Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In 1968 werd Engelina Lucas na een algemeen vergelijkend onderzoek door de Commissie aangesteld tot ambtenaar in rang C 3, salaristrap 3 . Nadat zij aan een ander algemeen vergelijkend onderzoek had deelgenomen, werd zij in 1977 aangesteld op een post van rang B 5 . Zij werd in 1980 bevorderd naar rang B 4 en in 1984 naar rang B 3 .
Verzoekster behaalde in 1966 een certificat pratique de langue française ( 1er degré ) van de Universiteit van Parijs, en in 1983 een licentiaat in de bestuurswetenschappen van het Hoger Instituut voor Bestuurs - en Handelswetenschappen te Brussel .
Nadat zij had deelgenomen aan algemeen vergelijkend onderzoek COM/LA/381 voor vertalers, werd zij bij besluit van de Commissie van 7 april 1986 op grond van het Ambtenarenstatuut, in het bijzonder de artikelen 1, 2, 29 en 30, alsmede het besluit van de Commissie van 10 maart 1971 betreffende de maatstaven voor de indeling bij wisseling van categorie, zoals gewijzigd bij besluit van 7 januari 1986, met ingang van 1 april 1986 aangesteld tot vertaalster . Zij werd ingedeeld in rang LA 7, salaristrap 1, zonder dat haar een salarisanciënniteit werd toegekend .
Haars inziens was die indeling in salaristrap 1 niet juist en moest zij gelet op haar ervaring en talenkennis zoals in het bijzonder genoemd in haar beoordelingsrapporten, worden ingedeeld in salaristrap 3 . Op 18 juli 1986 diende zij een klacht in tegen het besluit waarbij zij was ingedeeld in salaristrap 1 . Daar zij geen antwoord op deze klacht ontving, werd deze geacht op 19 november 1986 te zijn afgewezen . Bij op 17 februari 1987 ingediend verzoekschrift heeft zij het onderhavige beroep ingesteld .
In haar verzoekschrift verzoekt zij het Hof, de afwijzing van haar klacht nietig te verklaren en vast te stellen, dat zij moet worden beschouwd als een aangeworven ambtenaar ( op de voet van de artikelen 29 tot en met 32 Ambtenarenstatuut ) en dat artikel 46 Ambtenarenstatuut op haar niet van toepassing is . Zij verzoekt voorts, de zaak ter voldoening aan 's Hofs arrest terug te verwijzen naar het tot aanstelling bevoegd gezag .
Volgens verzoekster is zij "aangeworven" voor een nieuwe post en niet "bevorderd", zodat het tot aanstelling bevoegd gezag krachtens artikel 32, tweede alinea, Ambtenarenstatuut, rekening mocht houden met haar opleiding en bijzondere beroepservaring voor de post, ten einde haar een salarisanciënniteit van 48 maanden toe te kennen . Bijgevolg hadden haar twee extra salaristrappen moeten worden toegekend en had zij moeten worden ingedeeld in salaristrap 3, gelet op het feit dat zij 17 jaar voor de Commissie had gewerkt en zij gedurende die periode veel tijd had besteed aan het maken van vertaalwerk en aan ander werk dat door A-ambtenaren wordt gedaan .
Verzoekster werd dus van ambtenaar van categorie B ambtenaar van de talendienst . Zij ging van B 3 naar LA 7, vier rangen hoger, en van adjunct-assistent werd zij vertaalster .
Volgens de Commissie is het beroep niet-ontvankelijk, daar zelfs indien artikel 46 niet van toepassing was, artikel 32 noodzakelijkerwijs tot hetzelfde resultaat zou leiden . Mijns inziens is dit nu juist de vraag . De twee belangrijkste punten zijn a ) of artikel 46 moest worden toegepast en b ) zo niet, of verzoekster enig geldig argument heeft voor de stelling, dat indien artikel 32 werd toegepast, dit niet per se tot hetzelfde resultaat zou leiden . Ik acht deze zaak ontvankelijk .
Mocht de Commissie verzoeksters geval behandelen als een bevordering, zodat artikel 46 van toepassing was ?
Duidelijk is - zoals het Hof vaststelde zowel in zaak 266/83, Samara, Jurispr . 1985, blz . 189, als in zaak 273/83, Michel, Jurispr . 1985, blz . 347 -, dat een overgang als de onderhavige geen "bevordering" was door aanstelling in de eerstvolgende hogere rang, zoals bedoeld in artikel 45, lid 1, Ambtenarenstatuut .
