Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . V . Christianos, ambtenaar van het Hof van Justitie in de functie van jurist-reviseur bij de Griekse afdeling van de directie Vertalingen, werd op 21 maart 1986 door de afdeling Personeel van het Hof ervan in kennis gesteld, dat ingevolge de nieuwe bepalingen van de artikelen 67 en 68 van het Statuut en de artikelen 1, 2 en 3 van bijlage VII de hem verschuldigde gezinstoelagen rechtstreeks zouden worden uitgekeerd aan zijn ex-vrouw, die met hun kind, waarover zij de voogdij heeft, in Griekenland woont .
2 . Krachtens die bepalingen zou het bedrag van de betrokken uitkeringen ( kostwinnerstoelage, kindertoelage en schooltoelage ) ook worden berekend met toepassing van een geografische aanpassingscoëfficiënt voor het land waar de persoon die de voogdij uitoefent, woont .
3 . Overeenkomstig de instructies van het hoofd van de afdeling Personeel werd dus met ingang van mei 1986 een bedrag van 15 822 LFR ingehouden op de bezoldiging van verzoeker . Volgens de officiële wisselkoers kwam dat bedrag overeen met 48 680 DR, maar als gevolg van de toepassing van de aanpassingscoëfficiënt voor Griekenland werden er slechts 32 520 DR overgemaakt op de bankrekening van verzoekers ex-vrouw .
4 . Daarop diende verzoeker een klacht in, waarin hij vroeg om annulering van het besluit van de administratie van het Hof, voor zover dat de toepassing van de aanpassingscoëfficiënt betrof . Tevens verzocht hij de administratie te gelasten, de gezinstoelagen aan zijn ex-vrouw te betalen zonder toepassing van de aanpassingscoëfficiënt, of anders ze aan hemzelf uit te betalen, in welk geval hij ervoor zou zorgen dat ze tegen de gebruikelijke koers aan de begunstigde zouden worden overgemaakt .
5 . De klacht werd door de bevoegde commissie van het Hof afgewezen . Tegen die afwijzing is het onderhavige beroep gericht .
6 . De Commissie van de Europese Gemeenschappen is toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van verweerder .
7 . Verzoeker concludeert, kort samengevat, dat het den Hove behage :
a ) het besluit tot afwijzing van zijn klacht nietig te verklaren;
b ) te verstaan, dat de gezinstoelagen die worden uitgekeerd aan de persoon die de voogdij heeft over het kind, zullen worden berekend op basis van de werkelijke wisselkoers tussen de Luxemburgse frank en de drachme, zonder toepassing van een aanpassingscoëfficiënt;
c ) te verstaan, dat de rekening van verzoeker zal worden geredresseerd;
d ) verweerder te veroordelen tot betaling van het verschil tussen de op verzoekers salaris ingehouden bedragen en de sedert 15 mei 1986 aan de ontvanger van de gezinstoelagen betaalde bedragen;
e ) verweerder te veroordelen tot betaling van moratoire interessen en hem ook in de kosten te verwijzen .
1 . De ontvankelijkheid van het beroep
8 . Het beroep strekt in de eerste plaats tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de klacht .
9 . Het gaat daarbij om een louter bevestigende handeling, die op zichzelf niet kan worden bestreden .
10 . Maar zoals het Hof in gelijke omstandigheden heeft beslist ( 1 ), moet worden erkend dat het voorwerp van het beroep ook de handeling betreft waartegen een klacht is ingediend en waarvan de uitvoering nadelig is voor de verzoeker .
11 . Hierin ligt dus geen niet-ontvankelijkheidsgrond, zoals verweerder in zijn verweerschrift trouwens heeft opgemerkt .
12 . Verweerder heeft daarentegen een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen tegen de tweede, de derde en de vierde vordering van verzoeker .
13 . Hij stelt, dat het Hof de door verzoeker gevorderde maatregelen niet kan nemen : er wordt immers niet geklaagd over een verkeerde toepassing van het Statuut, maar over de toepassing van een bepaling waarvan de wettigheid bij wege van exceptie wordt betwist .
