Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Het onderhavige beroep is door Società Laminazione a Freddo pA ( hierna : LAF ) ingesteld krachtens de artikelen 33, tweede alinea, en 36 EGKS-Verdrag ( hierna : het Verdrag ) en strekt tot nietigverklaring van een niet-gepubliceerde beschikking ( C(87 ) 51 def .) van de Commissie van 9 januari 1987 ( hierna : de bestreden beschikking ) of tot vermindering van de krachtens artikel 64 van het Verdrag opgelegde boete van 50 000 ecu . In de bestreden beschikking wordt vastgesteld, dat LAF inbreuk heeft gemaakt op beschikking 3715/83/EGKS van de Commissie van 23 december 1983 tot vaststelling van minimumprijzen voor bepaalde ijzer - en staalprodukten ( PB 1983, L 373, blz . 1, hierna : de algemene beschikking ); deze laatste beschikking wordt door LAF niet bestreden .
De algemene beschikking is gegeven op grond van artikel 61 EGKS-Verdrag, dat de Commissie machtigt tot het vaststellen van "minimumprijzen, geldende op de gemeenschappelijke markt, indien naar haar oordeel een uitgesproken crisis bestaat of dreigt te ontstaan, en zij een dergelijke beschikking nodig acht voor het bereiken van de in artikel 3 omschreven doelstellingen ". In de considerans van
de algemene beschikking wordt overwogen, dat "gezien de omvang van de moeilijkheden waarvoor de ijzer - en staalindustrie zich geplaatst ziet, ... de Commissie van oordeel (( is )) dat er een uitgesproken crisis bestaat" ( tweede overweging ). De Commissie merkte met name het volgende op :
"Het is voor het welslagen van het systeem van de minimumprijzen noodzakelijk dat dit in zo ruim mogelijke mate ... wordt toegepast . Om dezelfde redenen is het noodzakelijk het systeem in beginsel eveneens op contracten op lange termijn toe te passen .
De bijzondere situatie waarin sommige verbruikers verkeren, die vóórdat de minimumprijzen werden ingevoerd contracten op lange termijn hebben gesloten, rechtvaardigt een uitzondering, wanneer deze contracten tegen vaste prijzen werden gesloten of wanneer het om contracten gaat die clausules betreffende een industriële samenwerking bevatten" ( negende en tiende overweging van de considerans ).
Bij artikel 1 van de beschikking werden derhalve minimumprijzen opgelegd voor, onder meer, "f ) koudgewalste plaat ". Ingevolge artikel 3 waren de minimumprijzen met ingang van 1 januari 1984 "verbindend" voor de leveringen die op de gemeenschappelijke markt worden verricht . Lid 2 van dit artikel bepaalde :
"Wat de contracten op lange termijn betreft die vóór 9 november 1983 tussen ijzer - en staalondernemingen en verbruikers van staal werden gesloten en gelden voor leveringen die nog na 30 juni 1984 dienen te worden verricht, kunnen de ondernemingen toestemming verkrijgen om van de minimumprijzen af te wijken indien het contracten betreft die clausules betreffende een industriële samenwerking bevatten of wanneer de prijs in de contracten nauwkeurig is bepaald . Te dien einde moeten de ondernemingen ten laatste op 31 januari 1984 bij de Commissie een naar behoren gemotiveerd verzoek indienen . ... In afwachting van het door de Commissie ten aanzien van de verzoeken te nemen besluit dienen de minimumprijzen te worden toegepast ."
In de bestreden beschikking wordt vastgesteld, dat LAF zich niet aan de door de algemene beschikking opgelegde minimumprijzen heeft gehouden, bij verkopen van koudgewalste plaat aan vennootschappen van de Fiatgroep in het eerste kwartaal van 1985 .
De commerciële achtergrond van de verkopen is de door Fiat in 1982 genomen beslissing om de produktie te staken van bepaalde soorten speciaal staal, die tot dan toe binnen de groep werden vervaardigd . De installaties voor de produktie van dergelijk staal werden overgedragen aan recentelijk opgerichte vennootschappen, waarvan het aandelenkapitaal zou worden verworven door vennootschappen van de Finsidergroep .
