, dat de aan verzoekster aangeboden post was uitgeschreven als een C 5/C 4-post . Reeds uit het schriftelijke aanbod aan verzoekster was echter duidelijk op te maken, dat zij in haar rang C 1 zou worden herplaatst . Verweersters raadsman heeft ook ter terechtzitting uitdrukkelijk bevestigd, dat verzoekster vanzelfsprekend in haar rang had moeten worden herplaatst . De discrepantie tussen de indeling als C 5/C 4 in de kennisgeving van vacature en de mogelijke daadwerkelijke aanstelling als C 1, zou beantwoorden aan een praktijk van verweerster om vacatures, voor zover daarin met externe kandidaten wordt voorzien, zo laag mogelijk in te schalen . Anders zou het echter zijn wanneer er - zoals bij voorbeeld in verzoeksters geval - prioriteiten voor de aanstelling zijn . Deze praktijk kan verzoekster geen juridisch nadeel berokkenen en is in casu niet vatbaar voor kritiek . In dit opzicht was het aanbod dus niet gebrekkig .
19 . Het aanbod in oktober 1984 voor de standplaats Ispra zou echter in strijd kunnen zijn geweest met het vertrouwensbeginsel, daar het verweerster al sinds februari 1982 bekend was dat verzoekster bij voorkeur te Luxemburg herplaatst wilde worden . In beginsel moet ervan worden uitgegaan, dat de ambtenaar slechts recht heeft op herplaatsing in de standplaats en bij het directoraat-generaal waar hij was tewerkgesteld . Dit betekent echter niet, dat herplaatsing in een andere standplaats volstrekt onmogelijk is . Verweerster heeft door haar gedrag ook de schijn gewekt, dat verzoekster de standplaats voor haar herplaatsing vrij kon kiezen . Zo heeft zij bij voorbeeld reeds in haar brief van 3 april 1979 eigener beweging meegedeeld, dat verzoekster zich wegens het geringe aantal vacatures tot andere onderzoekscentra en tot de bevoegde diensten te Brussel en Luxemburg kon wenden . In de standaardbrief van 18 maart 1981 werd gevraagd, of het verzoek om herplaatsing alleen voor Ispra of ook voor andere standplaatsen gold en of ook de vacatures in de andere standplaatsen van de Commissie moesten worden meegedeeld . In verweersters brief van 8 maart 1982 werd verzoekster uitgenodigd, zich rechtstreeks tot de Commissie te Luxemburg te wenden . Zelfs nog in de brief van 28 mei 1984 werd verzoekster gevraagd of zij voor haar herplaatsing uitsluitend Ispra op het oog had dan wel een andere standplaats . Al deze brieven geven op zijn minst aanleiding tot misverstand . Nu verweersters raadsman ter terechtzitting heeft verklaard, dat ambtenaren in de standplaats Ispra nooit een serieuze kans hebben gehad op herplaatsing te Luxemburg, hangen voornoemde brieven - waaronder persoonlijke zowel als standaardbrieven - een onrealistisch beeld op van de daadwerkelijk bestaande mogelijkheden .
20 . Overigens heeft verzoekster haar huwelijk met een Luxemburger als reden voor haar herplaatsing te Luxemburg opgegeven . Ook in dit opzicht was verweerster in het kader van haar zorgplicht gehouden, stappen te doen voor herplaatsing in de standplaats Luxemburg .
21 . Met dergelijke verlangens kan echter slechts rekening worden gehouden, voor zover er ook daadwerkelijk aan kan worden voldaan . Volgens het onweersproken betoog van verweersters raadsman, waren er in de relevante periode van 1982 tot 1984 geen C 1-posten voor ambtenaren van oorsprong uit andere standplaatsen beschikbaar . Derhalve kan verweerster niet worden verweten, dat zij geen C 1-post te Luxemburg heeft aangeboden .
22 . Bovendien kan ook een eventuele uit de zorgplicht voortvloeiende gehoudenheid van de werkgever niet los van het gedrag van de ambtenaar worden gestaafd of beoordeeld . De zorgplicht is immers, zoals het Hof reeds meermaals heeft geoordeeld ( 1 ), een weergave van het door het Statuut geschapen evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen in de betrekkingen tussen de administratie en de ambtenaren .
