Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . In de onderhavige gevoegde zaken wordt voortgeprocedeerd over de besluiten van de jury van intern vergelijkend onderzoek COM2/82 . Dat vergelijkend onderzoek werd gehouden met het oog op de vorming van een reservelijst van adjunct-assistenten, adjunct-secretariaatsassistenten en adjunct-technisch assistenten in de rangen 5 en 4 van categorie B . In de zaken 293/84 ( Sorani, Jurispr . 1986, blz . 967 ) en 294/84 ( Adams, Jurispr . 1986, blz . 977 ) heeft het Hof de besluiten van de jury van dat vergelijkend onderzoek om verzoekers in die zaken niet tot de examens toe te laten, nietig verklaard . In de zaak Sorani ging het om elf verzoekers en in de zaak Adams om 53 . De besluiten werden nietig verklaard op grond dat de kandidaten geen gelegenheid hadden gehad hun mening kenbaar te maken over het advies dat hun hiërarchieke meerderen over hen hadden uitgebracht ( r.o . 17-19 in zaak 293/84 en 22-24 in zaak 294/84 ).
2 . Na deze arresten hervatte de jury de procedure van het vergelijkend onderzoek ten aanzien van de verzoekers in die zaken vanaf het punt waar het Hof haar handelwijze onwettig had geacht . De jury riep eerst alle kandidaten op voor gesprekken in juni en juli 1986, waarin aan alle kandidaten dezelfde vragen werden gesteld als aan de respectieve hiërarchieke meerderen waren voorgelegd . Die procedure resulteerde in een standaardbrief van 11 juli 1986, waarin de kandidaten werd meegedeeld, dat de door hen verschafte inlichtingen de jury geen aanleiding hadden gegeven op haar besluit van 15 juni 1984 terug te komen . Na - mijns inziens terechte - klachten van verschillende kandidaten dat dit ontoereikend was, riep de jury de kandidaten op voor een nieuw gesprek in december 1986, waarin zij hen om commentaar vroeg op de standpunten van hun meerderen . De jury beoogde daarmee aan de arresten van het Hof gevolg te geven, maar de resultaten waren mager . Verzoekers in het onderhavig geding ontvingen alle een in identieke bewoordingen gestelde brief van 12 februari 1987 waarin werd verklaard, dat de aldus verstrekte inlichtingen voor de jury geen aanleiding waren geweest haar standpunt te wijzigen, zodat daarmee in feite werd bevestigd dat zij niet tot de examens werden toegelaten . Verzoekers in het onderhavig geding komen alle op tegen dat besluit . Er zijn 26 verzoekers in zaak 100/87 en één verzoeker in respectievelijk zaak 146 en 153/87 .
3 . Het eerste punt waarover 's Hofs oordeel wordt gevraagd is, in zaak 100/87, het verzoek om interpretatie van de arresten in de zaken 293 en 294/84 krachtens artikel 40 van 's Hofs Statuut-EEG en artikel 102 van het Reglement voor de procesvoering . Gesteld wordt, dat de arresten in die zaken betekenen, dat verzoekers zonder meer tot de examens hadden moeten worden toegelaten . Zoals gezegd waren de uitspraken in die arresten evenwel gebaseerd op de overweging, dat de jury ten onrechte had verzuimd, de kandidaten gelegenheid te geven om commentaar te leveren op de uitlatingen van hun meerderen . Op die grond werd het besluit van de jury nietig verklaard . Alle partijen zijn het erover eens, dat dat de werking van de arresten was . Mijns inziens is dat niet voor tweeërlei uitleg vatbaar . In geschil tussen partijen is de toepassing van de arresten op een bepaald complex van feiten, in casu de positie van verzoekers na die arresten . Naar 's Hofs vaste rechtspraak zijn verzoeken om uitlegging die in werkelijkheid de uitvoering van een arrest betreffen, niet-ontvankelijk ( zie met name de zaken 110/63 bis, Willame, Jurispr . 1966, blz . 431, en 206/81 bis, Alvarez, Jurispr . 1983, blz . 2865 ). Zoals advocaat-generaal Verloren van Themaat in laatstgenoemde zaak opmerkte : "Vernietiging van een ... besluit heeft naar haar aard herstel van de 'status quo ante' ten gevolge ." De nietigverklaring van de besluiten van de jury in de zaken 293 en 294/84 herstelde verzoekers in de positie die zij hadden voor het besluit werd genomen, dat wil zeggen dat hun sollicitaties nog steeds bij de jury in onderzoek waren . Die opvatting was ook advocaat-generaal Sir Gordon Slynn toegedaan, toen hij aan het slot van zijn conclusie in zaak 294/84 verklaarde : "De sollicitaties van verzoekers moeten ... opnieuw worden onderzocht, ten einde uit te maken of sommigen hunner tot de proeven kunnen worden toegelaten" ( cursivering van mij ). Er rijst geen vraag van uitlegging en ik concludeer mitsdien, dat het verzoek om uitlegging in zaak 100/87 niet-ontvankelijk moet worden verklaard .