Hij zou kunnen worden beschouwd als een "bevordering" naar een andere categorie of als een "overgang" naar een andere groep, zoals bedoeld in artikel 45, lid 2 . Dit is echter niet het einde, maar het begin van de problemen . Taalkundig ( in het bijzonder wanneer men van opvatting is dat het hier gaat om een "zorgvuldig gecooerdineerde formulering" zoals advocaat-generaal Lenz meende in de zaak Michel ) betekent "in een hogere rang aangestelde" in artikel 46 mijns inziens niet meer dan "aanstelling ... in de eerstvolgende hogere rang" in de zin van artikel 45, lid 1 . Hadden de auteurs van het Statuut de overgang naar een andere groep op grond van een vergelijkend onderzoek ( iets heel anders dan aanstelling van degenen die een minimumdiensttijd in hun rang hebben voltooid ) ook onder dit artikel willen vatten, dan hadden zij zich niet beperkt tot de woorden "in een hogere rang aangestelde ". Zij zouden in artikel 46 achter het woord "aangestelde" hebben toegevoegd "of naar een andere groep overgegane ". Ook al meende het Hof in de zaak Michel dat er ruimte voor twijfel was, maar dat artikel 46 aldus moest worden uitgelegd, dat het ook geldt voor een ambtenaar die overgaat naar een andere categorie ( hetgeen tot op zekere hoogte kan worden gebaseerd op het woord "promoted" in de Engelse versie van artikel 45, lid 2, ook al gebruikt de Franse versie van artikel 45, lid 2, "passage" tegenover "nomination" in lid 1 ), kan mijns inziens derhalve niet worden geconcludeerd, dat voor de "overgang naar een andere groep" hetzelfde geldt .
Anderzijds is een ambtenaar die aldus is overgegaan, daarmee niet stricto sensu "aangesteld" in de zin van artikel 32, aangezien hij al ambtenaar is . Mijns inziens vertoont de onderhavige regeling een leemte, wat ook door de Commissie wordt erkend . Het onderhavige geval van overgang naar een andere groep of categorie na een algemeen vergelijkend onderzoek wordt niet uitdrukkelijk geregeld, en het Hof moet beslissen of de Commissie terecht artikel 46 en niet artikel 32 heeft toegepast, of dat om redenen van billijkheid en goed bestuur andere bepalingen analoog van toepassing zijn . Evenals in zaak 138/84 ( Spachis, Jurispr . 1985, blz . 1939, waarin het Hof besliste dat bijzondere ervaring die niet in aanmerking was genomen bij de ene aanstelling, voor de toepassing van artikel 31, lid 2, in aanmerking moest worden genomen voor een andere aanstelling op grond van een ander vergelijkend onderzoek ) is de juiste benadering mijns inziens, na te gaan bij welke van de twee procedures ( aanstelling en bevordering ) de voorgevallen feiten het dichtst aansluiten .
Uitgaande van de opvatting dat "artikel 46 met name tot doel ( heeft ), in het verloop van de loopbaan van een ambtenaar de grootst mogelijke continuïteit in de ontwikkeling van zijn anciënniteit en salaris te waarborgen" ( Michel ), of dat dit "artikel voornamelijk tot doel ( heeft ), tijdens het normale verloop van de loopbaan van een ambtenaar een zo groot mogelijke continuïteit in de ontwikkeling van zijn anciënniteit te verzekeren" ( Samara ), zijn er mijns inziens gevallen denkbaar waarin na een extern vergelijkend onderzoek de "sprong" zo groot is, dat werkelijk niet kan worden gesproken van een normaal verloop of van "de grootst mogelijke continuïteit", de situatie waarop arikel 45, lid 1, doelt . Wanneer bij voorbeeld iemand zonder rechtenstudie, die werkzaam is als administratief ambtenaar van de Commissie, een graad in de rechten behaalt, toegang tot de Engelse balie krijgt en vervolgens wordt aangesteld bij de juridische dienst van de Commissie of als jurist-vertaler in de rang A 7 of LA 7, kan niet worden gesteld dat zijn loopbaan een normaal verloop heeft . In werkelijkheid verandert hij van loopbaan, hoewel hij nog steeds ambtenaar is . Mijns inziens valt hij niet onder artikel 46 .
