Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A - De feiten
1 . In de onderhavige procedure, die is ingesteld door een Italiaanse vereniging van staalproducerende ondernemingen alsmede door drie Italiaanse staalproducenten ( waarvan er twee zijn geconcentreerd zoals bedoeld in artikel 66 EGKS-Verdrag ), gaat het wederom om het krachtens artikel 58 EGKS-Verdrag ingevoerde staalquotastelsel dat in de verschillende vormen die het sedert 1980 heeft aangenomen, reeds in een reeks procedures werd onderzocht .
2 . Vóór het aflopen van de bij beschikking nr . 234/84 ( 1 ) tot stand gebrachte regeling ( volgens artikel 18 gold zij tot 31 december 1985 ) ging de Commissie in de herfst van 1985 over tot een beoordeling van de situatie . Daarbij kwam zij - zoals uit een mededeling aan de Raad van 25 september 1985 valt op te maken - tot de conclusie, dat na 31 december 1985 de categorieën IV, V, Ic en Id uit het verder te handhaven quotastelsel konden worden gelicht . Omdat de Raad hiervoor niet de in artikel 58, lid 1, EGKS-Verdrag vereiste instemming gaf, werden in beschikking nr . 3485/85/EEG ( 2 ), die het quotastelsel tot 31 december 1987 verlengde, slechts de categorieën Id en V geliberaliseerd . In deze beschikking werd echter ook bepaald, dat de Commissie voornemens was voor het eind van 1986 de Raad om zijn instemming te verzoeken betreffende de uitzondering van nieuwe categorieën van het quotastelsel met ingang van 1 januari 1987 .
3 . Dienovereenkomstig stelde de Commissie in een mededeling van 2 oktober 1986 voor om op 1 januari 1987 ook de categorieën IV, Ic en VI alsmede voorprodukten van categorie Ic en een deel van categorie III te liberaliseren . Ook daarmee had zij echter geen succes . Zoals wij weten, beriep zij zich niet op het in artikel 18 van beschikking nr . 3485/85 uitdrukkelijke genoemde artikel 58, lid 3, EGKS-Verdrag, dat luidt :
" Het quotastelsel wordt opgeheven op voorstel van de Hoge Autoriteit na raadpleging van het Raadgevend Comité aan de Raad gedaan, behoudens tegengestelde beslissing bij eenstemmigheid door de Raad genomen, of op voorstel van de regering van een der deelnemende staten, behoudens tegengestelde beslissing van de Raad bij eenvoudige meerderheid genomen . De opheffing van het quotastelsel wordt openbaar gemaakt door de zorg van de Hoge Autoriteit ."
4 . Zoals artikel 19 van beschikking nr . 3485/85 aangeeft, wilde zij veeleer de instemming van de Raad verkrijgen op de voet van artikel 58, lid 1, EGKS-Verdrag, dat luidt :
"Indien de Hoge Autoriteit, bij het afnemen van de vraag, meent, dat de Gemeenschap zich in een uitgesproken crisisperiode bevindt en dat de maatregelen, voorzien in artikel 57, niet voldoende zijn om aan deze toestand het hoofd te bieden, moet de Hoge Autoriteit na raadpleging van het Raadgevend Comité en met instemming van de Raad een stelsel van produktiequota invoeren, vergezeld voor zover nodig van de maatregelen, bedoeld in artikel 74 ."
5 . Hiertoe kwam het niet; de vertegenwoordigers van België, Duitsland en Luxemburg spraken zich in de vergadering van de Raad van 20 oktober 1986 uit tegen liberalisatie van de categorieën III, IV en V, waaraan ook in de vergadering van 18 november 1986 niets veranderde . Daarom werd bij beschikking nr . 3746/86 ( 3 ) tot wijziging van beschikking nr . 3485/85 slechts categorie Ic met haar voorprodukten van het quotastelsel uitgezonderd . Daarbij bleef het, ook na de verdere behandeling van de kwestie in de vergaderingen van 19 maart 1987 ( de Luxemburgse en Griekse delegatie verzetten zich tegen een verdere liberalisatie ) alsmede van 1 juni 1987 . Pas bij beschikking nr . 194/88 van 1 januari 1988 ( 4 ) werden de categorieën IV en VI uit het quotastelsel gelicht .
6 . Omdat zij met de regeling van beschikking nr . 3746/86 niet tevreden was, stelde voormelde vereniging ( waarvan 74 leden voornamelijk produkten van categorie IV en VI produceren en één lid ook produkten van categorie III ) op 3 februari 1987 een beroep in strekkende tot nietigverklaring van de haars inziens niet regelmatig tot stand gekomen beschikking nr . 3746/86 .
