Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . In de drie prejudiciële verwijzingen die ik thans behandel, verzoeken de Arbeidsrechtbank te Brussel en het Belgische Hof van Cassatie het Hof om uitlegging van de in het EEG-Verdrag voorkomende bepalingen betreffende het vrije verkeer van personen en diensten .
Partij in de respectieve gedingen zijn, enerzijds, het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen ( hierna : RSVZ ) en, anderzijds, Chr . Stanton, Brits onderdaan tewerkgesteld bij een Britse verzekeringsmaatschappij ( zaak 143/87 ), H . Wolf, Duits onderdaan en ingenieur in dienst van de vennootschap Degussa te Frankfurt, en W . Dorchain, Belgisch onderdaan werkzaam bij Ford-Werke AG in Duitsland ( gevoegde zaken 154 en 155/87 ).
Al deze personen cumuleren hun hoofdberoep reeds enige tijd met de functie van bestuurder van een Belgische vennootschap, respectievelijk "l' Étoile 1905", NV Microtherm Europe en PVBA Almare . Omdat de bestuurder van een handelsvennootschap naar Belgisch recht als zelfstandige wordt aangemerkt, vordert het RSVZ van Stanton, Wolf en Dorchain betaling van de desbetreffende pensioenbijdragen . De drie bestuurders voeren aan, dat zij om de navolgende redenen helemaal niets verschuldigd zijn : a ) als loontrekkenden zijn zij verplicht verzekerd in het sociale-zekerheidsstelsel van hun respectieve staat van tewerkstelling; b ) volgens de Belgische wettelijke regeling is de zelfstandige die reeds als loontrekkende bijdragen betaalt in een nationaal stelsel, uit dien hoofde vrijgesteld van verdere sociale-zekerheidsbijdragen; c ) de opwerping van het RSVZ, dat deze bijdragen in stelsels van andere Lid-Staten dan België worden betaald, is in strijd met het beginsel van gelijke behandeling en met de gemeenschapsbepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers .
Gelet op dit betoog, hebben de Arbeidsrechtbank te Brussel ( zaak 143/87 ) en het Belgische Hof van Cassatie ( zaken 154 en 155/87 ) respectievelijk bij vonnis van 30 april 1987 en bij arresten van 4 mei 1987 het Hof grotendeels gelijkluidende vragen gesteld . Deze kunnen worden samengevat als volgt : "Moeten de artikelen 52 en volgende EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat daarmee onverenigbaar is de wettelijke regeling van een Lid-Staat krachtens welke zelfstandigen van de betaling van pensioenbijdragen zijn vrijgesteld wanneer zij reeds in een sociale-zekerheidsregeling van die Lid-Staat zijn verzekerd, doch dit voordeel niet genieten wanneer zij uit hoofde van hun arbeid in loondienst onder het sociale-zekerheidsstelsel van een andere Lid-Staat vallen?"
In deze procedure zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door het RSVZ, de Belgische regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen ( zaak 143/87 en gevoegde zaken 154 en 155/87 ), Chr . Stanton en de vennootschap "l' Étoile 1905" ( zaak 143/87 ) en H . Wolf en de NV Microtherm Europe ( gevoegde zaken 154 en 155/87 ). Ter terechtzitting zijn opmerkingen gemaakt door het RSVZ, de Commissie en H . Wolf .
2 . Enkele woorden over de nationale regeling waarvan de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht wordt betwist . Ingevolge artikel 3, § 1, van Koninklijk Besluit nr . 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, moet een ieder "die in België een beroepsbezigheid uitoefent uit hoofde waarvan hij niet door een arbeidsovereenkomst ... verbonden is", bijdragen betalen in dit sociale-zekerheidsstelsel . Volgens artikel 2 van het Koninklijk Besluit van 19 december 1967 tot uitvoering van genoemd statuut, wordt de uitoefening van een bezoldigd mandaat in een handelsvennootschap als beroepswerkzaamheid aangemerkt .
Verder bepaalt artikel 12, § 2, van eerstgenoemd Koninklijk Besluit, dat "de onderworpene die, ... gewoonlijk en hoofdzakelijk een andere beroepsbezigheid uitoefent, geen bijdrage verschuldigd is indien zijn bedrijfsinkomsten als zelfstandige ..." een bepaald bedrag niet overschrijden . Het begrip "gewoonlijk en hoofdzakelijk een andere beroepsbezigheid uitoefenen" wordt nader omschreven in artikel 35, § 1, van het Koninklijk Besluit van 19 december 1967 . Dit begrip dekt de navolgende gevallen : "a ) wanneer de bezigheid van ( de verzekerde ) als arbeider, bediende, mijnwerker of onder Belgische vlag varende zeeman beantwoordt aan het begrip gewoonlijke ... tewerkstelling in de zin van het op deze werknemers toepasselijke pensioenstelsel; b ) wanneer ... zijn bezigheid behoort tot een ander pensioenstelsel gevestigd door of krachtens een wet, een provinciaal reglement of door de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen ". Ten slotte bepaalt § 3 van dat artikel, dat "een beroepsbezigheid in dienst van een internationaal ... organisme waarvan België deel uitmaakt, wordt gelijkgesteld met een beroepsbezigheid als arbeider of bediende ".
