Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . In deze prejudiciële zaak gaat het om de werking in de tijd van de gemeenschapsverordeningen inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers . De vraag luidt, kort samengevat, of in het geval dat pensioenrechten oorspronkelijk zijn vastgesteld vóór 1 oktober 1972, de datum waarop de verordeningen nrs . 3 en 4 ( 1 ) vervielen, de bepalingen van deze verordeningen van toepassing blijven bij een na deze datum noodzakelijk geworden herberekening van de pensioenrechten wegens wijziging in de persoonlijke situatie van de begunstigde, dan wel of dan de verordeningen nrs . 1408/71 ( 2 ) en 574/72 ( 3 ) van toepassing zijn .
2 . Het hoofdgeding betreft een geschil tussen M . Viva, migrerend werknemer van Italiaanse nationaliteit, en het Nationaal Pensioenfonds voor Werknemers ( hierna : het Fonds ). Viva ontving :
- sinds 1 juni 1963 een pro rata berekend Italiaans invaliditeitspensioen op basis van de verordeningen nrs . 3 en 4,
- sinds 1 augustus 1963 een Belgisch invaliditeitspensioen volgens het tarief "gehuwden", zij het met toepassing van een korting op grond van de nationale anti-cumulatievoorschriften .
Ingevolge artikel 94, lid 5, van verordening nr . 1408/71 kunnen migrerende werknemers wier pensioen vóór de datum van inwerkingtreding van die verordening was vastgesteld, verzoeken om herberekening van hun rechten met inachtneming van de nieuwe bepalingen . Van deze mogelijkheid is door Viva geen gebruik gemaakt . Na het overlijden van zijn echtgenote op 2 november 1983 maakte het Fonds echter ambtshalve een nieuwe berekening van zijn rechten op Belgisch pensioen met toepassing van het tarief "alleenstaanden ". Omdat de betrokkene geen verzoek in de zin van artikel 94, lid 5, had ingediend, was het Fonds van mening, dat de verordeningen nrs . 3 en 4 voor zijn geval nog steeds van toepassing waren . Viva betwist niet de toekenning van het alleenstaandenpensioen, maar stelt dat wat de cumulatie van uitkeringen betreft, het Fonds de regeling had moeten toepassen die gold op het ogenblik dat het zijn rechten, wegens de wijziging van zijn persoonlijke situatie, ambtshalve herberekende, dat wil dus zeggen de regeling van de verordeningen nrs . 1408/71 en 574/72 .
3 . Zoals de verwijzende rechter heeft opgemerkt, wordt wat de werking in de tijd van deze verordeningen betreft, het geval dat de uitkeringsgerechtigde om herziening van zijn rechten verzoekt, uitdrukkelijk in artikel 94, lid 2 genoemd; de bepaling zwijgt echter over het geval van herziening ambtshalve wegens een wijziging in de persoonlijke situatie van de gerechtigde . Ik meen echter dat de beide sinds 1972 geldende verordeningen en de in 's Hofs rechtspraak reeds vastgelegde regels alle elementen bevatten die voor het antwoord op de door de nationale rechter gestelde vragen nodig zijn .
4 . In de eerste plaats wil ik evenals de Commissie deed, wijzen op de overeenkomst tussen de gegevens van de onderhavige zaak en die van de zaak die tot het eerste arrest Sinatra ( 4 ) heeft geleid .
5 . In dat arrest bevestigde het Hof, dat artikel 46 van verordening nr . 1408/71 moest worden toegepast in het geval waarin een Belgisch invaliditeitspensioen voor mijnwerkers, vastgesteld vóór de intrekking van de verordeningen nrs . 3 en 4 en de inwerkingtreding van verordening nr . 1408/71 en toentertijd berekend volgens het Belgische tarief voor gehuwden, na die inwerkingtreding werd gewijzigd omdat het tarief voor alleenstaanden toepasselijk werd doordat de echtgenote van de pensioengerechtigde beroepswerkzaamheden was gaan uitoefenen .