7 . Op grond van de bij beschikking nr . 3746/86 gewijzigde beschikking nr . 3485/85 en overeenkomstig beschikking nr . 3673/86 ( 5 ) ( hierin zijn de voor het eerste kwartaal 1987 geldende verminderingspercentages te vinden ) werden bij mededelingen van 23 december 1987 voor de andere, in het begin genoemde ondernemingen ( die slechts produkten van categorie IV - zoals verzoekster in zaak 52/87 - c.q . vormstaal van categorie III - zoals verzoeksters in zaak 57/87 - produceren ) de quota voor het eerste kwartaal 1987 vastgesteld . Daar ook zij menen, dat de rechtsgrondslag van deze mededelingen - voor zover deze in beschikking nr . 3746/86 kan worden gezien - aanvechtbaar is, hebben zij op 20 en 25 februari eveneens beroepen ingesteld, waarin zij verzoeken de tot hen gerichte brieven van 23 december 1986 nietig te verklaren .
8 . Deze drie zaken moeten mijns inziens - na alles wat hierover schriftelijk en mondeling is opgemerkt - worden beoordeeld als volgt .
B - Standpunt
I - Ontvankelijkheid
9 . Daar de Commissie twijfelt aan de ontvankelijkheid van het beroep in zaak 32/87, moet dit punt eerst worden onderzocht .
10 . 1 . Ik kan kort zijn over het argument van de Commissie, dat beschikking nr . 3746/86, die slechts categorie Ic heeft geliberaliseerd, verzoekster niet raakt omdat geen van haar leden zulke produkten produceert; het zou dus geen bezwarende handeling voor haar zijn .
11 . Ik heb de indruk, dat de Commissie niet werkelijk aan deze opvatting heeft vastgehouden na de precisering van verzoekster, dat genoemde beschikking niet wordt bestreden voor zover zij categorie Ic liberaliseert, maar voor zover zij niet ook andere categorieën heeft bevrijd ( wat langs de weg van artikel 58, lid 3, EGKS-Verdrag mogelijk zou zijn geweest ). Verzoekster en haar leden voelen zich in feite bezwaard doordat de bestreden beschikking niet ver genoeg is gegaan ( in artikel 4 van beschikking nr . 3485/85 niet ook nog de categorieën III, IV en V heeft geschrapt ), en zo gezien bestaan er op het punt van het procesbelang zeker geen bedenkingen .
12 . 2 . Een verder bezwaar aangaande de ontvankelijkheid van het beroep berust op de omstandigheid, dat de bestreden handeling een echte algemene beschikking is . Zulke handelingen kunnen zoals bekend slechts rechtstreeks worden bestreden, wanneer wordt aangevoerd dat zij misbruik van bevoegdheid jegens verzoeker opleveren . De Commissie mist echter in verzoeksters verzoekschrift een dergelijke stelling; haars inziens bevat het verzoekschrift slechts uiteenzettingen ten gronde, niet echter de bewering van misbruik van bevoegdheid te haren opzichte en een sluitende motivering hiervan .
a ) Daarmee doelt zij in de eerste plaats op de rechtspraak . Volgens deze moet de aanwezigheid van misbruik van bevoegdheid formeel worden gesteld en moeten hiervoor de redenen worden vermeld ( arrest in zaak 3/54 ( 6 ); moet ( zoals in het arrest in de gevoegde zaken 55-59 en 61/63 ( 7 ) wordt overwogen ) de verzoekende partij gronden aanvoeren waardoor aannemelijk wordt gemaakt, dat de beschikking te haren opzichte misbruik van bevoegdheid inhoudt; of moet ( volgens het arrest in de gevoegde zaken 3 en 4/64 ( 8 )) de verzoekende partij overtuigend de feiten en omstandigheden aanduiden die het misbruik van bevoegdheid waarschijnlijk maken .
13 . Mijns inziens kan echter niet worden gezegd, dat de processtukken van verzoekster hieraan niet voldoen . Centraal in haar betoog staat immers de stelling, dat de Commissie bij de vaststelling van de bestreden beschikking misbruik van procedure heeft gepleegd, door namelijk in plaats van artikel 58, lid 3, artikel 58, lid 1, toe te passen . Dit behoort tot de categorie misbruik van bevoegdheid, zoals duidelijk blijkt uit de arresten in de zaken 2/57 ( 9 ) en in de gevoegde zaken 140, 146, 221 en 226/82 ( 10 ) ( betreffende het ontgaan van een speciale procedure ). Bovendien staat buiten twijfel - ik behoef dit hier niet nader te illustreren -, dat het verzoekschrift op dit punt gemotiveerde opmerkingen bevat, die de gegrondheid ervan waarschijnlijk maken .
14 . Het feit dat misbruik van bevoegdheid is aangevoerd ( of dit is bewezen, ligt op het gebied van de gegrondheid ), valt dus onmogelijk in twijfel te trekken .
15 . b ) Dit zou wellicht anders kunnen zijn ten aanzien van het vereiste, dat misbruik van bevoegdheid ten opzichte van de verzoekende partij moet zijn gepleegd . Aanleiding tot een dergelijke gedachte geeft de oudere rechtspraak op dit punt, die ik heb samengevat in mijn conclusie in zaak 250/83 ( 11 ). Daaruit valt namelijk af te leiden, dat door de aangehaalde woorden het beroepsrecht wordt beperkt tot feitelijke situaties waarbij individuele elementen overwegen; voorwaarde is volgens artikel 33, tweede alinea, EGKS-Verdrag - zoals in het arrest in gevoegde zaken 55 tot 59 en 61 tot 63/63 is overwogen -, dat de belangen van verzoeker rechtstreeks zijn benadeeld, hetgeen echter niet kan worden aangenomen, wanneer een algemene beschikking vele ondernemingen op dezelfde wijze raakt .
