Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Met haar beroep in zaak C-133/87 verzoekt Nashua Corporation, die haar zetel in de Verenigde Staten heeft, om nietigverklaring van het besluit van de Commissie tot afwijzing van de verbintenis die zij had aangeboden conform artikel 10 van verordening ( EEG ) nr . 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap ( 1 ) ( hierna : de basisverordening ) tijdens het anti-dumpingonderzoek van de Commissie naar de importen van fotokopieerapparaten voor gewoon papier, van oorsprong uit Japan .
2 . In het nauwelijks twee weken later ingestelde tweede beroep ( zaak C-150/87 ) concluderen Nashua en negen van haar volle dochterondernemingen, waarvan er acht hun zetel in een Lid-Staat van de Gemeenschap hebben, tot nietigverklaring van verordening ( EEG ) nr . 535/87 van de Raad van 23 februari 1987 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van fotokopieerapparaten voor gewoon papier van oorsprong uit Japan ( 2 ) ( hierna : de definitieve verordening ). Eén van de door hen aangevoerde middelen is de onwettigheid van de afwijzing van de aangeboden verbintenis door de Commissie, welke eveneens het voorwerp is van het beroep in zaak C-133/87 . Ik zou eerst zaak C-133/87 willen bespreken en daarna zaak C-150/87 .
I - Zaak C-133/87
3 . Bij brief van 9 december 1986 bood Nashua Corporation de Commissie een verbintenis aan waarvan de belangrijkste bepalingen als volgt luidden :
"Nashua Corporation, handelende voor zichzelf en voor haar dochterondernemingen in de EEG, verbindt zich hierbij om niet meer dan de volgende hoeveelheid fotokopieerapparaten, vallende onder post 90.10 A van het gemeenschappelijk douanetarief ( overeenkomende met Nimexe-code 90.10-22 ), van oorsprong uit Japan, naar de Europese Gemeenschap uit te voeren :
1987 48 536 eenheden
1988 48 536 eenheden
1989 48 536 eenheden
1990 48 536 eenheden
1991 48 536 eenheden ."
4 . De verbintenis bepaalde tevens, dat verzoekster al het mogelijke zou doen om ontduiking van de verbintenis door wederverkopen van buiten de EEG te voorkomen en om de Commissie regelmatig rapporten en inlichtingen te verschaffen ten einde een doeltreffend toezicht op de verbintenis te verzekeren . De voorgestelde ingangsdatum van de verbintenis was 1 januari 1987 .
5 . Bij op 27 januari 1987 aan verzoekster meegedeeld besluit wees de Commissie de aangeboden verbintenis af . Het belangrijkste deel van dat besluit is weergegeven in het rapport ter terechtzitting .
6 . Hoewel de Commissie tijdens de schriftelijke behandeling de opvatting had geuit, dat het beroep van Nashua Corporation waarschijnlijk ontvankelijk geacht moest worden, heeft zij ter terechtzitting geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het beroep .
7 . Aangezien het Hof de ontvankelijkheid van een beroep ambtshalve kan toetsen, behoeft niet te worden besproken of de gewijzigde stellingname van de Commissie een nieuw, te laat voorgestelde middel vormt .
8 . Nashua is ontegenzeglijk de geadresseerde van een besluit van de Commissie, namelijk van een brief waarin haar werd meegedeeld, dat de door haar aangeboden verbintenis niet werd aanvaard . Op het eerste gezicht gaat het dan ook om een situatie als bedoeld in het eerste gedeelte van artikel 173, tweede alinea .
9 . De Commissie stelt evenwel, dat het niet gaat om een voor beroep vatbare handeling in de zin van dat artikel, omdat de afwijzing van het aanbod enkel tot gevolg heeft, dat het feitelijke risico van de oplegging van een anti-dumpingrecht toeneemt, zonder verder wezenlijk wijziging te brengen in de rechtspositie van de onderneming waarvan het aanbod werd verworpen . Voorts vormt een dergelijk besluit van de Commissie slechts een etappe op de weg naar een ander besluit en kan het derhalve niet in een apart beroep worden aangevochten .
10 . Ik zou het laatste argument het eerst willen bespreken . Uiteraard kan men geen rechtstreekse parallellen trekken tussen de afwijzing van het aanbod van een verbintenis en de omstandigheden die aan het door de Commissie aangehaalde arrest-IBM ( 3 ) ten grondslag lagen . Verweerster heeft trouwens zelf erkend, dat de term "voorbereidingshandeling" in de onderhavige context misplaatst zou zijn . In de zaak-IBM waren aan de orde het besluit tot inleiding van een procedure krachtens artikel 3 van verordening nr . 17 van de Raad van 6 februari 1962, de eerste uitvoeringsverordening van de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag ( PB 1962, L 13, blz . 205 ), en de mededeling van punten van bezwaar, bedoeld in artikel 19 van die verordening . Die twee handelingen vormen ongetwijfeld verplichte fasen in elke procedure die tot oplegging van een boete wegens mededingingsbeperkende gedragingen leidt; het Hof heeft ze dan ook terecht betiteld als "zuiver voorbereidende maatregelen" ( arrest-IBM, r.o . 12 ) of "voorbereidende handelingen in de procedure ".
11 . Aan de andere kant is het verleidelijk om het aanbod van een verbintenis en het besluit daarop te beschouwen als "een bijzondere procedure onderscheiden van die welke de Commissie of de Raad in staat moet stellen ten gronde te beslissen" ( arrest-IBM, r.o . 11 ). Behalve ingeval de Commissie zelf verbintenissen voorstelt ( artikel 10, lid 3, van verordening nr . 2176/84 van de Raad ), begint die procedure immers slechts op initiatief van de betrokken onderneming, hetgeen niet steeds het geval is . Het is derhalve geen noodzakelijke en verplichte stap in het hoofdonderzoek naar dumping en schade .
12 . Al is er dan sprake van een onderscheiden procedure, toch "markeert" de afwijzing van een verbintenis door de Commissie niet echt "het einde" van die procedure ( terminologie van r.o . 11 van het IBM-arrest ). De Raad kan het besluit van de Commissie immers direct of indirect tenietdoen .
13 . Volgens artikel 11, lid 4, van de basisverordening informeert de Commissie onverwijld de Raad en de Lid-Staten, als zij heeft besloten een voorlopig anti-dumpingrecht in te stellen . De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een ander besluit nemen . Dat betekent, dat de Raad, indien op dat ogenblik reeds een verbintenis is aangeboden en door de Commissie is afgewezen, in voorkomend geval het besluit van de Commissie tot instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht kan vernietigen en in plaats daarvan de verbintenis kan aanvaarden .
14 . Wat gebeurt er indien een verbintenis eerst wordt aangeboden na dat stadium van de procedure? Luidens artikel 12 wordt een definitief anti-dumpingrecht
"ingesteld door de Raad die op voorstel van de Commissie, ingediend na overleg, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit ".
Dat overleg vindt plaats in het comité voorzien in artikel 6, bestaande uit vertegenwoordigers van elke Lid-Staat en waarvan het voorzitterschap wordt bekleed door een vertegenwoordiger van de Commissie . Het overleg heeft met name betrekking op :
"d ) de onder de gegeven omstandigheden passende maatregelen om de door dumping of subsidie veroorzaakte schade te voorkomen of te herstellen, alsmede de wijze van toepassing daarvan ".
15 . Het is dan ook mogelijk, dat een meerderheid binnen het raadgevend comité tegen instelling van een definitief anti-dumpingrecht is en de voorkeur geeft aan aanvaarding van de aangeboden verbintenis . In die omstandigheden zou de Commissie zich genoodzaakt kunnen zien, terug te komen van haar besluit tot afwijzing van de verbintenis . En indien de Commissie de Raad een definitief anti-dumpingrecht voorstelt, bestaat de kans, dat dit voorstel geen gekwalificeerde meerderheid van stemmen binnen de Raad verkrijgt en dat de leden van de Raad die tegen dat voorstel hebben gestemd, laten weten dat de schadelijke gevolgen van de geconstateerde dumping naar hun mening kunnen worden opgeheven door de aangeboden verbintenis . In dat geval zou de Commissie zeer waarschijnlijk besluiten, haar eerste besluit in te trekken en de aangeboden verbintenis toch maar te aanvaarden om schade voor de industrie in de Gemeenschap te vermijden . Het voorlopige recht vervalt immers na vier maanden .
16 . Zoals in het bijzonder blijkt uit verordening nr . 2075/82 van de Raad van 28 juli 1982 met betrekking tot de invoer van meerfasige elektromotoren van oorsprong uit bepaalde Oosteuropese landen ( PB 1982, L 220, blz . 36 ) kan onenigheid tussen de Lid-Staten binnen het raadgevend comité ertoe leiden, dat de Raad zelf voor de keuze wordt gesteld om een definitief anti-dumpingrecht in te stellen of een verbintenis van de zijde van de exporteurs te aanvaarden, en dat hij voor die laatste oplossing kiest .
17 . Ten slotte is het ook mogelijk, dat de Commissie en de Raad, of de Raad alleen, tot de conclusie komen, dat aan de voorwaarden van verordening nr . 2176/84 niet is voldaan en dat de procedure moet worden beëindigd .
18 . Men kan derhalve stellen, dat de afwijzing van een verbintenis eerst werkelijk definitief is, wanneer dit is bevestigd door het instellen van een definitief anti-dumpingrecht door de Raad . Mijns inziens valt niet te betwisten, dat vanaf dat ogenblik de afwijzing van het aanbod in elk geval moet worden beschouwd als een handeling die de belangen van verzoekster raakt, omdat haar daarmee een alternatieve weg wordt afgesneden, namelijk aan de oplegging van een anti-dumpingrecht te ontkomen door een verbintenis aan te gaan . Daarom aarzel ik om te stellen, zoals de Commissie doet, dat het besluit tot afwijzing van een verbintenis naar zijn aard geen handeling is waartegen krachtens artikel 173 EEG-Verdrag beroep openstaat . Die handeling heeft wel bovenvermeld rechtsgevolg, maar dat gevolg is slechts potentieel, zolang de Raad nog niet definitief heeft beslist .
