Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Het beroep van Ricoh Company Ltd (hierna: "Ricoh") is gebaseerd op een aantal middelen en argumenten die grotendeels een aanvulling vormen op of zelfs gelijk lopen met die welke Canon in zaak C-171/87 heeft aangevoerd, met name wat de bepaling van de normale waarde en de vergelijking van de normale waarde met de uitvoerprijs betreft. Over deze punten kan ik dus vrij kort zijn.
2. Wat de middelen betreffende de schade, de belangen van de Gemeenschap en de berekening van het anti-dumpingrecht betreft, heeft Ricoh samen met verzoeksters in de zaken C-175/87 (Matsushita), C-176/87 (Konishiroku), C-177/87 (Sanyo) en C-179/87 (Sharp) argumenten aangevoerd; op deze argumenten zal ik in de onderhavige conclusie in detail ingaan.
3. Alvorens alle materiële middelen van Ricoh te onderzoeken, wil ik eerst nog zeggen, dat ik het eens ben met de argumenten die de Raad tegen de ontvankelijkheid van bepaalde conclusies van Ricoh aanvoert.
4. In het arrest van 14 maart 1990 (zaak C-156/87, Gestetner, Jurispr. 1990, blz. I-781, r.o. 12) herinnert het Hof aan zijn rechtspraak(1), dat
"wanneer een verordening uiteenlopende anti-dumpingrechten oplegt aan een aantal ondernemingen, een enkele van deze ondernemingen slechts door die bepalingen individueel wordt geraakt, die haar een bijzonder anti-dumpingrecht opleggen en de hoogte ervan vaststellen, en niet door die, waarbij anti-dumpingrechten aan andere ondernemingen worden opgelegd".
De voornaamste vordering van Ricoh, namelijk algehele nietigverklaring van verordening (EEG) nr. 535/87 van de Raad van 23 februari 1987 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van fotokopieerapparaten voor gewoon papier van oorsprong uit Japan(2) (hierna: "definitieve verordening" of "bestreden verordening"), dient dus niet-ontvankelijk te worden verklaard; alleen de subsidiaire conclusies, tot nietigverklaring van voormelde verordening voor zover zij op Ricoh van toepassing is, behoeven dus ten gronde te worden onderzocht.
5. Voorts is het Hof in het kader van de wettigheidstoetsing ex artikel 173 EEG-Verdrag niet bevoegd om een verwerende gemeenschapsinstelling bevelen te geven(3); derhalve moeten Ricoh' s conclusies waarmee zij het Hof verzoekt terugbetaling van de geïnde anti-dumpingrechten te gelasten, eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard.
6. Ik kom nu tot de materiële middelen op grond waarvan Ricoh nietigverklaring vordert van verordening nr. 535/87, voor zover deze verordening haar raakt, dat wil zeggen voor zover daarbij op de door haar vervaardigde fotokopieerapparaten voor gewoon papier (hierna "PPC' s") een definitief anti-dumpingrecht van 20 % is ingesteld en de definitieve inning is bepaald van de bedragen die tot zekerheid zijn gesteld voor het voorlopige anti-dumpingrecht ad 15,8 %, ingesteld bij verordening (EEG) nr. 2640/86 van de Commissie van 21 augustus 1986 tot instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van fotokopieerapparaten voor gewoon papier van oorsprong uit Japan(4) (hierna: "voorlopige verordening").
7. De eerste vier middelen houden alle verband met het probleem van de bepaling van de normale waarde en de vergelijking ervan met de uitvoerprijs. Verzoekster stelt in sommige gevallen schending van artikel 2, leden 3, sub a, en 7, en in andere schending van artikel 2, leden 9 en 10, van verordening (EEG) nr. 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap(5) (hierna: "de basisverordening").