16 . Nu is het duidelijk, dat in casu niet alleen de 74 leden van verzoekster door de bestreden beperkte liberalisatie worden geraakt, maar alle producenten van produkten die ondanks het liberalisatievoorstel van de Commissie toch niet zijn geliberaliseerd .
17 . Gezien de recente rechtspraak van het Hof lijkt een dergelijke beperkte visie echter niet meer gerechtvaardigd . Ik herinner aan het arrest in de gevoegde zaken 140, 146, 221 en 226/82, waarin het beroep van een vereniging ontvankelijk werd verklaard, waarvan enige leden van de in de algemene beschikking neergelegde quota-verhoging waren uitgesloten . Ik herinner er ook aan, dat het Hof in zaak 250/83 mijn mening ( dat van een bijzonder offer van verzoekster niet kon worden gesproken, omdat zij, zoals de meeste grote staalondernemingen, niet in aanmerking kon komen voor de aanpassingsregeling wegens de ontvangst van steun ter dekking van exploitatieverliezen ) niet volgde en ook hier het beroep tegen een algemene beschikking ontvankelijk verklaarde .
18 . Legt men dienovereenkomstig een ruime maatstaf aan, dan zal men - wat de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 33, tweede alinea, betreft - zeer wel als voldoende kunnen beschouwen de stelling, dat de leden van verzoekster door de bestreden beschikking in het bijzonder worden geraakt, daar zij nu juist de te liberaliseren produkten produceren en zij ten opzichte van producenten wier produkten daadwerkelijk zijn geliberaliseerd, zijn gediscrimineerd .
19 . 3 . Ten slotte wordt ook het procesbelang in twijfel getrokken .
20 . Hieromtrent heeft de Commissie schriftelijk betoogd, dat het enerzijds niet zeker is of toepassing van artikel 58, lid 3, wel geleid zou hebben tot een verdergaande liberalisatie ( die immers bij eenstemmigheid door de Raad kan worden verhinderd ); anderzijds zou - wanneer de bestreden beschikking wegens niet-toepassing van artikel 58, lid 3, onwettig zou worden verklaard - niet kunnen worden uitgesloten, dat de Commissie, die zich dan weer met de zaak zou moeten bezighouden, bij de beoordeling van de toestand tot andere conclusies komt en daarmee tot minder verstrekkende wijzigingsvoorstellen dan in 1986 .
21 . Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Commissie voorts beklemtoond, dat zij voor de naaste toekomst ( dat wil zeggen na 1 juli 1988 ) niet meer denkt aan een gedeeltelijke liberalisatie van categorie III ( gezien de intussen naar deze categorie overgebrachte referentiehoeveelheden alsmede het moeilijk te maken onderscheid tussen de diverse produkten van deze categorie ). Voorts lijkt zij ter terechtzitting de aanwezigheid van een procesbelang te hebben betwijfeld met haar opmerking, dat intussen ( bij beschikking van 6 januari 1988 ) de categorieën IV en VI zijn geliberaliseerd, zoals verzoekster wenst .
22 . a ) Wat deze opmerkingen betreft kan laatstgenoemde mijns inziens zonder meer als niet steekhoudend worden aangemerkt . Verzoekster meent immers, dat de door haar bestreden, op 5 december 1986 vastgestelde en op 1 januari 1987 in werking getreden beschikking onjuist is, omdat daarbij niet ook de categorieën IV en VI en bepaalde onderdelen van categorie III zijn geliberaliseerd . Het is verzoekster derhalve te doen om vaststelling van de onrechtmatigheid ervan, om herbeoordeling van de situatie vanaf 1 januari 1987 en om vervanging van de beschikking met ingang van de inwerkingtreding ervan en om verdergaande liberalisatie . Dit kan met het oog op de daadwerkelijke produktiehoeveelheden in het jaar 1987 zeer interessant voor verzoekster zijn en is een ander dan het bij de beschikking van 6 januari 1988 bevredigde belang . Derhalve kan - wat deze beide categorieën produkten betreft - het procesbelang zeker niet met een beroep op de gewijzigde rechtstoestand na 1 januari 1988 worden ontkend .
