Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Verzoeker in het hoofdgeding, F . Borowitz, werd in 1910 in Polen geboren . Hij volgde daar middelbaar en universitair onderwijs . Na het afronden van zijn studie begon hij te werken en betaalde hij van 1937 tot 1939 gedurende 28 maanden bijdragen aan de Poolse pensioenverzekering . Van 1939 tot 1945 bevond hij zich in Duitse krijgsgevangenschap .
Van 1948 tot 1952 werkte verzoeker in Nederland, waar hij gedurende 51 maanden verplichte bijdragen aan de pensioenverzekering betaalde . Vervolgens ging hij in de Bondsrepubliek Duitsland wonen, waar hij verplichte bijdragen aan de pensioenverzekering voor werknemers begon te betalen . In 1961 verkreeg hij de Duitse nationaliteit . Toen hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikte en de Bundesversicherungsanstalt fuer Angestellte ( hierna : BFA ) om toekenning van een ouderdomspensioen verzocht, had hij inmiddels in de Bondsrepubliek Duitsland gedurende 113 maanden pensioenbijdragen betaald . Het tussen verzoeker en de BFA gerezen geschil betreft de vraag, of de jaren waarin Borowitz middelbaar en hoger onderwijs volgde ( en gedurende welke hij geen verplichte pensioenbijdragen betaalde ) moeten worden meegeteld bij de berekening van het totale pensioenbedrag . Zo ja, dan heeft hij recht op een hoger pensioen .
Het antwoord op die vraag hangt volgens de verwijzende rechter af van de verhouding tussen het Duitse interne recht en het gemeenschapsrecht .
Voor wat het Duitse recht betreft, zijn de artikelen 35 en 36 Angestelltenversicherungsgesetz ( hierna : AVG ) van belang . Die artikelen bepalen, dat voor de vaststelling van het totale aantal door een verzekerde vervulde verzekeringsjaren in verband met de toekenning van een ouderdomspensioen, de zogenoemde "premievrije tijdvakken" ( waaronder ook de jaren vallen waarin men voortgezet en hoger onderwijs aan een technische school of universiteit heeft gevolgd ) kunnen worden meegerekend, indien het tijdvak tussen de aansluiting bij de verzekering en het intreden van de verzekerde gebeurtenis minstens voor de helft is gedekt door bijdragen uit hoofde van een bezigheid of bedrijvigheid waarvoor een pensioenverzekering verplicht is . Hoewel die premievrije tijdvakken ( en bepaalde andere tijdvakken ) niet mogen worden meegeteld om aan te tonen dat de helft van de periode door bijdragen is gedekt, hebben zij een verhoging van het toe te kennen pensioenbedrag tot gevolg zodra aan de voorwaarde van "halve dekking" is voldaan . Omgekeerd mogen de premievrije tijdvakken voor de berekening van het pensioenbedrag niet worden meegeteld, indien de voorwaarde van halve dekking niet is vervuld .
De Bondsrepubliek Duitsland en de Volksrepubliek Polen hebben een verdrag inzake pensioen - en ongevallenverzekering gesloten ( hierna : het verdrag van 1975 ). Hoewel in artikel 3 van dat verdrag uitdrukkelijk is bepaald, dat het verdrag "bepalingen vastgesteld door een intergouvernementele organisatie waarbij een der verdragsstaten is aangesloten" onverlet laat, bepaalt artikel 4, lid 2, onder meer, dat voor de vaststelling van een pensioen naar Duits recht de in Polen vervulde verzekeringstijdvakken, arbeidstijdvakken en daarmee gelijkgestelde tijdvakken, worden beschouwd als te zijn vervuld in de Bondsrepubliek Duitsland .