19 . Het is ongetwijfeld om deze redenen, dat het Hof in zijn beschikking van 11 november 1987 ( 4 ), waarbij het het beroep van Nashua tot nietigverklaring van verordening nr . 535/87 van de Raad niet-ontvankelijk verklaarde voor zover het tegen de Commissie was gericht, heeft vastgesteld, dat
"het besluit van de Commissie om een verbintenis af te wijzen een integrerend deel ( is ) van het besluitvormingsproces van de Raad" ( r.o . 4 en 6 ).
20 . Mitsdien geef ik in overweging, het door Nashua ingestelde afzonderlijke beroep tegen het besluit waarbij de Commissie de door haar aangeboden verbintenis heeft afgewezen, niet-ontvankelijk te verklaren en verzoekster in de kosten van zaak C-133/87 te verwijzen .
21 . De door Nashua ingebrachte argumenten ten gronde ter ondersteuning van haar stelling, dat de afwijzing van de door haar aangeboden verbintenis onwettig is, zal ik hierna in verband met zaak C-150/87 bespreken, aangezien dit één van de in die zaak voorgedragen middelen is .
II - Zaak C-150/87
22 . Naast het zojuist genoemde middel brengt Nashua nog drie middelen naar voren, die zij in haar verzoekschrift ( punt 18 ) als volgt samenvat :
"A - Door verzoekster in de procedure en in de bij de verordening getroffen maatregelen niet als afzonderlijke exporteur te behandelen, heeft de Raad verordening ( EEG ) nr . 2176/84 van de Raad onjuist toegepast .
B - Door de anti-dumpingrechten te berekenen op basis van cijfers die geen enkele rekening houden met verzoeksters importen, heeft de Raad zijn verordening ( EEG ) nr . 2176/84 geschonden .
C - Door de anti-dumpingrechten tegen hetzelfde tarief te heffen van verzoekster en Ricoh, heeft de Raad verzoekster onwettig gediscrimineerd in strijd met het communautaire non-discriminatiebeginsel en met verordening ( EEG ) nr . 2176/84 van de Raad ."
23 . Uit enkele lezing van deze grieven blijkt, dat verzoekster zich nu eens beschouwt als exporteur van fotokopieerapparaten voor gewoon papier ( hierna : PPC' s ), dan weer als importeur en dat zij niet op dezelfde wijze wenst te worden behandeld als Ricoh Company Limited, die in Japan is gevestigd en die fabrikant van de PPC' s van het merk Nashua is .
24 . De reden is, dat verzoekster in zaak C-150/87 uit verschillende delen is opgebouwd . Als eenheid omschrijft zij zichzelf ( zie punt 2 van het verzoekschrift ) als "de leverancier van kopieerapparaten van het merk Nashua, die zij in de EEG en in tal van andere landen verkoopt ". Zij bestaat evenwel enerzijds uit Nashua Corporation, "de exporteur van Nashua-kopieerapparaten afkomstig uit Japan" en anderzijds uit haar dochterondernemingen, "de importeurs van Nashua-kopieerapparaten in de Gemeenschap ". Zeker en onbetwist is, dat "verzoekster het merendeel van haar kopieerapparaten koopt bij Ricoh Company Limited in Japan, die de apparaten van het merk Nashua in haar produktieinstallaties in Japan fabriceert ".
25 . Op grond van die laatste kenmerken plaatst de Raad verzoekster in de categorie "Original Equipment Manufacturers" ( hierna : "OEM' s "), die hij in paragraaf 8 van de definitieve verordening omschrijft als importeurs die bij exporteurs van PPC' s naar de Gemeenschap gekochte produkten onder hun eigen merknaam verkopen . De Raad leidt daaruit enerzijds af, dat het beroep niet-ontvankelijk is, daar verzoekster in elk geval niet gebonden is aan een producent of exporteur ( zie punt 11 van het verweerschrift ), en anderzijds, dat noch hijzelf noch de Commissie de basisverordening heeft geschonden door verzoekster niet als afzonderlijke exporteur te behandelen respectievelijk door de aangeboden verbintenis af te wijzen op grond dat deze werd aangeboden door een importeur .
26 . Het nieuwe in de onderhavige zaken is dus hoofdzakelijk gelegen in de hoedanigheid van verzoekster . In de nog bij het Hof aanhangige zaken 171/87, 172/87 en 174/87 tot en met 179/87, waarin het om dezelfde definitieve verordening gaat, zijn verzoekers allen Japanse exporteurs van PPC' s die uitdrukkelijk zijn genoemd zowel in de definitieve verordening als in verordening ( EEG ) nr . 2640/86 van de Commissie van 21 augustus 1986 tot instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van fotokopieerapparaten voor gewoon papier van oorsprong uit Japan ( 5 ) ( hierna : de voorlopige verordening ). In de anti-dumpingzaken waarover het Hof reeds eerder heeft beslist, waren de verzoekers hetzij exporteurs-producenten van aan een anti-dumpingrecht onderworpen produkt, hetzij importeurs - meestal alleenimporteurs - van zulke produkten, die al dan niet dochterondernemingen waren van een exporteur-producent of daarmee op andere wijze verbonden .
27 . In de thans voorliggende zaak is Nashua ( waarmee verzoekster in haar geheel is bedoeld ) zeker geen producent en is omstreden, of zij exporteur is . Anderzijds is zij als importeur noch een dochter van een exporteur-producent, noch een onafhankelijk importeur van produkten met het merk van een exporteur-producent . Laat ik na deze opmerkingen beginnen met de bespreking van de door de Raad opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid .
A - De ontvankelijkheid van het beroep in zaak C-150/87
28 . Volgens de Raad is het beroep in zaak C-150/87 niet-ontvankelijk op grond dat verzoekster door de aangevochten verordening niet individueel wordt geraakt . De Raad erkent, dat Nashua in een enigszins andere positie verkeert dan de niet-geassocieerde importeur in het arrest van 21 februari 1984 ( gevoegde zaken 239/82 en 275/82, Allied Corporation, Jurispr . 1984, blz . 1005 ), maar hij meent dat zij toch niet aan de in de rechtspraak van het Hof vastgelegde criteria voldoet, met name die van de beschikking van 8 juli 1987 ( zaak 279/86, SA Sermes, Jurispr . 1987, blz . 3109 ).
29 . In die beschikking stelde het Hof vast, dat "verordeningen waarbij een anti-dumpingrecht wordt ingesteld, naar hun aard en strekking normatieve maatregelen zijn, doordat zij van toepassing zijn op alle betrokken economische subjecten", waarna het de stand van de rechtspraak als volgt samenvatte :
"Het Hof heeft evenwel erkend, dat het niet uitgesloten is dat bepaalde onderdelen van deze verordeningen producenten en exporteurs van het betrokken produkt die zich aan de dumpingpraktijken zouden hebben schuldig gemaakt, rechtstreeks en individueel raken, wanneer gegevens over hun handelsactiviteiten zijn gebruikt . Dit is algemeen gesproken het geval met produktie - en exportondernemingen die kunnen aantonen dat hun identiteit uit de handelingen van de Commissie of de Raad blijkt, dan wel dat het vooronderzoek hen heeft betroffen ( arresten van 21.2.1984, gevoegde zaken 239/82 en 275/82, Allied Corporation I, reeds aangehaald, en 23.5.1985, zaak 53/83, Allied Corporation II, Jurispr . 1985, blz . 1621 ).
Dit geldt ook voor de importeurs die door de vaststellingen betreffende het bestaan van een dumpingpraktijk rechtstreeks worden geraakt doordat de exportprijzen zijn bepaald aan de hand van hun wederverkoopprijzen en niet aan de hand van de uitvoerprijzen van de betrokken producenten of exporteurs ( arresten van 29.3.1979, zaak 118/77, ISO, Jurispr . 1979, blz . 1277, en 21.2.1984, gevoegde zaken 239/82 en 275/82, Allied Corporation I, reeds aangehaald ). Volgens artikel 2, punt 8, sub b, van verordening nr . 2176/84 is het mogelijk de prijs bij uitvoer op die wijze samen te stellen, met name wanneer er een associatie bestaat tussen de exporteur en de importeur" ( r.o . 15 en 16 ).
Vervolgens stelde het Hof vast, dat de verzoekster ( SA Sermes ) tot geen van beide bovengenoemde categorieën deelnemers aan het economisch verkeer behoorde . Als importeur was zij niet met de exporteur van het betrokken produkt geassocieerd en de dumping was niet vastgesteld aan de hand van haar wederverkoopprijzen . Ook achtte het Hof het feit niet relevant, dat de onderneming in haar Lid-Staat de enige importeur was van de betrokken produkten en dat zij had deelgenomen aan de opeenvolgende fasen van het onderzoek . Het verzoek werd dan ook niet-ontvankelijk verklaard .
30 . De rechtspraak van het Hof maakt derhalve onderscheid tussen enerzijds de producenten en exporteurs en anderzijds de importeurs . Binnen die tweede groep wordt weer onderscheid gemaakt tussen de zogeheten "geassocieerde" en de onafhankelijke importeurs . Zoals het Hof heeft beslist in zijn arrest van 6 oktober 1982 ( zaak 307/81, Alusuisse Italia, Jurispr . 1982, blz . 3463 ) zijn die laatsten niet ontvankelijk in een verzoek tot nietigverklaring van een verordening tot instelling van een anti-dumpingrecht, aangezien deze hen raakt als leden van een algemeen en abstract omschreven categorie van personen, dat wil zeggen in hun objectieve hoedanigheid van importeur van het produkt waarvoor een anti-dumpingrecht geldt ( r.o . 9-11 ).
31 . Volgens de Raad behoort Nashua tot de categorie van de onafhankelijke importeurs, dat wil zeggen importeurs die niet met een producent geassocieerd zijn . Bovendien was de exportprijs in casu gebaseerd op de verkopen van de producent-exporteur Ricoh aan Nashua en niet op de wederverkoopprijs van Nashua .
32 . Voorts is bij de berekening van de aangenomen normale waarde van de verkopen aan OEM' s, waaronder Nashua, eveneens gebruik gemaakt van gegevens afkomstig van producent-exporteur Ricoh en niet van Nashua . De dumpingpraktijk en de dumpingmarge zijn derhalve niet vastgesteld op basis van door verzoekster geleverde gegevens, zodat verzoekster in de bestreden verordening niet is "geïndividualiseerd ".
