Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main verzoekt het Hof om uitlegging van twee verordeningen met betrekking tot de in - en uitvoer van rundvlees en om een uitspraak over de geldigheid van een derde verordening, waarbij de Commissie de vaststelling vooraf van de restituties bij de uitvoer van deze goederen tijdelijk had geschorst .
Op vrijdag 10 februari 1984 vroeg de Duitse handelsonderneming Moksel bij de Bundesanstalt fuer landwirtschaftliche Marktordnung te Frankfurt am Main ( hierna BALM ) 155 uitvoercertificaten aan voor rundvlees, met vaststelling vooraf van de uitvoerrestitutie en van de monetair compenserende bedragen . Bij beschikking van 14 mei 1985 wees de BALM de aanvragen af met een beroep op verordening nr . 387/84 van 15 februari 1984 ( PB 1984, L 46, blz . 39 ), die twee dagen later in werking was getreden . Krachtens deze verordening, die was vastgesteld via de spoedprocedure, had de Commissie de vaststelling vooraf van de restituties voor de periode van 17 tot en met 21 februari 1984 geschorst .
Volgens artikel 8 bis, lid 2, van verordening nr . 2377/80 van 4 september 1980 ( PB 1980, L 241, blz . 5 ), ingevoegd bij verordening nr . 2798/81 van 28 september 1981 ( PB 1981, L 275, blz . 24 ), moeten de betrokken certificaten worden afgegeven "op de vijfde werkdag na de dag van de indiening van de aanvraag, voor zover ( en daar gaat het hier om ) tijdens deze termijn geen bijzondere maatregelen worden vastgesteld" ( cursivering van mij ). Welnu, volgens de BALM moest verordening nr . 387/84 als een dergelijke maatregel worden beschouwd . Aangezien bij de berekening van de vijf werkdagen de zaterdag bovendien niet als werkdag kon worden meegerekend, was de laatste geldige dag voor de bedoelde afgifte vrijdag 17 februari, die dus in de in verordening nr . 387/84 voorziene schorsingsperiode viel . Bijgevolg werden de aanvragen van Moksel afgewezen . Moksel heeft deze beschikking vervolgens aangevochten voor het Verwaltungsgericht Frankfurt, dat het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag vier prejudiciële vragen heeft voorgelegd . Deze vragen kunnen worden samengevat als volgt :
1 ) Kunnen aanvragen om vaststelling vooraf, die vóór de schorsingsperiode zijn ingediend, maar waarop tijdens die periode moet worden beslist, rechtsgeldig worden afgewezen?
2 ) Zo ja, kan de zaterdag bij de berekening van de daarvoor in verordening nr . 2377/80 voorgeschreven vijf dagen worden uitgesloten?
3 ) Kan, gezien de motiveringsplicht, verordening nr . 387/84 geldig worden geacht en zo ja, is deze verordening in casu juist toegepast, gelet op het vereiste van uiterste dringendheid?
4 ) Kan bij ontkennende beantwoording van de vragen a tot en met c, het nationale orgaan een certificaat met vaststelling vooraf afgeven met terugwerkende kracht?
In deze zaak hebben Moksel en de Commissie van de Europese Gemeenschappen schriftelijke opmerkingen ingediend en zijn ter terechtzitting gehoord .
2 . Een kort overzicht van de relevante gemeenschapsregeling . De rechtsbasis van verordening nr . 387/84 - waarbij, zoals gezegd, de Commissie de vaststelling vooraf van de restituties heeft geschorst - is artikel 5, lid 4, van verordening nr . 885/68 van 28 juni 1968 ( PB 1968, L 156, blz . 2 ), zoals gewijzigd bij verordening nr . 1504/76 van 21 juni 1976 ( PB 1976, L 168, blz . 7 ). Krachtens deze bepaling kan de Commissie "in uiterst dringende gevallen" afwijken van de normale procedure, die voorziet in voorafgaande raadpleging van het beheerscomité (( vgl . artikel 27 van verordening nr . 805/68 van 27 mei 1968, ( PB 1968, L 148, blz . 24 ) )), en kan zij "na een onderzoek van de situatie aan de hand van alle gegevens waarover zij beschikt" de vaststelling vooraf gedurende ten hoogste drie werkdagen schorsen .