23 . Verzoekster heeft haar wens om in Luxemburg te worden tewerkgesteld, voor het eerst in februari 1982 te kennen gegeven . Verweersters afdeling Personeelszaken te Luxemburg had zich harerzijds bij telegram van 1 april 1982 tot verzoekster gewend om over een aanbod te onderhandelen . Na een telefoongesprek op 2 april 1982 liet verzoekster weten, dat herplaatsing te Luxemburg wegens de beroepswerkzaamheden van haar echtgenoot op dat moment onmogelijk was . Zij toonde belangstelling voor een herplaatsing begin 1983, doch behield zich tevens de mogelijkheid voor om zelf opnieuw contact op te nemen . Het aangekondigde contact bleef echter uit, zodat de situatie er voor de administratie als volgt uitzag : de bevoegde dienst was Ispra . Daar wist men echter van verzoeksters wensen om te Luxemburg tewerk te worden gesteld . Te Luxemburg daarentegen had men vernomen, dat van een werkhervatting tot nader order geen sprake was, zodat men geheel overeenkomstig verzoeksters bedoeling de procedure liet rusten . Toen verweerster vervolgens meer dan twee jaar later het initiatief nam en duidelijkheid verlangde over de vraag, of verzoekster nog wel herplaatst wilde worden, viel daarop niets aan te merken . Verzoekster antwoordde weliswaar dat zij niet meer naar Ispra wilde, maar gaf niet concreet het voornemen te kennen om te Luxemburg te worden herplaatst . Tegen deze achtergrond was het zeker gerechtvaardigd, de onzekere toestand te beëindigen door een tweede aanbod van de bevoegde dienst . Derhalve is ook het tweede aanbod van 15 oktober 1984 op geoorloofde wijze gedaan .
24 . Verzoekster voert nu aan, dat zij dit tweede aanbod nooit van de hand heeft gewezen . Ook hier moet er van worden uitgegaan, dat zij het aanbod binnen een termijn van twee weken had moeten aanvaarden . Omtrent de mogelijke gevolgen van een weigering was zij intussen meermaals geïnformeerd, onder meer reeds in het eerste schriftelijke aanbod en in de brief van 15 oktober 1984 . Uiterlijk bij ontvangst van het schriftelijke aanbod moest het verzoekster duidelijk zijn, dat zij met betrekking tot de standplaats geen keuze meer had . Toch heeft zij het aanbod niet binnen de gestelde termijn aanvaard . Zij deelde bij brief van 28 oktober 1984 juist mee : "... Je n' envisage plus d' être réintégrée à Ispra ". Daarop ontspon zich een briefwisseling over de geldigheid van de aanbiedingen, waarbij verweerster herhaaldelijk stelde, dat zij die beschouwde als geldig en definitief van de hand gewezen . In geen van die brieven heeft verzoekster zich bereid verklaard, de aanbiedingen definitief te aanvaarden .
25 . In zaak 108/79 ( 2 ) oordeelde het Hof dat een formele, doch niet geëffectueerde aanvaarding van een aanbod als een weigering in de zin van artikel 40, lid 4, van het Statuut moet worden beschouwd . Of een vacante post wordt bezet, wordt bepaald door de vereisten van de openbare dienst en niet door de persoonlijke wensen van de ambtenaar .
26 . Ten slotte meende verzoekster een juridisch gebrek van het tweede aanbod te kunnen afleiden uit de omstandigheid, dat het aanbod haar eerst zeventien maanden na de officiële kennisgeving van vacature werd gedaan . Dit argument zou haar vordering eventueel hebben kunnen staven, indien zij het aanbod onverwijld had aanvaard . Zoals bekend, was verzoekster echter reeds ten tijde van de kennisgeving van de vacature op 29 april 1983 niet meer in terugkeer naar Ispra geïnteresseerd . ( 3 ) Uit het tijdstip van het schriftelijke aanbod kunnen derhalve geen rechten ten gunste van verzoekster worden afgeleid .
27 . Verzoeksters reactie op het tweede aanbod, dat zij niet te Ispra wilde worden herplaatst, is duidelijk en ondubbelzinnig . Daaraan kunnen ook de latere pogingen om de geldigheid van de aanbiedingen in twijfel te trekken, niets veranderen . Er moet derhalve van uit worden gegaan, dat verzoekster beide aanbiedingen heeft geweigerd in de zin van artikel 40, lid 4, Ambtenarenstatuut . Daarmee was voldaan aan de voorwaarden waaronder verweerster de procedure tot het verlenen van ontslag ambtshalve mocht inleiden .