De koudwalserijen werden aan LAF overgedragen . Nuova Italsider, een vennootschap van de Finsidergroep, verwierf 50% van het aandelenkapitaal van LAF op 1 oktober 1982 en de overige 50% in december 1985 . Fiat verbond zich ertoe, zich voor een periode van 10 jaar voor 80% van haar behoeften aan dergelijk staal te voorzien bij Finsider, dat zich ertoe verbond dit staal te leveren . Deze afspraak was neergelegd in een akkoord van 21 juli 1982, dat aan de Commissie ter goedkeuring werd voorgelegd . De goedkeuring werd verleend bij niet-gepubliceerde beschikking C(82 ) 1302 def . van 22 september 1982 .
Het is in confesso, dat LAF a ) beneden de minimumprijzen heeft verkocht en b ) bij de Commissie geen verzoek krachtens artikel 3, lid 2, van de algemene beschikking heeft ingediend . De twee belangrijkste middelen van LAF zijn echter respectievelijk, dat de betrokken verkopen niet binnen de werkingssfeer van het stelsel van minimumprijzen vielen en dat het bijgevolg niet nodig was een verzoek tot afwijking in te dienen . In een derde middel beroept LAF zich op misbruik van bevoegdheid vanwege de Commissie .
De kern van verzoeksters eerste middel is, dat de betrokken verkopen niet aan de minimumprijzen waren onderworpen omdat zij geen "gelijksoortige transacties" waren in de zin van artikel 60 van het Verdrag, waarvan lid 1 bepaalde gedragingen met betrekking tot de prijzen verbiedt, met name "discriminerende praktijken, die op de gemeenschappelijke markt het toepassen door een verkoper van ongelijke voorwaarden bij gelijksoortige transacties ... inhouden ". Dit impliceert twee stellingen : dat de transacties "niet-gelijksoortig" waren en dat dergelijke transacties niet aan het stelsel van minimumprijzen zijn onderworpen . De Commissie betoogt primair, dat voor het begrip "gelijksoortige transacties" geen plaats is in een stelsel van minimumprijzen krachtens artikel 61, en slechts subsidiair, dat, gelijk in de bestreden beschikking wordt gezegd, de verkopen in ieder geval "gelijksoortige transacties" zijn . Ik zal de argumenten in die volgorde behandelen .
Van "gelijksoortige transacties" wordt gesproken in het gedeelte van artikel 60, lid 1, dat discriminerende praktijken van verkopers met betrekking tot de prijzen verbiedt . Indien transacties gelijksoortig zijn, moet de koper dezelfde prijs toepassen . Ten einde verboden praktijken te voorkomen, de kopers in staat te stellen de prijzen te vergelijken om na te gaan of er sprake is van discriminatie, en de ondernemingen in staat te stellen zich te richten naar de prijzen van hun concurrenten ( zaak 1/54, Frankrijk/Hoge Autoriteit, Jurispr . 1954, blz . 7, 24, door het Hof meermaals herhaald, bij voorbeeld in zaak 149/78, Rumi, Jurispr . 1979, blz . 2523, 2536 ), verlangt artikel 60, lid 2, dat de verkopers hun prijsschalen publiceren overeenkomstig de door de Hoge Autoriteit vastgestelde regels . De desbetreffende regels zijn neergelegd in beschikking 31/53 ( PB 1953, blz . 2792, met name gewijzigd bij beschikking 72/441/EGKS, PB 1972, L 297, blz . 42; de geldende tekst is te vinden in een mededeling van de Commissie in PB 1973, C 29, blz . 32; de latere wijzigingen zijn niet relevant voor het onderhavige geding ). Deze regels maken onderscheid tussen "openbaarmaking" en "melding ".