33 . De wijze waarop de Raad de beginselen van het arrest-Sermes op het geval van Nashua toepast, is zeker juist . Mijns inziens is de bepalende factor voor de ontvankelijkheid van beroepen in anti-dumpingzaken evenwel niet zozeer de hoedanigheid van producent-exporteur of van geassocieerd importeur, maar de wijze waarop de concrete situatie van een verzoeker in aanmerking is genomen .
34 . Uit het voorgaande volgt immers, dat door een verordening tot instelling van een anti-dumpingrecht producenten, exporteurs en importeurs individueel kunnen worden geraakt . Geen van die categorieën economische subjecten is derhalve a priori uitgesloten .
35 . Er blijkt echter eveneens uit, dat het enkele feit dat een marktdeelnemer producent of exporteur is van een produkt waarvoor een anti-dumpingrecht geldt, nog niet voldoende is om hem als individueel geraakt te kunnen beschouwen . Beslissend is, dat de dumpingpraktijken hem zijn toegerekend op basis van aan zijn handelsactiviteiten ontleende gegevens . In dat verband vormt het feit dat een onderneming in de besluiten van de Commissie of van de Raad wordt geïdentificeerd of het voorwerp is geweest van het voorbereidend onderzoek, een sterk vermoeden, maar niet noodzakelijkerwijs het bewijs, dat dat inderdaad het geval is geweest ( zie de uitdrukking "algemeen gesproken" in r.o . 15 van de beschikking in de zaak-Sermes ).
36 . Ook volstaat het niet, dat een importeur, wil hij individueel worden geraakt, geassocieerd is met de exporteur van het betrokken produkt . In de zaak-Sermes heeft het Hof zich niet eenvoudig beperkt tot de vaststelling dat verzoekster niet de hoedanigheid van geassocieerd importeur bezat, maar eraan toegevoegd, dat het bestaan van de dumping niet was vastgesteld aan de hand van verzoeksters wederverkoopprijzen, maar aan de hand van de werkelijk betaalde of te betalen prijzen bij uitvoer . De reden daarvoor is, dat die basis, zelfs in geval van associatie, niet beslist de enig mogelijke is voor de samenstelling van de exportprijs ( zie de formulering "is het mogelijk" in r.o . 16 van de beschikking in de zaak-Sermes ).
37 . Zoals evenwel associatie geen voldoende voorwaarde is om de importeur individueel geraakt te achten, zo vormt zij ook geen noodzakelijke voorwaarde daarvoor . Associatie is immers niet de enige situatie waarin artikel 2, lid 8, sub b, van verordening nr . 2176/84 samenstelling van de exportprijs toestaat op basis van de wederverkoopprijs van de importeur ( zie de formulering "met name" in r.o . 16 van de beschikking in de zaak-Sermes ).
38 . Hoe het ook zij, in het thans voorliggende geval geloof ik niet dat het beslist nodig is, die vraag verder uit te diepen of aan de bevindingen van de Raad dezelfde consequenties te verbinden als hij heeft gedaan, en tot niet-ontvankelijkheid te concluderen .
39 . Zoals ik reeds in de inleiding opmerkte, is immers het bijzondere in de onderhavige zaak, dat Nashua een OEM is en als zodanig stelt zowel exporteur als importeur van Nashua-PPC' s te zijn . De Raad zelf erkent, dat Nashua fysiek ( door Ricoh vervaardigde ) PPC' s met de merknaam Nashua vanuit Japan naar de Gemeenschap exporteert, al wil hij aan dat gegeven in het kader van de anti-dumpingwetgeving geen enkel belang toekennen . Hij erkent voorts, dat de onderneming in een andere situatie verkeert dan de onafhankelijke importeur in de zaak-Allied Corporation ( punt 7 van het verweerschrift ) en is van mening, dat zij in een categorie ondernemingen valt die als enig en exclusief importeur van PPC' s optreden onder hun eigen naam of merk ( punt 8 van het verweerschrift ).
40 . Moet derhalve worden geconcludeerd, dat, om de bewoordingen van 's Hofs vaste rechtspraak te gebruiken, de bestreden verordening verzoekster niet raakt uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie welke haar ten opzichte van ieder ander karakteriseert, maar enkel in haar objectieve hoedanigheid van OEM, juist zoals iedere andere handelaar die zich feitelijk of potentieel in een gelijke situatie bevindt, dat wil zeggen een OEM die onder haar eigen merknaam in Japan gefabriceerde PPC' s importeert ( zie het arrest van 14.7.1985, zaak 231/82, Spijker, Jurispr . 1983, blz . 2559 )?
41 . Ik meen van niet . Allereerst vormen OEM' s geen anonieme categorie zoals "importeurs ". Het anti-dumpingrecht op de PPC' s van Nashua geldt niet voor alle OEM' s zonder onderscheid . Voor elke OEM wordt het recht bepaald door de dumpingmarge die is vastgesteld voor de producent wiens kopieerapparaten zij onder hun eigen merk verkopen . De verordening raakt Nashua derhalve niet enkel in haar objectieve hoedanigheid van OEM, maar als OEM die door Ricoh gefabriceerde produkten verkoopt .
42 . De vaststelling dat dumping had plaatsgevonden door Ricoh - de producent -, leidde er immers toe, dat over produkten van het merk Nashua hetzelfde anti-dumpingrecht werd geheven als over produkten van het merk Ricoh . Ik meen dan ook, dat Nashua op dezelfde grondslag als Ricoh wordt geraakt door die vaststelling en door de heffing van die rechten . Indien Ricoh - hetgeen niet wordt betwist - individueel wordt geraakt en dus ontvankelijk is in een beroep tot nietigverklaring van de bepalingen van de verordening waarbij het anti-dumpingrecht op haar produkten werd ingesteld, dan moet ook Nashua ontvankelijk zijn, voor zover het de onder haar eigen merknaam verkochte produkten betreft .
43 . Die conclusie lijkt des te meer gerechtvaardigd, nu de Raad in dit geval bij de vaststelling van dumping door Ricoh en de instelling van een gewogen dumpingmarge voor Ricoh, rekening heeft gehouden met de bijzondere verhouding tussen Ricoh en Nashua en met name met het verschil tussen de verkopen van Ricoh aan Nashua en die aan andere kopers .
44 . Tegelijkertijd kan Nashua evenwel niet eenvoudigweg worden gelijkgesteld met Ricoh, aangezien de door haar geïmporteerde apparaten door de speciale Nashua-uitvoering duidelijk als zodanig herkenbaar zijn .
45 . Voorts ben ik van mening, dat zodra voor een onder een bepaald merk ingevoerd produkt bij binnenkomst in de Gemeenschap een bijzondere douaneregeling geldt, de onderneming waarvan het produkt het merk draagt ( of die houder-eigenaar is van dat merk ), rechtstreeks en individueel wordt geraakt door de handeling waarbij die bijzondere regeling is ingesteld, ook al is de onderneming niet als exporteur te beschouwen in de zin van de anti-dumpingregeling . Het merk is immers een onderscheidingsteken waardoor een produkt ten opzichte van alle andere produkten wordt geïndividualiseerd, zelfs als het produkt wordt vervaardigd en kant en klaar afgeleverd door een ander dan de rechthebbende op dat merk en het produkt zich technisch gezien niet onderscheidt van door die andere onderneming onder haar eigen merk vervaardigde en verkochte produkten . Via het produkt individualiseert het merk de rechthebbende en brengt hem in een situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert .
46 . De toepassing van de aangevochten verordening zelf laat bijzonder duidelijk zien hoe het produkt en de rechthebbende op het merk, met name een OEM, door het merk worden geïndividualiseerd ten opzichte van ieder ander . Nemen wij het geval van Gestetner . Wanneer een douaneambtenaar een fotokopieerapparaat van dat merk aantreft, moet zijn reflex normaal gesproken zijn dat hij voor dat produkt een algemeen anti-dumpingrecht van 20 % oplegt, aangezien Gestetner niet wordt genoemd onder de drie fabrikanten waarvan de produkten krachtens artikel 1, lid 2, onder aparte rechten vallen . De Raad heeft ter terechtzitting echter bevestigd, dat de apparaten van Gestetner, die door Mita worden gefabriceerd, onder het tarief van 12,6 % moeten vallen, dat voor door die firma gefabriceerde produkten geldt . De tekst van de verordening geeft de douaneambtenaar hiervoor evenwel geen enkele aanwijzing . Toen Gestetner aanspraak maakte op toepassing van het tarief van 12,6 % in plaats van de op het eerste gezicht toepasselijke 20 %, moest de ambtenaar inlichtingen inwinnen bij zijn nationale autoriteiten of bij de Commissie om bevestiging van dat feit te verkrijgen . Vervolgens is aan de nationale douanediensten een notitie gezonden om dit punt definitief op te helderen . De produkten van het merk Gestetner worden derhalve bij de douanebehandeling ontegenzeglijk geïndividualiseerd, hetgeen mijns inziens betekent, dat die onderneming - evenals de firma Mita - rechtstreeks en individueel wordt geraakt door de in geding zijnde verordening .
47 . Dat de situatie voor Nashua niet dezelfde is, ligt uitsluitend aan de omstandigheid dat voor Ricoh-produkten het algemene tarief van 20 % geldt . Indien de berekening van de dumpingmarge een andere uitkomst had laten zien, zou de situatie wellicht gelijk zijn geweest .
48 . In de tweede plaats wil ik opmerken, dat de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de onderhavige zaak door het enigszins tweeslachtige karakter van de OEM' s nauw met elkaar verweven zijn . Nashua verwijt de Raad, haar niet te hebben behandeld als exporteur van haar eigen produkten en met name geen aparte dumpingmarge te hebben berekend voor de produkten van haar merk, los van de voor de produkten van Ricoh berekende marge . De Raad verweert zich met de stelling, dat Nashua de importeur is van produkten die weliswaar het merk Nashua dragen, maar in werkelijkheid in de zin van de anti-dumpingverordening Ricoh-produkten zijn .
49 . Om dan de ontvankelijkheid te laten afhangen van de wijze waarop de Raad de functie en de rol van Nashua heeft opgevat, en derhalve van zijn beslissing, al dan niet de basisverordening inzake anti-dumping op Nashua toe te passen, zou erop neerkomen dat de Raad de toepassing van de anti-dumpingbepalingen op deelnemers aan het economische verkeer als de OEM' s naar zijn believen aan het rechtstreekse toezicht door het Hof zou kunnen onttrekken .
