Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . In deze zaak heeft de Commissie, ondersteund door het Koninkrijk der Nederlanden, het Hof verzocht vast te stellen dat de Franse Republiek, door de kleinhandelsprijzen voor tabaksfabrikaten niet vast te stellen op het niveau dat door de fabrikanten of importeurs is bepaald, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 5, lid 1, van richtlijn 72/464/EEG van de Raad van 19 december 1972 betreffende de belasting, andere dan omzetbelasting, op het verbruik van tabaksfabrikaten ( 1 ), en krachtens artikel 30 EEG-Verdrag .
2 . Bovendien zou de Franse Republiek, door niet de nodige maatregelen te treffen ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van 21 juni 1983, de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet zijn nagekomen .
3 . In dat arrest ( zaak 90/82 ) ( 2 ) verklaarde het Hof, dat de Franse Republiek niet had voldaan aan de krachtens het gemeenschapsrecht op haar rustende verplichtingen, doordat de geldende wetgeving het de fabrikanten en importeurs niet mogelijk maakte, de detailhandelsprijzen van tabaksfabrikaten vrijelijk te bepalen .
4 . De betrokken Franse rechtsvoorschriften waren destijds neergelegd in wet nr . 76-448 van 24 mei 1976 houdende aanpassing van het monopolie voor tabaksfabrikaten ( 3 ) en decreet nr . 76-1324 van 31 december 1976 inzake het economische en fiscale regime voor tabaksfabrikaten . ( 4 )
5 . Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 6 van wet nr . 76-448 was in artikel 10 van decreet nr . 76-1324 bepaald, dat de kleinhandelsprijzen van tabaksfabrikaten zouden worden vastgesteld bij besluit van de minister van Economische Zaken en financiën .
6 . Om uitvoering te geven aan het arrest van 21 juni 1983 en de vrije vaststelling van de detailhandelsprijzen te verzoenen met de vereisten van het in Frankrijk sinds 1945 geldende stelsel van prijzencontrole, publiceerde de Franse regering na overleg met de Commissie op 24 januari 1985 ( 5 ) een kennisgeving betreffende de vaststelling van de kleinhandelsprijzen van tabaksfabrikaten . Deze kennisgeving liet de bestaande wettelijke regeling ongewijzigd; zij bepaalde, hoe deze voortaan zou worden toegepast .
7 . Volgens de kennisgeving
a ) worden de prijzen van produkten die voor het eerst op de markt worden gebracht, twee maanden voor de datum waarop het in de verkoop brengen ervan is voorzien, aangemeld;
b ) worden de prijzen van produkten die op de Franse markt reeds worden verhandeld, vastgesteld in onderling overleg tussen fabrikanten/importeurs en de Franse autoriteiten, op de datum van toepassing ervan door de betrokken fabrikanten of importeurs aangemeld bij het directoraat-generaal mededinging en verbruik, om vervolgens bij besluit van de minister van Economische Zaken, Financiën en Begroting in het JORF te worden bekendgemaakt .
8 . Volgens de Commissie voldeed de kennisgeving inhoudelijk aan de vereisten van het gemeenschapsrecht in de door het Hof in het arrest van 21 juni 1983 gegeven uitlegging, voor zover zij tot gevolg scheen te hebben dat de Franse autoriteiten de door de fabrikanten of importeurs aangemelde prijzen bekrachtigden .
9 . Van verschillende ondernemers evenwel ontving de Commissie klachten, dat de bevoegde Franse minister nieuw aangemelde prijzen weigerde te bekrachtigen met een beroep op een algemeen beleid tot afremming van de prijsstijging .
10 . Daarmee werd de aandacht van de Commissie erop gevestigd, dat de Franse regering aan de kennisgeving een uitlegging gaf die haars inziens niet strookte met het gemeenschapsrecht .
11 . Het probleem dat thans aan de orde is, betreft kort gezegd de vraag, of op grond van de wijzigingen die in de Franse rechtsorde zijn ingevoerd na het arrest van 21 juni 1983, al dan niet kan worden gesteld dat op het gebied van de vaststelling van de detailhandelsprijzen van tabaksfabrikaten aan de vereisten van het gemeenschapsrecht is voldaan .