3 . Het RSVZ merkt op dat, aangezien ter zake eerst bij verordening nr . 1390/81 van 12 mei 1981 ( PB 1981, L 143, blz . 1 ) communautaire cooerdinatiebepalingen zijn vastgesteld, genoemde nationale regeling tot doel had, een ieder die op het Belgische grondgebied werkzaam is een zelfde sociale-zekerheidsbescherming te bieden, zonder - ook slechts indirect - enig belang te hechten aan zijn nationaliteit . De in een andere Lid-Staat als hoofdberoep verrichte arbeid in loondienst valt evenwel onder de eigen regeling van die Lid-Staat en kan derhalve geen gevolgen hebben voor de toepassing van de Belgische sociale wetten . Kortom, de arbeid in loondienst geeft slechts aanleiding tot vrijstelling van bijdragen, wanneer hij onder een Belgische sociale-zekerheidsregeling valt of - maar dit is de enige uitzondering - wordt verricht ten behoeve van een internationaal organisme waarvan België deel uitmaakt .
Deze stelling overtuigt mij niet . Allereerst zij erop gewezen, dat het door de verwijzende rechters aan de orde gestelde probleem een geval betreft waarin de weigering van vrijstelling niet berust op de nationaliteit van de loontrekkende die tevens bestuurder van een Belgische vennootschap is, maar op het feit dat het sociale-zekerheidsstelsel waarin hij bijdragen betaalt, niet onder de nationale wettelijke regeling valt . Derhalve is de vraag of deze toestand een indirecte discriminatie verbergt, irrelevant voor de vaststelling dat de zelfstandige slechts voor dit voordeel in aanmerking komt wanneer hij in België arbeid in loondienst verricht . Is dit laatste niet het geval, dan dient de betrokkene dus een bedrag ( sociale-zekerheidsbijdragen als zelfstandige ) te betalen, waarvan de inning niet op enige sociale grond is gerechtvaardigd, wanneer de betrokkene reeds onder een sociale-zekerheidsregeling - zij het van een andere Lid-Staat - valt .
De omstreden regeling kan de vrijheid van de werknemers om zich in een andere Lid-Staat te vestigen, derhalve belemmeren en is om die reden onverenigbaar met het gemeenschapsrecht . In dit verband zij eraan herinnerd, dat artikel 52 EEG-Verdrag een van de fundamentele gemeenschapsbepalingen is en sedert het einde van de overgangsperiode rechtstreeks toepasselijk is in de Lid-Staten . Het heeft ten doel "te verzekeren dat elke onderdaan van een Lid-Staat die zich, zij het ook secundair, in een andere Lid-Staat vestigt om daar werkzaamheden anders dan in loondienst te verrichten, aldaar als eigen onderdaan wordt behandeld" ( arrest van 28 januari 1986, zaak 270/83, Commissie/Frankrijk, Jurispr . 1986, blz . 285, r.o . 13 en 14 ).
Tegen deze conclusie kan niet met succes worden ingebracht, dat de Koninklijke Besluiten van 27 juli en 19 december 1967 zijn vastgesteld op een tijdstip dat er nog geen communautaire cooerdinatiebepalingen waren . Volgens de rechtspraak van het Hof legt artikel 52 immers "een nauwkeurig omschreven resultaatsverplichting op, welker nakoming moest worden vergemakkelijkt door, maar niet afhankelijk is van de geleidelijke uitvoering van een programma van maatregelen . Aan die verplichting kan men derhalve geen gelding ontzeggen met een beroep op de omstandigheid dat de Raad verzuimd heeft de in de artikelen 54 en 57 voorziene richtlijnen vast te stellen" ( arrest van 12 juli 1984, zaak 107/83, Klopp, Jurispr . 1984, blz . 2971, r.o . 10 ).
4 . Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging de door de Arbeidsrechtbank te Brussel bij vonnis van 30 april 1987 en door het Belgische Hof van Cassatie bij arresten van 4 mei 1987 gestelde vragen te beantwoorden als volgt :
"De artikelen 52 en volgende EEG-Verdrag moeten aldus worden uitgelegd, dat daarmee onverenigbaar is de regeling van een Lid-Staat krachtens welke de vrijstelling van pensioenbijdragen voor zelfstandigen die aldaar werkzaam zijn, afhankelijk is van het feit dat deze reeds uit hoofde van arbeid in loondienst onder een sociale-zekerheidsregeling van die Lid-Staat vallen ."
(*) Vertaald uit het Italiaans .
Full & Egal Universal Law Academy