Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
M . Aldinger en G . Virgili zijn tijdelijke functionarissen van de Europese Gemeenschappen en werken bij de Fractie van de Europese Volkspartij ( EVP-fractie ) van het Europees Parlement . In hun aanwervingsovereenkomsten van respectievelijk 8 mei 1981 en 1 april 1981 is Luxemburg als plaats van tewerkstelling aangegeven . Zij werken voor een aantal parlementaire commissies die reeds sedert een aantal jaren nagenoeg uitsluitend in Brussel vergaderen .
Na een reeks discussies in 1984 besloot het bureau van de EVP-fractie een deel van het personeel dat voor die commissies werkte, waaronder verzoeksters, naar Brussel over te plaatsen . Aldinger en Virgili wensten en wensen nog steeds niet te vertrekken . Met de onderhavige, op 28 januari 1987 bij het Hof ingestelde beroepen vorderen zij de nietigverklaring van een reeks algemene besluiten van de EVP-fractie, betreffende het voornemen om het grootste deel van de activiteiten van de fractie in Brussel te concentreren, de nietigverklaring van twee individuele besluiten gericht tot respectievelijk Aldinger en Virgili, waarbij hun die algemene besluiten werden meegedeeld en waarin 1 juli 1987 als datum van hun overplaatsing naar Brussel was bepaald, alsook de nietigverklaring van twee besluiten van de voorzitter van de EVP-fractie in antwoord op Aldingers brief van 7 september 1986 aan de secretaris-generaal van de fractie en de soortgelijke brief van Virgili van 17 september 1986, waarin de datum van de overplaatsing werd bevestigd .
Bij beschikking van 22 juni 1987 ( zaak 23/87 R, Jurispr . 1987, blz . 2481, en zaak 24/87 R, Jurispr . 1987, blz . 2847 ), heeft het Hof de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten, voor zover zij betrekking hadden op verzoeksters' overplaatsing naar Brussel per 1 juli 1987, tot aan de uitspraak in de hoofdzaken opgeschort .
Het Parlement betoogt, dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn . De brieven van 7 en 17 september 1986 zijn gewone administratieve verzoeken in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut en geen administratieve klachten in de zin van artikel 90, lid 2 ( dat krachtens artikel 46 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen van overeenkomstige toepassing is op tijdelijke functionarissen ). Als dat waar is, dan zijn de beroepen niet-ontvankelijk bij gebreke van een administratieve klacht vóór de indiening van de verzoekschriften . Mijns inziens bevatten de betrokken brieven evenwel de nodige gegevens om als klachten in de zin van artikel 90, lid 2 te worden aangemerkt . Uit de inhoud van het besluit van de voorzitter van de EVP-fractie in diens antwoord van 29 oktober 1986 blijkt, dat de brieven in die zin moeten worden uitgelegd . Bijgevolg meen ik niet, dat de beroepen in hun geheel niet-ontvankelijk zijn .
Het komt mij evenwel voor, dat in de betrokken brieven - zonder ze te al te zeer in detail te bekijken - niet zozeer de overplaatsing als wel de datum ervan wordt gekritiseerd . Zij willen uitstel . Aldinger zegt, dat "op de aangegeven datum Luxemburg verlaten om naar Brussel te gaan een bijzonder groot probleem vormt ". Virgili verzoekt "de datum van de overplaatsing uit te stellen", en verklaart dat "mijn klacht niet tegen de overplaatsing zelf is gericht, doch veeleer bedoeld om voldoende tijd te krijgen om een aantal gezinsproblemen te regelen ". Voor zover zij thans tegen de overplaatsing zelf opkomen, gaan zij verder dan wat zij in hun klacht hebben aangevoerd . In zover zijn de beroepen niet-ontvankelijk ( zie arrest van 20 mei 1987, zaak 242/85, Geist, Jurispr . 1987, blz . 2181, r.o . 9 ).
Bijgevolg zijn verzoeksters' beroepen mijns inziens ontvankelijk, voor zover zij tegen de voor de overplaatsing bepaalde datum zijn gericht .
Het besluit om een aantal personeelsleden, waaronder verzoeksters, over te plaatsen, is door de voorzitter van de EVP-fractie bevestigd op de vergadering van 17 juni 1986 . Onder meer om sociale redenen is evenwel beslist, de uitvoering van dat besluit tot juli 1987 uit te stellen . Op 1 juli 1986 bevestigde de voorzitter van de EVP-fractie nogmaals de overplaatsing . Daarbij verklaarde hij uitdrukkelijk dat "ten einde ten volle rekening te houden met de sociale problemen van de betrokkenen en in het bijzonder met de problemen in verband met de school, de overplaatsing zal plaatsvinden in juli 1987 ".