12 . Ik zal het betoog van partijen met betrekking tot elk van beide grieven van de Commissie onderzoeken .
1 . Schending van artikel 5, lid 1, van richtlijn 72/464/EEG
13 . Artikel 5, lid 1, van de richtlijn bevat het beginsel, dat de "fabrikanten en importeurs vrijelijk de maximum kleinhandelsverkoopprijzen van hun produkten vaststellen", zij het onverminderd "de toepassing van de wettelijke bepalingen van de Lid-Staten inzake prijzencontrole of de inachtneming van de vastgestelde prijzen ".
14 . Ter beoordeling van de verenigbaarheid van de Franse voorschriften met voornoemd artikel moet de noodzakelijke samenhang tussen de twee delen waaruit het is samengesteld, voor ogen worden gehouden, inzonderheid, gelijk het Hof in zaak 90/82 reeds oordeelde, de betekenis van het dubbele voorbehoud in de tweede volzin, betreffende de toepassing van de nationale wettelijke bepalingen inzake prijzencontrole respectievelijk de inachtneming van de vastgestelde prijzen .
15 . Gelijk het Hof verklaarde in het arrest van 21 juni 1983, moeten deze voorbehouden "aldus worden uitgelegd, dat de inhoud ervan wordt verzoend met de regel dat de fabrikant of importeur de verkoopprijs vrijelijk vaststelt, voor zover deze regel, op het door de richtlijn bestreken gebied, de uitdrukking vormt van het beginsel van het vrije verkeer van goederen onder normale mededingingsvoorwaarden, dat in de considerans van de richtlijn wordt herhaald" ( r.o . 20 ).
16 . Aangaande de "inachtneming van de vastgestelde prijzen" overwoog het Hof ( r.o . 23 ) dat deze uitdrukking, in het kader van de belastingregeling voor tabak, "moet worden opgevat als een prijs die - eenmaal door de fabrikant of importeur vastgesteld en door de overheid bekrachtigd - als maximumprijs geldt en als zodanig in alle stadia van de distributieketen tot en met de verkoop aan de verbruiker moet worden in acht genomen ".
17 . In het arrest van 16 november 1977 ( Inno/Atab ) ( 6 ) overwoog het Hof nog uitdrukkelijker, dat de tweede volzin van artikel 5, lid 1, niet kan worden uitgelegd als een verbod aan de Lid-Staten om voor ingevoerde of binnenslands geproduceerde tabaksfabrikaten voor de verkoop aan de verbruiker een op het fiscale bandje vermelde verkoopprijs op te leggen, mits die prijs vrijelijk door de fabrikant of importeur is vastgesteld .
18 . In het stelsel van de richtlijn, aldus het arrest 90/82, bestaat er dus "geen tegenstrijdigheid ... tussen de regel dat de prijs door de fabrikant of importeur vrijelijk wordt vastgesteld, en de aan de Lid-Staten toegekende bevoegdheid om de inachtneming te verzekeren van de vastgestelde prijs, die niets anders is dan de door de fabrikant of importeur bepaalde importprijs, die is bekrachtigd door de staat en als zodanig bindend is voor elke handelaar" ( r.o . 25 ).
19 . De Commissie nu erkent weliswaar, dat de prijzen van tabaksfabrikaten die in Frankrijk voor het eerst op de markt worden gebracht, vrij kunnen worden bepaald, maar betoogt dat de Franse autoriteiten de door hen gepubliceerde kennisgeving zodanig toepassen, dat de prijzen van reeds in de handel zijnde produkten door de producent of importeur niet vrij kunnen worden vastgesteld . De prijs waartegen aan de groothandelaar wordt verkocht, die de tegenprestatie voor de fabrikant of importeur vormt, zou gezien het in Frankrijk toegepaste systeem slechts een variabele grootheid zijn, die afhangt van besluiten van de Franse overheid : enerzijds de kleinhandelsprijs, die wordt bepaald door wet nr . 76/448 en decreet nr . 76/1324, en anderzijds de distributiemarges ( in 1976 bepaald op 8 % van de kleinhandelsprijs ), en de belastingen ( accijns en BTW ). De prijs die de fabrikant of importeur ontvangt zou enkel en alleen het verschil tussen deze twee grootheden zijn en door eerstgenoemde niet vrij kunnen worden bepaald . Bedoeld verschil zou volgens de berekeningen van de Nederlandse regering ( en gelijk ook de deskundigen van de Franse regering ter terechtzitting hebben erkend ) rond 18 % van de kleinhandelsprijs bedragen .