4 . Om dezelfde redenen moet naar mijn mening de stelling van verzoekers in de zaken 146 en 153/87 worden verworpen, dat de Commissie heeft verzuimd de eerdere arresten correct uit te voeren, door die verzoekers niet onmiddellijk tot de examens toe te laten .
5 . Ik kom nu tot de zaak ten gronde : de verzoeken tot nietigverklaring van het in de brief van 12 februari 1987 vervatte besluit, waarbij verzoekers niet tot de examens werden toegelaten .
Die brief luidde als volgt :
" De jury heeft uw opmerkingen betreffende hetgeen door uw meerderen is verklaard, alsmede de andere door u mondeling en schriftelijk aan de jury verstrekte inlichtingen met de grootste zorgvuldigheid onderzocht .
Ik maak u erop attent dat de verschillende gesprekken die hebben plaatsgevonden, slechts een van de elementen is die bij de algemene beoordeling van uw sollicitatie in aanmerking zijn genomen .
Gezien alle haar ter beschikking staande gegevens, heeft de jury besloten dat er geen aanleiding is, haar eerder besluit van 11 juli 1986 te wijzigen ."
Dat besluit bevestigde, zoals men zich herinnert, het eerdere besluit van 15 juni 1984 .
6 . Verzoekers in de drie zaken brengen verschillende argumenten naar voren, die ik achtereenvolgens zal behandelen . In de eerste plaats wordt in de zaken 100 en 146/87 gesteld, dat de brief niet dan wel onvoldoende is gemotiveerd . Uiteraard is het een fundamenteel vereiste van het gemeenschapsrecht dat besluiten met redenen moeten zijn omkleed . Dit fundamentele beginsel wordt geïllustreerd in artikel 25 van het Statuut, dat, voorzover hier relevant, luidt als volgt :
" De ambtenaar kan verzoeken richten tot het tot aanstelling bevoegde gezag van zijn instelling .
Elk besluit dat overeenkomstig dit statuut ten aanzien van een ambtenaar wordt genomen, dient onverwijld schriftelijk te zijner kennis te worden gebracht . Iedere voor hem nadelige beslissing dient met redenen te zijn omkleed ..."
Over de toepasing van dat beginsel op besluiten waarbij kandidaten niet tot vergelijkende onderzoeken worden toegelaten, bestaat reeds een omvangrijke rechtspraak, beginnend bij de zaken 44/71 ( Marcato, Jurispr . 1972, blz . 427 ), 37/72 ( Marcato, Jurispr . 1973, blz . 361 ) en 31/75 ( Costacurta, Jurispr . 1975, blz . 1563 ). In de gevoegde zaken 4, 19 en 28/78 ( Salerno e.a ., Jurispr . 1978, blz . 2403 ) verklaarde het Hof, dat de jury in een vergelijkend onderzoek gehouden is, haar besluiten tot afwijzing van kandidaten te motiveren en dat, al is het gezien het grote aantal kandidaten geoorloofd zich van summiere motiveringen te bedienen, de enkele vermelding dat de kandidaat niet aan een uit verschillende elementen samengestelde voorwaarde voldoet, toch niet kan voldoen aan het vereiste van motivering, met name aangezien een dergelijke vermelding aan de betrokkene geen toereikende aanwijzing biedt omtrent de vraag of de weigering gegrond is . In zaak 225/82 ( Verzyck, Jurispr . 1983, blz . 1991 ) verklaarde het Hof, in aansluiting op zijn uitspraken in de zaken 112/78 ( Kobor, Jurispr . 1979, blz . 1573 ) en 89/79 ( Bonu, Jurispr . 1980, blz . 553 ), dat het niveau van de motivering kan verschillen naar gelang het type en het niveau van het vergelijkend onderzoek . Bij vergelijkende onderzoeken met een zeer groot aantal deelnemers zou het een onaanvaardbare belasting voor de administratie vormen, indien zij in elk stadium een gedetailleerde toelichting zou moeten geven; weliswaar moeten daarom de redenen in algemene termen worden gegeven, maar deze mogen summier zijn geformuleerd, tenzij uitdrukkelijk om een individuele toelichting wordt gevraagd . In elk geval moet er wél een summiere motivering zijn, en het in die zaak bestreden besluit werd om die reden nietig verklaard, ondanks het feit dat de verzoeker niet uitdrukkelijk om een toelichting had gevraagd . Dezelfde beginselen zijn van toepassing op het vergelijkend onderzoek waarom het in deze zaak gaat, niettegenstaande het uitzonderlijk grote aantal kandidaten .