23 . b ) Aangaande het argument van de Commissie dat het niet zeker is, of bij toepassing van artikel 58, lid 3, in de herfst 1986 een ander resultaat zou zijn bereikt ( namelijk een liberalisatie zoals door de Commissie beoogd ) heeft verzoekster met verwijzing naar de desbetreffende rechtspraak terecht opgemerkt, dat het er niet om gaat dat met zekerheid kan worden gezegd, dat bij toepassing van artikel 58, lid 3, een ander resultaat zou zijn bereikt dan in de bestreden beschikking; in het kader van het onderzoek van de ontvankelijkheid is het voldoende wanneer als denkbaar en ook als aannemelijk kan worden aangemerkt, dat de toepassing van artikel 58, lid 3, tot een ander resultaat had geleid . Dit laatste moet zeker worden toegegeven, dat wil zeggen men kan aannemen, dat ten minste een Lid-Staat ( wat voor artikel 58, lid 3, voldoende is ) de opvattingen van de Commissie zou hebben ondersteund . Ik verwijs daarvoor naar een door de Italiaanse delegatie in de vergadering van de Raad van 18 november 1986 geformuleerd voorbehoud ten aanzien van de uitsluitende liberalisatie van categorie Ic, alsmede naar de constatering in de notulen van de zitting van de Raad van 18 maart 1987, dat de Italiaanse delegatie voorstander was van een liberalisatie van bij voorrang categorie VI, en ik herinner eraan, dat volgens verzoekster ook Nederland voor verdergaande liberalisatie was . Hiertegen kan ook niet worden aangevoerd, dat geen van deze staten de beschikking van de Commissie heeft bestreden en zo heeft getoond, dat hij staat op verdergaande liberalisatie . Want het is immers iets anders een beschikking voor het Hof van Justitie aan te vechten dan zich bij de toepassing van artikel 58, lid 3, in een vergadering van de Raad bij de opvatting van de Commissie aan te sluiten en zo een eenstemmig veto te verhinderen .
24 . c ) Voor wat voorts de vraag betreft, welke consequenties de Commissie zou kunnen verbinden aan een eventuele nietigverklaring van de bestreden beschikking - of ervan kan worden uitgegaan, dat het resultaat van de beoordeling van de situatie er net zo uitziet als voor de vaststelling van de bestreden beschikking, dan wel of zich een wijziging aftekent - moet onderscheid worden gemaakt naar gelang de categorie produkten waar het om gaat :
25 . Ten aanzien van de categorieën IV en VI moet zonder meer worden erkend, dat er reeds ten tijde van het instellen van het beroep geen aanleiding bestond een gewijzigde beoordeling te verwachten ( de Commissie heeft immers in maart 1987 duidelijk te kennen gegeven dat zij wegens beëindiging van de crisis voorstander van een liberalisatie is en een verlenging van het stelsel na 1987 niet zou steunen ). Dit geldt nog meer vanuit het huidige gezichtspunt, omdat intussen bij beschikking van 6 januari 1988 de twee genoemde categorieën definitief van het quotastelsel zijn uitgezonderd . Zou de Commissie dus na een eventuele nietigverklaring van de bestreden beschikking een regeling voor deze categorieën op de voet van artikel 58, lid 3, EGKS-Verdrag moeten uitwerken voor de tijd na 1 januari 1987, dan ligt het zeer voor de hand dat zij daarbij op dezelfde wijze te werk zou gaan .
26 . Anders is het echter gesteld met de kleine zware profielen van categorie III . Dit, omdat de Commissie daaromtrent met stelligheid heeft verklaard, dat zij - om de redenen die ik heb genoemd ( 12 ) - haar oordeel had moeten herzien en dat in dit opzicht ook voor de tijd na 1 juli 1988 niet aan liberalisatie valt te denken . Als vaststaand kan dus worden aangenomen, dat ook na nietigverklaring van de bestreden beschikking en bij herformulering op de voet van artikel 58, lid 3, categorie III onder het quotastelsel zou blijven vallen, zodat de rechtstoestand op dit punt ongewijzigd zou blijven .
27 . Hieruit volgt, dat er geen procesbelang aanwezig is, in zover het gaat om de vraag of liberalisatie van categorie III ( kleine zware profielen ) achterwege is gebleven wegens het niet-toepassen van de juiste procedure van artikel 58, lid 3 .
28 . 4 . Aan het einde van het eerste deel van mijn onderzoek gekomen, concludeer ik samenvattend, dat in beginsel de ontvankelijkheid van het beroep in zaak 32/87 - het enige waarvan de ontvankelijkheid is bestreden - niet valt te ontkennen, behalve voor zover het om de behandeling van categorie III in de bestreden beschikking gaat . Daaruit volgt overigens ook - dit zeg ik direct al -, dat in zaak 57/87, die door ondernemingen is aanhangig gemaakt die alleen maar produkten van categorie III produceren, het middel waarmee wordt opgekomen tegen algemene beschikking nr . 3746/86 wegens toepassing van artikel 58, lid 1, EGKS-Verdrag en voor zover hierbij categorie III niet werd geliberaliseerd, niet ontvankelijk is .