14 . Het staat echter alleen aan de communautaire wetgever, de passende maatregelen te treffen om een einde te maken aan eventuele discriminaties die uit de gewraakte bepaling voortvloeien ( arrest Razzouk en Beydoun, l.c ., r.o . 19 ), terwijl de administraties van de instellingen in afwachting daarvan de vigerende statutaire bepalingen moeten blijven toepassen .
15 . Mijns inziens moeten bij het onderzoek van het probleem twee vragen worden onderscheiden :
1 ) Hebben wij te maken met een door verzoeker opgeworpen exceptie van onwettigheid?
2 ) Is het Hof bevoegd de door verzoeker gevraagde maatregelen te treffen?
16 . Wat het eerste punt betreft, lijken de door verzoeker in zijn klacht en in zijn verzoekschrift gebezigde bewoordingen erop te wijzen - maar geheel duidelijk is dat niet -, dat hij de wettigheid van de toepasselijke statutaire bepalingen niet rechtstreeks in geding heeft willen brengen, en dat hij zijn beroep heeft willen richten tegen de wettigheid van het besluit van de administratie, wegens de uitlegging en toepassing die deze aan die bepalingen heeft gegeven .
17 . Zijn gehele betoog is kennelijk gericht tegen de "strikte" of "letterlijke" toepassing van die bepalingen, die niet in strijd is met de letter, doch met de "geest" van de wijziging van het Statuut, die, wel verre van de kinderen ten laste te willen benadelen, hun juist een doeltreffende bescherming beoogde te verzekeren . Die letterlijke toepassing zou leiden tot "onvoorziene resultaten die in strijd zijn met de belangen van de personen die zij ( de statutaire bepaling ) moet beschermen", hetgeen een choquerende en onrechtvaardige situatie in het leven roept, die in casu leidt tot schending van algemene beginselen en met name van het gelijkheidsbeginsel .
18 . Men kan twijfelen aan de ontvankelijkheid van een "exceptie van onwettigheid", die door het betoog van verzoeker enkel wordt geïmpliceerd . ( 2 )
19 . Het lijkt evenwel duidelijk dat dit beroep in werkelijkheid draait om de vraag, of de bepalingen van artikel 67, lid 4, voor zover zij ertoe strekken een geografische aanpassingscoëfficiënt toe te passen op gezinstoelagen die aan een andere persoon dan de ambtenaar worden uitgekeerd, op verzoekers situatie kunnen worden toegepast, omdat daardoor een hogere rechtsregel wordt geschonden . Het is immers niet mogelijk de wettigheid van het besluit van de administratie inzake verzoekers gezinstoelagen aan te vechten, zonder tevens de rechtmatigheid te betwisten van de duidelijke statutaire bepaling waarop dat besluit is gebaseerd .
20 . Ter terechtzitting heeft de advocaat van verzoeker, op aandringen van het Hof, ten slotte overigens toegegeven, dat het beroep ertoe strekte bij wege van exceptie de rechtmatigheid van de toegepaste bepaling te betwisten . Over die rechtmatigheid ( 3 ), die ik in het tweede deel van deze conclusie zal onderzoeken, mag dus geen twijfel blijven bestaan .
21 . Ik zal eerst ingaan op het tweede aspect van het ontvankelijkheidsprobleem . In dit verband beroept verzoeker zich op de overeenkomst met het arrest Newth ( 4 ), dat betrekking had op de toepassing van artikel 50, vijfde alinea, van het Statuut, inzake de geografische aanpassingscoëfficiënten die worden toegepast bij ontheffing uit het ambt om redenen van dienstbelang . De in die zaak ingestelde vorderingen waren op alle punten identiek aan die welke wij vandaag bespreken .
22 . Zonder de ontvankelijkheid van de vorderingen in de discussie te betrekken, die overigens ook niet werd betwist door verweerster in die zaak, de Commissie, stelde het Hof vast, dat de toepassing van artikel 50, vijfde alinea, van het Statuut op een situatie zoals die van de verzoeker choquerende gevolgen zou hebben en het gelijkheidsbeginsel zou schenden . Daarom diende de administratie de betrokken regel aldus te interpreteren, dat dat gevolg werd vermeden, en moesten dus andere aanpassingscoëfficiënten worden toegepast dan die welke in de betrokken regel waren vastgesteld .