De algemene regel is, dat de ondernemingen hun prijsschalen dienen "openbaar te maken" ( artikel 1 ), hetgeen betekent dat deze prijsschalen op verzoek door iedere belanghebbende moeten kunnen worden geraadpleegd en ten minste twee dagen vóór de prijzen worden toegepast, aan de Commissie worden toegezonden ( artikel 4 ). Artikel 5 bepaalt echter, dat "prijsverschillen die ... voor bepaalde categorieën verbruikers worden toegepast" niet behoeven te worden gepubliceerd maar toch aan de Commissie moeten worden "gemeld ". Volgens lid 3 van dat artikel moet bij de aanmelding worden gepreciseerd om welke categorieën verbruikers het gaat .
Zoals de Commissie in dupliek betoogt, spreekt het vanzelf dat dergelijke prijsverschillen enkel mogen worden toegepast wanneer de betrokken transacties niet-gelijksoortig zijn . Meer bepaald, de volgens de regels aangemelde prijsverschillen mogen enkel worden toegepast op categorieën transacties die niet gelijksoortig zijn met de doorsneeverkopen ( waarvoor de openbaar gemaakte prijzen gelden ).
Artikel 3, lid 1, van beschikking 30/53 reikt criteria aan om te bepalen wanneer transacties als gelijksoortig in de zin van artikel 60, lid 1, kunnen worden beschouwd ( PB 1954, blz . 217, met name gewijzigd bij beschikking 72/440, PB 1972, L 297, blz . 39; de geldende tekst is neergelegd in een mededeling van de Commissie in PB 1973, C 29, blz . 30; latere wijzigingen zijn niet relevant voor de onderhavige procedure ). Het bepaalt :
"Gelijksoortig in de zin van artikel 60, lid 1, zijn transacties,
a ) gesloten met kopers,
- die onderling in concurrentie staan,
- of identieke of soortgelijke produkten vervaardigen,
- of dezelfde commerciële functies vervullen;
b ) die betrekking hebben op identieke of soortgelijke produkten;
c ) en waarvan de overige wezenlijke commerciële kenmerken niet in aanzienlijke mate afwijken ."
In zaak 29/67 ( De Wendel, Jurispr . 1968, blz . 371, 391 ) preciseerde het Hof, dat artikel 60, lid 1, "van toepassing is op de transacties die, hoewel zij ten opzichte van de normale transactie verschillende bijzondere kenmerken vertonen in dier voege dat bijzondere verkoopvoorwaarden worden toegestaan, niettemin onder elkander vergelijkbaar blijven ". Met andere woorden, er mogen prijsverschillen bestaan tussen categorieën transacties ( of "categorieën verbruikers ") maar niet binnen die categorieën .
Dit zijn de regels waarop het stelsel van minimumprijzen berust . In casu gaat het er niet om, of de door LAF aan Fiat gevraagde prijzen beneden haar openbaar gemaakte prijzen lagen en, zo ja, of de prijsverschillen overeenkomstig artikel 5 van beschikking 31/53 aan de Commissie waren gemeld . De eerste vraag is, of de verkopen aan Fiat, indien zij "niet-gelijksoortig" waren, buiten de werkingssfeer van de algemene beschikking vielen . Zoals de Commissie stelt, bevat de algemene beschikking geen uitdrukkelijke regeling voor niet-gelijksoortige transacties . Volgens LAF is dit te verklaren door het feit, dat de minimumprijzen slechts gelden voor transacties die zijn verricht op basis van de prijsschalen van de ondernemingen en dus per definitie niet voor niet-gelijksoortige transacties . Mij dunkt, dat tal van bepalingen van de algemene beschikking dit argument weerleggen .
De eerste is artikel 2, waarvan de relevante passages luiden als volgt ( eigen cursivering ):
"1 . De minimumprijzen ... zijn de prijzen na aftrek van alle kortingen, met uitzondering van de in de prijsschalen bekendgemaakte handelaarskorting ...
3 . ... De prijsverlagingen en kortingen van welke aard dan ook die in de prijsschalen en verkoopvoorwaarden zijn bekendgemaakt of bij de Commissie werden aangemeld, mogen niet worden verhoogd .