II - Ten gronde
29 . 1 . In alle drie de zaken wordt in de eerste plaats - in zaak 32/87 zelfs uitsluitend - het middel aangevoerd, dat beschikking nr . 3746/86 houdende wijziging van beschikking nr . 3485/85 niet volgens de juiste procedure is vastgesteld . Zij had volgens artikel 58, lid 3, EGKS-Verdrag moeten worden vastgesteld : wanneer de Commissie meent dat aan de voorwaarden van artikel 58, lid 1, EGKS-Verdrag niet meer is voldaan, kan haar verzoek tot liberalisatie slechts bij eenstemmigheid door de Raad kan worden afgewezen, met andere woorden een dergelijk verzoek van de Commissie heeft reeds succes, wanneer het ten minste door een Lid-Staat wordt ondersteund ( waartegenover de in casu toegepaste procedure van artikel 58, lid 1, de instemming van de Raad, dus de in artikel 28 in bijzonderheden aangegeven meerderheid van stemmen, verlangt ).
30 . Hiertoe werd aangevoerd, dat artikel 58, lid 3, niet slechts in geval van volledige afschaffing van het quotastelsel dient te worden toegepast, doch ook wanneer maar enkele produkten uit het stelsel worden gelicht, met als gevolg een onbeperkte produktievrijheid . Ook werd gesteld, dat artikel 58, lid 3, moet worden beschouwd als een lex specialis ten opzichte van lid 1, en wel omdat, gezien ook de veel lichtere voorwaarden voor de opheffing van het quotastelsel, een quotastelsel niet strookt met de grondbeginselen van het EGKS-Verdrag ( vooral niet met het verbod van de verdeling der markten, bedoeld in artikel 4, sub d ) en enkel bij uitzondering kan worden getolereerd ( zoals blijkt uit de artikelen 5 en 57 ).
31 . Zoals wij gezien en gehoord hebben, deelt de Commissie de - ook in de literatuur verdedigde - opvatting, dat voor opheffing van een quotastelsel een lichtere procedure geldt, omdat een dergelijk stelsel op zichzelf een vreemde eend in het systeem van het Verdrag vormt . Voorts deelt zij de mening, dat artikel 58, lid 3 - ook al is de tekst ervan niet geheel duidelijk - ook moet worden toegepast, wanneer het quotastelsel slechts voor een of enige categorieën wordt opgeheven, omdat de ratio legis van artikel 58, lid 3, klaarblijkelijk ook daarvoor geldt .
32 . Zij stelt echter nadrukkelijk, dat artikel 58, lid 3, in geen geval een lex specialis is ten opzichte van artikel 58, lid 1 . De Commissie zou een keuzerecht hebben en het quotastelsel heel goed kunnen afschaffen door middel van een actus contrarius van de invoering van het quotastelsel ( die alleen maar in artikel 58, lid 1, wordt genoemd ), dus door toepassing van artikel 58, lid 1 . Bedacht zou dienen te worden, dat de beoordeling van de economische toestand voor het al dan niet bestaan van een crisis zeer moeilijk is, omdat de situatie in de verschillende Lid-Staten, ja zelfs binnen een Lid-Staat heel verschillend kan zijn . Met bezwaren van Lid-Staten waarvan de ondernemingen door herstructureringsmaatregelen achterstand hebben opgelopen, moet bij deze beoordeling naar behoren rekening worden gehouden . Bovendien is de Commissie - wanneer een quotastelsel slechts gedeeltelijk wordt opgeheven - voor de overwinning van de crisis op de andere produktiegebieden aangewezen op samenwerking met de meerderheid van de Raad in goede verstandhouding . Bij maatregelen ter beperking van het quotastelsel dient hiermee al rekening te worden gehouden .
33 . Met betrekking tot deze problematiek zou ik om te beginnen willen beklemtonen, dat het EGKS-Verdrag uitgaat van de vrije ontplooiingsmogelijkheid van de ondernemingen ( 13 ) en dat de Hoge Autoriteit bij voorkeur gebruik moet maken van indirecte middelen . ( 14 ) Wil de Hoge Autoriteit overgaan tot rechtstreekse middelen, in casu invoering van produktiequota, en daardoor de vrije ontplooiingsmogelijkheden van de ondernemingen beperken, dan is zij in het kader van beginselen van de rechtsstaat ( 15 ) gebonden aan het criterium "dat de Gemeenschap zich in een uitgesproken crisisperiode bevindt ". ( 16 ) Zij kan geen produktiequota op eigen gezag invoeren, maar is aan een rechtens vastgestelde procedure gebonden, namelijk de raadpleging van het Raadgevend Comité en de instemming van de Raad . ( 17 )
34 . Overeenkomstig de grondoriëntatie van het Verdrag op vrije ontplooiing van de ondernemingen en indirect ingrijpen van de Hoge Autoriteit voorziet het duidelijke stelsel van artikel 58 EGKS-Verdrag in een lichtere procedure voor de afschaffing van het quotastelsel . Dit berust kennelijk op de gedachte, dat ingrepen in de produktie zoals artikel 58 die toelaat, uitzondering moeten zijn, en geen bestaansreden meer hebben wanneer de voorwaarde ervoor, namelijk een uitgesproken crisis, is weggevallen .