20 . Dit heeft volgens de Commissie tot gevolg, dat het producenten uit andere Lid-Staten onmogelijk is, prijzen toe te passen die hun produktiekosten dekken . De Commissie beroept zich in dit verband op statistische gegevens over de ontwikkeling van de prijzen van de fabrikant en van de produktiekosten in Frankrijk en Nederland, waarbij zij tevens rekening houdt met schommelingen van de wisselkoersen binnen het EMS .
21 . De Franse regering betwist niet, dat zij zich bemoeit met de vaststelling van de kleinhandelsprijzen van op de Franse markt reeds verhandelde produkten alsook met de marges van de detailhandelaar en het niveau van de belastingen . Zij zou zich evenwel niet bemoeien met de vaststelling van de verkoopprijs en daarmee de distributiemarge van de groothandelaar-importeur . Binnen het kader van de detailhandelsprijs zouden partijen in onderling overleg het aandeel van de door de groothandelaar te betalen prijs en van de marge van de groothandelaar-importeur bepalen . Op de Franse markt zouden er derhalve importmarges en groothandelsprijzen bestaan die variëren al naar gelang de importeur en de afspraken tussen partijen .
22 . Bovenstaande uiteenzettingen van de Franse regering zijn verre van toereikend .
23 . Artikel 5, lid 1, van richtlijn 72/464/EEG drukt het beginsel uit, dat de maximumkleinhandelsprijzen van tabaksfabrikaten door de fabrikanten en importeurs vrijelijk worden vastgesteld . Gelijk hiervoor is gebleken, mag de bemoeiing van de overheid hierbij niet verder gaan dan de eenvoudige bekrachtiging van de door de fabrikant of importeur na meetelling van de belastingen vrijelijk bepaalde prijs .
24 . In een sector die wordt gekenmerkt door een sterk overheidsoptreden - zowel doordat zware belastingen worden geheven als door het bestaan van produktie - of distributiemonopolies - is voornoemd beginsel van bijzonder belang om de werking van de gemeenschappelijke markt te verzekeren door verwijdering van de factoren die het vrije verkeer kunnen belemmeren en de mededingingsvoorwaarden, zowel op nationaal als op intracommunautair niveau, kunnen vervalsen ( derde overweging van de richtlijn ).
25 . Het Franse systeem voldoet echter niet geheel aan deze voorwaarden .
26 . De onderhandelingsvrijheid tussen fabrikanten of importeurs en groothandelaars is beperkt tot de verdeling van een restant : het bedrag dat overblijft nadat de detailhandelsprijs is verminderd met de distributiemarge van de detailhandelaar en de belastingen . Die detailhandelsprijs wordt namelijk door de bevoegde minister vastgesteld .
27 . Ter terechtzitting hebben de gemachtigden van de Franse regering ten slotte toegegeven, dat de vrijheid van de fabrikanten en importeurs zich slechts uitstrekt tot de verdeling, en niet tot de vaststelling van de grootte van de koek ( dat wil zeggen de maximum detailhandelsprijs ).
28 . Door op deze manier de verbruikersprijzen van tabaksfabrikaten vast te stellen, beperken de Franse autoriteiten zich niet tot de bekrachtiging van de door de fabrikant of importeur vrijelijk vastgestelde prijs . Bij de beperking van die vrijheid van de fabrikant of importeur overschrijden zij duidelijk de grenzen van de voorrechten die hun zijn toegekend om de "inachtneming van de vastgestelde prijzen" te waarborgen .
29 . Kan dit gedrag zijn rechtvaardiging vinden in de toepassing van de nationale wettelijke bepalingen inzake "prijzencontrole"?
