Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Evenals Nashua Corporation en haar dochterondernemingen in de zaken C-133/87 en C-150/87 behoort de Gestetner-groep tot de Original Equipment Manufacturers ( hierna : OEM' s ), die de Raad in paragraaf 8 van verordening ( EEG ) nr . 535/87 van 23 februari 1987 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van fotokopieerapparaten voor gewoon papier van oorsprong uit Japan ( 1 ) ( hierna : de definitieve verordening ) heeft omschreven als "importeurs die deze produkten in de Gemeenschap onder eigen merknaan doorverkochten ". Terwijl de onder het merk Nashua verkochte fotokopieerapparaten ( hierna : PPC' s ) worden gefabriceerd door Ricoh, worden die van Gestetner gefabriceerd door Mita Industrial Company Limited ( hierna : Mita Japan ), de Japanse producent voor wiens PPC' s krachtens artikel 1 van de definitieve verordening een anti-dumpingrecht geldt van 12,6 %.
2 . Gestetner verzoekt primair om nietigverklaring van die verordening en, subsidiair, om nietigverklaring daarvan voor zover daarbij een anti-dumpingrecht op de door Mita Japan gefabriceerde PPC' s is gelegd .
3 . Evenals Nashua heeft Gestetner tijdens het onderzoek van de Commissie een verbintenis aangeboden, die de Commissie niet aanvaardde . Ook Gestetner verzoekt om nietigverklaring van het desbetreffende afwijzingsbesluit van de Commissie . Haar beroep is dus zowel tegen de Raad als de Commissie gericht .
4 . Sommige middelen en argumenten van partijen in de onderhavige zaak zijn gelijk of vrijwel gelijk aan die welke in het kader van de gevoegde zaken C-133/87 en C-150/87 naar voren zijn gebracht . Andere daarentegen vormen een aanvulling of zijn nieuw . In deze conclusie zal ik dan ook vooral op deze laatste ingaan, terwijl ik voor de eerste kan volstaan met hetgeen ik in de Nashua-zaken heb gezegd .
5 . Anders dan Nashua, heeft Gestetner tegen de Raad en de Commissie niet twee aparte beroepen ingesteld, maar één beroep, dat ten dele tegen de Commissie is gericht en geheel tegen de Raad . Zij stelt namelijk, dat het beroep tot nietigverklaring van de definitieve verordening enkel de Raad, maar het beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie tot afwijzing van haar verbintenis zowel de Commissie als de Raad betreft, daar laatstgenoemde dat besluit heeft bekrachtigd door de definitieve verordening vast te stellen .
6 . Dienaangaande zou ik willen verwijzen naar mijn conclusie van vandaag in zaak C-133/87, Nashua Corporation/Commissie ( gevoegd met zaak C-150/87, Nashua Corporation/Raad ), waarin ik heb geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van een beroep tegen een besluit van de Commissie tot afwijzing van een verbintenis . Ik refereerde in dat verband aan de beschikking van het Hof van 11 november 1987 ( zaak 150/87, Nashua/Raad en Commissie, Jurispr . 1987, blz . 4421 ), waarbij het Nashua' s beroep tot nietigverklaring van verordening nr . 535/87 van de Raad niet-ontvankelijk verklaarde voor zover het tegen de Commissie was gericht, overwegende dat het besluit van de Commissie om een verbintenis af te wijzen een integrerend deel is van het besluitvormingsproces van de Raad, dat uitmondt in het instellen van een definitief anti-dumpingrecht . De juiste plaats voor de verzoeker om zijn grieven tegen de afwijzing van zijn verbintenisaanbod door de Commissie naar voren te brengen, is dus in een beroep tegen de Raadsverordening waarbij het definitieve recht is ingesteld .
7 . Ik zal die grieven daarom hierna onderzoeken, wanneer ik over de gegrondheid van het beroep tegen de Raad kom te spreken . Tevoren moet ik enkele opmerkingen maken over de ontvankelijkheid van dat beroep .
I - De ontvankelijkheid
8 . Evenals in zaak C-150/87 werpt de Raad een exceptie van niet-ontvankelijkheid op tegen het beroep . In dit geval vertoont die exceptie evenwel enkele bijzondere aspecten, aangezien verzoekster niet alleen primaire, maar ook subsidiaire conclusies heeft ingediend en zij de ontvankelijkheid van haar beroep bepleit op grond van artikel 2 van de bestreden verordening, luidens hetwelk "de bedragen die overeenkomstig verordening ( EEG ) nr . 2640/86 ( 1 ) tot zekerheid zijn gesteld voor het voorlopige anti-dumpingrecht tegen de percentages van het definitief ingestelde rechten ( worden ) geïnd in de gevallen van Mita en Toshiba en tegen het percentage van het voorlopige recht in alle overige gevallen ".
9 . De primaire conclusies tot nietigverklaring van de gehele definitieve verordening worden door de Raad terecht niet-ontvankelijk geacht, aangezien blijkens de arresten van het Hof van 7 mei 1987 in de kogellagerzaken ( zaken 240/84, 255/84, 256/84, 258/84 en 260/84 ) van een verordening die uiteenlopende anti-dumpingrechten oplegt aan een reeks marktdeelnemers, enkel die bepalingen een bepaalde marktdeelnemer individueel kunnen raken, welke aan deze een bijzonder anti-dumpingrecht opleggen en de hoogte ervan vaststellen, en niet die waarbij anti-dumpingrechten aan anderen worden opgelegd .
10 . De subsidiaire conclusies van verzoekster strekken juist tot nietigverklaring van de definitieve verordening "voor zover daarbij een anti-dumpingrecht van 12,6 % op de door Mita vervaardigde kopieerapparaten is gelegd ". Tegen de ontvankelijkheid daarvan werpt de Raad dezelfde bezwaren op als in de zaak Nashua, namelijk dat verzoekster zelfs in die beperkte mate niet individueel door de verordening wordt geraakt .
11 . Zelf geef ik het Hof in overweging, het subsidiaire verzoek ontvankelijk te verklaren om de in mijn conclusie van vandaag in de zaak Nashua Corporation/Raad ( C-150//87 ) uiteengezette redenen .