28 . Bij brief van 4 juni 1985 werd verzoekster ervan in kennis gesteld, dat de administratie de procedure tot het verlenen van ontslag ambtshalve zou inleiden . Verzoekster heeft gesteld, dat het gekozen tijdstip in strijd was met het vertrouwensbeginsel . Maar ofschoon zij de administratie had laten weten, dat zij van april tot augustus 1985 niet in haar woonplaats zou verblijven, is het tijdstip waarop de procedure werd ingeleid, niet vatbaar voor kritiek . Verzoekster had verweerster jarenlang in onzekerheid gelaten omtrent de vraag of zij opnieuw in dienst van verweerster wilde treden en zo ja, voor hele of halve dagen en in welke standplaats . Er kan van worden uitgegaan, dat het in het welbegrepen belang van verzoekster was, de rechtssituatie in het ongewisse te laten en de aanbiedingen niet eerder te doen . Nadat beide aanbiedingen van de hand waren gewezen en aan de juridische voorwaarden voor ontslag ambtshalve was voldaan, kon de omstandigheid dat verzoekster langere tijd niet in haar woonplaats verbleef, verweerster niet beletten, de procedure voort te zetten .
29 . Weliswaar had verzoekster in de briefwisseling na het tweede aanbod de geldigheid van de aanbiedingen in twijfel getrokken, maar zelfs in dit stadium, waarin zij kennelijk ervan uitging dat het haar nog vrijstond, weer in dienst van verweerster te treden, liet zij de administratie weten dat haar beroepswerkzaamheden - ook voor halve dagen - om gezondheidsredenen onzeker waren ( brief van 16 december 1984 ). Dat zij zich voor vier maanden als het ware heeft "afgemeld", zonder een adres achter te laten waar zij kon worden bereikt, kan niet in het nadeel van verweerster uitvallen . In geval van langdurige afwezigheid moest verzoekster ervoor zorgen, dat haar post werd nagezonden . Daar verzoekster ook nog na het tweede aanbod voortging met haar dubbelzinnig en tegenstrijdig gedrag, was de inleiding van de ontslagprocedure niet ongegrond .
30 . In de gevoegde zaken 126/75, 34 en 92/76 ( 4 ), waarin moest worden beslist over het plichtsverzuim van het tot aanstelling bevoegde gezag wegens te late herplaatsing, achtte het Hof het gedrag van de instelling niet onrechtmatig, daar het gedrag van de betrokkene tot onzekerheid had geleid, waardoor er twijfel omtrent zijn wil tot herplaatsing was ontstaan .
31 . Voor zover dus het tijdstip waarop de procedure werd ingeleid, niet vatbaar is voor kritiek, rest enkel nog verzoeksters grief, dat zij niet is gehoord . Blijkens de door verzoekster zelf overgelegde stukken heeft zij zowel bij brief van 1 juli 1985 als bij brief van 6 september 1985 haar standpunt bepaald met betrekking tot de ontslagprocedure . De verplichting de betrokkene te horen, is een uitvloeisel van het beginsel van hoor en wederhoor . In verweersters brief van 4 juni 1985 werden verzoekster alle wezenlijke omstandigheden meegedeeld en werd zij uitdrukkelijk verzocht, haar standpunt te bepalen in de zin van artikel 49, tweede alinea, van het Statuut . Alleen de omstandigheid dat zij na het advies van de paritaire commissie niet opnieuw in de gelegenheid werd gesteld haar standpunt te bepalen, zou in strijd kunnen zijn met artikel 49, tweede alinea, Ambtenarenstatuut . Er moet evenwel van worden uitgegaan, dat de volgorde van de hoorzittingen niet is voorgeschreven . Volgens de strekking van de bepaling moet de betrokken ambtenaar gelegenheid hebben om op elk cruciaal moment zijn mening te kennen te geven . Juist deze mogelijkheid had verzoekster en zij heeft er ook gebruik van gemaakt .
32 . Daaraan doet niet af, dat zij niet door het tot aanstelling bevoegde gezag, dat wil zeggen directeur-generaal Dinkespiler, is verzocht haar standpunt te bepalen, maar door het hoofd van de administratie . Haar tegenwerpingen waren in het dossier vermeld en konden bij het besluit in aanmerking worden genomen . Daar dus ook geen procedurele rechten van verzoekster zijn geschonden, is het besluit van 25 oktober 1986 rechtmatig . Dat verweerster door haar handelwijze niet haar zorgplicht heeft verzuimd, blijkt ten slotte ook uit de omstandigheid dat zij verzoekster nog tijdens de klachtprocedure de mogelijkheid heeft geboden, het geschil minnelijk bij te leggen, en verzoekster ook nu nog opnieuw in dienst zou nemen, gesteld dat zij inderdaad bereid is te werken .
2 . Het beroep tot schadevergoeding
33 . Naast het beroep tot nietigverklaring heeft verzoekster een beroep tot schadevergoeding ingesteld, waarvan reeds de ontvankelijkheid twijfelachtig is . Zoals bekend, wordt een ambtenarenberoep voorafgegaan door de klachtprocedure overeenkomstig de artikelen 90 en 91 Ambtenarenstatuut, die enerzijds een minnelijke schikking mogelijk moet maken en anderzijds het voorwerp van het geschil afbakent . Ook al is in het belang van de ambtenaar een onbekrompen uitlegging van de klacht op haar plaats, tijdens de beroepsprocedure kan geen nieuw voorwerp van geschil worden aangevoerd .