30 . Dit is het standpunt van de Franse regering, voor wie in de sector tabaksfabrikaten de overgang van een stelsel van vastgestelde prijzen naar een stelsel van vrije bepaling van de maximumprijzen door de fabrikant of importeurs niet ineens kan plaatsvinden zonder dat zulks ongewenste gevolgen zou hebben vanuit het oogpunt van de inflatiebestrijding .
31 . Om die reden voorzagen de Franse autoriteiten in een geleidelijke liberalisatie van de prijzen in de onderhavige sector, rekening houdend met de economische gevolgen daarvan en de mededingingsverhoudingen in de tabakssector .
32 . Dit zou passen in de ontwikkeling van het in Frankrijk nog geldende algemene stelsel van prijzencontrole . Eind 1982 werd de sinds 1945 geldende algemene prijsstop vervangen door een prijsbeheersingssysteem, dat op zijn beurt geleidelijk werd versoepeld en naderhand opgeheven in sectoren waarin volgens de Franse regering de mededinging tussen ondernemingen bevredigend functioneerde en door haar regulerende invloed op de prijsontwikkeling bijzondere controlemaatregelen overbodig had gemaakt .
33 . Het tijdschema voor de geleidelijke liberalisatie van de prijzen in de tabakssector was gericht op volledige opheffing van de controles en afschaffing van de interventies in de prijsvorming in 1989 .
34 . Intussen werd op 1 januari 1987 iedere prijzencontrole in alle economische sectoren afgeschaft, met uitzondering van een klein aantal diensten en produkten, waaronder tabaksfabrikaten .
35 . Volgens de Franse regering hebben de wettelijke voorschriften van 1976 enkel het in 1945 ingevoerde algemene beginsel van prijzencontrole naar de tabakssector overgeheveld; door toepassing van de kennisgeving van 24 januari 1985 moesten achterstanden in de prijsontwikkeling worden ingehaald en bepaalde in het verleden vastgestelde verschillen worden rechtgetrokken .
36 . Mijns inziens is het standpunt van de Franse regering onhoudbaar .
37 . Gelijk het Hof reeds heeft verklaard, kan de uitdrukking "prijzencontrole" in artikel 5 van de richtlijn "niet aldus worden uitgelegd, dat zij de Lid-Staten een discretionaire bevoegdheid tot vaststelling van de tabaksprijs toekent, omdat de uitoefening van een vergaande bevoegdheid het in de eerste zin van artikel 5, lid 1, neergelegde beginsel van de vrije prijsbepaling nagenoeg van elk nuttig effect berooft" ( arrest 90/82, r.o . 21 ). Het Hof voegde daaraan toe, dat "uit de gebruikelijke beperking van het woord 'controle' , alsook uit een vergelijking tussen de verschillende taalversies van de richtlijn en het feit dat in een aantal daarvan wordt gesproken van het 'niveau' van de prijzen, valt op te maken dat met de uitdrukking 'prijzencontrole' niets anders kan zijn bedoeld dan de algemene wettelijke bepalingen van de Lid-Staten tot afremming van de prijsstijging" ( idem, r.o . 22 ).
38 . In casu is aan geen van deze voorwaarden voldaan .
39 . In de eerste plaats grijpen de Franse autoriteiten ook na de kennisgeving van januari 1985 nog steeds willekeurig in bij de vaststelling van de kleinhandelsprijzen . Zij kunnen deze ondanks de in de bekendmaking voorziene overlegprocedure op een ander niveau vaststellen dan door de fabrikant of importeur is bepaald . Ter illustratie citeert de Commissie een aantal gevallen - van voor en na het arrest van 21 juni 1983 - waarin door importeurs gevraagde prijsverhogingen zijn geweigerd . Het laatste van deze door de Commissie aangehaalde gevallen dateert pas van na de kennisgeving van 24 januari 1985 .
40 . In de tweede plaats kan niet worden gesteld, dat die interventies deel uitmaken van "de algemene wettelijke bepalingen van de Lid-Staten tot afremming van de prijsstijging ".