12 . Verzoekster voert nog een argument aan dat niet door Nashua naar voren is gebracht, namelijk dat zij in haar beroep tegen de definitieve verordening ontvankelijk is, omdat zij een van de importeurs is die zekerheid hebben gesteld of betaald voor de bij verordening nr . 2640/86 ingestelde voorlopige rechten en die ingevolge artikel 2 van de bestreden verordening een definitief recht van 12,6 % moeten betalen over de produkten van Mita .
13 . Hierover wil ik slechts opmerken, dat indien het beroep op die grond ontvankelijk zou moeten worden verklaard, verzoekster in elk geval enkel middelen en argumenten zou mogen aanvoeren die rechtstreeks betrekking hebben op de heffing van de voorlopige rechten tegen de vermelde tarieven . ( 2 ) Dat is echter niet het geval, want alle door Gestetner voorgestelde middelen zijn gericht tegen de instelling van de definitieve rechten .
II - Ten gronde
14 . Verzoekster brengt tot staving van haar beroep tot nietigverklaring van de definitieve verordening vijf middelen naar voren, achtereenvolgens betreffende :
- de berekening van de uitvoerprijs;
- de vergelijking van de normale waarde met de uitvoerprijs;
- het begrip "bedrijfstak van de Gemeenschap";
- het belang van de Gemeenschap;
- de afwijzing van de door haar aangeboden verbintenis .
1 . De berekening van de uitvoerprijs
15 . Volgens verzoekster is de prijs die zij aan Mita betaalt, de "prijs die werkelijk is betaald of moet worden betaald voor het produkt dat met het oog op uitvoer naar de Gemeenschap is verkocht" in de zin van artikel 2, lid 8, sub a, van verordening nr . 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap ( 3 ) ( hierna : de basisverordening ). Aangezien zij volledig onafhankelijk is van Mita, had die prijs moeten worden gebruikt als basis voor de berekening van de dumpingmarge en mocht noch kon welke correctie dan ook worden aangebracht .
16 . Volgens de Raad bestaat er echter geen door Gestetner aan Mita Japan "betaalde prijs" en heeft hij derhalve als uitvoerprijs de door Mita Europe aan Mita Japan betaalde prijs genomen . Daar er evenwel een associatie bestaat tussen de moeder - en de dochteronderneming, was die prijs niet betrouwbaar en moest de uitvoerprijs worden samengesteld overeenkomstig artikel 2, lid 8, sub b . De Raad heeft zich daarvoor gebaseerd op de "prijs waartegen het ingevoerde produkt voor het eerst wordt wederverkocht aan een onafhankelijke koper", dat wil zeggen de door Mita Europe aan Gestetner berekende prijs, die met 5 % werd verminderd wegens de rol van Mita Europe bij die verkopen . Paragraaf 16 van de verordening van de Raad vermeldt niet uitdrukkelijk, dat de Raad zich ook met betrekking tot de verkopen aan OEM' s heeft gebaseerd op artikel 2, lid 8, sub b, maar dat is door de Raad wel consequent volgehouden tijdens de procedure .
17 . Ik betwijfel, of de keuze van die rechtsgrondslag juist is . In algemene zin zegt de Raad, dat Gestetner niet, zoals zij beweert, de exporteur is van de kopieerapparaten, maar de importeur . Maar waar het de vaststelling van de uitvoerprijs betreft, wordt Gestetner door de Raad nog enkel als eerste onafhankelijke koper beschouwd .
18 . De redenering van de Raad negeert voorts de bewoordingen van artikel 2, lid 8, sub b, waarin sprake is van de "prijs waartegen het ingevoerde produkt voor het eerst wordt wederverkocht aan een onafhankelijke koper" en van correcties die kunnen worden toegepast "voor alle tussen de invoer en de wederverkoop gemaakte kosten, met inbegrip van rechten en heffingen, alsmede voor een redelijke winstmarge ". Mita Europe heeft het produkt echter duidelijk niet gekocht en ingevoerd om het daarna aan Gestetner te verkopen . Uit het gestelde in punt 12 van het verzoekschrift, dat door de instellingen niet is weersproken, blijkt juist, dat de PPC' s uit de Mita-fabrieken naar pakhuizen in Japan worden overgebracht die door Cornes, Gestetners agent in dat land, worden aangewezen . Voor elke partij wordt een leveringsbewijs afgegeven . Het gekwiteerde ( door Cornes ondertekende ) bewijs wordt naar Mita Japan gezonden, die het aan Mita Europe zendt . Deze maakt een rekening op voor Gestetner en gebruikt het gekwiteerde leveringsbewijs om op de door Gestetner uitgegeven kredietbrief betaling te verkrijgen .
19 . Zoals de Raad zelf in zijn verweerschrift bevestigt, treedt Mita Europe aldus voornamelijk op "als agent of cooerdinatiepunt voor de behandeling van de orders en de daadwerkelijke facturering van de aan bepaalde onafhankelijke kopers in de EEG geleverde goederen" ( punt 35 ).
20 . Men kan dus duidelijk niet stellen, dat het produkt is gekocht, ingevoerd en daarna wederverkocht door Mita Europe of dat deze taken heeft verricht die normaal gesproken aan een importeur toekomen . ( Al zou men Mita Europe ten opzichte van Mita Japan als "derde" in de zin van artikel 2, lid 8, sub b, moeten zien, dan blijft toch staande, dat zij de ingevoerde produkten noch heeft gekocht noch wederverkocht ).
21 . Voorts is veelzeggend, dat noch paragraaf 18 van de voorlopige verordening, noch paragraaf 16 van de definitieve verordening, waarin "de Raad de bevindingen van de Commissie bevestigt" betreffende de in geval van verkopen aan OEM' s te hanteren uitvoerprijs, de in de Gemeenschap gevestigde dochterondernemingen van exporteurs beschouwt als "importeurs ". De voorlopige verordening spreekt van de functie van "agent" van die dochterondernemingen, terwijl de definitieve verordening het kortweg heeft over hun "functie" bij de verkopen aan OEM' s .
22 . Paragraaf 18 van de voorlopige verordening luidt als volgt :
"In een aantal gevallen, in het bijzonder met betrekking tot de uitvoer aan 'OEM' s' ... treden de dochterondernemingen in de Gemeenschap van de exporteurs op als agenten in die zin dat zij orders afwerken van, facturen verstrekken aan en betaling ontvangen van de betrokken afnemers . De Commissie acht het daarom juist de uitvoerprijzen voor deze afnemers met 5 % aan te passen om rekening te houden met een redelijk bedrag voor commissie, op basis van de beste gegevens die de Commissie ter beschikking staan ."