Ik merk ten slotte nog op, dat aan het slot van deze bepaling wordt bepaald, dat de tijdens de schorsingsperiode ingediende aanvragen niet in behandeling worden genomen . Over het lot van nog lopende aanvragen wordt daarentegen niets gezegd .
3 . Met de eerste vraag verzoekt de Duitse rechter juist over dit laatste punt om opheldering : om precies te zijn, wenst hij te vernemen of aanvragen, die vóór de schorsingsperiode zijn ingediend, maar waarop door de administratie tijdens deze periode moet worden beslist, moeten worden ingewilligd of moeten worden afgewezen .
Ik herinner er in dit verband aan, dat in een feitelijk en rechtens identieke situatie in de sector zuivelprodukten het Hof besliste, dat "een maatregel tot schorsing van de vaststelling vooraf van exportrestituties die de Commissie onder de in het gemeenschapsrecht gestelde voorwaarden neemt, als een 'bijzondere maatregel' moet worden aangemerkt ( in de zin van de geldende wetgeving ). Bijgevolg is ... ( wanneer de maatregel eenmaal is genomen ), een aanvraag om voorfixatie welke vóór deze schorsing is ingediend maar waarop gedurende de wachttijd moet worden beslist, evenzeer niet-ontvankelijk als de tijdens de schorsingsperiode ingediende aanvragen" ( arrest van 27 oktober 1983 in zaak 276/82, De Beste Boter, Jurispr . 1983, blz . 3331, r.o . 11 en 16 ).
Ondanks alle twijfel en voorbehoud van de verwijzende rechter met betrekking tot deze uitspraak, is er geen enkele reden om in casu voor een andere of een tegengestelde oplossing te kiezen . Zoals blijkt uit de motivering van het arrest en ook uit de conclusie van advocaat-generaal VerLoren van Themaat, is in feite het stelsel "betreffende het schorsen van de toepassing van de bepalingen inzake de vaststelling vooraf van de heffingen en restituties in verschillende sectoren van de gemeenschappelijke ordening der markten ... ingevoerd met 'het oog op de stabiliteit van de handelstransacties' . De mogelijkheid om bijzondere maatregelen te treffen dient om een verstoring van de betrokken markt te voorkomen, 'wanneer de betrokkenen in abnormale mate van dit stelsel gebruik maken' " ( r.o . 7 ).
Dezelfde redenen van opportuniteit dienden in de sector rundvlees ter rechtvaardiging van de vaststelling van de verordeningen nrs . 1504/76 en 2798/81 en van de artikelen 5, lid 4, respectievelijk 8 bis, daarvan . Uit deze twee regelingen blijkt duidelijk, dat de mogelijkheid om onder bijzondere omstandigheden de vaststelling vooraf van heffingen en restituties te schorsen, hoofdzakelijk ten doel heeft "de werking van het stelsel ... te beschermen tegen plotse massale en zeer vaak speculatieve exportoperaties" ( r.o . 14 ). Zeker, artikel 5, lid 4 bepaalt dat alleen de aanvragen die tijdens de schorsingsperiode worden ingediend, niet in behandeling kunnen worden genomen . Om de zojuist genoemde redenen is het echter duidelijk, dat "het nuttig effect van deze maatregel ernstig in gevaar zou worden gebracht", indien de niet-ontvankelijkheid niet eveneens zou kunnen worden uitgebreid tot de vóór deze periode ingediende aanvragen om vaststelling vooraf . Zoals het Hof ook in het arrest De Beste Boter oordeelde, volgt hieruit dat "de afwijzing van dergelijke aanvragen niet in strijd is met artikel 5, lid 4" ( r.o . 19 ).