41 . Integendeel, het gaat hier om een bijzondere regeling voor de tabakssector, die door het Hof reeds in 1983 werd veroordeeld met betrekking tot een periode waarin voor alle sectoren nog een prijsstop gold .
42 . De kennisgeving van 1985 bracht hierin geen echte verandering . Zij bood de fabrikanten en importeurs alleen de mogelijkheid, de prijzen van nieuwe produkten vrij vast te stellen; zoals hiervoor is gebleken, konden die ondernemers voor de overige produkten alleen over de prijs die zij de groothandel in rekening brachten en over de distributiemarge onderhandelen, maar niet over de kleinhandelsprijs, waarvan de wijzigingen ondanks de voorziene overlegprocedure nog steeds onder de bevoegdheid van de Franse autoriteiten vielen .
43 . Gelijk de Commissie beklemtoont, wordt dit controlesysteem niet algemeen op ingevoerde produkten toegepast . Ook voordat zij op 1 december 1986 werd afgeschaft, gold de algemene prijzencontrole alleen voor de import - en distributiemarges van ingevoerde produkten en niet voor de prijzen van die produkten . Maar niet bij tabak : ook na de kennisgeving van 1985 ontbrak aan de voor tabak geldende regeling de graad van algemeenheid, die artikel 5, lid 1, van de richtlijn voor de toelaatbaarheid van een dergelijke regeling verlangt .
44 . De Commissie merkt terecht op, dat de tabakssector daarmee niet alleen onttrokken is aan de invloed van de aanpassingen van de wisselkoersen in het kader van het EMS, maar dat de prijzen in deze sector bovendien duidelijk beneden de algemene prijsindex blijven . Ten tijde van de instelling van het onderhavige beroep vertoonden de prijzen van tabaksfabrikaten en de overige prijzen een verschil van circa 10 %, ook al waren de tabaksprijzen tot tweemaal toe verhoogd, zulks in afwijking van de algemene prijzencontroleregeling en zonder dat de fabrikanten of importeurs hadden kunnen profiteren van de marge die was vrijgekomen door de afschaffing, in 1984, van de sociale-zekerheidsbijdragen, die daarvóór in de detailhandelsprijs waren opgenomen .
45 . Op 1 december 1986 werd in Frankrijk de algemene prijscontroleregeling afgeschaft . De voor tabak geldende interventieregeling werd evenwel gehandhaafd, met de bedoeling deze geleidelijk en in 1989 geheel af te schaffen .
46 . De liberalisatie van de prijzen in december 1986 vond plaats nadat de Commissie reeds haar met redenen omkleed advies in deze zaak had verzonden; in de motivering van een uitspraak houdende vaststelling van een niet-nakoming zal er derhalve geen rekening mee moeten worden gehouden .
47 . Intussen kan wel worden gesteld, dat deze vernieuwing in de algemene prijsregeling de met het gemeenschapsrecht strijdige situatie in de tabakssector alleen maar duidelijker maakte, zonder dat er enige objectieve reden bestond om in deze sector een prijscontroleregeling in te voeren die in de overige sectoren reeds was opgeheven .
48 . De Franse regering heeft geen argumenten aangevoerd die deze conclusie kunnen weerleggen .
49 . De moeilijkheden bij de opheffing van een oude regeling kunnen geen reden vormen om een richtlijn die vóór juli 1973 ten uitvoer moest worden gelegd, niet na te komen, noch om twee jaar lang ( wanneer ik alleen de periode vóór de instelling van het onderhavige beroep meetel ) een arrest van het Hof niet uit te voeren .
50 . Het beroep op de bijzondere aard van de onderhavige produkten is in strijd met het vereiste, dat rechtsvoorschriften ter bestrijding van de prijsstijging een algemene strekking moeten hebben, opdat toepassing ervan een wettige beperking kan vormen op het beginsel van de vrije prijsbepaling door fabrikanten en importeurs .
51 . Aangaande de bescherming van de fiscale belangen van de overheid en de noodzaak, tabaksmisbruik te bestrijden, overwoog het Hof in zijn arrest van 21 juni 1983 reeds, dat die argumenten het gedrag van de Franse autoriteiten niet kunnen rechtvaardigen ( r.o . 29 ).