23 . Krachtens artikel 91 van het Statuut, waarbij hem volledige rechtsmacht in geschillen van geldelijke aard is verleend, gelastte het Hof de Commissie daarop, verzoekers rechten met alle gewenste nauwkeurigheid vast te stellen .
24 . Dat probleem lijkt ons echter niet van belang voor de oplossing van het onderhavige geschil .
25 . Het staat buiten kijf, dat in gevallen waarin de administratie over een discretionaire bevoegdheid beschikt om over de opportuniteit en de inhoud van een bepaalde maatregel te beslissen, het Hof niet in haar plaats kan treden om in haar naam een besluit te nemen of om haar te gelasten één der bestaande mogelijkheden te kiezen.(5 )
26 . Daarom heeft het Hof steeds zorgvuldig vermeden om in de eigen bevoegdheidssfeer van de administratie te treden door middel van tot haar gerichte bevelen .
27 . Elke vordering in die zin zou dus kennelijk niet-ontvankelijk moeten worden geacht .
28 . Maar ook in het geval van een gebonden bevoegdheid van de administratie behoeft de conclusie niet noodzakelijk zeer verschillend te zijn .
29 . De uitoefening van een dergelijke bevoegdheid vloeit dan immers voort uit de verplichting om het arrest uit te voeren, zodat het Hof de verwerende instelling niet nog eens uitdrukkelijk behoeft te gelasten een bepaalde maatregel te treffen of een bepaald besluit te nemen .
30 . Gelijk het Hof in algemene termen verklaarde in het arrest De Compte ( 6 ), "is de instelling die de vernietigde handeling heeft verricht, op grond van artikel 176 EEG-Verdrag gehouden de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie . Het Hof kan niet, zonder zijn bevoegdheid te overschrijden, de gemeenschapsinstellingen bevelen geven met het oog op de uitvoering van zijn arresten . Bijgevolg zijn deze conclusies ( 7 ) niet-ontvankelijk ". ( 8 )
31 . De situatie is echter niet zo duidelijk wanneer de nietigverklaring van de handeling van de administratie een gevolg is van het feit dat zij gebaseerd is op statutaire bepalingen die strijdig zijn met een hogere rechtsregel en dus buiten toepassing dienen te blijven .
32 . Na een dergelijke nietigverklaring staat het in de eerste plaats aan de gemeenschapswetgever om de consequenties uit het arrest te trekken door passende maatregelen te treffen ten einde dat beginsel weer te doen eerbiedigen.(9 ) Daarnaast dient de administratie echter onverwijld de positie van de verzoeker in heroverweging te nemen en in afwachting van de besluiten van de wetgever de nodige maatregelen te treffen om een einde te maken aan de nadelige of discriminerende situatie waarvan hij het slachtoffer was.(10 )
33 . Wanneer het bestreden voorschrift niet-toepasselijk is verklaard, kan het noodzakelijk zijn dat het Hof de administratie de nodige referenties of de parameters van zijn beslissing verschaft om haar in staat te stellen "verzoekers rechten met alle gewenste nauwkeurigheid vast te stellen ". ( 11 )
34 . Dat is wat het Hof heeft gedaan in het arrest Razzouk en Beydoun, door te gelasten dat op één der verzoekers de statutaire bepalingen inzake het weduwenpensioen zouden worden toegepast, en in het arrest Newth, door te gelasten dat de aanpassingscoëfficiënt voor België zou worden toegepast op de in Belgische franken berekende vergoeding waarop verzoeker recht had krachtens artikel 50, vijfde alinea, van het Statuut, en door te verstaan dat de rekening van verzoeker zou worden geredresseerd en dat hem de verschuldigde achterstallige bedragen zouden worden uitbetaald .
35 . In de zaak die ons hier bezighoudt, heeft dit probleem echter geen praktisch belang .
36 . Verzoeker heeft immers wel verschillende vorderingen ingesteld, doch hij heeft niet voor elk ervan specifieke middelen aangevoerd . Integendeel, de aangevoerde middelen betreffen alle vorderingen tegelijk .
37 . Indien, zoals wij verderop zullen zien, de middelen van het beroep als volstrekt ongegrond moesten worden beschouwd, dan zou dat onmiddellijk tot verwerping leiden niet enkel van de hoofdvordering ( nietigverklaring van het bestreden besluit ), maar ook van de bijkomende vorderingen en van die welke beschouwd kunnen worden als bevelen aan de administratie met het oog op de tenuitvoerlegging van het arrest .