7 . Bovendien werd in een andere zaak naar aanleiding van ditzelfde vergelijkend onderzoek ( arrest van 16 december 1987, zaak 206/85, Beiten, Jurispr . 1987, blz . 5301 ) het besluit waarbij de verzoekster niet tot de examens werd toegelaten, nietig verklaard op grond dat er ondanks haar uitdrukkelijk verzoek daartoe, geen gedetailleerde toelichting was gegeven . Het arrest is gewezen na de in de onderhavige zaak bestreden besluiten, doch het is niet meer dan een toepassing van de voorgaande rechtspraak . Wat de eerdere twee zaken naar aanleiding van dit vergelijkend onderzoek betreft, te weten de zaken Adams en Sorani, merk ik op, dat in de zaak Adams het argument van het gebrek aan motivering niet werd aangevoerd en dat de besluiten van de jury in die zaken op een andere grond werden nietig verklaard, zoals ik reeds heb vermeld . Het was echter duidelijk, dat die besluiten in elk geval op grond van een motiveringsgebrek zouden zijn nietig verklaard en in de zaak Sorani is zulks door advocaat-generaal Sir Gordon Slynn uitdrukkelijk gezegd . Hij merkte op : "Wat de motiveringsgebreken betreft, dient men te bedenken dat bij een vergelijkend onderzoek als het onderhavige, met zeer vele kandidaten, een motivering in algemene termen in eerste instantie voldoende kan zijn . Wanneer echter iemand de redenen wenst te vernemen waarom zijn sollicitatie is afgewezen, en de heropening van zijn dossier verlangt, is de jury mijns inziens gehouden mee te delen welke factoren in het geval van de betrokkene een rol hebben gespeeld ." Hij merkte voorts op, dat de kandidaten het recht hadden te weten op welk punt zij waren afgewezen, zodat zij konden nagaan of de jury bij haar besluit had gedwaald ten aanzien van het recht, bij voorbeeld door niet ter zake dienende aspecten in haar overwegingen te betrekken .
8 . Gezien die opmerkingen en de eerdere rechtspraak die ik heb aangehaald, had het de Commissie duidelijk moeten zijn, dat elk nieuw besluit waarbij de kandidaten niet tot de examens werden toegelaten, met redenen omkleed diende te zijn .
9 . De Commissie is op deze punten niet ingegaan . Zij stelt slechts ( in één enkele zin ) dat het besluit in de brief enkel een bevestiging vormt van een eerder besluit, en dat als enige nieuwe element door de jury in overweging moest worden genomen, de commentaren van de kandidaten op het door hun meerderen uitgebrachte adviezen . De Commissie stelt, dat de verklaring dat dit enige nieuwe element voor de jury geen aanleiding is geweest haar oordeel te wijzigen, als motivering volstaat .
10 . Dit argument kan mijns inziens niet slagen . Nog afgezien van het feit, dat indien het besluit in de brief van 12 februari 1987 een bevestiging van een eerder besluit was, dat eerdere besluit zelf dan behoorlijk gemotiveerd moest zijn, hetgeen duidelijk niet het geval was, ben ik van mening, dat de brief van 12 februari 1987 zelfs als summiere motivering, onvoldoende met redenen was omkleed . Zij bevat geen enkele aanwijzing dat de gevallen van verzoekers afzonderlijk zijn beoordeeld . Het was de laatste in een reeks standaardbrieven vanaf juni 1984 en geen van verzoekers is tot op heden op de hoogte gesteld van de redenen waarom hij niet tot de examens is toegelaten .
11 . De Commissie heeft zich niet beroepen op het arrest van 8 maart 1988 ( gevoegde zaken 64, 71-73 en 78/86, Sergio e.a .), en die zaken zouden mijns inziens hier voor de Commissie ook niet van veel nut zijn . Ook in die zaken werd door het Hof een motiveringsgebrek vastgesteld . Het Hof overwoog daarin echter, dat uit de in die zaken overgelegde stukken bleek dat de jury elke kandidaat zorgvuldig had onderzocht en dat elke kandidaat tijdens de mondelinge procedure de gelegenheid had gekregen om commentaar te leveren op de door de jury toegepaste werkwijzen en gegeven beoordelingen . Het Hof kon zelf vaststellen dat de jury de juiste procedure had gevolgd, zodat in die zaken achter het ontbreken van motivering niet een gebrek in de procedure school, dat nietigverklaring van de besluiten van de jury zou rechtvaardigen .