Voor wat het gemeenschapsrecht betreft, is verordening nr . 1408/71 van de Raad ( PB 1971, L 149, blz . 2 ), waarvan de meest recente tekst is opgenomen in bijlage I bij verordening nr . 2001/83 van de Raad ( PB 1983, L 230, blz . 6 ), van toepassing op werknemers op wie de wetgeving van een of meer Lid-Staten van toepassing is of geweest is . Volgens artikel 1, sub j, wordt ten aanzien van elke Lid-Staat onder "wetgeving" verstaan, de bestaande of toekomstige wetten, regelingen, statutaire bepalingen en alle andere uitvoeringsmaatregelen, welke betrekking hebben op de in artikel 4, leden 1 en 2, van de verordening bedoelde takken en stelsels van sociale zekerheid .
Hoofdstuk 3 van de verordening, betreffende "ouderdom en overlijden ( pensioenen )", regelt de toekenning van ouderdomsuitkeringen wanneer de betrokkene aan de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten onderworpen is geweest . Ingevolge het algemene beginsel van artikel 44, lid 2, moet de vaststelling van een uitkering geschieden rekening houdend met alle wettelijke regelingen waaraan de betrokken persoon onderworpen is geweest . Volgens artikel 45, lid 1, moet het orgaan dat de pensioenberekening maakt in gevallen waarin het recht op uitkering afhankelijk is van de vervulling van verzekeringstijdvakken, voor zover nodig rekening houden met de krachtens de wettelijke regeling van elke andere Lid-Staat vervulde verzekeringstijdvakken, alsof deze tijdvakken krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling waren vervuld . Ingevolge artikel 46 moet voor de vaststelling van een pensioenuitkering ( wanneer een werknemer heeft voldaan aan de uitkeringsvoorwaarden gesteld door de wettelijke regeling van de Lid-Staat, waaraan hij onderworpen is geweest ) niet alleen een berekening worden gemaakt van het uitkeringsbedrag dat in overeenstemming is met de totale duur van de tijdvakken van verzekering of wonen, die krachtens de wettelijke regeling van de betrokken Lid-Staat in aanmerking moeten worden genomen, maar ook een optelsom van alle tijdvakken van verzekering of wonen die zijn vervuld krachtens de wettelijke regelingen van de Lid-Staten waaraan de werknemer onderworpen is geweest . De door eerstgenoemde Lid-Staat verschuldigde uitkering wordt vervolgens vastgesteld naar verhouding van de duur van de tijdvakken welke krachtens de wettelijke regeling van die Lid-Staat zijn vervuld, en de totale duur van de krachtens de wettelijke regelingen van alle betrokken Lid-Staten vervulde tijdvakken . Alleen het hoogste van beide bedragen - het werkelijk verschuldigde bedrag en het uit de toepassing van de gegeven regel voortvloeiende "theoretische bedrag" - wordt aangehouden .
In paragraaf C van bijlage VI ( voorheen paragraaf B van bijlage V ) van de van 1983 daterende versie van verordening nr . 1408/71 wordt bepaald dat, om vast te stellen of premievrije tijdvakken als zodanig in aanmerking moeten worden genomen, de krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat verplicht betaalde premies of bijdragen en de aansluiting bij de verzekering van een andere Lid-Staat, worden gelijkgesteld met krachtens de Duitse wetgeving verplicht betaalde premies of bijdragen en de aansluiting bij een Duitse pensioenverzekering .
Na een aanvankelijk gemaakte vergissing te hebben hersteld, telde de BFA bij haar eerste pensioenberekening de tijdvakken waarin verzoeker verplichte bijdragen had betaald aan de Nederlandse pensioenverzekering op bij de maanden gedurende welke hij in de Bondsrepubliek Duitsland bijdragen had betaald . Op grond daarvan concludeerde zij, dat verzoeker voldeed aan de voorwaarde van halve dekking, wat er toe leidde dat zij bij de berekening van het totale pensioenbedrag verzoekers school - en studiejaren als premievrije tijdvakken meetelde . Naar Duits recht was het blijkbaar irrelevant, dat die school - en studiejaren in Polen en niet in de Bondsrepubliek Duitsland waren doorgebracht .