6 . Thans heeft de kamer zich te buigen over de vraag of artikel 46 van verordening nr . 1408/71 van toepassing is wanneer een invaliditeitspensioen voor mijnwerkers, vastgesteld vóór de intrekking van de verordeningen nrs . 3 en 4 en de inwerkingtreding van verordening nr . 1408/71 en berekend volgens het gehuwdentarief, na die inwerkingtreding moet worden gewijzigd door toepassing van het alleenstaandentarief als gevolg van het overlijden van de echtgenote van de pensioengerechtigde .
7 . De zojuist gemaakte vergelijking zou reeds kunnen volstaan om duidelijk te maken, dat de vraag die ons thans is voorgelegd, reeds impliciet is beantwoord in het genoemde arrest Sinatra . Een juridische analyse van het geval kan ons alleen maar bevestigen in deze overtuiging .
8 . De opvatting van het Fonds, dat de sinds 1 oktober 1972 ingetrokken bepalingen van de verordeningen nrs . 3 en 4 nog steeds van toepassing zijn wanneer zich na die datum veranderingen voordoen die van invloed zijn op de situatie van degene die recht heeft op een invaliditeitspensioen, berust in feite op een betwistbare redenering "a contrario ".
9 . Het Fonds is immers van oordeel, dat ondanks de uitdrukkelijke intrekking van de verordeningen nrs . 3 en 4 door artikel 100 van verordening nr . 1408/71, de eerstgenoemde verordeningen nog steeds gelden voor de vóór die intrekking vastgestelde pensioenen, en wel op grond van artikel 94, lid 5, van verordening nr . 1408/71, dat bepaalt dat "de rechten van de betrokkenen wier pensioen of rente vóór 1 oktober 1972 ... werd vastgesteld, op hun verzoek, met inachtneming van deze verordening, kunnen worden herzien ". Indien, aldus het Fonds, voor een herziening van een vóór 1 oktober 1972 vastgesteld pensioen overeenkomstig de bepalingen van verordening nr . 1408/71 een uitdrukkelijk verzoek van de rechthebbende noodzakelijk is, dan betekent dat, dat zonder een dergelijk verzoek een verandering die van invloed is op het pensioen, niet kan leiden tot toepassing van verordening nr . 1408/71; ergo moeten de ten tijde van de vaststelling van het pensioen geldende verordeningen nrs . 3 en 4 worden toegepast .
10 . Deze interpretatie verheft echter de uitzondering tot regel . Artikel 94, lid 5, biedt de rechthebbende op een vóór 1 oktober 1972 vastgesteld pensioen de mogelijkheid om, alleen op zijn verzoek, zijn rechten te laten hierzien overeenkomstig de bepalingen van verordening nr . 1408/71, dat wil zeggen overeenkomstig bepalingen die in beginsel niet voor hem gelden . Artikel 94, lid 1, van verordening nr . 1408/71 stelt immers vast, dat "aan deze verordening geen enkel recht kan worden ontleend voor een tijdvak dat aan 1 oktober 1972 ... voorafgaat ". Het betreft hier een formele toepassing door de communautaire wetgever van het in het arrest Jansen ( 5 ) neergelegde beginsel, dat een nieuwe bepaling van een gemeenschapsverordening - in dat geval ging het om artikel 10, lid 2, van verordening nr . 1408/71 - niet mede toepassing kan vinden op feiten die buiten de werkingssfeer ratione temporis van die verordening vallen . Lid 5 van artikel 94 wijkt af van het beginsel van lid 1 van dit artikel, doordat het het mogelijk maakt om, op eenvoudig verzoek, de bepalingen van de nieuwe verordening toe te passen, ongeacht of zich na de inwerkingtreding daarvan enig nieuw objectief feit heeft voorgedaan . Wijzigingen van het pensioen als gevolg van gebeurtenissen na de datum van inwerkingtreding van verordening nr . 1408/71 leiden echter als regel tot toepassing van deze verordening, overeenkomstig het in het arrest-Bauche ( 6 ) uitdrukkelijk genoemde "algemeen erkend beginsel", dat "tenzij het tegendeel is bepaald, de nieuwe wetten van toepassing zijn op de toekomstige gevolgen van feitelijke situaties welke onder vigeur van de oude wet zijn ontstaan ".
11 . Noch onderzoek van andere specifieke communautaire overgangsbepalingen dan die welke in de hier besproken materie reeds zijn bestudeerd, noch lezing van het eerder genoemde arrest Sinatra kan mij ervan overtuigen, dat wij in dit geval zouden moeten afwijken van de traditionele beginselen inzake de werking in de tijd van de wet .