38 . Omdat het hoe dan ook noodzakelijk is de gegrondheid van de aangevoerde middelen te onderzoeken nu de exceptie van niet-ontvankelijkheid niet tegen bepaalde vorderingen kan worden ingebracht, zou het bij een volledig ontbreken van gegrondheid niet nodig zijn specifiek in te gaan op de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de vorderingen die volgens verweerder niet-ontvankelijk zijn .
39 . Nu reeds kan ik stellen, dat geen van de aangevoerde middelen ook maar de minste steun geeft aan het beroep .
2 . De gegrondheid van de zaak
40 . Volgens verzoeker zijn verscheidene algemene rechtsbeginselen geschonden :
a ) het billijkheidsbeginsel : door artikel 67, lid 4, in het geval van verzoeker strikt toe te passen, wordt een zeer onbillijke situatie gecreëerd met onvoorziene gevolgen die volledig tegengesteld zijn aan de belangen van de personen die beschermd zouden moeten worden, voor zover die toepassing belet dat zij de gezinstoelagen in hun geheel ontvangen;
b ) het vertrouwensbeginsel, de zorgplicht en het beginsel van goed bestuur : de administratie van het Hof heeft een abstracte regeling toegepast, zonder rekening te houden met de belangen van de ambtenaar en zijn minderjarig kind en zonder hem in te lichten over de gevolgen van de toepassing van die regeling;
c ) het beginsel van gelijke behandeling : hoewel de gewraakte regeling tot doel heeft, personen die in verschillende landen wonen, op gelijke wijze te behandelen, heeft zij uiteindelijk tot gevolg, dat ambtenaren wier gezin in Griekenland woont, worden gediscrimineerd ten opzichte van die wier gezin in een andere Lid-Staat woont, doordat aan de eersten een deel van de gezinstoelagen waarop zij recht hebben, wordt onthouden;
d ) het verbod van "ongegronde verrijking ": hoewel verzoeker in zijn repliek toegeeft, dat er geen sprake is van een echte "ongegronde verrijking" van de administratie, stelt hij dat haar tussenkomst bij de overmaking van de gezinstoelagen ertoe leidt, dat de begunstigde uiteindelijk een lager bedrag ontvangt dan wanneer de ambtenaar ( zoals in de vroegere regeling ) zelf zou zorgen voor de transfer tegen de normale wisselkoers, of wanneer de echtgenoot die de voogdij over het kind heeft, niet in Griekenland, maar in Luxemburg zou wonen .
41 . Het betoog van verzoeker kan de toets der kritiek niet doorstaan .
42 . Wat verzoeker met zijn beroep op de beginselen van billijkheid en gelijke behandeling in geding brengt, is eigenlijk de toepassing van geografische aanpassingscoëfficiënten op de gezinstoelagen die op de in artikel 67, lid 4, van het Statuut bepaalde voorwaarden aan een andere persoon dan de ambtenaar worden betaald .
43 . Zoals het Hof al meer dan eens heeft beklemtoond, wordt met de geografische aanpassingscoëfficiënten in het kader van de artikelen 64 en 65 van het Statuut beoogd, "de handhaving van een gelijke koopkracht voor alle ambtenaren, ongeacht hun standplaats, te waarborgen, in overeenstemming met het beginsel van gelijke behandeling ". ( 12 )
44 . Het beginsel waar het Statuut van uitgaat, is de gelijke koopkracht van de bezoldiging der ambtenaren, ongeacht de plaats waar zij zijn tewerkgesteld .
45 . Ingevolge artikel 62 omvat de bezoldiging "een basissalaris, gezinstoelagen en toelagen van andere aard", die alle worden berekend met toepassing van de in de artikelen 64 en 65 genoemde geografische aanpassingscoëfficiënten . Deze regeling wordt bevestigd in het arrest Jacquemart van 13 juli 1978 ( 13 ), waarin wordt verklaard, dat de "aanpassingscoëfficiënten geen aanvulling zijn op de bezoldiging, maar een methode om het bedrag van de verschillende bestanddelen waaruit deze bezoldiging bestaat, te berekenen ". Uit de toepassing van de coëfficiënten vloeit naargelang het geval een verhoging of een verlaging voort van de in Belgische franken vastgestelde bezoldiging .