4 . De ondernemingen wier bekendgemaakte prijsschalen en aangemelde verkoopvoorwaarden prijzen bevatten die lager zijn dan de minimumprijzen, moeten binnen een termijn van twee weken te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze beschikking nieuwe voorwaarden bekendmaken of aanmelden die aan de voorschriften van deze beschikking beantwoorden ."
Uit de verwijzing naar de "melding" blijkt duidelijk, dat overeenkomstig artikel 5 van beschikking 31/53 toegepaste ( dat wil zeggen bij de Commissie aangemelde, maar niet in de openbaar gemaakte prijsschalen opgenomen ) prijsverschillen niet tot prijzen beneden de minimumprijzen konden leiden en dat het stelsel van de algemene beschikking dus niet beperkt was tot de in de prijsschalen vermelde prijzen .
De tweede bepaling is artikel 3, reeds aangehaald . Volgens dit artikel zijn de minimumprijzen verbindend behoudens afwijking overeenkomstig artikel 3, lid 2 . LAF betoogt, dat in dit lid slechts wordt gesproken over twee mogelijke kenmerken van niet-gelijksoortige transacties en dat de algemene beschikking dus ongeldig is omdat zij niet voorziet in een passende regeling voor de gehele scala van dergelijke transacties . Ik aanvaard het argument van de Commissie, dat uit artikel 3, lid 2, duidelijk blijkt, dat slechts twee zeer specifieke categorieën uitzonderlijke transacties van de algemene toepassing van minimumprijzen konden worden vrijgesteld . Of de verkopen van LAF aan Fiat voor een dergelijke vrijstelling in aanmerking kwamen, hetgeen de Commissie betwijfelt, is niet relevant, aangezien geen verzoek om vrijstelling werd ingediend .
In de derde plaats vindt de opvatting dat, behoudens het bepaalde in artikel 3, lid 2, de minimumprijzen als absolute bodemprijzen moeten worden beschouwd, steun in artikel 6, volgens hetwelk de aanpassing van prijzen aan offertes van derde landen niet tot gevolg mag hebben dat de prijzen beneden de minimumprijzen komen te liggen .
De ondernemingen zijn derhalve niet alleen onderworpen aan het op basis van artikel 61 door de algemene beschikking opgelegde stelsel van minimumprijzen, doch ook aan de door artikel 60, lid 1, opgelegde en in beschikking 30/53 nader uitgewerkte verplichting om niet te discrimineren wanneer transacties gelijksoortig zijn . Dat deze laatste verplichting a contrario als een vrijheid kan worden gelezen ( prijsverschillen tussen niet onderling gelijksoortige transacties zijn toegestaan ), mag niet tot verwarring leiden .
In repliek heeft LAF betoogd, dat de algemene beschikking nietig is, omdat de Commissie haar bevoegdheid heeft overschreden door een enkele minimumprijs vast te stellen voor verschillende soorten verkopen, hetgeen een discriminatie oplevert . Niet-gelijksoortige transacties vormen een onbeduidend deel van de verkopen op de staalmarkt in haar geheel beschouwd . Terecht wierp de Commissie tegen, dat het argument van de bevoegdheidsoverschrijding niet-ontvankelijk is, omdat het voor het eerst werd aangevoerd in repliek, en verder dat de verkopen aan de automobielsector zeker geen onbeduidend marktaandeel vertegenwoordigen, maar ongeveer 25% van de koudgewalste produkten in de Gemeenschap, en dat Fiat 80% van de door haar benodigde staalprodukten van LAF betrekt . Zulke percentages kunnen niet onbeduidend worden genoemd en moeten onder de algemene beschikking vallen . Nog belangrijker is een punt waarover de Commissie niet spreekt : de algemene beschikking is er niet op gericht voor alle transacties één enkele prijs op te leggen . Zij legt minimumprijzen op waarbeneden ondernemingen hun produkten niet mogen verkopen, maar belet hen niet om, steeds met inachtneming van artikel 60, hogere prijzen aan te rekenen .