De eerste vraag moet dus bevestigend worden beantwoord .
4 . Na deze opmerkingen ga ik meteen over tot bespreking van de derde vraag, die betrekking heeft op de geldigheid van verordening nr . 387/84 . Zoals we hebben gezien, betwijfelt de verwijzende rechter of deze verordening voldoende is gemotiveerd . Bovendien meent hij, dat de voor de rechtmatigheid van de vaststelling van een bijzondere maatregel zoals schorsing vereiste feitelijke voorwaarde - namelijk het bestaan van een uiterst dringend geval -, in casu ontbreekt .
Met deze kritiek kan ik mij niet verenigen . Wat het eerste punt betreft, lees ik in de eerste considerans van de verordening, dat tot de schorsing van de vaststelling vooraf werd besloten wegens "de onzekerheid omtrent het prijsniveau" op de rundvleesmarkt . Onder die omstandigheden, zo heet het verder, kan "de per 11 februari 1984 ingaande verlaging van de restituties ... ertoe leiden dat de restituties met speculatieve bedoelingen ( cursivering van mij ) vooraf worden vastgesteld ". Welnu, gelet op de aard en het doel van de betrokken verordening, lijkt mij, dat door deze verduidelijking "de redenering van de communautaire instantie ... duidelijk en ondubbelzinnig" tot uiting komt, "zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen" ( arrest van 28 oktober 1982, gevoegde zaken 292 en 293/81, Lion en Loiret & Haentjens, Jurispr . 1982, blz . 3387, r.o.18 ). Ik voeg hieraan toe, dat het Hof ook met betrekking tot verordening nr . 2993/80 tot een soortgelijke conclusie is gekomen en dat deze rechtshandeling mutatis mutandis met dezelfde motivering en basisinhoud is vastgesteld als de onderhavige ( arrest De Beste Boter, r.o.10 ).
Wat de tweede opmerking van het Verwaltungsgericht betreft, blijkt uit de processtukken, dat de gemiddelde prijs van rundvlees op de wereldmarkt ( op grond waarvan het bedrag van de uitvoerrestitutie moet worden vastgesteld ) begin 1984 plotseling sterk steeg, namelijk met meer dan 4 %. Dit bracht uiteraard een verlaging van dit bedrag mee, wat prompt geschiedde bij verordening nr . 355/84 van 10 februari 1984 ( PB 1984, L 40, blz . 18 ), die de volgende dag in werking trad .
Uit de door de Commissie verstrekte gegevens blijkt bovendien dat, ondanks dit snelle ingrijpen, alleen al op 10 februari - de laatste geldige dag waarop nog certificaten met de "oude" ( gunstiger ) restitutie verkrijgbaar waren - voor in totaal 15 880 ton vlees uitvoercertificaten met vaststelling vooraf waren aangevraagd, wat tien tot twintig maal meer was dan normaal . De Commissie kreeg van deze aanvragen en van die welke tussen vrijdag 10 februari en maandag 13 februari 1984 waren ingediend, pas kennis op laatstgenoemde dag om 16.00 uur . Onder die omstandigheden is een schorsing het enige hanteerbare middel dat het gemeenschapsrecht de Commissie biedt om het stelsel van voorfixatie te beschermen tegen "plotse massale en ... speculatieve uitvoeroperaties", waartoe marktsituaties als deze aanleiding geven . Deze maatregel was dus volkomen terecht .
5 . Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of aan de term "Werktag" ( artikel 8 bis ) dezelfde betekenis moet worden toegekend als aan de term "Arbeitstag" in verordening nr . 1182/71 van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs - en vervaltijden ( PB 1971, L 124, blz . 1 ). Wanneer dit het geval is, dan zou bij de berekening van de in de eerste bepaling voorgeschreven periode van vijf dagen de zaterdag inderdaad moeten worden uitgesloten .
