Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A - De feiten
1 . De zaak waarin ik thans conclusie neem, betreft een in juni 1985 door de Rekenkamer georganiseerd intern vergelijkend onderzoek ( CC/A/8/85 ). Aangezien dit vergelijkend onderzoek reeds het onderwerp vormde van de zaak 321/85, gevoegde zaken 322 en 323/85 en zaak 417/85 ( 1 ), kan ik mij thans bij de uiteenzetting van de feiten beperken tot enkele essentiële punten .
2 . Het vergelijkend onderzoek werd georganiseerd om te voorzien in een ambt in de loopbaan A 7/A 6 . Er meldden zich veertien sollicitanten, waaronder verzoekers, aan . De jury was van mening, dat geen van de veertien tot het schriftelijk examen kon worden toegelaten . Verzoekers kregen hiervan bij schrijven van 2 augustus 1985 bericht . Muysers was niet toegelaten omdat zijn beroepservaring geen verband hield met de aard van de te verrichten werkzaamheden ( en dus niet was voldaan aan de voorwaarde vermeld onder IV.2 van de kennisgeving van vergelijkend onderzoek ), terwijl de afwijzing van Toelp berustte op het feit dat het door hem overgelegde "Verwaltungsdiplom" geen toegang gaf tot categorie A ( hij voldeed dus niet aan de voorwaarde vermeld onder IV.1 a ) van de kennisgeving ).
3 . Omdat het hoofd van de afdeling Personeelszaken van de Rekenkamer aan de voorzitter van de jury te kennen gaf, dat hij de afwijzing van een aantal sollicitanten niet juist achtte, werden zij allen in de gelegenheid gesteld om tot uiterlijk 30 september 1985 aanvullende opmerkingen in te dienen . De jury bleef vervolgens echter bij haar aanvankelijk oordeel en bevestigde op 28 oktober 1985 de afwijzende besluiten van 2 augustus van dat jaar . Dit gebeurde ondanks het feit dat het tot aanstelling bevoegd gezag in een nota van 4 oktober 1985 aan de voorzitter van de jury had uiteengezet, hoe bepaalde toelatingsvoorwaarden ( namelijk die betreffende de toetsing van de talenkennis en de mogelijkheid om in een later stadium van de procedure nog originele stukken of voor eensluidend gewaarmerkte afschriften over te leggen ) moesten worden uitgelegd .
4 . Daar het tot aanstelling bevoegd gezag de beoordeling van de jury over het geheel genomen niet gerechtvaardigd achtte ( hetgeen er later toe leidde, dat het zich achter de beroepen van enkele sollicitanten stelde, namelijk in zaak 321/85 en in de gevoegde zaken 322 en 323/85 ), deelde het op 30 oktober 1985 aan alle sollicitanten mee, dat de procedure van het vergelijkend onderzoek "in afwachting van eventuele beroepen" werd geschorst . Diezelfde dag antwoordde de president van de Rekenkamer op een door een aantal sollicitanten gestelde vraag over de beroepstermijn, dat het Hof van Justitie ambtshalve nagaat of de termijnen in acht zijn genomen, dat een door het tot aanstelling bevoegd gezag geuite opvatting derhalve hoogstens een informatief karakter heeft, en dat de indiening van een klacht tegen een jurybesluit geen zin heeft, aangezien de betrokken instelling niet bevoegd is besluiten van een jury te vernietigen of te wijzigen .
5 . Desondanks diende Muysers op 30 oktober 1985 een klacht in tegen het hem betreffende afwijzende besluit, waarna hij evenwel geen verdere stappen ondernam .
6 . Vier andere sollicitanten ( waaronder niet Toelp ) stelden daarentegen, zoals reeds eerder vermeld, beroep in bij het Hof, zulks met gunstig gevolg . De besluiten om hen niet toe te laten tot het schriftelijk examen, werden op de navolgende gronden vernietigd : in het arrest van 23 oktober 1986 in zaak 321/85, omdat de jury niet had toegestaan dat in een later stadium van de procedure alsnog originelen of voor eensluidende gewaarmerkte afschriften werden overgelegd; in het arrest van dezelfde datum in de gevoegde zaken 322 en 323/85, omdat de jury bij de toetsing van het niveau van de kennis van de Franse taal uitsluitend was afgegaan op de door de sollicitanten verschafte subjectieve gegevens, en in het arrest van 4 februari 1987 in zaak 417/85, omdat de jury niet had toegestaan dat in een later stadium van de procedure nog stukken werden overgelegd, aan de hand waarvan kon worden vastgesteld dat de sollicitant een gelijkwaardige beroepservaring in de zin van punt IV.1 b ) van de kennisgeving had .