35 . Gelet op dit stelsel van het Verdrag, waarin de ondernemingsvrijheid de regel en de bevoegdheid tot ingrijpen van de Hoge Autoriteit uitzondering is, kan de opvatting van de Commissie niet worden gevolgd, dat zij het recht zou hebben om te kiezen tussen lid 1 en lid 3 . Bestaat er geen uitgesproken crisisperiode meer, dan moet zij het quotastelsel afschaffen en daarbij alle haar ter beschikking staande middelen gebruiken . Zij moet dus lid 3 toepassen, volgens hetwelk ter opheffing van de uitzonderingssituatie de raadpleging van het Raadgevend Comité en het ontbreken van een tegengestelde eenstemmige beslissing van de Raad volstaan, dat wil zeggen dat de Hoge Autoriteit hier slechts de steun van maar één enkele Lid-Staat behoeft .
36 . Volgens artikel 58, lid 3, doet de Hoge Autoriteit, de Commisie dus, haar verzoek pas na raadpleging van het Raadgevend Comité . Blijken daaruit geen elementen voor het voortbestaan van de uitgesproken crisisperiode, dan is zij verplicht met alle haar ter beschikking staande middelen de normale situatie te herstellen, dat wil zeggen dat zij moet voorstellen het quotastelsel op te heffen voor zover er geen uitgesproken crisis meer bestaat .
37 . De lichtere procedure van artikel 58, lid 3, geldt mijns inziens ook voor een gedeeltelijke opheffing van het quotastelsel, dus voor een beperking ervan . Op grond van de tekst van artikel 58, lid 3, "het quotastelsel wordt opgeheven", "le régime des quotas prend fin ..." zou men wel kunnen menen, dat hier slechts aan de opheffing van het gehele quotastelsel is gedacht . Dan zou de regeling echter gebrekkig zijn, omdat artikel 58, lid 1, enkel van de invoering van een quotastelsel spreekt en niet van een gedeeltelijke wijziging; ter opvulling van deze leemte zou men dan de objectief dichtstbijgelegen regeling analoog kunnen toepassen, en in het geval van beperking van een quotastelsel is dat ongetwijfeld artikel 58, lid 3, dat van opheffing spreekt, en niet lid 1, dat betrekking heeft op de invoering . Hierop is tijdens de mondelinge behandeling terecht gewezen .
38 . Aangenomen dat artikel 58, lid 3, ook toepasselijk is in geval van een gedeeltelijke opheffing van het quotastelsel, kan deze procedure redelijkerwijs niet anders dan de bij uitsluiting toepasselijke worden gezien, en dit ofschoon in artikel 58, lid 3, niet uitdrukkelijk van een dergelijke uitsluitende toepassing wordt gesproken . Veelzeggend is in ieder geval, dat in artikel 58, lid 3, wordt gezegd "het quotastelsel wordt opgeheven" (" le régime des quotas prend fin ...") en niet bij voorbeeld "kan" worden opgeheven, waarmee in de regel een discretionaire bevoegdheid wordt aangegeven . Bovendien is er ook terecht op gewezen, dat een keuzerecht als door de Commissie bepleit, niet alleen iets heel ongewoons zou zijn, omdat dit zou leiden tot verwarring en tot gevaar voor de rechtszekerheid, maar ook niet zou stroken met het feit, dat een quotastelsel - omdat het op zichzelf onverenigbaar is met de beginselen van het Verdrag - aan het einde van de crisis onvoorwaardelijk moet worden opgeheven, wat echter ten gevolge van de vereiste meerderheidsbeslissing van de Lid-Staten ( die ingevolge artikel 38 van het Verdrag slechts in zeer beperkte mate toetsbaar is ) kan worden bemoeilijkt of verhinderd .
39 . De Commissie heeft geprobeerd een tegenargument te ontlenen aan artikel 61 EGKS-Verdrag; dit artikel behandelt enkel maar de vaststelling van prijzen en lijkt dus te impliceren, dat bij afschaffing van dergelijke maatregelen als actus contrarius deze bepaling eveneens moet worden toegepast . Artikel 58 onderscheidt zich nu echter juist van dit artikel doordat het in twee afzonderlijke procedures voorziet voor invoering en opheffing van een quotastelsel .
40 . Ook de genoemde moeilijkheden bij de beoordeling van een crisissituatie en van de vraag in hoeverre zij voortbestaat, zou ik van de hand wijzen . Deze moeilijkheden kunnen ongetwijfeld voor de Commissie aanleiding zijn bij de uitvoering van haar verplichting ingevolge artikel 58, lid 3, een bijzonder grondig onderzoek te verrichten en daarbij gebruik te maken van de hulp van de Lid-Staten, de voorgeschreven raadpleging van het Raadgevend Comité ( 18 ) en inschakeling van het Europees Parlement op de meest doelmatige wijze . Die moeilijkheden kunnen er echter niet toe leiden, dat de Commissie zich in vergaande mate aan haar verantwoordelijkheid onttrekt en de voor artikel 58 vereiste vaststelling in wezen overlaat aan de meerderheid van deze instellingen .