50 . Ofschoon de instellingen over een ruime beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de vaststelling van dumpingmarges beschikken, met name wat betreft de vraag of een aparte dumpingmarge moet worden bepaald en of afzonderlijke rechten moesten worden ingesteld voor produkten van Nashua, blijft de uitoefening van die bevoegdheid toch onderworpen aan het toezicht van het Hof wat betreft de inachtneming van de procedureregels, de juistheid van de feiten waarop de keuze is gebaseerd en of er geen sprake is geweest van een kennelijke fout in de beoordeling van die feiten of misbruik van bevoegdheid . ( 6 )
51 . Ongeacht of Nashua op grond van de anti-dumpingbepalingen een andere behandeling dan Ricoh mocht dan wel moest krijgen, is Nashua door de weigering van de instellingen evenzeer geïndividualiseerd als wanneer zij wél gelijk was behandeld .
52 . Ik moet hier echter direct aan toevoegen, dat dit niets zegt over de zaak ten gronde en niet betekent, dat de behandeling van Nashua als importeur voor de berekening van de dumpingmarge noodzakelijkerwijs onverenigbaar is met basisverordening nr . 2176/84 .
53 . Ten slotte is Nashua naar mijn mening nog om een derde reden rechtstreeks en individueel geraakt door de instelling van het anti-dumpingrecht .
54 . Luidens artikel 11, lid 4, van de basisverordening nr . 2176/84 stelt de Commissie, zoals gezegd, onverwijld de Raad in kennis van een besluit tot vaststelling van een anti-dumpingrecht . De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen . De Raad kan derhalve besluiten, dat er geen reden is voor een voorlopig anti-dumpingrecht, maar dat het verbintenisaanbod van de betrokken onderneming kan worden aanvaard . Indien de Raad dat niet doet en vervolgens een definitief anti-dumpingrecht vaststelt, neemt hij daarmee het besluit van de Commissie over om het aanbod niet te aanvaarden . Een aanbod wordt steeds door een individuele onderneming gedaan . Het besluit van de Raad om de afwijzing van een aanbod van een dergelijke onderneming te bekrachtigen, vormt derhalve een besluit dat deze rechtstreeks en individueel raakt . Nu Nashua een aanbod heeft gedaan, wordt zij dus rechtstreeks en individueel geraakt door de verordening van de Raad tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht, waardoor de afwijzing van haar aanbod werd bevestigd .
55 . Daartegen kan wellicht worden ingebracht, dat op die manier voortaan elke marktdeelnemer, zelfs een eenvoudige onafhankelijke importeur, maar een verbintenis hoeft aan te bieden om automatisch ontvankelijk te zijn in een beroep tegen welke verordening ook, die de door hem geïmporteerde produkten betreft .
56 . Het risico van een stijging van het aantal beroepen is een gegeven, dat niet mag meewegen bij de vraag of dergelijke ondernemingen er al dan niet recht op hebben om hen rakende besluiten aan het oordeel van de rechter voor te leggen . In de meeste gevallen zijn het trouwens producenten of exporteurs die een verbintenis aanbieden .
57 . Indien men met het Hof in zijn eerder aangehaalde beschikking van 11 november 1987 de weigering van de Commissie om de verbintenis te aanvaarden "een integrerend deel van het besluitvormingsproces" acht, dat leidt tot het besluit van de Raad om al dan niet een anti-dumpingrecht in te stellen, dan volgt daar bovendien noodzakelijk uit, dat alle ondernemingen die een verbintenis hebben aangeboden, het recht hebben beroep in te stellen tegen de verordening van de Raad waarbij een definitief anti-dumpingrecht is ingesteld en waarmee hun verbintenis wordt verworpen .
58 . Resumerend ben ik derhalve van mening, dat Nashua is te beschouwen als rechtstreeks en individueel geraakt door de in geding zijnde verordening, zodat haar beroep in zaak C-150/87 ontvankelijk is .
B - Verzoeksters middelen ten gronde
59 . Formeel brengt verzoekster vier middelen naar voren, waarvan het eerste, gebaseerd op het feit dat zij niet afzonderlijk is behandeld, in feite in twee delen uiteenvalt : behalve dat zij de Raad verwijt geen aparte dumpingmarge voor haar te hebben berekend, is zij van mening dat de correctie van de winstmarge bij de samenstelling van de normale waarde voor de verkopen aan de OEM' s "in elk geval" ( punt 41 van het verzoekschrift ) op onjuiste wijze rekening houdt met de verschillen tussen de verkopen aan wederverkopers en die aan OEM' s .
1 . Het middel, dat de weigering om verzoekster als aparte exporteur te behandelen en een aparte dumpingmarge te berekenen voor Nashua-produkten, onwettig is
60 . Dit middel valt in verschillende onderling samenhangende elementen uiteen, die als volgt kunnen worden gegroepeerd :
a ) Nashua is exporteur van PPC' s van haar eigen merk en had evenals de andere exporteurs afzonderlijk moeten worden behandeld;
b ) de berekening van een aparte dumpingmarge voor Nashua was mogelijk geweest, daar
- de instellingen over alle noodzakelijke gegevens beschikten,
- verordening nr . 2176/84 dit niet verbood,
- de vroegere praktijk alsook die in de Verenigde Staten dit aantonen,
- er geen praktische obstakels waren;
c ) er was feitelijk een dumpingmarge berekend en die was lager geweest dan die van Ricoh .
61 . Is Nashua exporteur? Hiertoe heeft zij gesteld, dat zij op grond van haar handelsbetrekkingen met Ricoh haar kopieerapparaten over het algemeen fob Japan koopt of in elk geval de eigendom daarvan in Japan verwerft ten laatste bij de aflevering aan de transporteur, en dat zij vanaf dat ogenblik als enige verantwoordelijk is voor de uitvoer, het vervoer, de verkoop en de service . Zij is dus geheel onafhankelijk van Ricoh en concurreert rechtstreeks met Ricoh op de gemeenschapsmarkt .
62 . De Raad brengt daartegen in, dat het er in de anti-dumpingverordening niet toe doet, waar een onderneming het produkt aankoopt en of zij het fysiek uit het derde land uitvoert, maar enkel, of zij als importeur of als exporteur moet worden behandeld voor verordening nr . 2176/84, dat wil zeggen of er voor haar een aparte dumpingmarge moet worden vastgesteld .
63 . Mijns inziens is die zienswijze juist . Op het eerste gezicht lijkt het mij reeds moeilijk aan te nemen, dat iemand die niet in het exportland is gevestigd, exporteur kan zijn . Dan rijst evenwel de vraag, om welk soort bedrijf het moet gaan om een marktdeelnemer als exporteur te kunnen aanmerken . De basisverordening definieert in elk geval niet wat onder exporteur moet worden verstaan . Artikel 13, lid 2, waarop door verzoekster een beroep is gedaan, bepaalt, dat in de verordeningen tot instelling van een anti-dumpingrecht
"in het bijzonder ( worden ) vermeld : het bedrag en de aard van het ingestelde recht, het betrokken produkt, het land van oorsprong of van uitvoer, zo mogelijk de naam van de leverancier, en de motivering voor het vaststellen van de verordening ."
De verordening hanteert derhalve de meer algemene, neutrale term "leverancier" en eist bovendien slechts, dat diens naam "zo mogelijk" wordt vermeld . Daarentegen is de vermelding van het betrokken produkt en het land van oorsprong of van uitvoer verplicht .
64 . Die twee elementen bepalen de werkingssfeer van alle verordeningen waarbij een anti-dumpingrecht wordt ingesteld : op een bepaald produkt, van oorsprong uit een of meer bepaalde derde landen, ten aanzien waarvan dumping plaatsvindt, kan een anti-dumpingrecht worden opgelegd . Immers, krachtens artikel 2, lid 2, van de basisverordening wordt "ten aanzien van een produkt geacht dumping plaats te vinden indien de prijs van het produkt bij uitvoer naar de Gemeenschap lager is dan de normale waarde van een soortgelijk produkt ". Evenzo wordt ingevolge artikel 2, lid 13, sub a, "onder 'marge van dumping' verstaan het bedrag waarmee de normale waarde de prijs bij uitvoer overschrijdt ". De normale waarde is "de vergelijkbare prijs die bij normale handelstransacties werkelijk is of moet worden betaald voor een soortgelijk produkt dat bestemd is voor verbruik in het land van uitvoer of het land van oorsprong" ( artikel 2, lid 3, sub a ) en de prijs bij uitvoer is "de prijs die werkelijk is betaald of moet worden betaald voor het produkt dat met het oog op de uitvoer naar de Gemeenschap is verkocht" ( artikel 2, lid 8, sub a ). De anti-dumpingregeling draait dus om de vergelijking tussen de prijs die is of moet worden betaald voor hetzelfde produkt van oorsprong uit een derde land, naar gelang het is bestemd om te worden verkocht voor verbruik in dat derde land of voor uitvoer naar de Gemeenschap .
65 . Nashua produceert evenwel zelf geen PPC' s en verkoopt deze evenmin op de Japanse markt . ( Dit onderscheidt haar reeds van andere exporteurs voor wie een dumpingmarge is vastgesteld en die onder hun eigen merk PPC' s produceren en verkopen .) Aangezien er voorts gedurende de referentieperiode geen verkoop van door Ricoh of andere producenten op OEM-basis gefabriceerde apparaten plaatsvond ( zie het slot van paragraaf 8 van de definitieve verordening ), moesten de instellingen normale waarden voor die produkten samenstellen conform artikel 2, lid 3, sub b, van de basisverordening, dat van toepassing is
"wanneer op de binnenlandse markt van het land van uitvoer of van oorsprong geen verkoop van een soortgelijk produkt in het kader van normale handelstransacties plaatsvindt of indien dergelijke verkopen geen bruikbare vergelijking mogelijk maken ."
Te dien einde mochten de instellingen kiezen voor de methode waarbij de produktiekosten en een redelijke winstmarge ( sub ii ) bij elkaar worden geteld, die gezien het feit dat de Nashua-produkten door Ricoh worden gefabriceerd, alleen maar die van Ricoh konden zijn .