Uiteraard mocht men redelijkerwijs verwachten, dat het Parlement de over te plaatsen personen een redelijke termijn zou gunnen om de nodige maatregelen te kunnen treffen, en dat - binnen de grenzen van het belang van de dienst - rekening zou worden gehouden met hun persoonlijke situatie .
Anderzijds kan de aanwervingsovereenkomst van een tijdelijk functionaris met een opzeggingstermijn van drie maanden worden beëindigd . Was verzoeksters meegedeeld dat hun aanwervingsovereenkomst tegen het einde van die termijn zou worden beëindigd, indien zij weigerden te vertrekken, dan hadden zij niet in rechte kunnen klagen . Bovendien speelde het probleem van de overplaatsing zeker al vanaf 1984 . Het personeel wist, dat de medewerkers van de commissies ooit zouden worden overgeplaatst . In ieder geval hadden zij, toen zij voor de laatste maal werden verwittigd, nog een jaar om zich voor te bereiden . In het algemeen beschouwd lijkt mij dat een billijke, ja zelfs royale termijn .
In casu hadden verzoeksters, naar zij beweren, met buitengewone moeilijkheden te kampen, waarmee geen rekening was gehouden . Aldinger verwachtte een kind dat op de datum van de overplaatsing slechts vier maanden oud zou zijn, en de arbeidsovereenkomst van haar echtgenoot in Luxemburg liep eerst begin 1989 af . De echtgenoot van Virgili was freelance medewerker bij het Publikatiebureau en poogde sedert vier jaren een ambtenarenpost te verkrijgen; in december 1987 zou hij aan een vergelijkend onderzoek deelnemen . Dat zijn omstandigheden waarmee rekening moet worden gehouden, maar alles wel overwogen en gelet op de belangen van de dienst, meen ik dat zij niet van dien aard zijn, dat het Parlement verder uitstel had moeten verlenen . Op een goede dag diende immers de beslissing te vallen, of beide echtgenoten in Luxemburg zouden blijven ( en de echtgenote ander werk zou zoeken ), of zij beiden naar Brussel zouden gaan dan wel of een van hen elke week naar Luxemburg of naar Brussel zou pendelen .
Ik geloof niet, dat met hun individuele situatie geen rekening is gehouden . De antwoorden van de voorzitter van de EVP-fractie op hun klachten waren weliswaar in algemene bewoordingen gesteld en handelden niet specifiek over hun persoonlijke situatie, doch zij vermeldden wel dat het dossier opnieuw was onderzocht . De feiten waren zowel mondeling als schriftelijk aan de verantwoordelijke personen voorgelegd . De gedachte dat deze antwoorden een loutere formaliteit waren en dat verzoeksters' individuele geval niet behoorlijk was onderzocht, wijs ik af .
Ten gevolge van de beschikking in kort geding van het Hof hebben verzoeksters in ieder geval een extra jaar respijt gekregen en ik zie geen enkele reden om de verklaring van de EVP-fractie, dat er, ofschoon de financiële dienst en de dienst onderzoek nog in Luxemburg zijn, voor verzoeksters in Luxemburg geen post beschikbaar is, af te wijzen .
Bijgevolg moeten de beroepen mijns inziens worden verworpen en dient elke partij de eigen kosten te dragen, overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering .
Ook al was ik tot de conclusie gekomen, dat de beroepen ontvankelijk zijn in zoverre zij tegen de overplaatsing zelf zijn gericht, zou ik niet hebben aanvaard dat de vermelding van Luxemburg als plaats van tewerkingstelling in hun aanwervingsovereenkomst betekende, dat zij nooit naar elders konden worden overgeplaatst . Aan het begin moet er wel een plaats van tewerkstelling worden bepaald, doch artikel 7 van het Statuut bepaalt : "1 . Het tot aanstelling bevoegd gezag stelt de ambtenaar, uitsluitend in het belang van de dienst ... bij wege van aanstelling of overplaatsing, overeenkomstig zijn rang te werk in een tot zijn categorie of groep behorend ambt ." Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op tijdelijke functionarissen krachtens artikel 10 van de op die functionarissen toepasselijke regeling .