23 . In verband met die paragraaf zegt de definitieve verordening in paragraaf 16 uitdrukkelijk, dat
"de Raad de bevindingen van de Commissie bevestigt dat de prijzen bij uitvoer onder deze omstandigheden op passende wijze aangepast dienen te worden, ten einde met de functie van het dochterbedrijf van de exporteur bij dergelijke verkopen rekening te houden ".
24 . Voorts blijkt uit alle paragrafen van de definitieve verordening die op de uitvoerprijs betrekking hebben, dat de Raad artikel 2, lid 8, sub b, heeft toegepast op alle verkopen aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap waarbij een in de Gemeenschap gevestigde dochteronderneming van de exporteur op enigerlei wijze was betrokken . Die betrokkenheid was evenwel niet bij alle verkopen dezelfde .
25 . "In gevallen waarin, ofschoon de dochteronderneming niet de officiële importeur was, zij toch de taken uitvoerde en de kosten droeg van een verbonden importeur", dat wil zeggen "orders aannam, het produkt bij de exporteur kocht en doorverkocht aan onder meer, onafhankelijke afnemers", gewoonlijk tegen hogere prijzen ( paragraaf 15, eerste alinea ), is de Raad terecht afgeweken van het aanvankelijke standpunt van de Commissie, die de uitvoerprijs had gecorrigeerd overeenkomstig artikel 2, lid 10, tweede alinea, sub c, van de basisverordening voor eventuele verschillen in verkoopvoorwaarden ten opzichte van de vergelijkbare normale waarde ( paragraaf 16 van de voorlopige verordening ).
26 . De Raad heeft aldus de gevallen waarin de dochteronderneming, ofschoon zij niet de officiële importeur was, toch "de voor een importerende dochteronderneming kenmerkende taken" vervulde ( derde alinea van paragraaf 15 van de definitieve verordening ), gelijkgesteld aan de gevallen bedoeld in paragraaf 17 van de voorlopige verordening en paragraaf 16, eerste zin, van de definitieve verordening, waarin werd uitgevoerd naar dochterondernemingen die het produkt officieel in de Gemeenschap invoerden . Mijns inziens had de Raad echter wat de functie van Mita Europe bij de verkopen van Mita Japan aan Gestetner betreft niet tot een dergelijke gelijkstelling mogen overgaan .
27 . Uit de hiervoor beschreven feiten blijkt immers duidelijk, dat de rol van Mita Europe bij de verkopen aan Gestetner fundamenteel verschilt van die van de dochterondernemingen van de exporteur bij de andere verkopen waarom het hier gaat, en waarbij deze het ingevoerde produkt werkelijk kochten en wederverkochten of zonder meer de functie van officiële importeur hadden .
28 . De Raad heeft dan ook in casu, naar ik meen, ten onrechte artikel 2, lid 8, sub b, van de basisverordening toegepast .
29 . Toch denk ik niet, dat de bestreden verordening om deze reden behoeft te worden nietig verklaard . In zijn dupliek ( punten 31 en 32 ) heeft de Raad terecht gesteld, dat ingeval Mita Europe enkel de rol speelde van een agent en behoorde tot de verkooporganisatie van Mita Japan, haar kosten deel zouden uitmaken van de directe verkoopkosten van Mita Japan, zodat de instellingen een correctie hadden moeten toepassen krachtens artikel 2, lid 10, sub c, van de basisverordening wegens de verschillen tussen de verkoopkosten op de binnenlandse markt en bij uitvoer .
30 . De kosten van de tussenkomst van Mita Europe hadden dus op die grond in elk geval kunnen worden afgetrokken van de uitvoerprijs, dat wil zeggen van de door Gestetner betaalde prijs . Verzoekster heeft echter het bedrag dat als correctie voor de rol van Mita Europe bij de verkopen aan Gestetner is aangenomen, te weten 5 %, niet betwist; zij verkeerde daarvoor trouwens ook niet in de ideale situatie, aangezien de betrokken kosten door Mita waren gemaakt .
31 . Er is dus geenszins aangetoond, dat toepassing van artikel 2, lid 8, sub b, tot een andere uitkomst heeft geleid dan uit de toepassing van de juiste bepaling, namelijk artikel 2, lid 10, sub c, van de basisverordening, zou zijn voortgevloeid . Ik meen dan ook, dat ondanks de verkeerde rechtsgrondslag, het middel ontleend aan de onwettige berekening van de uitvoerprijs moet worden verworpen .
2 . De vergelijking van de normale waarde met de uitvoerprijs
32 . Verzoeksters tweede middel houdt in schending van artikel 2, leden 9 en 10, van de basisverordening . Gestetner stelt, dat de instellingen de normale waarde en de uitvoerprijs niet "in hetzelfde handelsstadium" hebben vergeleken en evenmin de daarvoor vereiste correcties hebben toegepast .
33 . Wie paragraaf 11 van de definitieve verordening leest, begrijpt reeds, dat juist specifieke normale waarden zijn samengesteld voor de vergelijking met de verkopen en de uitvoerprijzen berekend aan OEM' s . Om rekening te houden met het "verschil in kosten of winst" tussen de verkopen aan OEM' s en de verkopen onder het eigen merk van de fabrikant, is een lager winstniveau aangehouden voor de voor verkopen aan OEM' s samengestelde waarden . Dus reeds bij de samenstelling van de normale waarde op basis van artikel 2, lid 3, sub b, onder ii, van de basisverordening hebben de instellingen rekening gehouden met de eigen aard van de verkopen aan OEM' s .
34 . Was een correctie op grond van artikel 2, lid 10, van de basisverordening nog wel noodzakelijk, nu die beide parameters dus wel degelijk in hetzelfde handelsstadium - namelijk dat van de verkopen aan OEM' s - met elkaar konden worden vergeleken? Verzoekster lijkt er zelf niet van overtuigd, want zij geeft in punt 56 van het verzoekschrift toe, dat indien de instellingen in de samengestelde normale waarde naast een geringe winst, lagere verkoop -, administratieve en andere algemene kosten hadden begrepen, toepassing van artikel 2, lid 10, niet noodzakelijk was geweest .