Het is mijns inziens duidelijk, dat de artikelen 60 en 61 zeer verschillende situaties behandelen . Artikel 60 verbiedt discriminerende praktijken, die het toepassen door een verkoper van ongelijke voorwaarden bij gelijksoortige transacties inhouden . Artikel 61 verleent de Commissie de bevoegdheid om na raadpleging minimumprijzen vast te stellen, wanneer dit in specifieke situaties vereist is voor de verwezenlijking van de in artikel 3 van het Verdrag omschreven doelstellingen . In dit geval is de algemene beschikking gegeven omdat de Commissie van oordeel was, dat er een uitgesproken crisis als bedoeld in artikel 61, sub b, van het Verdrag bestond . Mijns inziens moeten de door artikel 61 verleende bevoegdheden niet aldus worden uitgelegd, dat zij aan artikel 60 onderworpen zijn .
Gezien de conclusie, dat alle transacties aan de minimumprijzen onderworpen zijn, is het volstrekt overbodig na te gaan, of, zoals LAF beweert, haar verkopen aan Fiat als "niet-gelijksoortig" kunnen worden beschouwd . Was ik tot de tegenovergestelde slotsom gekomen, dat had dit moeten worden onderzocht .
LAF stelt in het algemeen, dat haar transacties met Fiat voortvloeiden uit een geheel van afspraken tussen de partijen die betrokken waren bij het akkoord van 1982 ( waarbij, zoals men weet, LAF geen partij was ): het zijn geen kopen en verkopen in het kader van het normale handelsverkeer .
Volgens LAF wijken de leveringscontracten op vier punten duidelijk af van wat in de staalsector en meer bepaald in de automobielsector gebruikelijk is . In de eerste plaats is er een hemelsbreed verschil tussen de duur van tien jaar en de normale duur van zes maanden of een jaar . In de tweede plaats wordt de prijs vastgesteld op basis van de gemiddelde prijs die de Duitse en Franse staalproducenten aan hun nationale automobielproducenten aanrekenen; wanneer partijen het niet eens kunnen worden over die prijs, moet het geschil worden beslecht door een college van arbiters tegen wiens uitspraak geen beroep openstaat, hetgeen zeer ongebruikelijk is in dergelijke overeenkomsten . In de derde plaats wordt voorzien in de uitwisseling van commerciële en technische informatie en onderzoeksresultaten, en moet LAF voldoen aan zeer specifieke vereisten met betrekking tot service, kwaliteit en innovatie; wanneer daaraan niet wordt voldaan, heeft Fiat het recht leveranties te weigeren . LAF garandeert dat de goederen kwalitatief vergelijkbaar zijn met die van de Franse en Duitse staalproducenten . In de vierde en laatste plaats verbindt Fiat zich ertoe, 80% van de door haar benodigde koudgewalste produkten af te nemen, een percentage dat men in een gewoon leveringscontract nooit tegenkomt; wanneer echter de voornaamste Franse en Duitse automobielproducenten hun aankoopbeleid wijzigen, heeft Fiat recht op een aanpassing van de prijzen of een vermindering van het percentage van haar behoeften waarin zij door aankopen bij LAF diende te voorzien .
Volgens LAF heeft dit alles tot gevolg, dat de contracten volstrekt niet gelijksoortig zijn met gewone, zelfs op middellange termijn gesloten contracten voor de levering van staalprodukten aan de automobielindustrie . LAF heeft sedert haar oprichting in 1982 65% van haar produktie aan Fiat verkocht . LAF houdt zelfs staande, dat zij tot december 1985 door Fiat werd gecontroleerd; dit is belangrijk, daar volgens verzoekster de door de Commissie gevolgde praktijk steeds is geweest, dat verkopen binnen een groep als niet-gelijksoortig moeten worden beschouwd . Terecht merkt de Commissie op, dat een deelneming van 50% geen controle kan verlenen . LAF werpt tegen, dat een dergelijke deelneming volstaat om gemeenschappelijke belangen in het leven te roepen en daarmee de verkopen niet-gelijksoortig te maken .