46 . Artikel 67, lid 4, preciseert enkel, dat op de gezinstoelagen die worden uitgekeerd aan de persoon die de voogdij over het kind heeft ( indien die persoon niet de ambtenaar is ), de aanpassingscoëfficiënt wordt toegepast die is vastgesteld voor het land waar die persoon woont .
47 . Het zou inderdaad niet billijk zijn de uitkeringen te betalen in de munt van het land waar de ambtenaar is tewerkgesteld, met toepassing van de voor dat land geldende aanpassingscoëfficiënt, wanneer de ambtenaar niet de voogdij heeft over het kind en dit met de persoon aan wie het is toevertrouwd, in een ander land woont .
48 . Uit de vastgestelde regeling vloeit dus voort, dat de personen die de voogdij hebben over de kinderen van ambtenaren, hetzelfde bedrag ontvangen, berekend op basis van de kosten van levensonderhoud in hun woonplaats; wanneer die regel wordt toegepast, is de billijkheid volkomen gewaarborgd .
49 . In verzoekers geval is de algemene regel in acht genomen, zonder enig onvoorzien of ongewenst gevolg .
50 . Er is immers niet aangetoond, dat de situatie van verzoeker op wat voor wijze ook uitzonderlijk zou zijn, hetgeen grond zou opleveren de betrokken regel op hem niet of anders toe te passen .
51 . De regel geldt integendeel voor een algemene categorie van personen, die op abstracte wijze worden omschreven aan de hand van hun situatie, en verzoeker maakt eenvoudig deel uit van die algemene categorie . Wij hebben trouwens gehoord, dat de regeling alleen al bij het Hof wordt toegepast op 15 à 20 personen . Ook de Commissie heeft verscheidene voorbeelden gegeven van toepassing van de bepaling op aan ambtenaren van de Commissie verschuldigde gezinstoelagen, waarbij de nominale bedragen in Belgische franken in sommige gevallen worden verminderd en in andere verhoogd, naargelang van de woonplaats van degene aan wie de voogdij over de kinderen is toegewezen .
52 . Evenmin kan men spreken van een schending van het gelijkheidsbeginsel wanneer het gaat om toepassing van een bepaling die juist beoogt een gedifferentiëerde behandeling te verzekeren aan personen die zich in verschillende situaties bevinden, zodat die verschillen worden gecompenseerd en de betrokkenen dankzij de in die bepaling voorziene modulatie in gelijke omstandigheden komen te verkeren .
53 . Vaststaat, dat de toepassing van de aanpassingscoëfficiënt voor Griekenland ertoe heeft geleid, dat het door de administratie overgemaakte bedrag lager is dan het bedrag dat voorheen door verzoeker zelf werd overgemaakt . Dat is zo, omdat de kosten van levensonderhoud in Athene lager zijn dan in Brussel en Luxemburg . In andere gevallen zal de situatie omgekeerd zijn en zal de toepasselijke aanpassingscoëfficiënt om dezelfde redenen van relatieve rechtvaardigheid hoger zijn .
54 . Verzoekers kind krijgt dus dezelfde koopkracht als het kind van iedere andere ambtenaar dat onder diens voogdij of die van een derde staat, en ongeacht in welke Lid-Staat het woont, hetgeen niet het geval zou zijn indien de aanpassingscoëfficiënten niet werden toegepast .
55 . Daarenboven heeft niemand in twijfel getrokken, dat verzoekers kind hetzelfde bedrag aan gezinstoelagen in Griekse munt, en dus dezelfde koopkracht, ontvangt als het kind van iedere andere ambtenaar dat aan de voogdij van de echtgenoot is toevertrouwd en met deze in Griekenland woont .
56 . Verzoeker kan evenmin slagen met zijn beroep op het vertrouwensbeginsel . Een ambtenaar kan er niet op vertrouwen, dat het Statuut verkeerd wordt toegepast of zelfs apert wordt geschonden, en dat zou het geval zijn wanneer de gezinstoelagen overeenkomstig verzoekers wens zonder toepassing van de coëfficiënt aan zijn ex-vrouw werden overgemaakt of wanneer zij rechtstreeks aan verzoeker werden betaald in een andere munteenheid dan die van het land waar de persoon woont die de voogdij over het kind heeft .