Het feit dat de salarissen van de hoogste trap van een bepaalde rang en de laagste trap van de eerstvolgende hogere rang elkaar overlappen, of dat er een dergelijke overlapping tussen de verschillende categorieën bestaat ( wat in bijzondere gevallen de toepassing van artikel 46 zou kunnen verklaren ), betekent niet dat artikel 46 in alle gevallen van overgang tussen groepen moet worden toegepast . Bevordering van B 3 naar A 7 met een wijziging van functie, van adjunct-assistent naar vertaalster, is mijns inziens een dermate grote verandering, dat zij niet onder artikel 46 valt .
Om die reden dienen bepalingen analoog aan die van artikel 32 te worden toegepast en heeft verzoekster recht op gelijke behandeling als externe kandidaten die aan het algemeen vergelijkend onderzoek hebben deelgenomen ( arrest Samara ). De onderhavige zaak verschilt van de zaak Michel of is althans een uitzondering op het in de zaak Michel aanvaarde beginsel, dat op de premisse berustte dat wanneer een kandidaat voor het eerst wordt aangesteld, zijn ervaring tot die dag in aanmerking zal zijn genomen krachtens artikel 32, tweede alinea, of tijdens zijn loopbaan . Dit is waarschijnlijk de gang van zaken wanneer er sprake is van een normaal verloop van de loopbaan . Maar wanneer iemand in dienst wordt genomen voor een bepaalde post, zal zijn voor die post relevante ervaring in aanmerking worden genomen . Zijn ervaring of zelfs zijn bijzondere bekwaamheid op een ander gebied ( bij voorbeeld als vertaler in plaats van als secretaris of typist ) zal nauwelijks of geen gewicht in de schaal leggen en eerst betekenis krijgen wanneer zij voor de nieuwe post ( in casu die van vertaler ) in aanmerking moet worden genomen .
De Commissie heeft beklemtoond, dat voor verzoeksters aanstelling in C 3 en naar ik begrijp ook voor haar volgende posten in de rangen B 5, B 4 en B 3, geen ervaring als vertaler nodig was . Ik ben er dan ook niet van overtuigd, dat haar opleiding en bijzondere beroepservaring ( artikel 32 ) bij haar aanstelling of daaropvolgende bevordering noodzakelijkerwijs in aanmerking zijn genomen .
Anders dan in de zaak Samara, zie ik in het onderhavige geval geen met artikel 5 Ambtenarenstatuut strijdige of andere discriminatie . De aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek COM/LA/381 ( PB 1983, C 48, blz . 15 ) onderscheidt niet tussen ambtenaren en niet-ambtenaren . Het besluit inzake de criteria voor de indeling in rang en salaristrap bij aanwerving van 21 oktober 1983 maakt evenmin een dergelijk onderscheid .
De werkelijke vraag is of deze criteria, dan wel de wijze waarop zij worden toegepast, verenigbaar zijn met artikel 32 Ambtenarenstatuut . Na te hebben bepaald dat de aangestelde ambtenaar wordt ingedeeld in de laagste salaristrap van zijn rang, bepaalt artikel 32 : "Het tot aanstelling bevoegde gezag kan echter, ten einde rekening te houden met de opleiding en bijzondere beroepservaring van de betrokkene, hem een salarisanciënniteit toekennen die overeenkomt met een bepaalde diensttijd in deze rang"; deze kan voor rang LA 7 48 maanden niet te boven gaan .
Volgens de aankondiging van het betrokken vergelijkend onderzoek moesten de sollicitanten een volledige universitaire opleiding hebben voltooid, afgesloten met een diploma of getuigschrift, en sollicitanten met een universitair diploma op een ander gebied dan talen ( zoals verzoekster ) "een postuniversitaire beroepservaring, dewelke een zeer goede talenkennis vereist, van ten minste een jaar ". In casu is niet betwist, dat verzoekster aan deze laatste voorwaarde voldeed .
Het besluit inzake de criteria bepaalt, dat de beroepservaring voor indeling in de eerste salaristrap van de aanvangsrang van elke loopbaan ten minste drie jaar voor de rangen A 7 en LA 7 bedraagt en dat "de beroepservaring slechts wordt aangerekend vanaf het tijdstip van het verkrijgen van het eerste diploma dat overeenkomstig artikel 5 van het Statuut toegang verleent tot de categorie waartoe het te vervullen ambt behoort ... en deze ervaring moet qua niveau met deze categorie overeenstemmen ."