35 . Zoals ik in mijn conclusie in de Nashua-zaken reeds opmerkte - en daarmee kunnen tevens de opmerkingen van Mita in haar memorie van interventie ( zaak C-156/87, Gestetner Holdings, Jurispr . 1990, blz . 800 ) worden weerlegd -, hebben de instellingen door een lagere winst te verrekenen in de samengestelde waarden voor de vergelijking met de uitvoerprijzen voor OEM' s, in feite rekening gehouden met de verschillen niet alleen in de winst, maar ook in de kosten . Enkel wegens het gebrek aan precieze gegevens daarover hebben zij dat gedaan in de vorm van één enkele factor, namelijk de winstmarge, die zij voor de verkopen aan OEM' s op 5 % hebben gesteld, tegen 14,6 % voor de bij de andere verkopen geconstateerde gemiddelde winstmarge . Vergeleken met het door verzoekster in bijlage 6 van haar beroepschrift voorgestelde cijfer hebben de instellingen zeker geen onredelijke schatting gemaakt .
36 . Voorts is er door het Hof reeds op gewezen in het arrest van 7 mei 1987 ( zaak 255/84, Nachi Fujikoshi, Jurispr . 1987, blz . 1861 ), dat anders dan bij de correcties in verband met de samenstelling van de uitvoerprijs, die ambtshalve door de communautaire instellingen worden toegepast krachtens artikel 2, lid 8, van de basisverordening ( 4 ), de in artikel 2, lid 10, bedoelde correcties ook op verzoek van een belanghebbende partij kunnen worden toegepast . Het Hof voegde daaraan toe, dat
"deze partij dan moet bewijzen dat haar verzoek gerechtvaardigd is, dit wil zeggen dat het gestelde verschil een van de in artikel 2, lid 9, genoemde factoren betreft, dat dit verschil van invloed is op de vergelijkbaarheid van de prijzen en dat, wanneer het zoals in het onderhavige geval in het bijzonder gaat om verschillen in de verkoopvoorwaarden, deze verschillen rechtstreeks in verband staan met de betrokken verkoop" ( r.o . 33 ).
37 . In het thans aan de orde zijnde geval was dat bewijs des te moeilijker te leveren, omdat ook nog twee in artikel 2, lid 10, sub c, van de basisverordening vervatte vermoedens van het tegendeel moesten worden weerlegd .
38 . Die bepaling laat in de eerste plaats correctie voor verschillen in handelsstadium slechts toe "voor zover hiermee niet op andere wijze rekening is gehouden ". Het enkele feit dat er volgens verzoekster verschillen in handelsstadium zijn, is dus voor een correctie op die grond krachtens artikel 2, lid 10, sub c, niet voldoende . Zij had ook nog moeten aantonen, dat met die verschillen geen rekening was gehouden door de andere, voor de verkoopvoorwaarden toegepaste correcties ( zie paragraaf 17 van de definitieve verordening ).
39 . In de tweede plaats bepaalt dat artikel, dat "in het algemeen geen correcties ( worden ) toegepast voor verschillen in administratieve en algemene kosten, met inbegrip van kosten voor onderzoek, ontwikkeling en reclame ". Nu de door verzoekster gevraagde correcties juist die kosten betreffen, had zij "een bijzondere omstandigheid ( moeten aantonen ) die een afwijking van deze regel zou kunnen rechtvaardigen ". ( 5 )
40 . Ook in de procedure voor het Hof is Gestetner er niet in geslaagd aan te tonen, dat haar verzoek om een correctie op grond van het handelsstadium gezien al deze voorwaarden gerechtvaardigd was . De conclusie kan dan ook zijn, dat de instellingen met de wijze waarop zij rekening hebben gehouden met het verschil in kosten en winst tussen de verkopen aan OEM' s en de verkopen aan andere onafhankelijke kopers, geen kennelijke fout en evenmin misbruik van bevoegdheid hebben begaan .
41 . Ook het tweede middel moet derhalve worden verworpen .
3 . Het begrip "bedrijfstak van de Gemeenschap"
42 . Met het derde middel stelt verzoekster, dat er "goede redenen" ( punt 67 van het verzoekschrift ) waren om Rank Xerox, Tetras, Olivetti en Océ ( of elk van deze ondernemingen ) van het begrip "bedrijfstak van de Gemeenschap" uit te sluiten . De instellingen moesten dat begrip definiëren om overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de basisverordening te kunnen vaststellen, of
"de invoer met dumping ... door het effect van de dumping ... schade veroorzaakt, dat wil zeggen aanmerkelijke schade aan een gevestigde bedrijfstak van de Gemeenschap ..., of een aanzienlijke vertraging bij de vestiging van een bedrijfstak meebrengt ".
43 . Ingevolge lid 5 van dat artikel moet onder "bedrijfstak van de Gemeenschap" worden verstaan
"alle producenten van soortgelijke produkten in de Gemeenschap of een aantal van deze producenten waarvan de gezamenlijke produktie een groot deel van de totale communautaire produktie van dit produkt vormt, met dien verstande dat :
- wanneer producenten met de exporteurs of importeurs verbonden zijn of zelf importeurs zijn van het produkt ten aanzien waarvan wordt beweerd dat dumping ... plaatsvindt, de uitdrukking 'bedrijfstak van de Gemeenschap' kan worden uitgelegd als betrekking hebbende op de rest van de producenten;
- ..."
44 . Uit die bepaling volgt, dat noch het enkele bestaan van een of andere band tussen een producent van de Gemeenschap en een exporteur of importeur, noch het enkele feit dat het betrokken produkt door een communautaire producent wordt ingevoerd, die producent automatisch uitsluit van de "bedrijfstak van de Gemeenschap" wat de schadebepaling betreft . Zoals de Raad herhaaldelijk voor het Hof heeft benadrukt en de Commissie in paragraaf 64 van de voorlopige verordening heeft herhaald, is
"de vraag of de uitdrukking 'bedrijfstak van de Gemeenschap' in artikel 4, lid 5, van verordening ( EEG ) nr . 2176/84 mede de producenten in de Gemeenschap die goederen met dumping invoeren, dient te omvatten, een aangelegenheid waarover alleen per geval en in het licht van alle ter zake doende gegevens met betrekking tot de aard van de banden tussen de betrokken producenten in de Gemeenschap en de exporteurs kan worden besloten ."