8. Bij nadere beschouwing blijkt echter, dat de aangevoerde argumenten zeer vaak identiek zijn, dat zij zijn bedoeld om de onwettigheid aan te tonen van de wijze waarop de normale waarde is berekend of is vergeleken met de uitvoerprijs, en dat sommige ervan worden voorgesteld als waren zij subsidiair ten opzichte van andere. De reden hiervan is, in de eerste plaats dat volgens verzoekster artikel 2, lid 3, sub a, in samenhang met artikel 2, lid 9, moet worden gelezen (punt 32 van het verzoekschrift), en in de tweede plaats dat al haar kritiek in wezen is gericht tegen de behandeling van bepaalde door haar Japanse dochteronderneming gemaakte kosten. Verzoekster wenst, dat deze kosten ofwel niet worden opgenomen in de overeenkomstig artikel 2, lid 3, vastgestelde normale waarde, ofwel via correctie overeenkomstig artikel 2, lid 10, sub c, van de normale waarde worden afgetrokken.
9. Ik zal derhalve al deze verschillende middelen te zamen bespreken.
A - De bepaling van de normale waarde en de vergelijking van de normale waarde met de uitvoerprijs
10. Ricoh' s argumenten kunnen worden samengevat als volgt:
1) De Raad heeft de normale waarde en de uitvoerprijs niet volgens een identieke of vergelijkbare methode berekend.
2) Door de aan de eerste onafhankelijke koper op de Japanse markt berekende prijs als de normale waarde te beschouwen en door te weigeren, van die prijs de verkoop-, algemene en administratieve kosten van Ricoh' s Japanse dochterondernemingen af te trekken, heeft de Raad de normale waarde vastgesteld in het stadium van de dealer of zelfs van de eindverbruiker, en niet in het stadium "af-fabriek", terwijl hij de uitvoerprijs wel in het stadium "af-fabriek" heeft vastgesteld, daar hij overeenkomstig artikel 2, lid 8, sub b, van de basisverordening alle kosten en winsten van Ricoh' s Europese dochterondernemingen heeft afgetrokken van de prijs waartegen het ingevoerde produkt voor het eerst aan een onafhankelijke koper in de Gemeenschap is verkocht.
3) Door aldus als de normale waarde de prijs te beschouwen die Ricoh' s Japanse dochterondernemingen aan de eerste onafhankelijke koper berekenden, zonder nadien de passende bedragen van die prijs af te trekken, heeft de Raad bovendien artikel 2, lid 7, onjuist toegepast; deze bepaling mag niet op zodanige wijze worden toegepast, dat het resultaat totaal verschillend is van het resultaat dat zou zijn bereikt, was de Raad van oordeel geweest dat de overdrachtsprijzen tussen ondernemingen, dat wil zeggen tussen Ricoh en haar verkoopmaatschappijen, betrouwbaar waren in de zin van artikel 2, lid 3.
4) Door geen rekening te houden met de door Ricoh' s dochterondernemingen verleende kortingen bij inruil van een oude PPC, heeft de Raad de normale waarde van het nieuwe produkt niet bepaald op basis van de "prijs die (...) werkelijk is of moet worden betaald", zoals artikel 2, lid 3, sub a, voorschrijft.
5) Door de gevraagde correcties voor de inruilbetalingen alsmede voor bepaalde andere door Ricoh' s Japanse verkoopmaatschappijen gemaakte rechtstreekse verkoopkosten te weigeren, heeft de Raad bovendien artikel 2, lid 10, sub c, geschonden.