7 . Daarop werd - naar blijkt uit een besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 30 maart 1987 - de geschorste procedure hervat, doch enkel ten aanzien van de vier sollicitanten die door het Hof in het gelijk waren gesteld . Aangezien twee leden van de jury van hun functies ontheven wensten te worden, werden zij door twee anderen vervangen .
8 . Toen verzoekers kennis kregen van de voortgang van de procedure, richtten zij op 31 maart 1987 een verzoek tot de president van de Rekenkamer, om in de hervatte procedure ook hun sollicitatie in aanmerking te nemen . Bij schrijven van 29 april 1987 wees de president van de Rekenkamer dit verzoek af, op grond dat de besluiten van de jury van 28 oktober 1985 inmiddels definitief waren geworden en de in de drie bovengenoemde zaken gewezen arresten niet als nieuwe feiten konden worden beschouwd, aangezien daar andere vragen betreffende het vergelijkend onderzoek in geding waren dan die waarom het in deze zaak gaat .
9 . Omdat het ook na de indiening van een klacht daarbij bleef ( 2 ), hebben verzoekers op 1 juni 1987 beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit waarbij hun sollicitatie was afgewezen .
10 . Volledigheidshalve vermeld ik nog, dat verzoekers in het kader van deze procedure ook om schorsing van het vergelijkend onderzoek hebben verzocht . Dit verzoek is echter bij beschikking van de president van de Tweede kamer van 3 juni 1987 afgewezen ( met aanhouding van de beslissing omtrent de kosten tot de uitspraak van het Hof in de hoofdzaak ). Tot slot wijs ik er nog op, dat - zoals ter terechtzitting is gebleken - het vergelijkend onderzoek inmiddels is beëindigd en de verzoeker in zaak 321/85 - als eerste geplaatst op de lijst van geschikte kandidaten - in het betrokken ambt is aangesteld .
B - Discussie
Mijn standpunt in deze zaak is als volgt .
11 . Het is duidelijk dat het in deze zaak in hoofdzaak draait om de vraag of het beroep ontvankelijk is, dan wel of het niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond dat verzoekers hebben nagelaten direct nadat het eerste afwijzende besluit door de jury was bevestigd ( dus na 28 oktober 1985 ), beroep in te stellen tegen hun uitsluiting uit het vergelijkend onderzoek .
12 . Wat de Rekenkamer ervan vindt, is al bij de uiteenzetting van de feiten duidelijk geworden . Zij is vóór alles van mening dat, volgens vaste rechtspraak van het Hof, de door verzoekers op 31 maart 1987 tot de president van de Rekenkamer gerichte verzoeken geen nieuwe termijnen konden doen ingaan voor zover het gaat om de vraag of verzoekers bij de besluiten van 28 oktober 1985 terecht van het schriftelijk examen zijn uitgesloten . Ook zouden die verzoeken niet gerechtvaardigd zijn op grond dat zich nieuwe feiten hebben voorgedaan . In geen geval zouden de arresten in de drie genoemde zaken als nieuwe feiten zijn te beschouwen, aangezien zij andere vragen betreffen ( andere punten van de kennisgeving van vergelijkend onderzoek ) en de Rekenkamer bovendien in twee van die zaken - anders dan in de onderhavige zaak - uitdrukkelijk had verklaard het oordeel van de jury niet juist te achten .
13 . Verzoekers daarentegen willen er niet van horen, dat zij de termijn voor beroep op het Hof zouden hebben laten verstrijken . Hun raadsman heeft dienaangaande ter terechtzitting vooral betoogd, dat het beroep niet gericht is tegen het besluit van de jury van oktober 1985, maar tegen het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 30 maart 1987 om het vergelijkend onderzoek enkel voort te zetten met de vier sollicitanten die door het Hof in het gelijk waren gesteld . Daarbij zou vooral van belang zijn, dat de door verzoekers tegen het besluit van 29 april 1987 ingediende klachten uitdrukkelijk zijn afgewezen .