41 . Ten slotte vind ik evenmin overtuigend de opmerking over het streven vertrouwensrelaties met de Lid-Staten te handhaven met het oog op het overwinnen van de crisis in de resterende sectoren ( waarvoor bij voorbeeld van belang is de organisatie van de bescherming aan de buitengrens, de financiering van herplaatsingsmogelijkheden bedoeld in artikel 56 EGKS-Verdrag of de bevordering van de herstructurering van hele gebieden ). Ook al kan men voor deze preoccupatie wel een zeker begrip opbrengen, toch kan zij geen rechtvaardiging zijn om voorbij te gaan aan de zeer duidelijke competentieverdeling, die moet worden gezien in het licht van het door het Verdrag nagestreefde evenwicht tussen de instellingen . Daarenboven lijkt het ook twijfelachtig, of bij een juiste toepassing van artikel 58, lid 3, bepaalde Lid-Staten wel zo ontstemd zouden raken, dat om die reden de objectief noodzakelijke maatregelen ( bij voorbeeld een capaciteitsinkrimping ), waaraan de Lid-Staten moeten meewerken, niet zouden kunnen worden getroffen .
42 . Derhalve ben ik van mening, dat de Commissie bij de vaststelling van de bestreden beschikking artikel 58, lid 3, onjuist heeft uitgelegd en dat zij bijgevolg haar bevoegdheid ex artikel 58, lid 3, niet heeft uitgeoefend om te komen tot een beperking van het quotastelsel, die mogelijk verder had kunnen gaan dan in de bestreden beschikking het geval was . Beschikking nr . 3746/86 moet derhalve - voor zover de categorieën IV en VI niet ook zijn geliberaliseerd - als onwettig worden aangemerkt, zodat de beroepen in de zaken 32/87 en 52/87 ( betreffende een op beschikking nr . 3485/85, zoals gewijzigd bij beschikking 3746/86, gebaseerde quotamededeling met betrekking tot categorie IV ) gegrond zijn .
43 . Dit betekent - laat u mij dit ook nog zeggen -, dat de Commissie de procedure tot wijziging van beschikking nr . 3485/85 met ingang van 1 januari 1987 op basis van artikel 58, lid 3, opnieuw moet beginnen . Daarbij zal zij niet gewoon op de mededeling van 2 oktober 1986 kunnen teruggrijpen . Immers, niet kan worden uitgesloten, dat de desbetreffende appreciaties zijn gegeven met het oog op een heel bepaalde, in zeer sterke mate door de Raad beïnvloede overlegprocedure, waarin die mededeling het uitgangspunt vormde van onderhandelingen met als doel, het bereiken van een compromis, en zij dus wel daarop zal zijn afgestemd geweest . Ook mag niet worden vergeten, dat men dit document moet zien tegen het licht van de opmerkingen van de vertegenwoordiger van de Commissie ter terechtzitting, dat de Commissie de procedure van artikel 58, lid 1, heeft gekozen, omdat de beoordeling van het voortbestaan van een crisis zeer moeilijk is en de Commissie, hoewel zij de situatie in beginsel globaal dient te bezien, daarbij bezwaren die de Lid-Staten onder verwijzing naar hun specifieke situatie aanvoeren, niet naast zich neer kan leggen . De Commissie moet zich daarom thans in het besef van haar verantwoordelijkheid op grond van artikel 58, lid 3, een nieuw en grondig beeld van de economische situatie maken en op grond daarvan een nieuwe rechtstoestand scheppen alsmede zonodig een nieuwe quotamededeling richten aan verzoekster in zaak 52/87 .
44 . 2 . Met betrekking tot het beroep in zaak 32/87 waarin, zoals gezegd, enkel het zojuist besproken middel is aangevoerd, behoef ik verder niets op te merken . Ook lijkt het - nu beschikking nr . 3746/86 mijns inziens onwettig is - overbodig om in zaak 52/87 nog in te gaan op andere middelen dan het zoëven behandelde, daar deze zo nauw samenhangen met het eerste middel, dat een andere beoordeling uitgesloten lijkt .
45 . Die andere middelen zijn echter wel belangrijk voor verzoeksters in zaak 57/87, die zoals reeds gezegd slechts produkten van categorie III produceren . Wij hebben immers gezien, dat het tot nu toe behandelde middel - niet-toepassing van artikel 58, lid 3 - geen steek houdt, omdat ook indien de juiste procedure zou zijn toegepast, categorie III toch niet zou zijn geliberaliseerd .
46 . Wat zaak 57/87 betreft, moet dus nog het middel worden onderzocht, dat artikel 58 is geschonden doordat het quotastelsel is gehandhaafd voor produkten waarvoor geen uitgesproken crisis bestaat . Voorts moet worden bezien, of de Commissie wel produkten van categorie III ten opzichte van produkten van categorie Ic heeft gediscrimineerd doordat zij, hoewel zij meende dat voor beide produkten geen sprake van een crisis meer was, in de bestreden beschikking slechts de laatste van het quotastelsel heeft uitgezonderd .