57 . Het voorschrift van artikel 67, lid 4, dat door artikel 5 van verordening ( EEG, Euratom, EGKS ) nr . 2074/83 van de Raad van 21 juli 1983 ( 14 ) aan het Statuut is toegevoegd, is uitgevaardigd door de bevoegde instantie, heeft dezelfde waarde als de gewijzigde tekst, is vrij van iedere vormfout en was uitstekend bekend aan verzoeker ( te meer nu de administratie in de nota die zij hem op 21 maart 1986 heeft gestuurd, de aandacht heeft gevestigd op de statutaire wijzigingen ). Verzoeker kan daarom niet de minste verrassing, subjectieve verwachting of verworven recht op grond van de vorige regeling aanvoeren om zich te onttrekken aan de toepassing ervan, die overigens niet met terugwerkende kracht geschiedt .
58 . Bovendien is, zoals het Hof heeft vastgesteld ( 15 ), de rechtsband tussen de ambtenaren en de instellingen van statutaire aard . In casu kan men zich niet beroepen op een verplichting van de administratie om de gevolgen van de regelmatig vastgestelde statutaire wijziging teniet te doen .
59 . In deze context valt niet te zien hoe de zorgplicht van de Gemeenschap tegenover haar ambtenaren of het beginsel van behoorlijk bestuur in het geding kan worden gebracht, aangezien er enkel maar toepassing is gegeven aan een statutaire bepaling die - na klachten die bij de instellingen waren ingekomen - is ingegeven door het streven om te verzekeren dat de gezinstoelagen daadwerkelijk en snel worden uitbetaald aan de personen die de voogdij over de kinderen uitoefenen, en om laatstgenoemden ongeacht hun woonplaats een gelijke behandeling te waarborgen .
60 . Zoals wij zagen, heeft de administratie verzoeker trouwens lang tevoren aangekondigd dat zij, op basis van de door hem verschafte inlichtingen, de in de toepasselijke statutaire bepalingen vastgestelde maatregelen zou uitvoeren waarbij zij hem bovendien verzocht, het nodige te doen om een correcte toepassing van de voorschriften te waarborgen en alle onnodige schade te vermijden .
61 . Dit betekent niet alleen, dat verzoeker zich niet kan beschouwen als het slachtoffer van een statutaire bepaling die voor hem discriminatoire gevolgen heeft, maar ook dat hij zich niet erover kan beklagen, dat de administratie onjuist, oneerlijk of zelfs lichtvaardig jegens hem heeft gehandeld door die bepalingen toe te passen . Weliswaar zijn de nieuwe bepalingen met vertraging toegepast, naar het schijnt wegens administratieve moeilijkheden, doch verzoeker heeft daardoor geen schade geleden .
62 . Ten slotte heeft verzoeker, na kennisneming van het verweerschrift van verweerder, in zijn repliek afstand gedaan van het middel inzake ongegronde verrijking van de instelling, hoewel hij is blijven betogen, dat er als gevolg van de toepassing van de omstreden bepalingen sprake zou zijn van "ongegronde verarming" van hemzelf en van zijn kind .
63 . Verweerder heeft genoegzaam aangetoond, dat het in het verzoekschrift aangevoerde middel op een ernstig misverstand berust . Overeenkomstig de artikelen 62 en volgende van het Statuut wordt immers op de bezoldiging van de ambtenaren ( met inbegrip van de gezinstoelagen ) - steeds uitgedrukt in Belgische franken - een aanpassingscoëfficiënt toegepast die, naargelang van de levensomstandigheden in de verschillende plaatsen van tewerkstelling, hoger is dan, gelijk aan of lager dan 100 %. De bezoldiging wordt echter betaald in de munteenheid van het land waar de ambtenaar is tewerkgesteld of, wanneer artikel 67, lid 4, moet worden toegepast, in de munteenheid van het land waar de persoon woont die de voogdij heeft over de kinderen van de ambtenaar . In voorkomend geval wordt dan krachtens artikel 63, tweede alinea, de wisselkoers toegepast die voor de tenuitvoerlegging van de algemene begroting van de Gemeenschappen wordt gebruikt .