12 . In de thans bij het Hof aanhangige zaken heeft de Commissie de notulen van de vergadering van de jury overgelegd alsmede voorbeelden van de door de jury opgestelde schema' s met de door de kandidaten gegeven antwoorden . Die notulen bieden niet dezelfde zekerheid als in de zaak Sergio . De verslagen zijn onvolledig en geven op zichzelf geen aanwijzing, waarom de door de kandidaten gegeven antwoorden niet goed werden gevonden . Voorts hebben zij uiteraard enkel betrekking op de laatste fase van de procedure . In die omstandigheden kan men naar mijn oordeel de zeer beperkte uitzondering die in de zaak Sergio op de algemene regel is aangebracht, niet op het onderhavige geval toepassen .
13 . De besluiten zijn mitsdien onwettig wegens gebrek aan motivering . Verzoekster in zaak 153/87 heeft in haar verzoekschrift niet uitdrukkelijk een motiveringsgebrek als grond voor nietigverklaring aangevoerd . Als bijlage bij haar verzoekschrift heeft zij wel een kopie gevoegd van een zeer uitvoerig verzoek, gedateerd 12 december 1987, dat zij tot de voorzitter en de leden van de jury had gericht, klaarblijkelijk om te vernemen waarom zij was afgewezen; op dat verzoek heeft zij niet een echt antwoord ontvangen . Derhalve dienen de besluiten in alle zaken op die grond te worden nietig verklaard, en ik kan over de andere door verzoekers aangevoerde gronden betrekkelijk kort zijn .
14 . In de zaken Sorani, Adams en Beiten is veel kritiek geuit op de aanpak van het vergelijkend onderzoek; verzoekers in de onderhavige zaak herhalen een aantal van die punten en voegen er nieuwe aan toe, waartoe zij het recht hebben . Verzoekers in zaak 100/87 vechten de wettigheid van de procedure aan op grond dat de oorspronkelijk geraadpleegde meerderen de assistenten van verschillende directeuren-generaal waren, in plaats van de directe meerdere van elke kandidaat . Hoewel de voordelen van de gevolgde procedure in een vergelijkend onderzoek met 860 kandidaten duidelijk zijn, lijkt het argument dat de assistenten van de directeuren-generaal niet nauwkeurig van de capaciteiten van alle kandidaten op de hoogte konden zijn, toch wel gewicht in de schaal te leggen . De Commissie moet evenwel een aanzienlijke vrijheid van handelen worden gelaten bij de organisatie van een dergelijk vergelijkend onderzoek en ik acht de gehanteerde methode, die uitdrukkelijk werd vermeld in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, niet dermate onredelijk dat daardoor het vergelijkend onderzoek onwettig zou worden .
15 . In de zaken 100 en 153/87 wordt voorts gesteld, dat aan de meerderen - evenals aan de kandidaten in de daaropvolgende gesprekken - is gevraagd of de kandidaten taken op B-niveau hadden vervuld, en dat dit ten onrechte in aanmerking werd genomen nu dat criterium niet in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek of elders was vermeld . Ook dit argument verwerp ik, daar het voor elke jury in een vergelijkend onderzoek van belang moet zijn, of een bepaalde kandidaat in de praktijk de taken heeft vervuld van de rang waartoe hij wenst te worden bevorderd . Dat speelt dan ook impliciet in al dergelijke onderzoeken een rol, zij het niet als een noodzakelijke voorwaarde voor bevordering . De jury lijkt het niet als een noodzakelijke voorwaarde te hebben gehanteerd .