52 . Voorts kan de Franse regering op eventuele met artikel 85 EEG-Verdrag strijdige gedragingen van ondernemingen geen beroep doen om zich te onttrekken aan de volledige nakoming van krachtens communautaire richtlijnen op haar rustende verplichtingen .
53 . Ten slotte bestaat er geen duidelijke rechtvaardiging voor een eventueel beroep op de mededingingssituatie in de betrokken sector of beweerdelijke problemen bij de bevoorrading .
54 . Mitsdien kan op de toepassing van "nationale wettelijke bepalingen inzake prijzencontrole" geen beroep worden gedaan ter rechtvaardiging van het Franse stelsel voor de vaststelling van de prijzen van tabaksfabrikaten .
55 . Bovendien kan van de betrokken regeling niet eens worden gezegd, dat zij een algemene strekking heeft, daar zij niet belet dat de prijzen van produkten die voor het eerst op de markt worden gebracht, vrij worden vastgesteld .
56 . Onder deze omstandigheden is - aldus het Hof reeds in het arrest van 21 juni 1983 - "de door de Franse wettelijke regeling inzake de vaststelling van de prijzen voor tabaksfabrikaten aan de Franse regering toegekende bevoegdheid onverenigbaar met het gemeenschapsrecht, waar deze bevoegdheid door de wijziging van de door de fabrikant of importeur vastgestelde verkoopprijs de concurrentieverhouding tussen de ingevoerde en de door het nationale monopolie verhandelde tabaksprodukten kan verstoren" ( r.o . 26 ).
57 . Bij een andere gelegenheid, zij het eveneens op het gebied van de opheffing van belemmeringen van het intracommunautaire handelsverkeer ( 7 ), overwoog het Hof reeds, dat elke Lid-Staat aan richtlijnen uitvoering moet geven op een wijze die, in het belang van de in de andere Lid-Staten gevestigde producenten, ten volle voldoet aan de eisen van duidelijkheid en zekerheid in de door de richtlijnen gewenste rechtssituatie . Hiervoor is gebleken, dat de kennisgeving van 24 januari 1985 niet aan die eisen voldoet .
2 . Schending van artikel 30 EEG-Verdrag
58 . De Commissie is van oordeel, dat het Franse stelsel van prijzencontrole voor tabaksfabrikaten onverenigbaar is met artikel 30 EEG-Verdrag, voor zover de afzet van ingevoerde produkten niet begunstigd wordt daar alleen rekening wordt gehouden met de situatie op de Franse markt; daardoor zou het producenten uit andere Lid-Staten onmogelijk zijn, de verhoging van hun produktiekosten in hun invoerprijzen in Frankrijk door te berekenen .
59 . In dit verband herinnert de Commissie aan het arrest Dassonville ( 8 ), volgens hetwelk iedere handelsregeling der Lid-Staten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren, als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking is te beschouwen .
60 . Volgens de rechtspraak van het Hof kan zelfs een zonder onderscheid op nationale en ingevoerde produkten toepasselijke nationale prijsregeling onder bepaalde omstandigheden een invoerbelemmering vormen, onder meer wanneer een nationale overheid de prijzen of winstmarges op een zodanig peil vaststelt, dat ingevoerde produkten worden benadeeld ten opzichte van gelijke nationale produkten, hetzij omdat zij onder de gestelde voorwaarden niet met winst kunnen worden afgezet, hetzij omdat het uit lagere kostprijzen voortvloeiende concurrentievoordeel wordt tenietgedaan . ( 9 ) Onder die omstandigheden kan de verkoop van ingevoerde produkten onmogelijk worden gemaakt dan wel moeilijker dan die van nationale produkten . ( 10 )
61 . In casu heeft de Commissie voor die situatie mijns inziens voldoende bewijs aangevoerd .