47 . a ) Wat het eerste van deze middelen betreft, wil ik erop wijzen, dat zich thans een ander beeld aftekent dan aan het begin van de procedure die tot vaststelling van de bestreden beschikking heeft geleid ( in de mededeling van de Commissie van 2 oktober 1986 werd immers ook liberalisatie van een deel van de produkten van categorie III voorgesteld ). Om de hiervoor uiteengezette redenen heeft de Commissie haar standpunt in dit opzicht ingrijpend gewijzigd en meent thans, dat aan liberalisatie van categorie III ook na 1 juli 1988 niet valt te denken . Dit betekent, dat verzoeksters in zaak 57/87 zich voor hun stelling, dat voor produkten van categorie III geen uitgesproken crisis meer bestaat, niet eenvoudig op de Commissie kunnen beroepen . Aangezien zij anderzijds de voorstelling van zaken van de Commissie ter terechtzitting niet hebben weersproken en ook niets ter motivering van het standpunt hebben aangevoerd, dat voor kleine zware profielen na 1 januari 1987 geen uitgesproken crisis bestaat, ben ik van mening, dat hun middel, dat artikel 58 geschonden is omdat er geen uitgesproken crisis meer bestaat, ongegrond is .
48 . b ) Hetzelfde geldt kennelijk ook voor het in de tweede plaats genoemde middel, voor zover hierin van discriminatie van de produkten van categorie III wordt gesproken . Daar de Commissie zich intussen heeft gedistantieerd van de opvatting, dat voor geen van de drie categorieën III, IV en VI nog van een crisis sprake is ( met betrekking tot categorie III denkt zij thans anders ), en daar verzoekster niet heeft aangetoond, dat zowel voor de produkten van categorie III als voor die van categorie Ic aan de crisis een einde is gekomen, rest mij slechts de conclusie, dat een in dit opzicht verschillende behandeling niet discriminerend kan worden genoemd, daar de situaties ongelijk zijn .
49 . c ) Het beroep van verzoeksters in zaak 57/87 dient dan ook te worden verworpen, omdat met betrekking tot het middel ( niet-toepassing van artikel 58, lid 3 ) het procesbelang ontbreekt en de andere aangevoerde middelen ongegrond zijn gebleken .
50 . Omdat de Commissie evenwel pas ter terechtzitting nieuwe verklaringen met betrekking tot categorie III heeft gedaan, en omdat na de mededeling van de Commissie van 2 oktober 1986 er zeer wel aanleiding kon bestaan voor het instellen van een beroep wegens niet-liberalisatie van categorie III, meen ik dat de Commissie ook in zaak 57/87 in de kosten dient te worden verwezen .
C - Conclusie
51 . Op grond van het voorgaande geef ik in overweging te beslissen als volgt :
" - De beroepen in de zaken 32 en 52/87 dienen te worden toegewezen, voor zover beschikking nr . 3746/86 is vastgesteld op de voet van artikel 58, lid 1, EGKS-Verdrag en de categorieën IV en VI daarbij niet zijn geliberaliseerd .
- Het beroep in zaak 57/87 dient te worden verworpen .
- In alle drie de zaken dient de Commissie te worden verwezen in de kosten . "
(*) Vertaald uit het Duits .
( 1 ) PB 1984, L 29, blz . 1 e.v .
( 2 ) PB 1985, L 340, blz . 5 e.v .
( 3 ) PB 1986, L 348, blz . 1 .
( 4 ) PB 1988, L 25, blz . 1 e.v .
( 5 ) PB 1986, L 339, blz . 20 .
( 6 ) Arrest van 11 februari 1955, zaak 3/54, Assider, Jurispr . 1955, blz . 133 .
( 7 ) Arrest van 9 juni 1964, gevoegde zaken 55 tot 59 en 61 tot 63/63, Modena, Jurispr . 1964, blz . 441 .
( 8 ) Arrest van 8 juli 1965, gevoegde zaken 3 en 4/64, Chambre syndicale de la sidérurgie française, Jurispr . 1965, blz . 668 .
( 9 ) Arrest van 13 juni 1958, zaak 2/57, Compagnie des Hauts Fourneaux de Chasse, Jurispr . 1958, blz . 137 .
( 10 ) Arrest van 21 februari 1984, gevoegde zaken 140, 146, 221 en 226/82, Walzstahl, Jurispr . 1984, blz . 951 .
( 11 ) Conclusie van 27 november 1984, zaak 250/83, Finsider, Jurispr . 1985, blz . 132 .
( 12 ) Zie hiervoor, nr . 21 .
( 13 ) Artikelen 2 en 4 EGKS-Verdrag .
( 14 ) Artikel 57 EGKS-Verdrag .
( 15 ) Artikel 31 EGKS-Verdrag .
( 16 ) Artikel 58 EGKS-Verdrag .
( 17 ) Artikel 58 EGKS-Verdrag .
( 18 ) Artikel 58, lid 3, EGKS-Verdrag .
Full & Egal Universal Law Academy