12 . In overeenstemming met artikel 94, lid 1, van verordening nr . 1408/71 bepaalt artikel 118, lid 1, van de toepassingsverordening nr . 574/72, dat wanneer een verzekerde gebeurtenis vóór 1 oktober 1972 is ingetreden en er vóór die datum op grond van de aanvraag nog geen uitkering is vastgesteld, er twee uitkeringen moeten worden vastgesteld :
- voor het tijdvak vóór 1 oktober 1972 overeenkomstig verordening nr . 3 of eventueel bestaande overeenkomsten tussen de betrokken Lid-Staten;
- voor het tijdvak vanaf 1 oktober 1972 overeenkomstig verordening nr . 1408/71 .
Deze bijzondere bepalingen zijn niet van toepassing op de situatie die tot de onderhavige prejudiciële vraag heeft geleid; hier gaat het om een pensioen dat vóór 1 oktober 1972 is vastgesteld en dat wordt beïnvloed door een gebeurtenis - wijziging in de gezinssituatie van de pensioengerechtigde - die zich na die datum heeft voorgedaan . Juridisch-technisch gezien beogen die bepalingen echter niet, de werking van de oude verordening tot na 1 oktober 1972 te verlengen; dit "voortbestaan" wordt in de laatste alinea van artikel 118, lid 1, enkel bij wijze van afwijking voorzien, namelijk met betrekking tot de voordeligste berekening van het pensioen .
13 . Maar nogmaals, mijns inziens blijkt vooral uit voornoemd arrest Sinatra duidelijk, dat de bepalingen van verordening nr . 1408/71 van toepassing zijn op wijzigingen in een situatie waarvoor de uitkering vóór de inwerkingtreding van deze verordening is vastgesteld . Het Hof oordeelde daar immers, dat "een herberekening overeenkomstig de bepalingen van artikel 46 van verordening nr . 1408/71 verplicht is" wanneer krachtens een besluit van juni 1976 het tarief voor alleenstaanden wordt toegepast op een invaliditeitspensioen dat aanvankelijk, uit hoofde van een besluit tot vaststelling van 10 mei 1971, was berekend volgens het tarief voor gehuwden .
14 . Het geschil dat voor de verwijzende rechter aanleiding was de onderhavige prejudiciële vraag te stellen, is juist voortgekomen uit de vraag, of Viva zich na de wijziging in zijn individuele situatie kan beroepen op artikel 46 van verordening nr . 1408/71, volgens hetwelk een vergelijking moet plaatsvinden tussen de nationale regeling en de samentellings - en pro-rataregeling, ten einde te bepalen welke de voordeligste is . En ik ben van mening, dat het Hof zich bij de beantwoording van de prejudiciële vraag van het Arbeidshof te Bergen moet laten leiden door de principes die ten grondslag liggen aan het eerste arrest Sinatra .
15 . Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging te verklaren voor recht :
" Een herberekening overeenkomstig de bepalingen van artikel 46 van verordening nr . 1408/71 is verplicht in het geval dat een invaliditeitspensioen, dat vóór de inwerkingtreding van die verordening door een Lid-Staat is vastgesteld volgens het tarief "gehuwden", wordt gewijzigd door toepassing van het tarief "alleenstaanden" wegens een gebeurtenis die zich na die inwerkingtreding voordoet en de individuele situatie van de rechthebbende beïnvloedt ."
(*) Vertaald uit het Frans .
( 1 ) PB 1958, blz . 561 tot en met 597 . PB 1963, blz . 1314 .
( 2 ) Verordening nr . 1408/71 van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen ( PB 1971, L 149, blz . 2 ).
( 3 ) Verordening nr . 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 ( PB 1972, L 74, blz . 1 ).
( 4 ) Arrest van 2 februari 1982, zaak 7/81, Jurispr . 1982, blz . 137 .
( 5 ) Arrest van 5 mei 1977, zaak 104/76, Jurispr . 1977, blz . 829 .
( 6 ) Arrest van 15 februari 1978, zaak 96/77, Jurispr . 1978, blz . 383 .
Full & Egal Universal Law Academy