14 . Verzoekers voerden verder aan, dat er op 28 oktober 1985 geen beroepstermijn was ingegaan omdat het tot aanstelling bevoegd gezag op 30 oktober 1985 aan alle sollicitanten had meegedeeld, dat het vergelijkend onderzoek was geschorst . Dit zou niets anders betekenen dan dat het afwijzende besluit van de jury was geschorst en dus tijdelijk geen rechtsgevolg had kunnen hebben . Voorts was volgens verzoekers van belang, dat het Hof in zijn arresten in zaak 321/85 en in de gevoegde zaken 322 en 323/85 het vergelijkend onderzoek in zijn geheel ongeldig had verklaard, zodat men er niet van uit kon gaan, dat de besluiten van de jury definitief waren geworden .
15 . Niet in de laatste plaats moet volgens verzoekers evenwel worden erkend, dat zich nieuwe feiten in de zin van 's Hofs rechtspraak ter zake hebben voorgedaan, op grond waarvan zij gerechtigd waren hun verzoek van 31 maart 1987 in te dienen . De enkele omstandigheid dat de jury van samenstelling is veranderd, zou reeds als een nieuw feit zijn te beschouwen . Een nieuw feit zou ook zijn de uitspraak van het arrest van het Hof van 4 februari 1987 in zaak 417/85 . Want wat het Hof in die zaak besliste, zou ook voor verzoekers van belang zijn, namelijk dat de jury verkeerd had gehandeld door niet toe te staan dat in een later stadium van de procedure nog stukken werden overgelegd waaruit kon blijken dat de verzoekers voldeden aan de voorwaarden van de kennisgeving van vergelijkend onderzoek .
16 . Het standpunt nu van de Rekenkamer in dezen - laat mij dat thans reeds zeggen - komt mij veel overtuigender voor dan de argumenten van verzoekers .
17 . Volgens het verzoekschrift - en daarop komt het aan - betreft het onderhavige geschil de uitsluiting van verzoekers van het vergelijkend onderzoek . Als ik het goed zie, is dat gebeurd door besluiten van de jury van 2 augustus 1985, die op 28 oktober daaraanvolgend werden bevestigd . In beginsel hadden verzoekers tegen dat besluit tijdig moeten opkomen, door zich hetzij onmiddellijk hetzij na eerst een klacht te hebben ingediend, tot het Hof te wenden . Maar dat is, zoals wij weten, niet gebeurd .
18 . Het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 30 maart 1987, waarop verzoekers zich thans beroepen ( en dat ons overigens niet is overgelegd ), heeft daarentegen goed beschouwd geen enkele essentiële wijziging gebracht ten aanzien van de vraag waar het in casu in wezen om gaat ( de afwijzing van de sollicitatie van verzoekers ). Dit besluit strekte er enkel toe, de door het besluit van 30 oktober 1985 onderbroken procedure van het vergelijkend onderzoek voort te zetten . Althans wat de tot het vergelijkend onderzoek toegelaten sollicitanten betreft, was het eenvoudig gebaseerd op de eerdere besluiten van de jury, waarbij in bepaalde gevallen rekening werd gehouden met de arresten van het Hof waardoor sommige jurybesluiten nietig waren verklaard . Wat de tot de volgende fase van het vergelijkend onderzoek toegelaten groep sollicitanten betreft, bevatte het echter geen eigen, nieuwe beslissing en het kon derhalve ook geen nieuwe beroepstermijn doen ingaan . Om die reden is overigens ook de verwijzing van verzoekers naar het besluit van 26 mei 1987, waarbij hun klacht expliciet werd afgewezen, een slag in de lucht . Men dient immers niet uit het oog te verliezen, dat dit besluit niet meer was dan een uitdrukkelijke niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek van 31 maart 1987, op grond van het feit dat de jurybesluiten van 28 oktober 1985 inmiddels definitief waren geworden .
19 . Men kan evenmin staande houden, dat de besluiten van de jury van 28 oktober 1985 ten gevolge van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 30 oktober 1985 of van de genoemde arresten van het Hof, ongeldig zijn geworden .
20 . Uit het besluit van 30 oktober 1985 kan men geenszins opmaken, dat alle besluiten van de jury daardoor tijdelijk hun rechtsgevolg verloren . Het bevatte immers enkel de mededeling, dat de procedure in afwachting van eventuele beroepen werd geschorst ( zulks ten einde de gerezen geschilpunten te kunnen oplossen ). Dat betekende echter ook, dat na de oplossing van die geschilpunten het vergelijkend onderzoek zou worden voortgezet, daarbij in principe uitgaande van de situatie zoals die was op 28 oktober 1985 .