11. Al deze argumenten falen, zoals ik in mijn conclusie in zaak C-171/87, (Canon) heb betoogd.
12. Om te beginnen wil ik eraan herinneren dat, zoals het Hof in de "kogellager"-arresten van 7 mei 1987(6) overwoog, de methodes voor de berekening van de normale waarde en van de uitvoerprijs losstaan van elkaar, wat tot gevolg heeft dat
"voor de geldigheid van de in artikel 2, lid 9, voorziene vergelijking (...) dus niet als voorwaarde (kan) worden gesteld, dat de normale waarde en de uitvoerprijs volgens identieke methoden moeten zijn berekend".(7)
Uit het enkele feit, dat bepaalde elementen in de normale waarde wel, en in de uitvoerprijs niet zijn opgenomen, is dus geen argument af te leiden, voor zover de regels voor de bepaling van elk van die twee termen zijn nageleefd. En het feit dat bepaalde kostensoorten zijn afgetrokken van de overeenkomstig artikel 2, lid 8, sub b, samengestelde uitvoerprijs, impliceert niet dat de instellingen gehouden zijn, voor de vergelijking overeenkomstig artikel 2, leden 9 en 10, soortgelijke correcties op de normale waarde toe te passen.
13. Volgens voormeld arrest van 5 oktober 1988 (Canon) kunnen de door de eerste onafhankelijke koper betaalde prijzen terecht worden beschouwd als de in het kader van normale handelstransacties werkelijk betaalde prijzen in het land van uitvoer of van oorsprong; overeenkomstig artikel 2, lid 3, sub a, mogen zij derhalve worden gebruikt om de normale waarde te bepalen (zie r.o. 12). Verder blijkt uit hetzelfde arrest, dat in geval van een scheiding van produktie- en verkoopactiviteiten binnen een groep die uit juridisch zelfstandige, maar economisch met elkaar verbonden vennootschappen bestaat, zoals dat het geval is met Ricoh op de Japanse markt,
"juist de eerste verkoop aan een onafhankelijke koper een correcte berekening van de normale waarde in het stadium 'af-fabriek' mogelijk maakt" (r.o. 41).
14. Ricoh' s argument, dat in casu de normale waarde in een ander stadium dan het stadium "af-fabriek" is bepaald, terwijl de uitvoerprijs wel in dat stadium is bepaald, is dus ongegrond. Aangezien de normale waarde en de uitvoerprijs beide in het stadium "af-fabriek" zijn bepaald, was bovendien geen correctie krachtens artikel 2, leden 9 en 10, sub c, nodig om rekening te houden met de gestelde verschillen in het handelsstadium.
15. In mijn conclusie in zaak C-171/87 heb ik reeds gezegd, dat het feit dat de door de eerste onafhankelijke koper betaalde prijzen terecht als prijzen "in het kader van normale handelstransacties" in de zin van artikel 2, lid 3, sub a, konden worden beschouwd, elke discussie over de toepasselijkheid en de gevolgen van de eventuele toepassing van artikel 2, lid 7, op grond waarvan "transacties tussen partijen, die blijken geassocieerd te zijn of blijken een onderlinge compensatieregeling toe te passen" kunnen worden geacht niet binnen het kader van normale handelstransacties te vallen, overbodig maakt.
16. Daarbij komt, dat Ricoh' s stelling, dat toepassing van artikel 2, lid 7, niet tot een resultaat mag leiden dat totaal verschilt van het resultaat dat zou zijn bereikt indien de normale waarde was bepaald op basis van de overdrachtsprijzen tussen de producent/exporteur en zijn dochterondernemingen, deze bepaling elke praktische betekenis ontneemt. Immers, deze bepaling heeft juist ten doel, de instellingen in staat te stellen, met de overdrachtsprijzen ofwel helemaal geen, ofwel slechts onder bepaalde voorwaarden rekening te houden.