45 . Behalve dat die verklaring iedere grond ontneemt aan het door verzoekster gestelde over een vroeger gevolgde praktijk in andere zaken, maakt zij ook duidelijk, dat "goede redenen" of de mogelijkheid dat bepaalde producenten van de "bedrijfstak van de Gemeenschap" worden uitgesloten, niet voldoende zijn, wil het middel van schending van artikel 4, lid 5, van de basisverordening kunnen slagen . Aangezien de instellingen in deze beschikken over een ruime beoordelingsbevoegdheid, moet het meerekenen van de betrokken producenten tot de bedrijfstak van de Gemeenschap al op materieel onjuiste feiten of een kennelijk foutieve beoordeling van de feiten dan wel op misbruik van bevoegdheid berusten .
46 . Ik meen niet, dat verzoekster er in dit geval in is geslaagd aan te tonen, dat de Raad een van deze fouten heeft begaan dan wel misbruik van zijn bevoegdheid heeft gemaakt .
47 . Het gedeelte van de aangevochten verordening dat aan de definitie van de "bedrijfstak van de Gemeenschap" is gewijd, is een van de langste en zeker een van de duidelijkste van de gehele tekst . Volgens de inleiding van deel iii van hoofdstuk H, getiteld "Schade", was het juist wegens het feit dat alle betrokken producenten in de Gemeenschap ondernemingsrechtelijke of commerciële banden hebben met Japanse importeurs, dat de Commissie is overgegaan tot een "nauwkeurig onderzoek naar de positie van elk van de klagende ondernemers, gebaseerd op de specifieke feiten die de situatie van elke betrokken onderneming betreffen ". Vergelijking tussen de paragrafen 55 tot en met 77 van de definitieve verordening met de verschillende grieven van verzoekster wijst er dan ook geenszins op, dat de Raad, die de verschillende conclusies van de Commissie heeft bevestigd, een of meer aspecten waarop verzoekster zich beroept, heeft genegeerd .
48 . Voorts zijn de enige twee echt feitelijke klachten meer schijn dan werkelijkheid; zij zijn enerzijds te verklaren doordat verzoekster de invoer van kant en klare PPC' s en van onderdelen onder één noemer brengt, en anderzijds door het onderscheid dat zij aanbrengt tussen PPC' s van de segmenten 1 en 2 ( met geringe capaciteit ) en PPC' s van de overige in deze procedure betrokken segmenten .
49 . Wanneer zij, in tegenstelling tot wat de Raad in paragraaf 52 heeft vastgesteld, beweert, dat de invoer door Rank Xerox van PPC' s van Fuji Xerox meer dan ongeveer 8 % vertegenwoordigt van de verkopen en verhuur door Rank Xerox van kopieerapparaten van de segmenten 1 en 2, houdt zij immers niet slechts rekening met de rechtstreekse invoer van PPC' s, maar ook met de invoer van niet-gemonteerde apparaten en van onderdelen ( punt 78 van het verzoekschrift ). Tegelijkertijd gaat zij geheel voorbij aan de andere, meer algemene bevinding van de Raad in dezelfde paragraaf, dat over het tijdvak 1981 tot en met juli 1985 de wederverkopen door Rank Xerox van de ingevoerde Fuji Xerox-produkten minder dan 1 % vertegenwoordigden van haar verkopen en verhuur van nieuwe toestellen van de in de procedure aan de orde zijnde segmenten .
50 . En wanneer zij de bevindingen van de Raad in paragraaf 58 bestrijdt, betreffende de in de Gemeenschap toegevoegde waarde van PPC' s die door Rank Xerox waren vervaardigd in segment 1 tot en met 4, is haar argumentatie voorts in hoofdzaak slechts gebaseerd op de segmenten 1 en 2 ( zie vooral de punten 81 en 82 van de repliek ). Buiten het feit dat de door haar naar voren gebrachte cijfers binnen de door de Raad in paragraaf 55 aangehouden marge van 20 tot 35 % blijven, lijkt het mij echter volkomen juist, dat de Raad zich voor zijn eindconclusie, of Rank Xerox deel uitmaakte van de "bedrijfstak van de Gemeenschap", heeft laten leiden door de gewogen gemiddelde toegevoegde waarde voor alle door Rank Xerox in de segmenten 1 tot en met 4 geproduceerde PPC' s . Zoals de Raad het zelf in paragraaf 58 stelt,
"aangezien soortgelijke produkten in de procedure zijn gedefinieerd als alle fotokopieerapparaten, van personal copiers tot en met de in segment 5 van de Dataquest-indeling geklassificeerde toestellen, zou het onjuist zijn uitsluitend aan de hand van zijn produktie van één model of een beperkt gamma modellen na te gaan of een producent in de Gemeenschap deel uitmaakt van de bedrijfstak van de Gemeenschap ".
51 . Nu de door de Raad in aanmerking genomen feiten dus niet werkelijk zijn bestreden en evenmin op zich aanvechtbaar zijn, draait de controverse vooral om de beoordeling van die feiten door de Raad, met name de daaraan door hem verbonden rechtsgevolgen .
52 . Voor de beslissing, wie tot de "bedrijfstak van de Gemeenschap" moet worden gerekend, is een algemene beoordeling van de situatie door de instellingen noodzakelijk . Ingevolge artikel 4, lid 2, van de basisverordening heeft een onderzoek naar de schade betrekking op een aantal factoren, "waarbij één enkele of zelfs verscheidene van deze factoren niet noodzakelijkerwijze doorslaggevend zijn voor de beoordeling ". Het betreft de omvang en de prijs van de invoer met dumping en de invloed van deze factoren op de betrokken bedrijfstak . Op grond van deze bepaling mogen de instellingen bij de vaststelling van de schade een van die factoren zwaarder laten wegen dan de andere . Voorts zijn blijkens het arrest van 5 oktober 1988 ( gevoegde zaken 277/85 en 300/85, Canon, Jurispr . 1988, blz . 5731 ) de sub c van deze bepaling vermelde economische factoren die bij de beoordeling van de invloed van de omvang en de prijs van de invoer op de betrokken bedrijfstak in aanmerking moeten worden genomen, louter indicatief, zodat de instellingen zich tot slechts enkele daarvan mogen beperken, indien deze huns inziens een toereikende grondslag opleveren om tot een oordeel te kunnen komen ( zie het slot van r.o . 56 ).