De Commissie erkent, dat verzoeksters diploma in de bestuurswetenschappen, afgegeven op 24 februari 1983, hiervoor een voldoende qualificatie vormde en dat zij bij haar aanstelling als vertaalster in rang LA 7 de vereiste drie jaren had voltooid die haar het recht gaven op aanstelling in de eerste salaristrap van rang LA 7 . Derhalve staat vast, dat haar beroepservaring "qua niveau met categorie LA 7 overeenstemde ".
Verzoeksters argument is, dat zij sinds 1968 voor de Commissie heeft gewerkt . In ieder geval was zij vanaf 1977 adjunct-assistent, zodat zij in april 1986 bijna negen jaar in dat ambt werkzaam was geweest . Onbestreden is, dat zij een uitstekend vertaalster is . De Commissie meent echter dat haar werkzaamheden gelijk waren aan die van elke administratieve ambtenaar die documenten vertaalt, en dat het vereiste niveau niet dat van LA 7 was . Dit argument valt slecht te rijmen met de erkenning, dat haar niveau overeenkwam met het voor categorie LA 7 vereiste niveau .
Is het juist, alleen de ervaring in aanmerking te nemen die verzoekster na het behalen van haar universitaire diploma heeft opgedaan ?
Ik geef grif toe, dat het om redenen van administratief gemak nuttig kan zijn om alleen rekening te houden met ervaring opgedaan na het behalen van het diploma, dat een voorwaarde is voor toelating tot dit bepaalde vergelijkend onderzoek, en dat er argumenten vóór deze benadering bestaan . Anderzijds beperken noch artikel 5, noch in het bijzonder artikel 32, tweede alinea, de periode van "gelijkwaardige beroepservaring" of "opleiding en bijzondere beroepservaring" tot de periode na het behalen van het diploma . Artikel 32 is in zeer algemene termen gesteld .
Al deze factoren in aanmerking genomen, komt het mij voor dat de door de Commissie in haar besluit inzake de indelingscriteria neergelegde beleidslijn buitengewoon restrictief is en dat de Commissie haar beslissingsbevoegdheid op een wijze heeft ingeperkt die onverenigbaar is met artikel 32, tweede alinea . Er kunnen zich gevallen voordoen, waarin eerst het behalen van een universitair diploma kwalificeert om te werken op het niveau dat overeenkomt met de categorie van de nieuwe post . Zo kan bij voorbeeld iemand met een bescheiden kennis van een bepaalde taal, die een universitair diploma in die taal voorbereidt, eerst bij het behalen van zijn diploma de bekwaamheid hebben verworven om te werken op het niveau van vertaler en onder de daarmee verbonden druk . Het is in dat geval niet meer dan redelijk om alleen rekening te houden met de na het behalen van zijn diploma opgedane ervaring . Indien nu iemand een diploma behaalt op een ander gebied dan een taal ( geschiedenis, economie, natuurwetenschappen ), dat weinig of niets toevoegt aan zijn talenkennis, maar hem toegang verleent tot een vergelijkend onderzoek voor een nieuwe categorie of groep, dan lijkt het mij vreemd om zijn na het behalen van dat diploma opgedane ervaring en bekwaamheid in het vertalen mee te tellen, maar geen rekening te houden met zijn eerdere ervaring en bekwaamheid, wanneer deze van hetzelfde niveau is als die opgedaan na het behalen van zijn diploma .
Het argument van de Commissie dat zelfs indien artikel 32 was toegepast, verzoekster in casu nooit in salaristrap 3 van rang LA 7 zou zijn ingedeeld, moet derhalve worden verworpen, zodat het bestreden besluit moet worden nietigverklaard .
Dit betekent niet dat verzoekster automatisch recht heeft op indeling in LA 7, salaristrap 3 . Het Hof beschikt niet over voldoende gegevens om dit te beoordelen . Bovendien is dat niet zijn taak . De Commissie zal de zaak opnieuw moeten onderzoeken . Indien verzoeksters ervaring voordat zij haar diploma behaalde van hetzelfde niveau is als de daarna opgedane ervaring ( waarvan vaststaat dat zij voldeed aan de Criteria en daarmee aan artikel 32 ), dan zal de Commissie er rekening mee moeten houden .
Ik geef het Hof in overweging, het bestreden besluit nietig te verklaren en de Commissie te verwijzen in verzoeksters kosten .
(*) Vertaald uit het Engels .
Full & Egal Universal Law Academy