16 . Verzoeker in zaak 146/87 stelt, dat hij, aangezien hij vijftien jaar geleden tweemaal op de lijst van geschikte kandidaten voor een vergelijkend onderzoek voor bevordering naar een B-functie was geplaatst, thans hetzelfde recht zou moeten hebben, bij gebreke van een voldoende duidelijke motivering voor het verschil in beoordeling . Hij baseert zich op zaak 112/78 ( Kobor, Jurispr . 1979, blz . 1573 ). Die zaak, alsook zaak 108/84 ( De Santis, Jurispr . 1985, blz . 947 ), waarin hetzelfde beginsel werd toegepast, betrof de door de betrokken kandidaat opgedane ervaring . In beide zaken werd overwogen, dat indien de praktijk - dan wel beroepservaring van een kandidaat voldoende geacht wordt voor toelating tot de examens in een vergelijkend onderzoek, dit ook voldoende moet worden geacht voor zijn toelating tot een ander vergelijkend onderzoek waarvoor hetzelfde ervaringsniveau wordt vereist - behalve wanneer er redenen zijn voor een andere beslissing . Verzoeker maakt niet duidelijk of hij louter op grond van zijn ervaring tot de eerste examens is toegelaten, maar hij suggereert dat het op grond van de goede beoordelingen door zijn meerderen is geweest . Onder die omstandigheden is een latere jury dunkt mij niet gebonden aan beoordelingen van een kandidaat die vijftien jaar of meer daarvoor zijn opgesteld en door een eerdere jury goed werden bevonden . Het zijn de latere beoordelingen die tellen . Al kunnen verzoekers argumenten op dit punt niet slagen, zij maken deel uit van een ruimer gesteld middel dat geen adequate redenen zijn gegeven voor zijn uitsluiting van de examens, en dat middel is mijns inziens gegrond om de hiervóór door mij uiteengezette redenen .
17 . Ten slotte stellen verzoekers in de drie zaken dat de jury, zonder over schriftelijke stukken te beschikken, zich de standpunten van de meerderen van de kandidaten onmogelijk kon herinneren, toen zij ongeveer drie jaar later met de kandidaten over dat standpunt een gesprek had . Gesteld wordt, dat de jury de meerderen opnieuw naar hun mening had moeten vragen, om over alle feiten te kunnen beschikken . De Commissie meent, dat de juryleden konden afgaan op hun eigen aantekeningen van het door de meerderen gezegde alsook op hun geheugen, en wijst op de notulen van de vergaderingen van de jury, die bijzonderheden van het door de meerderen te berde gebrachte bevatten . Het vertrouwen op mogelijk onvolledige persoonlijke aantekeningen en herinneringen voor hetgeen drie jaar tevoren ten aanzien van een groot aantal kandidaten was gezegd, was misschien niet de beste aanpak . Ik acht het evenwel niet een dermate onjuiste handelwijze dat het besluit op die grond moet worden nietig verklaard . Om de reeds door mij genoemde redenen meen ik echter, dat de besluiten in alle zaken moeten worden nietig verklaard .
18 . Aangezien de Commissie kennelijk niet de consequenties van de eerdere arresten van het Hof heeft begrepen, kan het geen kwaad nauwkeurig uiteen te zetten, welke in de onderhavige zaken volgens mij de consequenties van nietigverklaring zijn . Die consequenties zijn, dat nu de besluiten nietig zijn wegens onvoldoende motivering, elke verzoeker thans afzonderlijk een verklaring moet krijgen van de redenen waarom hij of zij, in zijn of haar geval, niet tot de examens is toegelaten . De verklaring moet betrekking hebben op het gehele besluit en niet worden beperkt tot de redenen waarom de later verstrekte aanvullende informatie voor de jury geen aanleiding was om tot een ander besluit te komen . Voorts moet die verklaring voor elke verzoeker afzonderlijk vermelden aan welke voorwaarde die verzoeker niet bleek te voldoen .
19 . Verzoekers in zaak 100/87 vorderen voorts schadevergoeding van 200 000 BFR elk voor de materiële en immateriële schade die zij zouden hebben geleden . Verzoekers in de zaken 145 en 153/87 vorderen geen schadevergoeding . Naar mijn opvatting moeten de verzoeken om schadevergoeding worden verworpen . Ik heb geconcludeerd, dat verzoekers individueel de redenen te horen moeten krijgen waarom zij niet tot de examens zijn toegelaten . Ervan uitgaande dat dit geldige redenen zijn, hebben verzoekers geen materiële schade geleden, aangezien zij in elk geval niet tot de examens zouden zijn toegelaten . Blijft de vraag van de immateriële schade; dienaangaande meen ik, dat de nietigverklaring van de besluiten passende genoegdoening vormt voor elke eventueel door verzoekers geleden immateriële schade, zoals ook het geval was in zaak 128/84 ( Van der Stijl, Jurispr . 1985, blz . 3281 ).
20 . Concluderend geef ik het Hof mitsdien in overweging :
1 ) de besluiten van de jury, waarbij verzoekers niet tot de examens werden toegelaten, nietig te verklaren;
2 ) de Commissie te verwijzen in de kosten van het geding .
(*) Oorspronkelijke taal : Engels .
Full & Egal Universal Law Academy