Ook al lijkt het de voorkeur te verdienen om in eerste instantie de plaats van tewerkstelling te omschrijven als "X of elke andere plaats of plaatsen naar gelang van de behoeften van de dienst", ben ik niet van mening dat een overplaatsing niet kan worden verlangd indien slechts één plaats is aangegeven . Al jarenlang vinden de commissievergaderingen in Brussel plaats . In casu kan van verzoeksters' overplaatsing in redelijkheid worden gezegd, dat deze "in overeenstemming met de vereisten van rationalisatie en efficiëntie van de parlementaire werkzaamheden" is ( brief van de voorzitter van de EVP-fractie van 29 oktober 1986 aan beide verzoeksters ) alsmede in het belang van de dienst . Indien zij de overplaatsing niet aanvaardden, restte het Parlement of verzoeksters geen andere keuze dan de aanwervingsovereenkomst met een opzeggingstermijn van drie maanden te beëindigen ( zie het arrest van 18 oktober 1977, zaak 25/68, Schertzer, Jurispr . 1977, blz . 1729, r.o . 25 en 38-40 ).
Deze opvatting lijkt mij geheel in overeenstemming met 's Hofs arrest van 14 juli 1977 ( zaak 61/76, Geist, Jurispr . 1977, blz . 1419 ); de wenselijkheid van de overplaatsing uit een oogpunt van de behoeften van de dienst is in de onderhavige zaken zo mogelijk nog duidelijker aangetoond dan in de zaak Geist .
Ondanks de clausule in de aanwervingsovereenkomsten waarin Luxemburg als plaats van tewerkstelling is vermeld, ben ik bijgevolg van mening dat het Parlement er in beginsel toe mocht besluiten verzoeksters naar Brussel over te plaatsen .
Verzoeksters betogen voorts :
- dat het besluit van de EVP-fractie van juni 1984 onwettig is, omdat het niet is vastgesteld door de bevoegde autoriteit als gedefinieerd in artikel 10 van het interne reglement van de EVP-fractie;
- dat het besluit van de EVP-fractie van 10 juli 1985 van meet af aan ongeldig was, omdat het ( naar verzoeksters zeggen ) op een verklaring van de voorzitter van de EVP-fractie was gebaseerd die niet met de waarheid strookt, namelijk dat de betrokkenen zouden hebben ingestemd met hun overplaatsing naar Brussel, en omdat het aantal vice-voorzitters van het bureau het in artikel 11 van het intern reglement van de EVP-fractie bepaalde aantal overtrof;
- dat de besluiten van de voorzitter van de EVP-fractie van 17 juni 1986 en 1 juli 1986 eveneens van meet af aan ongeldig waren, omdat zij door een onregelmatig samengesteld orgaan zijn genomen en omdat daarbij misbruik van bevoegdheid is begaan, nu de voorzitter niet bevoegd is om de besluiten van het bureau ten uitvoer te leggen;
- dat het besluit van de secretaris-generaal van de EVP-fractie van 16 juli 1986, voor zover het een besluit is en niet alleen maar een kennisgeving, moet worden nietig verklaard wegens bevoegdheidsoverschrijding door de betrokken ambtenaar;
- dat het besluit van de voorzitter van de EVP-fractie van 29 oktober 1986 waarbij verzoeksters' formele klachten waren afgewezen, onwettig is, omdat de voorzitter daartoe niet bevoegd was en omdat dat besluit in strijd is met het eerdere besluit van 16 juli 1986 .
Ik sluit mij aan bij de stelling van het Parlement, dat alleen tegen de besluiten van de voorzitter van de EVP-fractie van 17 juni en 1 juli 1986 beroep bij het Hof openstaat . Het "besluit van 1984" is niets meer dan een intentie - of beginselverklaring .
Met betrekking tot het besluit van 10 juni 1985, dat eveneens niet meer is dan een algemeen besluit, is gesteld, dat het onjuiste informatie geeft over de bereidheid van het betrokken personeel om naar Brussel te vertrekken . Mijns inziens is het evenwel duidelijk, dat in dat stadium geen individuele besluiten zijn genomen en dat er bijgevolg geen sprake is van een voor verzoeksters "bezwarend besluit" in de zin van artikel 91 Ambtenarenstatuut ( zie het arrest van 12 juli 1979, zaak 124/78, List, Jurispr . 1979, blz . 2499, 2510, r.o . 5, alsook de conclusie van advocaat-generaal Mayras in de gevoegde zaken 33 en 75/79, Kuhner, Jurispr . 1980, blz . 1677, blz . 1702 ). Op dit punt behoeft derhalve niet te worden beslist, en hetzelfde geldt voor het argument van de "vijf vice-voorzitters", dat de samenstelling van het bureau betreft, ofschoon mijns inziens, zodra het aantal vice-voorzitters verhoogd was van twee tot vijf, artikel 11 aldus moet worden gelezen, dat zij alle vijf aan de besluitvorming mogen deelnemen . In ieder geval is de kans dat verzoeksters een of meer stemmen krijgen, groter wanneer vijf in plaats van twee vice-voorzitters aan de besluitvorming deelnemen .