53 . Bij de beoordeling of een producent voor de vaststelling van de schade moet worden uitgesloten van de definitie van de "bedrijfstak van de Gemeenschap", omdat hij ondernemingsrechtelijke of commerciële banden heeft met exporteurs of importeurs van het produkt, moet de vraag of hij zichzelf schade heeft toegebracht of heeft bijgedragen tot de schade van de gemeenschapsindustrie, eveneens worden beantwoord aan de hand van die factoren, namelijk de omvang van zijn importen, het prijsvoordeel dat hij heeft gekregen en met name de prijzen waartegen hij de ingevoerde produkten heeft wederverkocht alsook de invloed daarvan op andere aspecten van zijn eigen produktie en van andere producenten . Ook deze factoren vragen om een algemene beoordeling, waarbij de pro' s en contra' s van iedere factor tegen elkaar worden afgewogen en eventueel meer gewicht wordt toegekend aan de constateringen in verband met sommige van deze factoren dan aan die in verband met andere . Doorslaggevend is de algemene eindconclusie over de vraag, of de producenten in de Gemeenschap - gemeten aan al deze factoren - hebben bijgedragen aan de schade die zijzelf of de rest van de gemeenschapsindustrie hebben geleden .
54 . In het onderhavige geval hebben de instellingen dat inderdaad onderzocht . Uit verschillende paragrafen van de aangevochten verordening blijkt duidelijk, dat zij zich volledig ervan bewust zijn geweest, dat er factoren waren die elk voor zich vóór de uitsluiting van een aantal producenten van de "bedrijfstak van de Gemeenschap" konden pleiten . In paragraaf 58 maakt de Raad bij voorbeeld melding van
"twijfel ... ten aanzien van de vraag of de produktieactiviteiten van Rank Xerox in het Verenigd Koninkrijk voldoende waren om daaraan de status van producent van de Gemeenschap in de zin van artikel 4, lid 5, van verordening ( EEG ) nr . 2176/84 voor copiers van de segmenten 1 en 2 te kunnen ontlenen ".
In paragraaf 64 merkt hij op, dat Rank Xerox geen overtuigend bewijsmateriaal heeft overgelegd om aan te tonen, dat zij met de aankoop vanaf 1978 van fotokopieerapparaten met geringe capaciteit van Fuji Xerox, haar dochteronderneming in Japan, beoogde om zich te beschermen tegen de concurrentie met lage prijzen van de Japanse producenten . Tot de algemene conclusie dat Rank Xerox toch deel uitmaakte van de "bedrijfstak van de Gemeenschap", is de Raad dus gekomen op grond van andere relevante omstandigheden van het geval .
55 . Evenzo heeft de Raad met betrekking tot de situatie van Océ en Olivetti in paragraaf 71 een hele reeks argumenten genoemd, waarom die ondernemingen uiteindelijk zichzelf geen schade hebben berokkend, hoewel zij PPC' s tegen dumpingprijzen hadden ingevoerd om deze op OEM-basis te distribueren . De Raad heeft met name benadrukt, dat zij zulks hebben gedaan als "reactie op de behoefte hun klanten een volledig assortiment modellen aan te bieden" ( paragraaf 71, tweede streepje ). In tegenstelling tot hetgeen verzoekster stelt ( in de punten 71 en 72 van het verzoekschrift ), kan die overweging heel goed de conclusie rechtvaardigen dat die ondernemingen zichzelf en de andere gemeenschapsproducenten geen schade hebben toegebracht, zeker in samenhang met de constatering, dat de totale omvang van die importen gering was en dat de prijzen waartegen zij zijn verkocht, hoger lagen dan die van hun leveranciers . Op die gronden konden zij derhalve tot de "bedrijfstak van de Gemeenschap" worden gerekend wat het onderzoek naar de schade betreft . In ieder geval is een dergelijke aanpak door het Hof aanvaardbaar geacht in het arrest van 5 oktober 1988 ( gevoegde zaken 260/8 en 106/87, Tokyo Electric Company, Jurispr . 1988, blz . 5855, r.o . 47 ).
56 . Met betrekking tot Tetras moet ik toegeven, dat het verweer van de Raad, dat paragraaf 68 van de aangevochten verordening enkel betrekking heeft op de vraag, of die onderneming wat haar positie als klager betreft van de "bedrijfstak van de Gemeenschap" moet worden uitgesloten, moeilijk is te verzoenen met de letterlijke tekst van die paragraaf, luidens welke het feit dat Canon een participatie van 19 % in Tetras heeft genomen, met een optie op aankoop van nog eens 30 % van haar aandelen,
"geen invloed ( heeft ) gehad op de positie van Tetras als producent in de Gemeenschap of als klager, zodat Tetras voor deze procedure deel blijft uitmaken van de bedrijfstak van de Gemeenschap ".
Daar deze paragraaf in hoofdstuk H, getiteld "Schade", voorkomt, moet die conclusie wel betrekking hebben op artikel 4 van de basisverordening, dat eveneens het opschrift "Schade" draagt, en niet op artikel 5, "Klachten", zoals de Raad in punt 102 van zijn verweerschrift wil doen geloven .
57 . Beslissend lijkt mij evenwel, dat, zoals de Raad terecht betoogt, de situatie van Tetras geen rol heeft gespeeld, noch bij de beoordeling van de omvang van de schade noch bij de vaststelling van de hoogte van de anti-dumpingrechten . Blijkens paragraaf 107 van de aangevochten verordening is het recht dat nodig was om de aan de communautaire producenten van PPC' s toegebrachte schade op te heffen, immers berekend zonder inachtneming van gegevens over Tetras . Om de omvang van de aldus te compenseren schade te bepalen, is voorts enkel met de winstdaling bij Rank Xerox, Océ en Olivetti rekening gehouden ( paragraaf 81 ). Paragraaf 86, waarop verzoekster zich beroept, betreft slechts de vraag, of de niet in cijfers uitgedrukte schade die door Tetras was geleden, aan andere factoren dan dumping te wijten zou kunnen zijn .
58 . Ofschoon paragraaf 68 impliceert, dat Tetras tot de "bedrijfstak van de Gemeenschap" is gerekend, terwijl Tetras in feite daarvan had moeten worden uitgesloten op grond van haar banden met Canon, is dit derhalve onvoldoende grond voor nietigverklaring van de instelling van de anti-dumpingrechten, daar deze in casu niet op de situatie van Tetras waren gebaseerd .
59 . Ook het derde middel is derhalve ongegrond .