17. Wat betreft het middel, dat de Raad artikel 2, lid 3, sub a, heeft geschonden door als normale waarde niet de daadwerkelijk door onafhankelijke kopers betaalde nettoprijs te beschouwen, maar de brutoprijs inclusief de korting voor inruil van een oude PPC, heb ik in mijn conclusie in zaak C-171/87 reeds gezegd, dat een inruilkorting geen effectieve verlaging van de prijs van het nieuwe produkt tot gevolg heeft, maar in de regel slechts de weerspiegeling is van de waarde die het ingeruilde produkt voor de overnemer heeft. Deze waarde maakt dus deel uit van de "daadwerkelijk" betaalde of te betalen prijs voor het nieuwe produkt. Aangezien er in casu in Japan geen tweedehandsmarkt voor PPC' s bestaat, is deze waarde niet gelijk aan de verkoopwaarde van gebruikte PPC' s, maar aan de voordelen die het uit de markt nemen van de gebruikte PPC' s voor de producent oplevert, en die de Raad in paragraaf 13, tweede alinea, in fine, van de bestreden verordening heeft beschreven.
18. In voormelde conclusie heb ik er ten slotte eveneens op gewezen, dat aangezien deze voordelen een waarde vormen die losstaat van de verkoop van nieuwe PPC' s, de Raad zich op het standpunt mocht stellen dat de betrokken inruilkortingen geen rechtstreeks verband hielden met de verkopen waarbij zij werden verleend, zodat hij ter zake dan ook geen correctie behoefde toe te passen overeenkomstig artikel 2, lid 10, sub c, van de basisverordening, dat uitdrukkelijk bepaalt, dat correcties wegens verschillen in de verkoopsvoorwaarden "slechts (worden) toegepast voor die verschillen die rechtstreeks in verband staan met de betreffende verkoop".
19. De overige door Ricoh vermelde uitgaven, namelijk reis-, communicatie-, reclame-, verkooppromotie- en representatiekosten alsmede de uitgaven betreffende het gebruik van bedrijfsauto' s, behoren ook volgens verzoekster tot de administratieve en algemene kosten; voor verschillen in die kosten worden in de regel geen correcties overeenkomstig artikel 2, lid 10, sub c, toegepast. Een correctie voor deze verschillen zou bij wijze van uitzondering mogelijk zijn, maar dan moet wel zijn voldaan aan de algemene voorwaarde, dat zij rechtstreeks in verband staan met de betrokken verkopen, wat niet het geval is met kosten die ontstaan ongeacht of er al dan niet een verkoop tot stand komt.
20. Verzoekster stelt herhaaldelijk (punten 28, 36 en 49 van het verzoekschrift), dat de weigering om deze kosten overeenkomstig artikel 2, lid 10, sub c, als aftrekbare rechtstreekse verkoopkosten te beschouwen, niet te verenigen is met opneming van die kosten in de normale waarde, wanneer deze is samengesteld overeenkomstig artikel 2, lid 4, dat de gevallen betreft waarin het produkt in het land van oorsprong wordt verkocht tegen een prijs die de produktiekosten niet dekt.(8) Deze stelling is niet houdbaar, enerzijds omdat de regels voor de bepaling van de normale waarde en de uitvoerprijs niet dezelfde zijn als die welke voor de vergelijking van die twee termen gelden, en anderzijds omdat artikel 2, leden 9 en 10, de correcties aangeeft die op de normale waarde of de uitvoerprijs kunnen worden aangebracht nadat deze volgens de daartoe voorziene methoden zijn berekend.(9) Want terwijl artikel 2, lid 3, sub b, ii, uitdrukkelijk bepaalt, dat de aangenomen waarde wordt berekend door bij de produktiekosten een redelijk bedrag voor winst te voegen, en dat de produktiekosten op hun beurt een redelijk bedrag voor verkoop-, algemene en administratieve kosten bevatten, mogen deze volgens artikel 2, lid 10, sub c, slechts bij uitzondering worden afgetrokken en alleen wanneer zij in rechtstreeks verband met de betreffende verkoop op de betrokken markt staan. Het doel van de samenstelling van de normale waarde is, de verkoopprijs van een produkt te bepalen, zoals deze zou zijn, wanneer dit produkt in het land van oorsprong of van uitvoer zou worden verkocht(10), terwijl de in artikel 2, lid 10, sub c, bedoelde correcties beogen de aldus berekende normale waarde te corrigeren aan de hand van objectieve criteria die overeenkomen met de bijzondere kenmerken van elke markt en die bijgevolg van invloed zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen.(11)
B - De schade
21. In de opmerkingen die zij samen met verzoeksters in de zaken C-175/87, C-176/87, C-177/87 en C-179/87 heeft ingediend, betwist Ricoh de conclusies van de Raad met betrekking tot de door de Japanse uitvoer van PPC' s aan de communautaire bedrijfstak berokkende schade vanuit de volgende gezichtspunten: de definitie van het begrip "bedrijfstak van de Gemeenschap", de definitie van het begrip soortgelijk produkt, de factoren op basis waarvan de schade is vastgesteld en het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de aldus vastgestelde schade.