66 . Op grond van dezelfde overwegingen, namelijk dat Nashua niet produceert of verkoopt op de Japanse markt, maar de Nashua-PPC' s kant en klaar bij Ricoh koopt om ze rechtstreeks naar de Gemeenschap uit te voeren, hebben de instellingen zich terecht op het standpunt gesteld, dat de prijs die Ricoh voor haar verkopen ontvangt, de "prijs ( is ) die werkelijk is betaald of moet worden betaald voor het produkt dat met het oog op uitvoer is verkocht ". Uit die formulering blijkt voorts, dat de uitvoerprijs de prijs is die is betaald aan degene die voor de uitvoer verkoopt . Al zou Nashua als exporteur van haar PPC' s moeten worden gezien, dan nog verkoopt zij ze niet voor de uitvoer, maar koopt zij ze om ze uit te voeren ( en niet om ze te verkopen voor de uitvoer ).
67 . De aanpak van de instellingen lijkt mij alleszins consistent . Na immers de normale waarde van de aan Nashua verkochte Ricoh-produkten te hebben samengesteld op basis van de produktiekosten van Ricoh vermeerderd met een redelijke winstmarge, waarbij op passende wijze rekening werd gehouden met de bijzonderheden van de verkopen aan OEM' s ( zie de paragrafen 11 en 24 van de definitieve verordening ), hebben zij als uitvoerprijs de prijs aangehouden die Ricoh werkelijk heeft ontvangen voor die voor de uitvoer bestemde verkopen . Aldus hebben zij een deugdelijke vergelijking kunnen maken tussen die twee parameters, die het bestaan en de omvang van de dumpingpraktijk bepalen, en wel op een vergelijkbare grondslag, zoals artikel 2, lid 9, van de basisverordening voorschrijft .
68 . Die methode lijkt mij volkomen logisch . Zoals verzoekster zelf stelt,
"is het een aan de anti-dumpingregels ten grondslag liggend beginsel, dat een onderneming die de prijzen controleert zowel op de binnenlandse markt als op exportmarkt, moet worden gestraft indien haar prijzen op de exportmarkt lager liggen dan die op de binnenlandse markt" ( punt 15 van de repliek ).
Op basis van dat beginsel hebben de instellingen een dumpingmarge vastgesteld voor Ricoh, die als enige op de Japanse markt verkoopt en waarvan de aan Nashua berekende prijzen grotendeels de prijzen van de Nashua PPC' s bepalen .
69 . Verzoekster lijkt overigens indirect in te stemmen met de aanpak van de instellingen : in punt 9 van haar repliek stelt zij immers, dat "de gehele opzet van verordening nr . 217684 erin bestaat, een dumpingmarge vast te stellen voor een produkt van een bepaalde oorsprong" en dat "de Raad dus de uitvoerprijs van de Nashua-produkten had behoren te achterhalen en deze met de normale waarde te vergelijken", waarna zij opmerkt, dat voor de berekening van de dumpingmarge voor de Nashua-produkten "de in aanmerking te nemen uitvoerprijs de prijs was die door verzoekster aan Ricoh was betaald" en dat "de in aanmerking te nemen normale waarde de door Ricoh in Japan berekende prijs was, behoudens de noodzakelijke aanpassingen ".
70 . Aangezien dat, naar het mij voorkomt, nu juist is wat de Raad heeft gedaan, kan men zich afvragen wat de werkelijke strekking van Nashua' s klacht is . Deze blijkt iets verder in haar stukken, waar zij haar ongenoegen uitspreekt over het feit dat "slechts Ricoh voordeel heeft van het combineren van de dumpingmarges voor de verkopen onder haar eigen merk en voor de OEM-verkopen, aangezien de lagere ( 7 ) ( of nihil bedragende ) dumpingmarges van bepaalde OEM-verkopen opwegen tegen de hogere 7 dumpingmarges van haar verkopen onder het merk Ricoh en deze lagere marges mogelijk leiden tot een lagere globale dumpingmarge voor de gehele produktie van Ricoh" ( punt 16 van de repliek ).
71 . Daar zij ervan overtuigd is dat de dumpingmarge voor Nashua-produkten lager is dan die van de onder het merk Ricoh verkochte produkten, wil verzoekster dat verschil in zijn geheel aan haar alleen zien toegerekend en niet slechts voor zover het in de berekening van een gewogen gemiddelde marge voor alle door Ricoh gefabriceerde produkten heeft doorgewerkt . Dit blijkt ook uit punt 12 van haar repliek, waar zij stelt, dat "de Raad een aparte dumpingmarge had moeten toepassen ofwel voor verzoekster ofwel voor het distributiekanaal voor verkopen van Nashua-apparaten aan verzoekster ".
72 . Ik geloof echter niet, dat de methode voor het berekenen van een aparte dumpingmarge voor Nashua-produkten de door verzoekster voorgestane methode had moeten zijn en evenmin, dat deze zou hebben geleid tot een lagere marge dan de voor de produktie van Ricoh als geheel vastgestelde marge .
73 . Allereerst houden de factoren die Nashua zelf als van belang voor de berekening van "haar" dumpingmarge naar voren brengt, beide verband met Ricoh, namelijk de door Ricoh op de Japanse markt berekende prijs en de door Nashua aan Ricoh betaalde prijs voor de door haar rechtstreeks uitgevoerde produkten . Om de dumpingmarge voor Nashua-produkten te berekenen, had de Raad logischerwijs moeten uitgaan van gegevens betreffende de Nashua-produkten . In plaats van als normale waarde de door Ricoh op de Japanse markt berekende prijzen te nemen, die voor de verkopen aan OEM' s had moeten worden samengesteld op basis van de produktiekosten van Ricoh, had hij een normale waarde moeten samenstellen voor de door Nashua - fictief - op de Japanse markt verkochte produkten . Die waarde had gemakkelijk hoger kunnen zijn dan die welke voor de verkopen van Ricoh aan Nashua was aangenomen, daar de verschillende kosten van Nashua en de door haar redelijkerwijs te verwachten winstmarge bij verkoop op de Japanse markt nog bij die waarde hadden moeten worden opgeteld .
74 . Nashua stelt voor, als uitvoerprijs de door haar aan Ricoh betaalde prijs aan te houden . Afgezien van het feit dat dit nog zou hebben benadrukt, dat de uitvoer plaatsvindt zodra de produkten aan Nashua zijn verkocht, zou daarmee de dumpingmarge voor Nashua-produkten zijn gestegen, in overeenstemming met de hogere normale waarde die voor deze produkten was samengesteld . Dan had de door de Raad vastgestelde uitvoerprijs evenwel niet ongewijzigd kunnen blijven .
75 . Voor de berekening van een aparte dumpingmarge voor Nashua-produkten had de uitvoerprijs de prijs moeten zijn die werkelijk is betaald of moet worden betaald aan verzoekster ( artikel 2, lid 8, sub a, van verordening nr . 2176/84 ); aangezien Nashua in de meeste landen van de Gemeenschap dochterondernemingen heeft, was beter nog een uitvoerprijs samengesteld op basis van artikel 2, lid 8, sub b, van die verordening, dat van toepassing is
"indien er geen prijs bij uitvoer is of indien blijkt dat er een associatie of een compensatieregeling bestaat tussen de exporteur en de importeur of een derde partij, of dat, om andere redenen, de prijs die werkelijk is betaald of moet worden betaald voor het produkt dat met het oog op uitvoer naar de Gemeenschap is verkocht, niet betrouwbaar is ."
Zelfs als die uitvoerprijs hoger was geweest dan de door de Raad aangenomen prijs, is het hoogst onwaarschijnlijk dat de aldus berekende dumpingmarge lager was geweest dan 20 %, het uiteindelijk op alle Ricoh-produkten, ook de aan Nashua verkochte, toegepaste tarief . Dit tarief, dat veel lager is dan de voor Ricoh-produkten ( de aan OEM' s verkochte produkten inbegrepen ) vastgestelde dumpingmarge van 40,6 %, werd voldoende geacht om de aan de produktie van de Gemeenschap toegebrachte schade op te heffen ( paragraaf 101 van de definitieve verordening ).
76 . Verzoekster heeft in elk geval niet aangetoond, dat dat het geval zou zijn geweest, en tracht argumenten te ontlenen aan de navolgende in de paragrafen 27 en 92 van de definitieve verordening vervatte overwegingen van algemene en theoretische aard :
"In het algemeen waren de marges lager voor bedrijven die veel aan OEM' s verkochten ."
"Het zou derhalve niet dienstig zijn deze verkopen uit te sluiten van de berekening van de dumpingmarge voor de exporteur in kwestie, vooral wanneer een dergelijke uitsluiting - wat mogelijk is - de dumpingmarge voor die exporteur zou verhogen ."
77 . Volgens verzoekster beschikten de instellingen over de noodzakelijke gegevens om een eigen marge voor haar produkten te berekenen, namelijk de voor OEM-apparaten samengestelde normale waarde , de aan Ricoh betaalde uitvoerprijs ( zie punt 37 van het verzoekschrift ) en de informatie die zij zelf had gegeven over de correcties die met name voor de uitvoerprijs nodig waren geweest om die beide factoren goed met elkaar te kunnen vergelijken ( punt 38 van het verzoekschrift ). Zoals gezegd, betrof die informatie echter alle Ricoh-produkten en alle verkopen door Ricoh aan wederverkopers in Japan alsook aan OEM' s . Voorts behoeft de bewering, dat de Commissie op 14 november 1986 tijdens een vergadering verzoekster had meegedeeld dat zij inderdaad een dumpingmarge voor de Nashua-produkten had vastgesteld die lager was dan die voor Ricoh-produkten ( punt 10 van de repliek ), enige precisering . De Raad heeft dienaangaande gesteld, dat
"de Commissie tijdens die vergadering in wezen heeft uiteengezet, dat een bijzondere normale waarde was samengesteld voor de verkopen van Ricoh aan OEM' s, die inderdaad over het algemeen tot een lagere dumpingmarge leidde dan die voor de verkopen van kopieerapparaten onder Ricoh' s eigen merk" ( punt 9 van de repliek ).
78 . Die versie van de feiten wordt bevestigd door de paragrafen 11 en 27 van de definitieve verordening .