4 . Het belang van de Gemeenschap
60 . Ingevolge artikel 12, lid 1, van de basisverordening mogen anti-dumpingrechten onder meer slechts worden ingesteld "wanneer uit de definitieve vaststelling van de feiten blijkt dat ... de belangen van de Gemeenschap een communautair optreden noodzakelijk maken ". Verzoekster betwist, dat de Raad in casu de belangen van de Gemeenschap naar behoren in aanmerking heeft genomen . Zij verwijt de Raad met name, geen rekening te hebben gehouden met de structuur van de markt, vooral de mate van concentratie daarvan, en met de gevolgen die de instelling van anti-dumpingrechten, gezien die structuur, onvermijdelijk zou hebben voor de mededinging en de prijzen, en daarmee voor de consument .
61 . Ik zou hierbij in de eerste plaats willen aantekenen, dat de Raad zich voor de beoordeling van "de belangen van de Gemeenschap" inzicht moet verschaffen in een ingewikkelde economische situatie . Volgens vaste rechtspraak dient het Hof
"zich bij de toetsing van een dergelijke beoordeling te beperken tot de vraag, of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten ... juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid ". ( 6 )
62 . In de tweede plaats is de beoordeling door de Raad noodzakelijkerwijs algemeen, moet hij allerlei soms tegenstrijdige belangen tegen elkaar afwegen en stilstaan zowel bij de lange als bij de korte termijn . Al kan zijn beoordeling van een bepaald aspect misschien op zichzelf vatbaar zijn voor kritiek, dan wil dat derhalve nog niet zeggen, dat de beoordeling van het geheel als onjuist zou moeten worden beschouwd .
63 . Men behoeft slechts de paragrafen 88 en 89 van de definitieve verordening te lezen om te zien, dat "de standpunten van alle communautaire producenten, de Japanse exporteurs en de importeurs in de Gemeenschap, met name de OEM' s" ( paragraaf 88 ) daadwerkelijk in aanmerking zijn genomen en voorts, dat de Raad zowel rekening heeft gehouden met de concurrentiesituatie op de markt ( paragraaf 94 ) als met een eventuele prijsverhoging die zou kunnen uitgaan van de instelling van anti-dumpingrechten ( paragraaf 98 ), om te concluderen dat het "uiteindelijk op lange termijn in het belang van de Gemeenschap is de schadelijke gevolgen voor de betreffende communautaire bedrijfstak van de Japanse invoer met dumping op te heffen en dat de voordelen van een dergelijke bescherming duidelijk opwegen tegen eventuele gevolgen, vooral voor de prijzen, waarvan zou kunnen worden beweerd dat zij niet in het belang van de consument zijn" ( paragraaf 99 ).
64 . Overigens geloof ik niet, dat men de Raad een kennelijke fout in zijn beoordeling van de verschillende onderzochte aspecten kan verwijten .
65 . Wat de structuur van de markt betreft, is het in de eerste plaats niet evident dat Rank Xerox, die de belangrijkste producent in de Gemeenschap is, een machtspositie daarop inneemt, iets waarvan verzoekster dermate overtuigd is, dat zij in september 1986 tegen Xerox Corporation, de moederonderneming, een klacht heeft ingediend wegens schending van artikel 86 EEG-Verdrag . Hoewel volgens verzoekster de markt in haar geheel in aanmerking had moeten worden genomen, baseert zij zich ter illustratie van haar bewering uitsluitend op statistieken over het aantal verkochte fotokopieën, waarbij zij echter moet toegeven, dat een ander beeld ontstaat wanneer de markt aan de hand van het aantal verkochte PPC' s wordt geanalyseerd ( punten 98-100 van haar repliek ). En verder, nog daargelaten dat het niet aan de Raad is om in een anti-dumpingprocedure vooruit te lopen op een beslissing die de Commissie moet nemen in een procedure krachtens verordening nr . 17 van de Raad van 6 februari 1962 ( 7 ), hadden tijdens de referentieperiode waarop het betrokken anti-dumpingonderzoek betrekking had, ongeveer negentien producenten een deel van de communautaire markt voor PPC' s in handen en bedroeg het aandeel van alle producenten in de Gemeenschap te zamen slechts 19 % ( punt 109 van het verweerschrift ). Hierdoor verschilt het onderhavige geval duidelijk van het door verzoekster aangehaalde geval van de glycine van oorsprong uit Japan ( 8 ), waarin de concurrentiesituatie en de structuur van de communautaire markt werden gekenmerkt door het feit, dat er slechts één communautaire producent en twee niet-communautaire ondernemingen waren . Ofschoon het gevaar van een monopolie dus zeker groter was, achtte de Raad het in het belang van de Gemeenschap om beschermende maatregelen te nemen . En ook al volstond het uiteindelijk ingestelde recht niet om de geconstateerde schade geheel op te heffen, werd het bepaald op de schade die door een van de Japanse exporteurs was veroorzaakt . ( 9 )
66 . Voorts kon het feit dat een van de klagers tijdens de procedure werd overgenomen door een Japanse exporteur, bij de Raad terecht twijfels oproepen, of een onafhankelijke bedrijfstak nog wel overlevingskansen zou hebben . De verdwijning van producenten van de Gemeenschap zou de ontwikkeling van de markt in de richting van een oligopolie evenzeer hebben bevorderd als het eventuele vertrek van de Japanse exporteurs . Dat de Raad onder deze omstandigheden voorrang heeft gegeven aan de bedrijfstak van de Gemeenschap, is zeker in het belang van de Gemeenschap geweest .
67 . De door verzoekster voorspelde ontwikkeling lijkt trouwens geen realiteit te zijn geworden . Geen van de concurrenten heeft zich sinds de instelling van de voorlopige rechten uit de markt teruggetrokken en zeven Japanse ondernemingen zijn begonnen met de assemblage of produktie van machines in de Gemeenschap ( punt 80 van de dupliek ).