64 . Dit geldt voor alle elementen van de bezoldiging en dus ook voor de gezinstoelagen, ongeacht of de kinderen ten laste zijn van de ambtenaar of van derden, of zij in diens land van tewerkstelling dan wel in een andere Lid-Staat wonen en of de ambtenaar in Brussel/Luxemburg dan wel in een andere Lid-Staat is tewerkgesteld .
65 . In elk van die gevallen wordt de desbetreffende aanpassingscoëfficiënt toegepast, die zodanig is berekend, dat de gelijke koopkracht van de bezoldigingen verzekerd is .
66 . Aangezien het daarbij gaat om een berekeningswijze van de bezoldigingen, is er volstrekt geen sprake van een verrijking van de instellingen ten koste van hun ambtenaren . Van ongegronde verrijking is er te minder sprake waar vaststaat, dat de hierbedoelde regeling haar oorsprong vindt in de statutaire bepalingen .
67 . Waar verzoeker desondanks volhoudt dat er sprake is van "ongegronde verarming", zal men moeten kiezen : ofwel is dit een nieuw middel, dat in repliek is opgeworpen en dus op grond van het bepaalde in artikel 42, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering niet in aanmerking kan worden genomen, ofwel is het slechts een ander aspect van hetzelfde middel en dan geldt daarvoor hetzelfde .
3 . Conclusie
68 . Aangezien verzoeker op alle punten in het ongelijk is gesteld, moet het beroep worden verworpen en moet over de kosten worden beslist overeenkomstig artikel 69, paragraaf 2, juncto artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering .
(*) Vertaald uit het Portugees .
( 1 ) Arrest van 20 maart 1984, gevoegde zaken 75 en 117/82, Razzouk en Beydoun, Jurispr . 1984, blz . 1509, r.o . 7 .
( 2 ) Arrest van 17 december 1959, zaak 14/59, Fonderies de Pont-à-Mousson, Jurispr . 1959, blz . 481, 512 .
( 3 ) Ibid .
( 4 ) Arrest van 31 mei 1979, zaak 156/78, Newth, Jurispr . 1979, blz . 1941, r.o . 13 .
( 5 ) Arrest van 16 december 1960, zaak 44/59, Fiddelaar, Jurispr . 1960, blz . 1117, 1134; arrest van 19 maart 1975, zaak 189/73, Van Reenen, Jurispr . 1975, blz . 445, 434 .
( 6 ) Arrest van 20 juni 1985, zaak 141/84, De Compte, Jurispr . 1985, blz . 1951, r.o . 22 .
( 7 ) Strekkende tot volledig rechtsherstel van verzoeker met terugwerkende kracht .
( 8 ) Zie ook het arrest van 23 februari 1961, zaak 30/59, De Gezamenlijke Steenkoolmijnen, Jurispr . 1961, blz . 1, 37, en de arresten van 1 juli 1964, zaken 26/63, Pistoj, Jurispr . 1964, blz . 703, 728, en 78/63, Huber, ibid ., blz . 755, 776 . Deze rechtspraak heeft de overhand behaald op de rechtsopvattingen in oudere arresten, zoals het arrest van 19 maart 1964, zaak 18/63, Schmitz-Wollast, Jurispr . 1964, blz . 173, 208, en het arrest van 7 juli 1964, zaak 70/63, Collotti, ibid ., blz . 899, 944 en 946 .
( 9 ) Arrest Razzouk en Beydoun, l.c ., r.o . 19 .
( 10 ) Ibid .
( 11 ) Arrest Newth, l.c ., r.o . 14 .
( 12 ) Arrest van 6 oktober 1982, zaak 59/81, Commissie/Raad, Jurispr . 1982, blz . 3329, r.o . 33; arrest van 15 december 1982, zaak 158/79, Roumengous Carpentier, ibid ., blz . 4379, r.o . 28 .
( 13 ) Zaak 114/77, Jacquemart, Jurispr . 1978, blz . 1697, r.o.14 .
( 14 ) PB 1983, L 20, blz . 1 .
( 15 ) Arrest van 19 maart 1975, zaak 28/74, Gillet, Jurispr . 1975, blz . 463, r.o . 4 .
Full & Egal Universal Law Academy