79 . Wat er in werkelijkheid is gebeurd is, dat de Commissie een berekening heeft gemaakt voor alle verkoopvestigingen van Ricoh en dat de uiteindelijke dumpingmarge overeenkomt met het gewogen gemiddelde voor al die vestigingen . Het is dus duidelijk, dat de Commissie ook een dumpingmarge heeft berekend die Nashua omvatte .
80 . Hierbij moet ik evenwel verschillende opmerkingen maken . Allereerst was die dumpingmarge niet specifiek voor Nashua, daar deze was gebaseerd op de aangenomen normale waarde voor de verkopen van Ricoh aan OEM' s . In de tweede plaats paste zij in een zeer bijzondere context en had zij enkel in die context zin, namelijk bij de vaststelling van een enkele dumpingmarge voor alle Ricoh-produkten, ongeacht het merk waaronder deze werden verkocht . Ten slotte moest de voor de verkopen aan OEM' s aangehouden marge wel lager zijn dan de marge die was vastgesteld voor de verkopen van kopieerapparaten door de eigen distributiekanalen van deze onderneming, omdat zij was gebaseerd op een lagere normale waarde die niet alle kosten plus de normale winstmarge van Ricoh bij verkopen op de Japanse markt omvatte .
81 . Indien daarentegen specifiek voor de Nashua-produkten een autonome dumpingmarge zou zijn berekend, dan had deze op een hogere normale waarde moeten zijn gebaseerd, die alle kosten omvatte die Nashua zou hebben indien zij kopieerapparaten op de Japanse markt zou verkopen, met de overeenkomstige winstmarge . Anders was die normale waarde niet in overeenstemming geweest met artikel 2, lid 3, sub a, van de basisverordening, waarin onder "normale waarde" wordt verstaan :
"de vergelijkbare prijs die bij normale handelstransacties werkelijk is of moet worden betaald voor een soortgelijk produkt dat bestemd is voor verbruik in het land van uitvoer ."
82 . Gesteld ten slotte, dat de Commissie om een of andere reden de door Nashua voorgestane aanpak had gekozen en voor Nashua-produkten een lager anti-dumpingrecht had vastgesteld dan voor onder het merk Ricoh op de markt gebrachte produkten, dan zou dit Ricoh ertoe hebben aangezet, de meeste van haar produkten onder de merknaam Nashua te verkopen, terwijl de normale waarde voor haar verkopen op de Japanse markt dezelfde zou zijn gebleven .
83 . De aanpak van de instellingen was dus consequent en logisch . Trouwens, verordening nr . 2176/84 moge dan een aparte behandeling van verzoekster als exporteur van haar eigen produkten niet uitsluiten en dus evenmin de berekening van een aparte dumpingmarge voor Nashua-produkten, toch is er ook niets in die verordening wat de instellingen ertoe verplicht om zulks wel te doen of wat hun verhindert te handelen zoals zij hebben gedaan .
84 . Daarom lijkt mij de verwijzing naar de in enkele eerdere gevallen gevolgde gedragslijn ( aangehaald in hoofdstuk IV, deel B, titel 2, sub a, i, derde alinea, van het rapport ter terechtzitting, blz . 29 ) weinig relevant . Het feit dat de instellingen in die zaken inderdaad aparte maatregelen hebben getroffen voor twee of meer exporteurs van produkten afkomstig van dezelfde producent, vormt nog geen praktijk waaraan zij voor de toekomst zijn gebonden . Overigens waren de niet-producerende exporteurs die in die zaken betrokken waren, alle in de exportlanden gevestigd; hun situatie verschilde dus wezenlijk van die van Nashua .
85 . Met betrekking tot de verwijzing naar de praktijk van de voornaamste handelspartners van de Gemeenschap, met name de Verenigde Staten, die de instellingen volgens verzoekster zouden moeten volgen bij de toepassing van hun eigen anti-dumpingregels, herinner ik aan hetgeen het Hof heeft opgemerkt in zijn arrest van 5 oktober 1988 ( gevoegde zaken 277/85 en 300/85, Canon, Jurispr . 1988, blz . 5731 ), namelijk
"dat het beleid van een van haar handelspartners, zelfs een belangrijke, de Gemeenschap nog niet verplicht om hetzelfde beleid te voeren . Deze verwijzing kan dus niet beslissend zijn voor de uitlegging van de gemeenschapsregeling" ( r.o . 15 ).
86 . Wat de moeilijkheden van praktische aard betreft die een aparte behandeling van OEM' s met zich mee zou brengen, waarvan de definitieve verordening in paragraaf 92 melding maakt en waarvan verzoekster ontkent dat zij reëel zijn, deze zijn volgens die paragraaf in feite van ondergeschikt belang, gezien het standpunt van de Commissie :
"In elk geval beschouwt ( zij ) het feit dat de OEM' s ingevoerde produkten onder hun eigen merk wederverkopen niet als een toereikende reden om OEM' s anders te behandelen dan andere importeurs ."
Overigens lijken mij die praktische moeilijkheden wel reëel, zowel op het punt van de vaststelling van specifieke maatregelen als dat van de controle daarop . Daar immers de berekening van eigen dumpingmarges voor de OEM' s en de eventuele instelling van specifieke anti-dumpingrechten voor hun produkten sterk afhangen van de aard van hun handelsbetrekkingen met hun leveranciers, zouden voor elke OEM evenveel marges berekend en rechten ingesteld moeten worden als er leveranciers zijn . Want, zoals de Raad zeer juist in paragraaf 92 zegt,
"het zou niet billijk zijn wanneer de OEM' s bij elke exporteur zouden kunnen kopen en hetzelfde recht zouden betalen onafhankelijk van het op de betrokken exporteur toepasselijke recht ."
87 . Voorts zouden wijzigingen in de relatie tussen een OEM en zijn leverancier, of een verandering van leverancier, aanpassingen van de voor hem getroffen specifieke maatregelen vereisen . De in artikel 14 van de basisverordening geregelde procedure van nieuw onderzoek lijkt mij, gezien haar zwaarte en complexe aard, niet het aangewezen middel voor dergelijke aanpassingen, als die wijzigingen al tijdig ter kennis van de instellingen worden gebracht .
88 . Het eerste deel van verzoeksters eerste middel moet dus als ongegrond worden verworpen .
2 . Het middel, dat de normale waarde van de verkopen aan OEM' s onjuist is berekend
89 . Om het verschil tussen de verkopen onder het eigen merk van de fabrikant en de verkopen aan OEM' s in aanmerking te nemen, hebben de instellingen bij de samenstelling van de normale waarde voor de verkopen aan OEM' s - waartoe zij moesten overgaan bij gebreke van dergelijke verkopen op de Japanse markt in de referentieperiode -, een lagere winstmarge gebruikt dan voor de verkopen onder het merk van de fabrikant . Die winstmarge bedroeg 5 %, terwijl het gemiddelde voor het overige 14,6 % was .
90 . Volgens verzoekster is dat een willekeurige aanpassing die niet de reële verschillen weergeeft tussen die twee soorten verkopen, en hebben de instellingen door de aanpassing tot de winstmarge te beperken, er geen rekening mee gehouden dat de verkoop -, administratie - en algemene kosten in geval van verkoop aan een OEM veel lager zijn dan bij de verkoop aan een gewone wederverkoper .
91 . Deze voorstelling van zaken is onjuist . Uit de tweede alinea van de paragrafen 11 en 14 blijkt duidelijk, dat de instellingen wel degelijk rekening wilden houden met de verschillen tussen de twee soorten verkopen, zowel ten aanzien van de kosten als bij de winst . Alleen omdat nauwkeuriger gegevens ontbraken, meenden zij al die verschillen te kunnen dekken door enkel de winst aan te passen en de winstmarge voor alle verkopen aan OEM' s forfaitair op 5 % te stellen .
92 . Voorts bestaan volgens artikel 2, lid 3, sub b, ii, van de basisverordening de kosten uit de verkoopkosten, de administratiekosten en andere algemene uitgaven, zodat men niet kan zeggen, dat de instellingen met die factoren geen rekening hebben gehouden .
93 . Die constatering volstaat ook om de bewering te weerleggen, dat verzoekster zou zijn gediscrimineerd door de andere behandeling van de exporteur genoemd in paragraaf 25 van de aangevochten verordening . In het licht van het vorenaangehaalde artikel kan de zinsnede "omvatte de berekening van de normale waarde slechts de door de betrokken exporteur betaalde produktiekosten, vermeerderd met een redelijke winstmarge" niet aldus worden uitgelegd, dat in die produktiekosten niet ook verkoopkosten, administratiekosten en algemene kosten waren begrepen .
94 . Verzoekster is er ten aanzien van de vraag, of de omvang van de aanpassingen door de instellingen voldoende was om met alle verschillen betreffende de kosten en de winst rekening te houden, niet in geslaagd het tegendeel aan te tonen . Haar positie maakte dit voor haar ook buitengewoon moeilijk . Immers, bij gebreke van verkopen aan OEM' s op de Japanse markt, kon zij niets zeggen over de reële kosten en de werkelijke winstmarge van dergelijke verkopen . De informatie die zij wel kon verschaffen, kon derhalve alleen maar betrekking hebben op de verkopen aan OEM' s op de gemeenschapsmarkt . En zelfs voor dergelijke verkopen kon zij enkel dankzij Ricoh over nauwkeurige informatie beschikken, daar de betrokken aanpassing slechts de verschillen in de kosten en de winst van Ricoh betrof, naargelang deze onder haar eigen merk of aan OEM' s verkocht .
95 . Verzoekster erkent trouwens, dat zij niet in staat was, de aangenomen normale waarde van de door Ricoh aan haar verkochte produkten te verifiëren . Zij heeft dan ook voorgesteld, de prijzen bij uitvoer ( die zij kende ) aan te passen om een deugdelijke vergelijking mogelijk te maken, zoals artikel 2, lid 9, van de basisverordening voorschrijft ( zie paragraaf 38 van het verzoekschrift ).