68 . Ten slotte lijkt het mij niet nodig, in te gaan op de mogelijke gevolgen die verordening nr . 1761/87 van de Raad van 22 juni 1987 ( 10 ) ( de zogeheten "schroevendraaier-verordening ") - die de instelling van anti-dumpingrechten mogelijk maakt op in de Gemeenschap geassembleerde produkten - op de ontwikkeling van de concurrentiesituatie in de Gemeenschap kan hebben . Die verordening is in werking getreden na de vaststelling van de aangevochten verordening, zodat de Raad op het tijdstip van de instelling van de definitieve anti-dumpingrechten er geen rekening mee behoefde te houden . Indien de gevolgen van de aangevochten verordening van dien aard zouden blijken, dat de handhaving van die rechten niet meer in het belang van de Gemeenschap zou zijn, dan zou het aan de Commissie zijn, een nieuw onderzoek in te stellen als bedoeld in artikel 14 van de basisverordening, hetzij op eigen initiatief hetzij op verzoek van een Lid-Staat of een "belanghebbende partij ".
69 . Het vierde middel is dus evenmin gegrond .
5 . De afwijzing van de aangeboden verbintenis
70 . De door Gestetner dienaangaande naar voren gebrachte argumenten zijn grotendeels identiek aan die van Nashua . Ik kan dan ook voor de wezenlijke punten verwijzen naar mijn conclusie in zaak C-150/87, waarin ik onder meer de opvatting heb verdedigd, dat de instellingen geen kennelijke fout hebben begaan door de traditionele praktijk te volgen om geen verbintenissen te aanvaarden van importeurs ( paragraaf 100 van de verordening van de Raad ). Op bladzijden 7 en 8 van haar verweerschrift in de onderhavige zaak heeft de Commissie overigens de redenen van die traditionele praktijk op bijzonder overtuigende wijze uiteengezet .
71 . Het betrof een verbintenis om de prijzen te verhogen ( Gestetner had een dergelijke verbintenis aangeboden, terwijl Nashua een beperking van de ingevoerde hoeveelheden had voorgesteld ), en de Commissie wijst er op bladzijde 9 van haar verweerschrift terecht op, dat de importeurs er zelfs dan nog steeds belang bij zouden hebben om het produkt tegen dumpingprijzen bij fabrikanten uit derde landen te kopen in plaats van in de Gemeenschap gefabriceerde toestellen aan te schaffen . De verbintenis zou hun een hoge winstmarge garanderen .
72 . De schade voor de producenten in de Gemeenschap zou dan even groot zijn als indien er geen verbintenis had bestaan . Het enige effect van een door een importeur aangegane verbintenis is een vermindering van de schade van de distributeurs van de in de Gemeenschap gefabriceerde goederen, hetgeen niet hetzelfde is als de opheffing van de schade van de producenten van de Gemeenschap .
73 . Bovendien zou men, indien men een verbintenis van een importeur zou aanvaarden, dat ook moeten doen met die van alle andere importeurs die in dezelfde situatie verkeren . Het aantal exporteurs is ( over het algemeen ) beperkt : indien het te groot is, worden er geen verbintenissen aanvaard . Het aantal potentiële importeurs is daarentegen steeds zeer groot . Deze argumenten gelden ook, als Gestetner als exporteur zou kunnen worden beschouwd, want ook het aantal potentiële exporteurs die geen producent zijn, kan zeer groot zijn . Ten slotte is er een vrij groot aantal typen fotokopieerapparaten . Een doeltreffende controle op de verbintenissen zou dan buitengewoon moeilijk worden .
74 . Ik geef het Hof in overweging, ook deze argumenten van de instellingen te honoreren, daar zij geen kennelijke beoordelingsfout bevatten en derhalve binnen de zeer ruime beoordelingsmarge vallen, die de instellingen volgens het Hof hebben . Het middel ontleend aan de afwijzing van de aangeboden verbintenis, moet derhalve eveneens worden verworpen .
Conclusie
75 . Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging :
- het beroep van Gestetner niet-ontvankelijk te verklaren voor zover het is gericht tegen de Commissie en voor zover het strekt tot nietigverklaring van verordening nr . 535/87 van de Raad als geheel;
- het beroep voor het overige ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren .
Hoewel verzoeksters subsidiaire vordering ontvankelijk moet worden verklaard, is zij niettemin op de essentiële punten in het ongelijk gesteld . Daarom stel ik voor, haar te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen die van interveniënte Cecom . Interveniënte Mita, die zich aan de zijde van Gestetner heeft gevoegd, behoort haar eigen kosten te dragen .
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) PB 1987, L 54, blz . 12 .
( 1)2 Verordening ( EEG ) nr . 2640/86 van de Commissie van 21.8.1986 tot instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van fotokopieerapparaten voor gewoon papier van oorsprong uit Japan ( PB 1986, L 239, blz . 5 ), hierna : "voorlopige verordening ".
( 2)3 Zie in die zin het arrest van het Hof van 29.5.1979 ( zaak 118/77, Import Standard Office, Jurispr . 1979, blz . 1277 ) waarin het Hof de bepaling van de aangevochten verordening, waarbij de definitieve inning van de voorlopige rechten werd geregeld, uitsluitend in aanmerking heeft genomen in de context van het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het beroep voor zover dat tegen die bepaling was gericht ( r.o . 24 en 27 ).
( 3)4 PB 1984, L 201, blz . 1 .
( 4)5 In casu betrof het verordening ( EEG ) nr . 3017//79 van de Raad van 20.12.1979 ( PB 1979, L 339 ), gewijzigd bij verordening nr . 2176/84, waarbij echter de thans in geding zijnde bepalingen nagenoeg gelijkluidend zijn overgenomen .
( 5)6 Zie in die zin vorenaangehaald arrest van 7.5.1987, zaak 255/84, Nachi Fujikoshi, Jurispr . 1987, blz . 1861, r.o . 35 .
( 6)7 Zie in die zin met name eerder aangehaald arrest van 7.5.1987, r.o . 21 .
( 7)8 Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag ( PB 1982, nr . 13, blz . 204 ).
( 8)9 Verordening ( EEG ) nr . 2322/85 van de Raad van 12.8.1985 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van glycine van oorsprong uit Japan ( PB 1985, L 218, blz . 1 ).
( 9)10 Zie in dat verband paragraaf 18 van verordening ( EEG ) nr . 2322/85, die moet worden gelezen in het licht van paragraaf 31 van verordening ( EEG ) nr . 997/85 van de Commissie van 18.4.1985 tot instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht ( PB 1985, L 107, blz . 8 ).
( 10)11 Verordening ( EEG ) nr . 1761/87 van de Raad van 22.6.1987 tot wijziging van verordening ( EEG ) nr . 2176/84 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap ( PB 1987, L 167, blz . 9 ).
Full & Egal Universal Law Academy