Na de ratificatie van het verdrag van 1975 maakte de BFA op 9 januari 1978 een nieuwe pensioenberekening, waarbij zij zowel de bepalingen van Duits intern recht als het verdrag van 1975 en verordening nr . 1408/71 in aanmerking nam . In eerste instantie telde zij nog steeds de premievrije tijdvakken mee . Later, in een mededeling van 4 juli 1978 betreffende een nieuwe pensioenberekening, bestempelde zij dat echter als een vergissing . Zij maakte vervolgens twee aparte pensioenberekeningen . De ene was gebaseerd op de Poolse en Duitse bijdragen, zonder dat rekening werd gehouden met de in Nederland betaalde bijdragen; de andere daarentegen was gebaseerd op de Duitse en Nederlandse bijdragen, waarbij de Poolse bijdragen buiten beschouwing werden gelaten . De BFA keerde verzoeker het hoogste van beide bedragen uit . Bij geen van beide berekeningen kwam verzoeker echter aan het aantal pensioenmaanden dat vereist was voor de halve dekking, zodat de premievrije tijdvakken niet langer in aanmerking konden worden genomen .
De BFA ging op dezelfde wijze tewerk in een nieuwe pensioenbeschikking van 29 augustus 1979 ( herzien bij beschikking van 2 oktober 1979 ), waarin het aan verzoeker toekomende pensioenbedrag werd vastgesteld op 1 203,20 DM . Verzoeker bleef op grond van billijkheidsoverwegingen het eerder berekende, hogere bedrag ontvangen ( bij de berekening waarvan de premievrije tijdvakken waren meegeteld ), maar hem werd wel meegedeeld, dat zijn pensioen enkel zou worden verhoogd wanneer de nieuwe berekeningswijze naderhand tot een hoger bedrag zou leiden .
Verzoeker vocht deze berekeningswijze van het BFA aan in een procedure voor het Sozialgericht te Reutlingen . Hij vorderde dat er één enkele pensioenberekening werd gemaakt op basis van de Duitse, Nederlandse en Poolse verzekeringstijdvakken, zodat aan de voorwaarde van halve dekking zou zijn voldaan en de premievrije tijdvakken in aanmerking konden worden genomen . Het Sozialgericht stelde verzoeker bij vonnis van 10 februari 1982 in het gelijk . De BFA ging in hoger beroep bij het Landessozialgericht, dat bij vonnis van 18 december 1984 het vonnis van het Sozialgericht bevestigde . De BFA stelde beroep in Revision in bij het Bundessozialgericht, dat op 25 november 1986 de behandeling van de zaak heeft geschorst om het Hof van Justitie de volgende vraag voor te leggen :
"Is het op grond van verordening nr . 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, toegestaan, dat een Duits verzekeringsorgaan bij de beslissing over het meetellen van premievrije tijdvakken, met de krachtens de Duitse wetgeving verplicht betaalde premies of bijdragen en de aansluiting bij de Duitse verzekering niet alleen gelijkstelt, de in andere Lid-Staten verplicht betaalde premies of bijdragen en de aansluiting bij de pensioenverzekering aldaar, maar ook de verplicht betaalde premies of bijdragen en de aansluiting bij de verzekering in een derde land ( in casu Polen ), waarmee de Bondsrepubliek Duitsland een verdrag inzake wederzijdse gelijkstelling van verzekeringstijdvakken heeft gesloten?"
In haar schriftelijke opmerkingen had de Commissie het standpunt ingenomen, dat het Duits-Poolse verdrag van 1975 beschouwd moet worden als wetgeving in de zin van artikel 4, sub j, van de verordening, zodat de Poolse tijdvakken voor de toepassing van hoofdstuk 3 van de verordening met de Duitse tijdvakken moeten worden gelijkgesteld . Volgens de Britse regering daarentegen is een dergelijk verdrag niet als wetgeving in de zin van de verordening te beschouwen en kan een Lid-Staat een andere Lid-Staat geen verplichtingen op het terrein van de sociale zekerheid opleggen door met een derde staat een bilateraal verdrag te sluiten . Ter terechtzitting hebben de Commissie en het Verenigd Koninkrijk uiteindelijk echter min of meer hetzelfde standpunt ingenomen en een bevestigend antwoord voorgesteld op de aan het Hof voorgelegde vraag, te weten, laat ik het nog eens herhalen, of de verordening "toestaat", dat de Duitse autoriteiten niet alleen rekening houden met de krachtens de wetgeving van andere Lid-Staten vervulde verplichte verzekeringstijdvakken, maar ook, op grond van het verdrag inzake wederzijdse gelijkstelling van verzekeringstijdvakken, met de in Polen vervulde tijdvakken .