96 . Aangezien de instellingen evenwel reeds bij de samenstelling van de normale waarde rekening hadden gehouden met het verschil in kosten en winst tussen de twee soorten verkopen, juist voor de vergelijking met de aan OEM' s berekende prijs bij uitvoer ( zie de paragrafen 11 en 24 van de definitieve verordening ), waren verdere correcties als voorzien in artikel 2, leden 9 en 10, van de basisverordening niet meer nodig . Bovendien hadden dergelijke correcties eerst behoeven plaats te vinden, indien verzoekster had aangetoond dat deze inderdaad gerechtvaardigd waren . ( 8 ) Gezien het bovenstaande is het niet verwonderlijk, dat zij er niet in is geslaagd dit "naar genoegen van de Commissie" aan te tonen ( paragraaf 24 van de definitieve verordening ).
97 . Het tweede deel van het eerste middel moet dus eveneens worden verworpen
3 . Het middel, dat de berekening van het anti-dumpingrecht onwettig is
98 . Met dit middel stelt verzoekster, dat de Raad, door het anti-dumpingrecht te berekenen op basis van cijfers waarin alle importen van Nashua kopieerapparaten buiten beschouwing zijn gelaten, verordening nr . 2176/84 heeft geschonden . Zij acht het onbillijk en discriminerend, dat de Raad haar enerzijds als niet van Ricoh los te zien beschouwt voor het berekenen van de dumpingmarge, en anderzijds voor haar kopieerapparaten een recht heeft ingesteld op grond van een berekening, waaruit de verkopen van die apparaten geheel zijn weggelaten . ( Voor nadere details over de in dat verband door partijen naar voren gebrachte argumenten verwijs ik naar hoofdstuk IV, deel B, titel 2, sub b, van het rapport ter terechtzitting .)
99 . Laat ik dadelijk stellen, dat de door Nashua gegeven voorstelling van zaken niet geheel juist lijkt . In werkelijkheid heeft de Raad niet een recht ingesteld op de PPC' s van Nashua op basis van een berekening waaruit de verkopen van die PPC' s waren weggelaten, maar heeft hij een recht ingesteld op Japanse PPC' s in het algemeen en PPC' s van Ricoh in het bijzonder, en wel op basis van een berekening die enkel rekening hield met een bepaalde categorie van verkopen van PPC' s, die hij representatief achtte voor alle verkopen in alle categorieën, namelijk de verkopen van verbonden Japanse dochterondernemingen aan onafhankelijke distributeurs in de Gemeenschap . Aangezien er voor Nashua-produkten geen dumpingmarge werd vastgesteld, kan men eigenlijk niet spreken van discriminatie .
10 . Voorts bevat verordening nr . 2176/84 geen nauwkeurige regels voor de vaststelling van de hoogte van anti-dumpingrechten . Artikel 13, lid 3, geeft enkel maxima aan, die de instellingen niet mogen overschrijden, te weten enerzijds de hoogte van de dumpingmarge en anderzijds de hoogte van de schade indien een lager recht voldoende is om de schade op te heffen . Met uitzondering van die twee punten zijn de instellingen dus nagenoeg geheel vrij te bepalen, welke factoren zij in aanmerking willen nemen .
11 . Met name verplicht niets hen ertoe om voor de vaststelling van het recht dezelfde berekeningsmethode of dezelfde redenering te hanteren als bij de bepaling van de dumpingmarge, zeker als zij het recht niet vaststellen op het niveau of aan de hand van de marge . In de arresten van 7 mei 1987 ( zaken 240/84, 255/84, 256/84, 258/84 en 260/84, "kogellagers", Jurispr . 1987, blz . 1809 e.v .) verklaarde het Hof, dat de berekeningsmethoden voor de normale waarde en voor de uitvoerprijs los van elkaar staan ( r.o . 13 en 14 ). In de arresten van 5 oktober 1988 (" elektronische schrijfmachines ") verklaarde het Hof :
"Voor de geldigheid van de in artikel 2, lid 9, voorziene vergelijking kan dus niet als voorwaarde worden gesteld, dat de normale waarde en de uitvoerprijs volgens identieke methoden moeten zijn berekend" ( zie het arrest in gevoegde zaken 277/85 en 300/85, Canon, Jurispr . 1988, blz . 5731, r.o . 37 )
en
"dat er drie reeksen onderling verschillende regels bestaan, die elk afzonderlijk moeten worden geëerbiedigd . Het betreft respectievelijk regels voor de vaststelling van de normale waarde, voor het bepalen van de uitvoerprijs en voor de vergelijking tussen beide" ( zie het arrest in de gevoegde zaken 260/85 en 106/86, Tokyo Electric Company, Jurispr . 1988, blz . 5855, r.o . 31 ).
12 . Wat geldt voor de berekening van één factor, de dumpingmarge, moet mijns inziens a fortiori gelden voor de berekening van twee verschillende factoren, de dumpingmarge en het anti-dumpingrecht, vooral wanneer er geen precieze regels voor de berekening van dat laatste zijn .
13 . In de tweede plaats heeft verzoekster, afgezien van de algemene opmerking, dat de Raad alleen rekening heeft gehouden met de verkopen van de Japanse dochterondernemingen aan onafhankelijke distributeurs binnen de Gemeenschap en niet met de verkopen van OEM' s, niet concreet aangetoond, hoe die aanpak het bedrag van het ingestelde anti-dumpingrecht heeft beïnvloed, of in hoeverre dit bedrag anders zou zijn geweest indien ook de verkopen van OEM' s in aanmerking waren genomen . Gezien de ruime beoordelingsbevoegdheid van de Raad met betrekking tot de wijze van vaststelling van het anti-dumpingrecht, kan men alleen op basis van die algemene opmerking niet spreken van een kennelijke fout of misbruik van bevoegdheid doordat enkel rekening is gehouden met de verkopen van de gelieerde Japanse dochterondernemingen, die 70 % uitmaken van alle verkopen van PPC' s in de referentieperiode binnen de Gemeenschap . Het feit dat in die periode de verkopen door de beide OEM-afnemers van Ricoh, waaronder Nashua, bijna de helft van alle verkopen van Ricoh-produkten in de Gemeenschap uitmaakten, doet daaraan niets af, daar de door de instellingen gekozen aanpak ( zoals beschreven in paragraaf 107 van de definitieve verordening ) voor het berekenen van het recht dat nodig was om de aan de communautaire producenten toegebrachte schade op te heffen, een "globale" aanpak was, gebaseerd op de totale schade veroorzaakt door een representatief deel ( 70 %) van alle uitvoer naar de Gemeenschap tegen dumpingprijzen door Japanse ondernemingen en niet op de schade veroorzaakt door elke exporteur afzonderlijk . De bijzondere omstandigheden van een exporteur, zoals het grote aantal OEM-verkopen op het totaal van zijn verkopen, kunnen dan ook slechts een zeer gering effect hebben . De redenen voor de keuze van die globale aanpak zijn uiteengezet in paragraaf 112 van de definitieve verordening . Deze zijn overigens als zodanig niet door verzoekster betwist .
14 . Ook dit middel van verzoekster moet derhalve worden verworpen .
4 . Het middel betreffende discriminatie doordat het tarief van het anti-dumpingrecht voor Nashua en Ricoh gelijk is
15 . Aangezien het ad valorem-recht van 20 % op alle invoeren van PPC' s van Ricoh rust, ongeacht of deze door met Ricoh of Nashua gelieerde dochterondernemingen worden ingevoerd, meent verzoekster, dat zij absoluut gezien een veel hoger recht betaalt dan die dochterondernemingen, daar haar brutomarge slechts 16 % bedraagt, terwijl de door de met Japanse fabrikanten gelieerde dochterondernemingen behaalde marge op hun wederverkopen aan de distributeurs 42 % bedraagt . Zij ziet in die situatie een schending van het non-discriminatiebeginsel .
16 . Indien er al een verschil in behandeling is, dan is dit zeker niet het gevolg van de aangevochten verordening, daar deze voor alle invoeren van Ricoh PPC' s in de Gemeenschap hetzelfde bedrag vaststelt, maar van het prijsbeleid van Ricoh die haar kopieerapparaten voor een lagere prijs verkoopt aan haar dochterondernemingen in de Gemeenschap dan aan Nashua .
17 . Voorts behoefde de Raad zoals gezegd geen aparte dumpingmarge te berekenen voor Ricoh-produkten die aan Nashua werden verkocht . Ook heeft de Raad, zoals ik al aanstipte, het anti-dumpingrecht niet gesteld op het niveau van de geconstateerde marges, maar op dat van de schade die de heffing op de invoer moet wegnemen, en heeft hij geen kennelijke fout gemaakt of zijn bevoegdheid misbruikt, doordat hij daarbij met alle importen van PPC' s van oorsprong uit Japan rekening heeft gehouden en niet met die van iedere individuele producent-exporteur afzonderlijk . In die omstandigheden is de instelling van een uniform bedrag op zichzelf niet betwistbaar . De instelling van verschillende bedragen voor het produkt van een en dezelfde exporteur naar gelang de winstmarge van de importeur zou overigens een miskenning zijn van het hoofddoel van elk anti-dumpingrecht, namelijk de aan de communautaire producenten toegebrachte schade op te heffen, en niet de verschillen tussen de importeurs te verminderen of op te heffen .
5 . Het middel, dat de afwijzing van de door Nashua aangeboden verbintenis onwettig is
18 . Nashua betwist met drie middelen de geldigheid van het besluit van de Commissie tot afwijzing van de door haar aangeboden verbintenis, welk besluit de Raad in de paragrafen 92 en 100 van zijn verordening heeft bekrachtigd .
19 . Volgens verzoekster vormt het besluit een schending van :
- verordening nr . 2176/84;
- artikel 190 EEG-Verdrag;
- het evenredigheidsbeginsel .
110 . Bij de beoordeling van de gegrondheid van die middelen moet niet slechts rekening worden gehouden met de tekst van voormelde paragrafen en de wijze waarop de Commissie ( 9 ) de daarin weergegeven afwijzingsgronden heeft uiteengezet in haar schriftelijke opmerkingen in zaak C-133/87 en in haar memorie van interventie in zaak C-150/87, maar uiteraard ook met het besluit van 27 januari 1987 houdende afwijzing van de verbintenis en met de aanvullende brief van de Commissie van 18 februari 1987 .
a ) Schending van verordening nr . 2176/84
111 . Volgens vaste rechtspraak van het Hof verplicht geen enkele bepaling van verordening nr . 3017/79, thans verordening nr . 2176/84, de instellingen tot het aanvaarden van prijsverbintenissen die worden aangeboden . Uit artikel 10 van die verordening blijkt integendeel, dat de instellingen in het kader van hun discretionaire bevoegdheid beslissen, of dergelijke verbintenissen kunnen worden aanvaard . ( 10 ) Het is dus aan verzoeksters om aan te tonen, dat de gronden voor de afwijzing van de aangeboden verbintenissen de beoordelingsmarge van de instellingen hebben overschreden .