Voorts lijkt het mij duidelijk, dat de brief van de secretaris-generaal van de EVP-fractie van 16 juli 1986 een loutere kennisgeving van een eerder besluit is .
Met betrekking tot de besluiten van de voorzitter van de EVP-fractie van 17 juni en 1 juli 1986 meen ik, dat het bureau op grond van artikel 10 van het interne reglement van de EVP-fractie bevoegd is om besluiten te nemen en dat de gestelde procedurele onregelmatigheden niet door het aangevoerde bewijsmateriaal worden gestaafd .
Het besluit van de voorzitter van de EVP-fractie van 29 oktober 1986 ten slotte valt mijns inziens ten volle onder de in artikel 12 van het interne reglement van de EVP-fractie aan de voorzitter toegekende bevoegdheden .
Verzoeksters betogen, dat de bestreden besluiten zijn genomen in strijd met het beginsel dat moet worden gestreefd naar een betere onderlinge afstemming van gezins - en professionele verplichtingen, dat in de documenten van het Parlement zelf is geformuleerd . Het aangehaalde document spreekt over het dagelijks vervullen van gezins - en professionele verplichtingen, maar niet over de behoeften van de dienst . Dit document is niet van dien aard, dat het afbreuk doet aan 's Hofs arrest in zaak 61/76 ( Geist ) betreffende overplaatsingen in het belang van de dienst van de ene Lid-Staat naar de andere ( zie ook het arrest van 21 juni 1984, zaak 69/83, Lux, Jurispr . 1984, blz . 2447, r.o . 17 en 20 ). Zoals hierboven gezegd, is mijns inziens rekening gehouden met de belangen van het gezin : zij kunnen niet doorslaggevend zijn .
Voorts voeren verzoeksters aan, dat de besluiten zijn genomen zonder voorafgaande raadpleging van het paritair comité . Gelijk uit de aan het Hof overgelegde documenten blijkt, wordt dit zonder meer tegengesproken door het bewijsmateriaal .
Het is weliswaar wenselijk dat overplaatsingen met de instemming van de betrokkenen gebeuren, maar in laatste instantie moet het belang van de dienst prevaleren ( zaak 61/76, Geist ); ik denk niet, dat het Parlement op grond van zijn verklaring over de wenselijkheid van de instemming met overplaatsing, de onderhavige overplaatsingen niet zou mogen doorvoeren .
Voorts betogen verzoeksters, dat de overplaatsingsbesluiten zijn genomen zonder dat de betrokkenen vooraf zijn gehoord, gelijk artikel 38 van het Statuut verlangt . Zelfs al is dat artikel van overeenkomstige toepassing ( en ik ben er op dit ogenblik niet zeker van dat dat wel het geval is ), dan hebben verzoeksters mijns inziens de gelegenheid gehad om op billijke en redelijke wijze hun standpunt kenbaar te maken .
Ten slotte voeren verzoeksters aan, dat in de bestreden besluiten bij de selectie van het over te plaatsen personeel geen rekening was gehouden met de criteria van rationalisatie en efficiëntie van de dienst . Een aantal commissieleden had in Brussel geen assistenten, terwijl er in Luxemburg assistenten werkten zonder commissieleden . Mogelijk was dat een tijdelijke situatie zolang de overplaatsing aan de gang was . De uiteindelijke bedoeling was om coherente personeelsgroepen over te plaatsen . Bijgevolg meen ik, dat ook dit middel ongegrond is .
Mitsdien, en ongeacht de eventuele ontvankelijkheid van deze middelen, ben ik van mening dat de beroepen moeten worden verworpen en dat krachtens artikel 70 van het Reglement van de procesvoering iedere partij de eigen kosten dient te dragen .
(*) Vertaald uit het Engels .
Full & Egal Universal Law Academy