De Commissie heeft betoogd, dat de hele vraag in feite alleen maar draait om de bijzondere Duitse wetsbepaling inzake premievrije tijdvakken . Het betreft hier volgens haar een eigenaardigheid van het Duitse recht . Ik geloof niet, dat de vraag dermate beperkt is . Volgens mij komt bij de beantwoording ervan veel meer kijken .
Het staat wel buiten kijf, dat hoofdstuk 3 van de verordening vereist dat de in Nederland vervulde verzekeringstijdvakken bij de berekening van verzoekers pensioen in aanmerking moeten worden genomen . Zo is er evenmin twijfel over mogelijk, dat geen bepaling van de verordening belet, dat de Poolse tijdvakken worden meegeteld bij de berekening van een pensioenaanspraak naar Duits recht .
Hoewel verordening nr . 1408/71 regels geeft voor de vaststelling van pensioenuitkeringen wanneer de pensioengerechtigde in meer dan één Lid-Staat bijdragen heeft betaald, laat zij de anderszins krachtens het nationale recht toekomende rechten onverlet . Naar Duits recht had verzoeker er recht op, dat voor de berekening van zijn pensioen de Poolse tijdvakken werden meegeteld . Het feit dat ingevolge verordening nr . 1408/71 ook zijn Nederlandse tijdvakken moeten worden meegeteld, doet daar niet aan af . Een andere uitlegging van verordening nr . 1408/71 staat volgens mij op gespannen voet met het algemene beginsel van artikel 51 EEG-Verdrag - waarop de verordening mede is gebaseerd - inzake het vrije verkeer van werknemers . Want wanneer een onderdaan van een Lid-Staat weet, dat verhuizing naar een andere Lid-Staat om er te gaan werken tot gevolg heeft, dat de door hem in een derde staat vervulde verzekeringstijdvakken die in zijn eigen Lid-Staat werden erkend, in die andere Lid-Staat voor de pensioenberekening niet meer zullen worden meegeteld, zal hij er wel voor uitkijken een dergelijke stap te nemen .
De verwijzende rechter heeft niet de vraag gesteld, of verordening nr . 1408/71 vereist ( in tegenstelling tot toestaat ) dat de Poolse tijdvakken worden meegeteld . Het antwoord op die - hypothetische - vraag kan volgens mij niet worden gevonden in de artikelen 6, 7 of 8 van de verordening . Het enige argument dat vóór de verplichting tot meetelling van de Poolse tijdvakken is aangevoerd, is dat ingevolge artikel 4, lid 1 - gezien de ruime definitie van het begrip "wettelijke regeling" in artikel 1, sub j -, de verordening ook van toepassing is op bilaterale overeenkomsten die zijn goedgekeurd door of zijn omgezet in het nationale recht .
De definitie in artikel 1, sub j, is inderdaad ruim, daar zij niet alleen wetten, regelingen en andere voorschriften omvat, maar ook "alle andere bestaande of toekomstige uitvoeringsmaatregelen", welke betrekking hebben op de in artikel 4, leden 1 en 2, bedoelde takken van sociale zekerheid . Hieronder kunnen ook bepalingen en maatregelen vallen waarbij een Lid-Staat uitvoering geeft aan een met een derde staat gesloten bilaterale overeenkomst . Toch geloof ik dat, even afgezien van de letterlijke bewoordingen ervan, genoemd artikel niet is geschreven voor de gevallen waarin in een derde staat vervulde tijdvakken louter met het oog op een pensioenberekening worden gelijkgesteld met in een Lid-Staat vervulde tijdvakken, en dat het dan ook niet in die zin moet worden uitgelegd . Ook indien die in een derde staat vervulde tijdvakken met het oog op de pensioenberekening in een bepaalde Lid-Staat worden meegeteld, kan deze samentelling nog geen invloed hebben op de verplichtingen van andere Lid-Staten . Die opvatting lijkt mij in overeenstemming met de arresten van het Hof van 16 november 1972 ( zaak 16/72, Allgemeine Ortskrankenkasse Hamburg, Jurispr . 1972, blz . 1141 ) en 10 maart 1977 ( zaak 75/76, Kaucic, Jurispr . 1977, blz . 495, r.o . 8 en 9 ).