21 . Verder bestaat er geen twijfel over, dat de arresten ( dit blijkt uit beider laatste alinea - rechtsoverweging 21 respectievelijk rechtsoverweging 18 ) zich beperken tot nietigverklaring van de besluiten waarbij de verzoekers in die zaken de toelating tot het schriftelijke examen was geweigerd . Men kan er geenszins uit afleiden, dat het vergelijkend onderzoek in zijn geheel ongeldig werd verklaard . Dit kan men zeker niet afleiden uit rechtsoverweging 13 ( respectievelijk 14 ), die luidt als volgt :
" Is het tot aanstelling bevoegd gezag derhalve, zoals in casu, van oordeel, dat de jury een of meer sollicitanten op onregelmatige wijze van deelname aan het vergelijkend onderzoek heeft uitgesloten en dat daardoor het gehele vergelijkend onderzoek ongeldig is geworden, dan kan het geen van de kandidaten aanstellen . Het dient die situatie dan bij gemotiveerd besluit vast te stellen en het vergelijkend onderzoek na een nieuwe aankondiging en de eventuele aanwijzing van een nieuwe jury in zijn geheel te hervatten . "
22 . Want in aansluiting daarop overweegt het Hof ook : "Wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag een dergelijk besluit niet neemt, staat het aan het Hof om, op beroep van de betrokkenen, rechtstreeks over de wettigheid van het jurybesluit te beslissen ." Dit is nu juist hetgeen destijds is gebeurd : er was geen besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag, waarbij werd vastgesteld dat het gehele vergelijkend onderzoek ongeldig was, en derhalve diende het Hof de omstreden besluiten van de jury nietig te verklaren .
23 . Ook is er in casu geen sprake van de omstandigheden die volgens de rechtspraak vereist zijn om met een later ingediend verzoek te kunnen terugkomen op een niet binnen de gestelde termijn bestreden besluit en herziening ervan te kunnen vragen : er hebben zich geen belangrijke nieuwe feiten voorgedaan . ( 3 )
24 . De wijziging van de samenstelling van de jury is zeker niet als een dergelijk belangrijk nieuw feit te beschouwen . Die wijziging betekent namelijk niet, dat er een nieuwe jury is aangewezen in het kader van een nieuw vergelijkend onderzoek ( in de zin van rechtsoverweging 14 van het arrest in de gevoegde zaken 322 en 323/85 ). In casu ging het immers enkel om de vervanging van twee aanvankelijk door de administratie benoemde juryleden, die na de arresten van het Hof van hun functie ontheven wensten te worden . Deze vervanging lijkt voor de verdere procedure inderdaad volstrekt onproblematisch, want al op 30 oktober 1985 was duidelijk dat zij, nadat enkele punten van geschil door de rechter zouden zijn opgelost, in voorkomend geval zou worden voortgezet .
25 . Ook de arresten in de zaak 321/85 en in de gevoegde zaken 322 en 323/85 kunnen geen nieuwe feiten zijn . In dit verband wijs ik erop, dat men uit de hiervóór aangehaalde passage ( beginnend met de woorden : "Is het tot aanstelling bevoegd gezag derhalve, zoals in casu, van oordeel ...") niet kan afleiden, dat er een absolute verplichting bestond om het gehele vergelijkend onderzoek over te doen . Daarvan wordt enkel gesproken voor het geval dat het tot aanstelling bevoegd gezag beslist dat het gehele vergelijkend onderzoek ongeldig is . In casu was dit evenwel niet gebeurd, zodat het Hof - overeenkomstig de laatste zin van de geciteerde passage - over de wettigheid van de omstreden jurybesluiten had te beslissen . Daarbij is overigens ook van belang, dat het in genoemde arresten om problemen ging die voor verzoekers in deze zaak niet van belang zijn ( die problemen heb ik hierboven reeds uiteengezet en thans mag ik wel ermee volstaan, ernaar te verwijzen ).