112 . Volgens Nashua moet de Commissie ingevolge artikel 10, lid 2, sub b, eerst onderzoeken, of ingeval van aanvaarding van de verbintenis de uitvoer in zodanige mate wordt gestaakt dat de schadelijke gevolgen van de gedumpte importen worden opgeheven . Eerst wanneer de Commissie tot een oordeel is gekomen ten aanzien van het effect van de verbintenis, kan zij op grond van haar discretionaire bevoegdheid beslissen, of zij deze al dan niet zal aanvaarden .
113 . Uit het besluit van de Commissie blijkt, dat zij zorgvuldig de inhoud van de verbintenis zelf heeft onderzocht, maar dat zij het niet opportuun achtte om in dit geval of in soortgelijke gevallen een verbintenis van een OEM te aanvaarden . Met de Commissie ben ik van mening, dat uit de bewoordingen van artikel 10 van de verordening en uit het feit dat de Commissie de hiervoor besproken beoordelingsmarge heeft, valt af te leiden, dat zij vrij is een verbintenis af te wijzen om redenen van algemene aard die geen verband houden met de specifieke aard van die verbintenis zelf . Als bij voorbeeld door de producent-exporteur geen verbintenis is aangeboden en er dus een anti-dumpingrecht op de door hem gefabriceerde produkten zal worden ingesteld, begaat de Commissie dan ook geen kennelijke fout door zich op het standpunt te stellen, dat aanvaarding van een door een OEM aangeboden verbintenis de zaak enkel nodeloos ingewikkeld zou maken .
114 . In deze zaak heeft de Commissie in elk geval in de schriftelijke en mondelinge procedure aangetoond, dat de aangeboden verbintenis de uitvoer niet in een zodanige mate had kunnen verminderen, dat daardoor de schadelijke gevolgen ervan werden opgeheven . De Commissie heeft er terecht op gewezen, dat een verbintenis een eind aan de inbreuken moet maken en deze niet enkel moet afzwakken . De door Nashua aangeboden verbintenis beoogde echter slechts de omvang van de invoer te stabiliseren op het peil dat in de laatste twaalf maanden waarvoor cijfers beschikbaar waren, was bereikt . Wat Nashua dus voorstelde, was slechts om de invoer niet te laten meegroeien met de verwachte groei van de markt voor kopieerapparaten in West-Europa, globaal geschat op 9,7 % per jaar, tot 1990 . Voorts voorzag de aangeboden verbintenis niet in een prijsverhoging . Het aandeel van Nashua in de schadelijke gevolgen van de import van goedkope PPC' s van oorsprong uit Japan zou derhalve hoogstens zijn gestabiliseerd, maar niet geëlimineerd .
115 . Voorts zou ik erop willen wijzen, dat het door verzoekster aangehaalde besluit van de Raad van 9 februari 1987 tot aanvaarding van een verbintenis in het kader van de anti-dumpingprocedure betreffende de invoer van kwasten voor het schilderen, verven, behangen en dergelijke, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en tot beëindiging van de procedure ( 11 ), een wezenlijk andere situatie betrof dan de onderhavige . De betrokken verbintenis was aangeboden door een exporteur, die bovendien een import-export-organisatie van een land met staatshandel was . De Raad overwoog in zijn besluit, dat de verbintenis tot gevolg zou hebben dat de uitvoer in die mate werd gestopt dat geen verdere schade werd toegebracht en dat het mogelijk leek om toezicht uit te oefenen op de correcte uitvoering van deze verbintenis ( ongetwijfeld omdat alle uitvoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China uit dezelfde bron afkomstig was ).
116 . Om al deze redenen geef ik het Hof in overweging te verklaren, dat de instellingen in het onderhavige geval artikel 10 van verordening nr . 2176/84 niet hebben geschonden .
b ) Schending van artikel 190 EEG-Verdrag
117 . Volgens verzoekster is de verordening om verschillende redenen onvoldoende gemotiveerd . In de eerste plaats hadden de instellingen moeten aangeven, waarom het soort aangeboden kwantitatieve verbintenis de veroorzaakte schade niet zou opheffen .
118 . Zoals gezegd, behoefden de instellingen een dergelijke motivering echter niet te geven en konden zij de verbintenis afwijzen om redenen die daarvan losstonden .
119 . In casu heeft de Commissie de afwijzing gemotiveerd door erop te wijzen, dat zij geen verbintenissen van OEM' s kon aanvaarden ( besluit van 27 januari 1987 ), en de Raad heeft gerefereerd aan de traditionele praktijk van de Commissie om geen verbintenissen van importeurs te aanvaarden ( paragraaf 100 van de bestreden verordening ).
120 . Zoals ik hiervóór reeds heb vastgesteld, mochten de instellingen de OEM' s als importeurs beschouwen . De Commissie heeft een beroep gedaan op artikel 7 van de Gatt anti-dumpingcode, volgens hetwelk verbintenissen enkel kunnen worden aangeboden door exporteurs .
121 . Het lijdt geen twijfel, dat de instellingen van de Gemeenschap het recht hebben de verordening van de Raad in het licht van die code uit te leggen, wanneer de verordening op een bepaald punt voor verschillende uitlegging vatbaar is . Blijkens de tweede overweging van de basisverordening is deze immers vastgesteld in overeenstemming met de bestaande internationale verplichtingen, in het bijzonder met die welke voortvloeien uit de GATT .
122 . Het feit dat de Commissie in het verleden tweemaal verbintenissen heeft aanvaard die waren aangeboden door een zeer speciale categorie importeurs, te weten Europese verkoopmaatschappijen van Japanse producenten-exporteurs of ondernemingen die anderszins met Japanse producenten waren verbonden, schept nog geen verplichting voor de Commissie om in de toekomst evenzo te handelen en nog minder om verbintenissen te aanvaarden van importeurs die niet in dezelfde situatie verkeren .
123 . Tijdens de procedure voor het Hof heeft de Commissie voorts uiteengezet, dat haar standpunt ten aanzien van door importeurs aangeboden verbintenissen voor een zeer groot deel werd bepaald door preoccupaties van praktische aard, in het bijzonder de moeilijkheid van een doeltreffende controle op die verbintenissen . Die overwegingen vallen duidelijk binnen de beoordelingsmarge die het Hof in deze de instellingen toestaat .
124 . In dit verband zij eraan herinnerd, dat volgens het Hof in de arresten van 7 mei 1987 een voldoende motivering vormde, de overweging
"ontleend aan de ervaring in de sector kogellagers en volgens welke verbintenissen geen bevredigende oplossing vormen voor de problemen die dumpingpraktijken in deze sector veroorzaken ."
125 . Indien de enkele verwijzing naar de moeilijkheden die de aanvaarding van verbintenissen in een bepaalde sector met zich brengt, dus als voldoende motivering moet worden beschouwd, dan geldt hetzelfde voor een verwijzing naar de verschillende nadelen die kleven aan de aanvaarding van verbintenissen van bepaalde categorieën economische subjecten zoals importeurs, OEM' s daaronder begrepen .
126 . Ik acht het middel van de ontoereikende of onjuiste motivering dan ook niet gegrond .
c ) Schending van het evenredigheidsbeginsel
127 . Volgens verzoekster zou de aangeboden verbintenis alle schade voor de communautaire producenten hebben opgeheven en zou het instellen van een anti-dumpingrecht niet gunstiger werken dan de voorgestelde oplossing .
128 . Daarop moet worden geantwoord, dat het evenredigheidsbeginsel slechts een rol speelt, wanneer de verschillende mogelijke oplossingen alle het beoogde doel met ongeveer dezelfde effectiviteit kunnen bereiken .
129 . Door het standpunt in te nemen, dat de door Nashua aangeboden stabilisering van de invoer in absolute cijfers, zonder prijsverhogingen, niet dezelfde garanties bood voor het opheffen van de schade als een anti-dumpingrecht, zijn de instellingen binnen hun beoordelingsmarge gebleven en hebben zij het evenredigheidsbeginsel niet geschonden .
Conclusie
Op grond van het voorafgaande geef ik in overweging :
in zaak C-133/87,
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren en verzoekster in de kosten te verwijzen;
in zaak C-150/87,
- het beroep ontvankelijk te verklaren, doch als ongegrond te verwerpen en Nashua te verwijzen in haar eigen kosten alsook in die van de interveniënten, te weten de Commissie en Cecom;
- de Raad krachtens artikel 69, paragraaf 3, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering te verwijzen in zijn eigen kosten, aangezien zijn middelen gericht tegen de ontvankelijkheid van het beroep zijn verworpen .
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) PB 1984, L 201, blz . 1 .
( 2 ) PB 1987, L 54, blz . 12 .
( 3 ) Arrest van 11.11.1981, zaak 60/81, IBM, Jurispr . 1981, blz . 2639 .
( 4 ) Zaak 150/87, Nashua Corporation, Jurispr . 1987, blz . 4421 .
( 5 ) PB 1986, L 239, blz . 5 .
( 6 ) Zie bij voorbeeld het arrest van 7.5.1987, zaak 240/84, NTN Toyo Bearing, Jurispr . 1987, blz . 1809, r.o . 19 .
( 7 ) In de oorspronkelijke tekst gecursiveerd .
( 8 ) Zie over de kwestie van het bewijs, het arrest van 7.5.1987, zaak 255/84, Nachi Fujikoshi, Jurispr 1987, blz 1861, r.o . 33 .
( 9 ) Zie bij voorbeeld het arrest van 7.5.1987, zaak 256/84, Koyo Seiko, Jurispr . 1987, blz . 1918, r.o . 26 .
( 10 ) Zie met name het arrest van 7.5.1987, reeds aangehaald, r.o . 26 en 27 .
( 11 ) PB 1987, L 46, blz . 45 .
Full & Egal Universal Law Academy