In het arrest van 31 maart 1977 ( zaak 87/76, Bozzone, Jurispr . 1977, blz . 687 ) ging het om een bijzonder geval . In die zaak werden de "gezamenlijke bepalingen" van een koloniaal besluit van 7 augustus 1952, bevestigd bij een Belgische wet van 16 juni 1960 en later gewijzigd, beschouwd als nationale wetgeving, aangezien verordening nr . 1408/71 niet uitsluitend van toepassing was op het tot het Europese moederland behorende grondgebied van een Lid-Staat, maar ook kon gelden voor voormalige koloniale gebieden .
Hoewel de draagwijdte van artikel 1, sub j, werd vastgesteld in de zaak Bozzone en vervolgens herhaald in het arrest van 23 oktober 1986 ( zaak 300/74, Van Roosmalen, Jurispr . 1986, blz . 3097 ), ging het in laatstgenoemde zaak volgens mij om een persoon die, als onderdaan van de Gemeenschap, een band had met het stelsel van sociale zekerheid van zijn Lid-Staat vóór hij in het buitenland ging werken . In de rechtsoverwegingen 30 en 31 van dat arrest erkent het Hof, dat een nationale regeling die haar werking uitbreidt tot personen die gedeeltelijk of uitsluitend buiten de Gemeenschap werken, kan worden beschouwd als "wetgeving" in de zin van artikel 2 van verordening nr . 1408/71 . Ik maak uit dat arrest echter niet op, dat de tijdvakken die de betrokkene in een derde staat heeft vervuld vóórdat hij onderdaan van de Gemeenschap werd en bijgevolg onderworpen was aan de sociale-zekerheidswetgeving van een Lid-Staat ( ook al worden die tijdvakken krachtens het nationale recht ingevolge een bilaterale overeenkomst met de nationale tijdvakken gelijkgesteld ), op grond van verordening nr . 1408/71 moeten worden meegeteld .
Concluderend ben ik van mening, dat de vraag van het Bundessozialgericht als volgt moet worden beantwoord :
"Verordening nr . 1408/71 staat er niet aan in de weg, dat een Duits verzekeringsorgaan bij de beslissing over het al dan niet meetellen van premievrije tijdvakken, met krachtens de Duitse wettelijke regeling verplicht betaalde premies of bijdragen en de aansluiting bij een Duitse pensioenverzekering gelijkstelt, niet alleen de krachtens de wettelijke regeling van andere Lid-Staten verplicht betaalde premies of bijdragen en de aansluiting bij een pensioenverzekering aldaar, maar ook de verplicht betaalde premies of bijdragen en de verzekering in een derde land ( in casu Polen ), waarmee de Bondsrepubliek Duitsland een verdrag inzake wederzijdse gelijkstelling van verzekeringstijdvakken heeft gesloten, met dien verstande dat het meetellen van de in een dergelijk land betaalde bijdragen en vervulde verzekeringstijdvakken bij de toepassing van de verordening geen grotere verplichtingen voor andere Lid-Staten mag meebrengen dan die welke anders zouden bestaan ."
De nationale rechter zal hebben te beslissen over de kosten van partijen in het hoofdgeding . De kosten van de Commissie en van de Bondsrepubliek Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, die in de onderhavige procedure opmerkingen hebben ingediend, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen .
(*) Vertaald uit het Engels .
Full & Egal Universal Law Academy