LAF houdt verder staande, dat de Commissie heeft erkend dat de betrokken verkopen als niet-gelijksoortig moeten worden aangemerkt . Alvorens de bestreden beschikking te geven, schreef de Commissie, daartoe verplicht ingevolge artikel 36 van het Verdrag, verzoekster op 21 maart 1986 een brief met het verzoek om haar opmerkingen te maken over de gestelde inbreuken . In die brief stelde de Commissie schending van beschikking 30/53, namelijk het verzuim om op de verkopen aan Fiat de openbaar gemaakte voorwaarden van LAF met betrekking tot de betalingstermijn en de vervoerkosten toe te passen . In haar opmerkingen over deze brief voerde LAF het argument van de niet-gelijksoortigheid aan en de bestreden beschikking maakt geen melding van een schending van beschikking 30/53 . LAF concludeert daaruit, dat de Commissie erkent dat de verkopen niet-gelijksoortig waren .
Ofschoon geen boete werd opgelegd wegens schending van beschikking 30/53, wordt in de bestreden beschikking uitdrukkelijk verklaard, dat de contracten gelijksoortig zijn met vele andere in de automobielsector . De Commissie betoogt, dat aan de drie voorwaarden van artikel 3, lid 1, van beschikking 30/53 is voldaan, a ) omdat Fiat in concurrentie staat met andere automobielproducenten die soortgelijke staalprodukten kopen, b ) omdat luidens de bewoordingen zelf van het contract, de leveringen van LAF aan Fiat kwalitatief niet mogen onderdoen voor die van haar tegenhangers in Frankrijk en Duitsland en c ) om de navolgende redenen : ofschoon het contract van lange duur is, moet de prijs om de zes maanden worden vastgesteld, hetgeen aan de norm beantwoordt; de prijsberekeningsclausule is voldoende nauwkeurig om een beroep op arbitrage hoogst onwaarschijnlijk te maken, zodat dit ongewone kenmerk van het contract zijn praktische betekenis verliest; en ten slotte omdat 80% van de behoeften van Fiat weliswaar een hoog percentage is, maar ook de Franse, Duitse en Britse automobielproducenten een vergelijkbaar percentage van het door hen benodigde staal betrekken van in hun respectieve landen gevestigde staalproducenten .
Daartegenover staat, dat de verbodsbepalingen van artikel 60 en van beschikking 30/53 gericht zijn tegen de prijsdiscriminatie die een onderneming tussen haar kopers toepast, en niet tegen verschillen in de prijspraktijk van verschillende ondernemingen .
LAF verklaart, veel belang te hechten aan de gestelde niet-gelijksoortigheid van haar verkopen aan Fiat . Hoe dan ook, niet alleen moet daarover in de onderhavige zaak geen uitspraak worden gedaan, maar het is ook onmogelijk op dit punt tot een conclusie te komen . Het Hof heeft geen gegevens over de andere verkopen van LAF en hun gelijkenissen of verschillen met de verkopen aan Fiat . De Commissie hield niet vast aan haar stelling, dat LAF beschikking 30/53 had geschonden door voor haar verkopen aan Fiat van haar openbaar gemaakte voorwaarden af te wijken, welke stelling impliceerde dat bij gelijksoortige transacties discriminerende prijzen waren toegepast .