Ook hier moet het antwoord bevestigend luiden . Ik herinner eraan, dat volgens artikel 2, lid 2, van verordening nr . 1182/71 worden beschouwd als "werkdagen ... alle dagen die niet feestdagen, zondagen of zaterdagen zijn", en dat volgens artikel 8 bis de afgifte van de uitvoercertificaten moet plaatsvinden uiterlijk "op de vijfde werkdag na de dag van de indiening van de aanvraag ". Ook al is het juist, dat in de Duitse en Spaanse versie van deze verordeningen voor de omstreden term twee verschillende woorden zijn gebruikt (" Arbeitstage" en "Werktag", "días hábiles" en "día laborable "), worden toch in de Deense, Engelse, Franse, Italiaanse, Nederlandse en Portugese tekst wel steeds dezelfde termen gebruikt : arbejdsdage/arbejdsdag; working days/working day; jours ouvrables/jour ouvrable; giorni lavorativi/giorno lavorativo; werkdagen/werkdag; dias úteis/dias útil .
Dit neemt niet weg dat, zoals bekend, in geval van afwijkingen tussen de verschillende taalversies van een gemeenschapsnorm, het "met het oog op de eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht en het beginsel van gelijke behandeling ... als algemene regel noodzakelijk ( is ) dat ... een ... bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de Lid-Staten verwijst, in de gehele Gemeenschap autonoom en op eenvormige wijze ( wordt ) uitgelegd, waarbij rekening moet worden gehouden met de context van de bepaling en met het doel van de betrokken regeling ( arrest van 18 januari 1984, zaak 327/82, Ekro, Jurispr . 1984, blz . 107, r.o . 11 ).
Het staat vast dat, door de afgifte van de betrokken certificaten aan een peremptoire termijn van vijf dagen te binden, artikel 8 bis beoogde om voor alle nationale rechtsordes dezelfde wachttijd in te stellen . De genoemde vereisten van eenvormige toepassing en gelijke behandeling dwingen er dus toe om aan de term "Werktag" in de Duitse versie van de bepaling de betekenis te geven van "Arbeitstag", die in de andere taalversies overweegt . Dit is overigens de enige oplossing die in overeenstemming is met de regels van verordening nr . 1182/71 betreffende de tijdberekening in communautaire rechtshandelingen .
6 . Gezien de door mij in de punten 3 tot en met 5 bereikte conclusies, is de laatste vraag van de verwijzende rechter zonder voorwerp .
7 . Op grond van een en ander geef ik U in overweging om op de door het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main bij beschikking van 22 januari 1987 gestelde vragen in het aldaar aanhangig geding tussen de handelsonderneming Moksel en de Bundesanstalt fuer Landwirtschafliche Marktordnung te Frankfurt am Main, te antwoorden als volgt :
"a ) Artikel 5, lid 4, van verordening nr . 885/68, zoals gewijzigd bij artikel 1 van verordening nr . 1504/76, moet aldus worden uitgelegd, dat aanvragen om vaststelling vooraf van de uitvoerrestituties voor rundvlees, die zijn ingediend vóór de door de Commissie krachtens de toepasselijke gemeenschapsbepalingen vastgestelde schorsingsperiode, maar waarop tijdens die periode moet worden beslist, dienen te worden afgewezen .
b ) De term 'Werktag' in de Duitse versie van artikel 8 bis, lid 2, van verordening nr . 2377/80 moet aldus worden uitgelegd, dat de zaterdag er niet onder is begrepen, zoals ook is bepaald in artikel 2, lid 2, van verordening nr . 1182/71 betreffende de berekening van termijnen, data en aanvangs - en vervaltijden in rechtshandelingen van de Raad en de Commissie .
c ) Bij onderzoek van de gestelde vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van verordening nr . 387/84 van de Commissie van 15 februari 1984 kunnen aantasten ."
(*) Vertaald uit het Italiaans .
Full & Egal Universal Law Academy