26 . Tot slot kan men ook het arrest in de zaak 417/85 niet als een nieuw feit beschouwen . In die zaak werd - zoals reeds gezegd - geklaagd over de weigering van de jury om in een later stadium van de procedure de overlegging toe te staan van stukken waaruit kon worden opgemaakt, dat verzoeker beschikte over een gelijkwaardige beroepservaring gedurende een voldoende lange periode, in de zin van de kennisgeving van vergelijkend onderzoek . Immers, anders dan verzoekers' raadsman ter terechtzitting betoogde, kan men niet staande houden, dat er in het geval van verzoekers een soortgelijke problematiek speelde en dat er derhalve aanleiding was om hen, overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling, op de voet van dat arrest te behandelen . Ik zei reeds, waarom verzoekers van deelneming aan het vergelijkend onderzoek werden uitgesloten : bij Toelp was het bezwaar, dat hij geen universitair diploma had overgelegd, doch enkel een diploma van een instituut voor bestuurskunde (" Verwaltungsakademie ") en dat hij bovendien geen gelijkwaardige beroepservaring had; Muysers is niet tot het schriftelijk examen toegelaten, omdat zijn beroepservaring volgens de jury geen verband hield met de aard van de te vervullen functie . Het ging er bij hen dus niet om, of zij in een later stadium nog stukken konden overleggen ten bewijze dat zij wél aan de betrokken toelatingsvoorwaarden voldeden . Het ging daarentegen enkel om de juiste beoordeling van de door hen verschafte informatie ( niveau van een "Verwaltungsdiplom"; werkzaamheden bij het Orient-Institut der Deutschen Morgenlaendischen Gesellschaft respectievelijk bij het "Verband der deutschen Schiffbauindustrie "). Dit blijkt overigens ook uit de door Muysers op 30 oktober 1985 tegen het afwijzende besluit ingediende klacht; deze klacht was niet gericht tegen het feit dat verzoeker niet in staat was gesteld om achteraf het bestaan van voor de functie relevante beroepservaring aan te tonen, maar enkel tegen het oordeel van de jury, dat Muysers' beroepservaring onvoldoende verband hield met de te vervullen functie .
27 . Men kan dus niet anders dan de opvatting van de Rekenkamer delen en vaststellen, dat verzoekers' beroep op grond van termijnoverschrijding niet-ontvankelijk moet worden verklaard .
28 . Gezien dit duidelijke resultaat, komt het mij niet zinvol voor, nog opmerkingen te maken over de gegrondheid van het beroep . Zoals ter terechtzitting terecht is opgemerkt, hebben verzoekers hierover ook nauwelijks iets gezegd .
29 . Wellicht is nog wel een opmerking op zijn plaats over de kostenbeslissing . Zoals bekend, was de Rekenkamer van oordeel dat verzoekers, die door haar voldoende waren ingelicht over de beroepstermijnen, wegens de klaarblijkelijke niet-ontvankelijkheid van hun beroep in alle kosten moesten worden verwezen . Daartegen heeft de raadsman van verzoekers, die betwistte dat verzoekers van de beroepsmogelijkheden in kennis waren gesteld, zich met klem verzet . Ik geloof, dat wij de Rekenkamer op dit punt niet moeten volgen . Daarbij kan in het midden blijven, wat bedoelde "inlichtingen" nu precies om het lijf hadden . Men zal moeten toegeven, dat de arresten in zaak 321/85 en in de gevoegde zaken 322 en 323/85 ( 4 ) op het eerste gezicht de conclusie rechtvaardigen, dat de Rekenkamer uitdrukkelijk is verzocht het vergelijkend onderzoek in zijn geheel te hervatten . Er kan dus geen sprake zijn van een vexatoir beroep . Het lijkt mij daarom redelijk, de regel van artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering toe te passen, en dit ook voor de kosten van het kort geding .
C - Conclusie
30 . Concluderend geef ik het Hof in overweging, het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, met verwijzing van elk der partijen in de eigen kosten .
(*) Vertaald uit het Duits .
( 1 ) Arresten van 23 oktober 1986 ( zaak 321/85, Schwiering, en gevoegde zaken 322 en 323/85, Hoyer en Neumann, Jurispr . 1986, blz . 3199 resp . 3215 ) en 4 februari 1987, zaak 417/85, Maurissen, Jurispr . 1987, blz . 551 ).
( 2 ) Zie het op de klacht van 14 mei 1987 genomen besluit van 26 mei 1987 .
( 3 ) Arrest van 15 mei 1985, zaak 127/84, Esly, Jurispr . 1985, blz . 1437 .
( 4 ) R.o . 13 resp . r.o . 14 .
Full & Egal Universal Law Academy