22. Om de redenen die ik in mijn conclusie in zaak C-171/87 (Canon), heb uiteengezet, ben ik met de Raad (zie de punten 2 en 3 van de dupliek in de onderhavige zaak) van mening, dat het in de context van de beoordeling van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade logischer is, eerst te onderzoeken, wat onder "soortgelijk produkt" in de zin van artikel 2, lid 12, van de basisverordening wordt verstaan, en pas daarna, of de in artikel 4, lid 5, van de verordening bedoelde "bedrijfstak van de Gemeenschap" die het soortgelijk produkt vervaardigt, correct is gedefinieerd.
23. Ik zal deze twee punten daarom in de omgekeerde volgorde bespreken waarin ze in het rapport ter terechtzitting zijn gepresenteerd . Ik kan hierover overigens vrij kort zijn, daar ik mijn visie op het begrip soortgelijk produkt reeds in mijn conclusie in zaak C-171/87 heb gegeven, en het Hof zich in het arrest van 14 maart 1990, Gestetner, reeds heeft uitgesproken over een middel waarin over een onjuiste definitie van het "begrip bedrijfstak van de Gemeenschap" werd geklaagd.
24. Ten slotte denk ik de twee andere aspecten, te weten de factoren op basis waarvan de schade is vastgesteld en de oorzaken van de schade, in één hoofdstuk te kunnen behandelen, daar zij nauw met elkaar verband houden.
1. De definitie van het begrip soortgelijk produkt
25. In mijn voormelde conclusie heb ik uiteengezet, waarom de Raad zich naar mijn mening terecht op het standpunt heeft gesteld, dat PPC' s van aangrenzende segmenten, van de personal copier tot en met de apparaten van segment 5 van de Dataquest-indeling, soortgelijke produkten in de zin van artikel 2, lid 12, van de basisverordening zijn.
26. Voorts heb ik net als de Raad de indruk, dat niet steeds duidelijk is of Ricoh een volledige segmentering van de PPC-markt wenst, met zoveel categorieën soortgelijke produkten als er verschillende PPC-segmenten zijn, of slechts een indeling in twee categorieën, namelijk die van de "kleine fotokopieerapparaten" - de apparaten die tot 40 kopieën per minuut maken - en die van de apparaten met een grotere kopieersnelheid. Overigens lijkt het erop, dat Ricoh de grens bij 40 kopieën per minuut wil gelegd zien, niet wegens de fysieke en technische kenmerken van de apparaten, maar wegens het feit dat er alleen op de markt van de grote PPC' s een noemenswaardige communautaire produktie bestond, terwijl de Japanse fotokopieerapparaten alleen op de markt van de kleine PPC' s overheersend waren. Is het niet om dezelfde reden, namelijk omdat de communautaire producenten tijdens de referentieperiode slechts weinig apparaten produceerden met een maximumcapaciteit van 30 kopieën per minuut - dus apparaten die ofwel personal copiers zijn, ofwel tot de segmenten 1a, 1b of 2 behoren - dat Ricoh niet om een onderscheid binnen deze categorieën verzoekt, ofschoon zij stelt, dat
"de fysieke verschillen tussen en de 'niet-gelijksoortigheid' van fotokopieerapparaten van aangrenzende segmenten bijzonder in het oog springen in het geval van de personal copiers en de fotokopieerapparaten van segment 1a"?