34 . In haar klacht is verzoekster uitsluitend opgekomen tegen het ontslagbesluit . Slechts in het kader van het onderzoek naar de rechtmatigheid van dit besluit is verweersters gedrag voorwerp van het geschil . Hiertegen pleit evenmin de ruime uitlegging van het in de klacht omschreven voorwerp van het geschil, zoals in de zaak Sergy . ( 5 ) Hier moest de rechtmatigheid van een herplaatsingsbesluit worden onderzocht en de door de onrechtmatigheid ervan veroorzaakte schade worden vergoed . Deze vordering was echter reeds - zij het niet in alle bijzonderheden - in de klacht geformuleerd . ( 6 ) Daar zulks hier niet het geval was, is het beroep tot schadevergoeding mijns inziens bij gebrek aan voorafgaande klacht niet-ontvankelijk .
35 . Maar ook wanneer men het als ontvankelijk beschouwt, dan nog zal het inhoudelijk niet slagen, daar een onrechtmatige gedraging van verweerster ontbreekt . Verweersters eerste aanbod aan verzoekster in februari 1982 kwam wellicht te laat, aangezien verzoekster zich meteen na het verstrijken van haar verlof om redenen van persoonlijke aard bereid had verklaard om te worden herplaatst . Volgens de verklaringen van verweersters raadsman ter terechtzitting evenwel was er te Ispra van 1979 tot 1981 geen C 1-post beschikbaar . Daarnaast moet ook het gedrag van verzoekster zelf in de beschouwing worden betrokken . Dat bij de beoordeling van de plichten van de administratie ook het gedrag van de ambtenaar in aanmerking moet worden genomen, heeft het Hof reeds in de zaken Sergy en Pizziolo ( 7 ) verklaard . Verzoekster had zich twee jaar lang niet aantoonbaar om een post beijverd . Eerst op initiatief van verweerster deelde zij in 1981 mee, dat zij belangstelling had voor een latere herplaatsing . Ook verzoeksters raadsman heeft ter terechtzitting erkend, dat partijen zich tot 1984 volstrekt eensgezind hadden gedragen . Derhalve pleit het door verzoekster niet ontkrachte prima facie bewijs ervoor dat, aangezien er onmiddellijk na het verstrijken van het verlof om redenen van persoonlijke aard geen post te bezetten was, de vertraging van het aanbod ook in het belang was van verzoekster, ten einde haar rechtspositie niet door een definitief aanbod te verslechteren .
36 . Verweersters latere gedrag werd reeds in het kader van het beroep tot nietigverklaring onderzocht en rechtmatig bevonden, zodat concluderend moet worden gesteld, dat ook het beroep tot schadevergoeding bij gebrek aan onrechtmatig gedrag van verweerster moet worden verworpen .
37 . Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Volgens artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering dragen de instellingen echter bij beroepen van hun personeelsleden hun kosten zelf .
C - Conclusie
Ik stel derhalve de volgende beslissing voor :
"1 ) Het beroep wordt verworpen .
2 ) Elke partij zal haar eigen kosten te dragen ."
(*) Vertaald uit het Duits .
( 1 ) Zie arrest van 23 oktober 1986, zaak 321/85, Schwiering, Jurispr . 1986, blz . 3199, r.o . 18; zie ook arrest van 28 mei 1980, gevoegde zaken 33 en 75/79, Kuhner, Jurispr . 1980, blz . 1677, r.o . 22, en arrest van 9 december 1982, zaak 191/81, Plug, Jurispr . 1982, blz . 4229, r.o . 21 .
( 2 ) Zie arrest van 5 juni 1980, zaak 108/79, Belfiore, Jurispr . 1980, blz . 1769, r.o . 15 .
( 3 ) Zie hiervoor sub 22 .
( 4 ) Zie arrest van 27 oktober 1977, gevoegde zaken 126/75, 34 en 92/76, Giry, Jurispr . 1977, blz . 1937 .
( 5 ) Zie arrest van 1 juli 1976, zaak 58/75, Sergy, Jurispr . 1976, blz . 1139, r.o . 31-34 .
( 6 ) Zie ibid ., blz . 1141 .
( 7 ) Zie arrest van 5 mei 1983, zaak 785/79, Pizziolo, Jurispr . 1983, blz . 1343 .
Full & Egal Universal Law Academy