62 . Zij heeft immers niet alleen gevallen genoemd waarin door importeurs gevraagde prijsverhogingen zijn geweigerd, maar ook statistieken overgelegd waaruit, rekening houdend met de ontwikkeling van de Franse frank en de Nederlandse gulden, het volgende blijkt :
a ) Tussen 1980 en 1987 stegen de aan de Franse groothandel berekende prijzen van Marlboro-sigaretten in Frankrijk ( uitgedrukt in HFL ) met 20 %, terwijl de produktiekosten in Nederland stegen met 39 % - verschil 19 %;
b ) Tussen februari 1982 en 30 maart 1987 stegen de produktiekosten met 16 %, terwijl de prijzen voor de groothandel nauwelijks veranderden (- 1 %);
c ) Voor twee andere merken, het ene ingevoerd ( Rothmans King Size ) en het andere vervaardigd door het Franse tabakmonopolie ( Pall Mall ), die beide tegen dezelfde kleinhandelsprijs werden verkocht, ontving de Franse producent in maart 1987 125 % van de prijs bij verkoop aan de groothandel in februari 1982, terwijl de Nederlandse producent op dezelfde datum niet meer ontving dan 99 % van de prijs die de groothandel in februari 1982 betaalde .
63 . Niettemin volgden de prijzen waartegen aan de groothandel werd verkocht, in Franse franken, niet de ontwikkeling van de kleinhandelsprijzen : tussen 1982 en 1987 werd ondanks pogingen, de achterstand in te halen, een verschil van 10 % genoteerd .
64 . De Franse regering voert hiertegen andere, enigszins afwijkende cijfers aan, waarbij zij vraagtekens zet achter de representativiteit .
65 . Ik geloof evenwel niet, dat haar verweer volstaat ten betoge, dat het Franse stelsel van vaststelling van de prijzen van tabaksfabrikaten de internationale handel niet verstoort . Bovendien hebben de door beide partijen overgelegde tabellen dezelfde bron - het Nederlandse Centraal Bureau voor de Statistiek - en heeft de Nederlandse regering, die voor die statistieken verantwoordelijk is, in haar interventie uitdrukkelijk verklaard, de door de Commissie verstrekte gegevens en getallen te bevestigen .
66 . Voorts is de discussie tussen de Commissie en de Franse regering over de ontwikkeling van de importen van tabaksfabrikaten in Frankrijk weinig relevant . De in dit land geldende prijsregeling leidt ondubbelzinnig tot een beperking van de commerciële vrijheid van buitenlandse ondernemers; gezien de ontwikkeling van de respectieve munteenheden en geconfronteerd met de niet-bekrachtiging van door hen voorgestelde prijsverhogingen, zouden deze zich gedwongen kunnen zien om hun marge te verlagen dan wel van verkoop af te zien, zonder de keuze te hebben, verhoogde produktiekosten door te berekenen in hogere detailhandelsprijzen .
67 . Overigens kan het bestaan van een krachtens artikel 30 EEG-Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking reeds worden aangenomen, wanneer er sprake is van een louter potentiële belemmering van de tussenstaatse handel . Het Hof heeft reeds verklaard ( 11 ), dat artikel 30 EEG-Verdrag "ten aanzien van maatregelen die kunnen worden aangemerkt als maatregelen van gelijke werking als een kwantitatieve beperking, geen onderscheid maakt naar gelang de mate waarin de handel tussen Lid-Staten ongunstig wordt beïnvloed . Een nationale maatregel die de importen kan belemmeren, vormt ook dan een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking, indien de belemmering van geringe omvang is en er andere afzetmogelijkheden voor de ingevoerde produkten bestaan ."
68 . In ieder geval bevestigen de overgelegde cijfers dat, gelijk het Hof vaststelde in het arrest van 21 juni 1983, de uitoefening van de bevoegdheid die de Franse regering in de Franse wettelijke bepalingen is toegekend op het gebied van de vaststelling van de prijzen van tabaksfabrikaten, "in strijd is met artikel 30 EEG-Verdrag, daar zij de overheid in staat stelt door een selectief ingrijpen in de tabaksprijzen de vrijheid tot het invoeren van tabak uit de andere Lid-Staten te beperken" ( r.o . 27 ).
69 . De gevolgen van een dergelijk systeem worden bovendien nog versterkt door het bestaan van bijzondere betrekkingen tussen de Franse staat en de enige Franse tabaksfabrikant - de SEITA, een openbaar bedrijf -; vast staat, dat deze jarenlang verliezen heeft kunnen dragen die, althans gedeeltelijk, aan te lage prijzen te wijten waren .