Het Hof beschikt in feite slechts over twee gegevens . Het eerste is, dat LAF beneden de minimumprijzen heeft verkocht, hetgeen niet relevant is voor de gelijksoortigheid van die verkopen met haar andere verkopen . Het tweede is, dat 65% van de produktie van LAF aan Fiat wordt verkocht . Het komt mij voor, dat een onderneming moeilijk staande kan houden dat een dergelijk grote fractie van haar omzet moet worden beschouwd als uitzonderlijk genoeg om een afwijking van haar openbaar gemaakte prijzen te rechtvaardigen . Geconfronteerd met een soortgelijk argument in de zaak Rumi, reeds aangehaald, verklaarde advocaat-generaal Capotorti : "van niet-vergelijkbaarheid (( kan )) slechts ... worden gesproken met betrekking tot verkoopcontracten die wezenlijk verschillen van die welke door dezelfde leverancier plegen te worden aangegaan . Van transacties welke zich niet lenen voor vergelijking met die welke volgens de prijslijst moeten worden afgesloten, kan dan ook slechts worden gesproken bij éénmalige, bij wijze van uitzondering door de onderneming aangegane contracten ... Dit gaat stellig niet op voor de onderhavige ... contracten die, gezien de bijzondere kenmerken van het verkochte produkt, in het bestek van de verkoopsactiviteiten der onderneming geenszins een uitzondering vormden, doch ... als normaal zijn te beschouwen ..." ( blz . 2545 ).
Dit betekent natuurlijk niet, dat de andere verkopen van LAF noodzakelijk gelijksoortig waren met die aan Fiat . Het vermoeden bestaat echter, dat slechts voor de andere verkopen, het kleinste deel van haar omzet, een afwijking van de openbaar gemaakte prijzen zou zijn te rechtvaardigen .
Het Hof behoeft zich echter niet over de gelijksoortigheid van de verkopen aan Fiat uit te spreken om verzoeksters eerste en primaire middel af te wijzen .
Verzoeksters tweede middel is, dat niet-gelijksoortige transacties, die niet aan het stelsel van minimumprijzen zijn onderworpen, buiten de aanmeldingsplicht van artikel 3, lid 2, van de algemene beschikking vallen . Het komt mij voor, dat dit argument staat of, in casu, valt met het eerste . Mijns inziens kunnen enkel contracten die door de termen van artikel 3, lid 2, worden gedekt, van het stelsel van minimumprijzen worden vrijgesteld en dan nog enkel na een verzoek aan de Commissie . De algemene beschikking voorzag niet in een "automatische" vrijstelling .
Het derde middel is misbruik van bevoegdheid, ontleend aan het feit dat de Commissie heeft nagelaten haar bevinding, dat de verkopen van LAF gelijksoortige transacties zijn, voldoende te motiveren . Het houdt in, dat de Commissie met zichzelf in tegenspraak komt, door op een bepaald moment te erkennen dat de verkopen niet-gelijksoortig waren en nu te beweren dat zij gelijksoortig zijn . Om genoemde reden kan ik deze stelling niet bijtreden . Hoe dan ook, de Commissie voert aan, dat zij slechts naar de gelijksoortigheid van de transacties heeft verwezen om verzoeksters argument dienaangaande af te wijzen en dus het recht had bondig te zijn . De door de Commissie aangevoerde motivering moge dan gebrekkig zijn, de gelijksoortigheid is irrelevant voor de vraag of LAF de algemene beschikking heeft geschonden, zodat de beschikking inzake verkoop beneden de minimumprijzen geen misbruik van bevoegdheid oplevert .
LAF heeft het Hof evenwel verzocht, de Commissie te verplichten tot overlegging van de gegevens waarover zij met betrekking tot de andere leveringscontracten in de automobielsector beschikt en van de zestien andere individuele beschikkingen waarbij de Commissie aan producenten van staalprodukten voor die sector identieke boeten heeft opgelegd als aan LAF . Deze informatie is mijns inziens irrelevant voor de vraag, of de verkopen van LAF aan Fiat gelijksoortig waren met haar andere verkopen, met name omdat het begrip gelijksoortige transacties geen enkele rol speelt in een krachtens artikel 61 opgelegd stelsel van minimumprijzen .
Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging het beroep van LAF te verwerpen . De bestreden beschikking moet worden gehandhaafd en er zijn geen termen aanwezig om de opgelegde boete te verminderen . LAF moet worden verwezen in de kosten van de Commissie .
(*) Vertaald uit het Engels .
Full & Egal Universal Law Academy