3 . Schending van 171 EEG-Verdrag
70 . De conclusies waartoe ik met betrekking tot de eerdere grieven ben gekomen, wettigen ook met betrekking tot deze laatste grief de opvatting, dat zij gegrond is .
71 . De gegrondheid van de eerste twee grieven betekent immers, dat de Franse Republiek in haar rechtsorde niet de ter uitvoering van het arrest van 21 juni 1983 noodzakelijke wijzingen heeft doorgevoerd ten einde op het gebied van de vaststelling van de prijzen van tabaksfabrikaten te voldoen aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 5 van richtlijn 72/464/EEG en artikel 30 EEG-Verdrag .
72 . De kennisgeving van 24 januari 1985 heft die niet-nakoming niet op, daar de bewoordingen ervan het de Franse Republiek mogelijk hebben gemaakt, er een toepassing aan te geven die in strijd is met het gemeenschapsrecht .
73 . De tussentijds door de Franse autoriteiten toegestane prijsverhogingen ( die overigens te laag waren om de ontstane achterstanden in te halen ) en de aankondiging van een volledige liberalisatie in 1989 leveren weliswaar onbetwistbaar een positieve bijdrage tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschapsrecht, maar heffen de niet-nakoming niet onmiddellijk op; zij brengen op zich immers geen wijziging in het systeem van overheidsingrijpen in de prijsvaststelling . Door de beslissingen van de Franse autoriteiten komt alleen maar het einde in zicht van de vertraging bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn; over de daarin gestelde termijn kunnen de Lid-Staten evenwel niet vrij beschikken .
4 . Conclusie
74 . Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, het beroep van de Commissie gegrond te verklaren, te verstaan dat de Franse Republiek haar verplichtingen niet is nagekomen en haar te veroordelen in de kosten van het geding, de kosten van interveniënt daaronder begrepen; interveniënt heeft weliswaar niet uitdrukkelijk ten aanzien van de kosten geconcludeerd, maar is in deze zaak tussengekomen ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie, die heeft verzocht om veroordeling van verweerster in de kosten . ( 12 )
(*) Vertaald uit het Portugees .
( 1 ) PB 1972, L 303, blz . 1 .
( 2 ) Commissie/Frankrijk, Jurispr . 1983, blz . 2011, 2032 .
( 3 ) JORF van 25.5.1976, blz . 3083 .
( 4 ) JORF van 7.1.1977, blz . 189 .
( 5 ) JORF van 24.1.1985, blz . 1026 .
( 6 ) Zaak 13/77, Jurispr . 1977, blz . 2115, 2150, r.o . 64 .
( 7 ) Arrest van 6 mei 1980, zaak 102/79, Commissie/België, Jurispr . 1980, blz . 1473, 1486, r.o . 11 .
( 8 ) Arrest van 11 juli 1974, zaak 8/74, Dassonville, Jurispr . 1974, blz . 837, 852, r.o . 5 .
( 9 ) Arrest van 24 januari 1978, zaak 82/77, Van Tiggele, Jurispr . 1978, blz . 25, 39 en 40, r.o . 10 tot en met 21; arrest van 7 juni 1983, zaak 78/82, Commissie/Italië, Jurispr . 1983, blz . 1955, 1969, r.o . 16 .
( 10 ) Arrest van 26 februari 1976, zaak 65/75, Tasca, Jurispr . 1976, blz . 291, 309, r.o . 12, 13 en 14 .
( 11 ) Arrest van 5 april 1984, gevoegde zaken 177 en 178/82, Van de Haar en Kaveka de Meern, Jurispr . 1984, blz . 1797, 1812, r.o . 13 .
( 12 ) Zie arrest van 6 maart 1979, zaak 92/78, Simmenthal, Jurispr . 1979, blz . 777, 783 en 813 . Anders kennelijk het arrest van 2 februari 1988, gevoegde zaken 67, 68 en 70/85, Van der Kooy, Jurispr . 1988, blz . 0000 ).
Full & Egal Universal Law Academy