27. Dergelijke overwegingen behoren evenwel niet te prevaleren bij het bepalen van de inhoud van het begrip "soortgelijk produkt". Volgens artikel 2, lid 12, van de basisverordening wordt onder dit begrip verstaan
"een produkt dat gelijk, dat wil zeggen in alle opzichten gelijksoortig is aan het betrokken produkt",
of, bij het ontbreken van een dergelijk produkt,
"een ander produkt dat kenmerken vertoont die met de kenmerken van het betrokken produkt grote overeenkomst vertonen".
Ricoh geeft in ieder geval niet aan, op grond van welke andere bijzondere redenen verband houdend met de kenmerken van de PPC' s, buiten de kopieersnelheid, zij voor het onderscheid tussen "kleine" en "grote" fotokopieerapparaten het criterium van 40 kopieën per minuut voorstelt. Mijns inziens kan worden aangenomen, dat een apparaat dat dezelfde prestaties levert als een ander, maar alleen sneller, kenmerken vertoont die met die van het eerste apparaat grote overeenkomst vertonen.
28. Neemt men de kopieersnelheid als onderscheidingscriterium, dan rijst het probleem van overlappingen tussen de verschillende door Dataquest omschreven en door Ricoh aangehaalde segmenten. Zo kunnen de PPC' s die 40 tot 45 kopieën per minuut maken, zowel tot segment 3 (31 tot 45 kopieën) als tot segment 4 (40 tot 75 kopieën) behoren. Daarnaast kunnen apparaten die 70 tot 75 kopieën maken zowel tot segment 4 als tot segment 5 (70 tot 90 kopieën) behoren. Ook tussen de personal copiers en de apparaten van de segmenten 1a en 1b bestaan overlappingen: de eerste maken tot 12 kopieën per minuut, de tweede respectievelijk maximaal 20 en van 15 tot 20.
29. Ten slotte - daargelaten of de door de Commissie in het kader van een beschikking inzake een procedure op grond van artikel 85 EEG-Verdrag gegeven definitie van de "betrokken markt" de Raad bindt, wanneer deze het begrip "soortgelijk produkt" dient te definiëren in een anti-dumpingprocedure - heeft de Commissie in de door Ricoh aangehaalde beschikking 88/88/EEG van 22 december 1987 inzake de "joint venture"-akkoorden tussen Olivetti en Canon (PB 1988, L 52, blz. 51) noch voor een totale segmentering van de PPC-markt gekozen, noch voor een verdeling van de markt zoals Ricoh die in casu voorstelt. De Commissie onderscheidde weliswaar tussen drie representatieve relevante markten, namelijk die van de personal copiers tot en met segment 2, die van segmenten 3 en 4, en die van segmenten 4 tot en met 6, doch voegde daaraan toe, dat deze indeling "geenszins een bepaalde verwisselbaarheid tussen deze drie segmenten" uitsloot (zie paragraaf 7 van de beschikking).
30. Het feit dat de onderlinge verwisselbaarheid tussen de verschillende marktsegmenten kleiner is dan binnen een bepaald segment, toont - anders dan Ricoh betoogt - niet aan dat er een echte segmentering bestaat, maar integendeel dat de verschillende segmenten niet precies zijn afgebakend en dat tot een bepaald segment behorende PPC' s soms heel goed te vervangen zijn door een of meer PPC' s van een ander segment.
31. Dat dit zo is, blijkt impliciet uit verschillende passages in het verzoekschrift van Ricoh, met name waar wordt gesteld dat
"tot op het ogenblik waarop de nieuwe generatie fotokopieerapparaten in Japan op de markt kwam, de Europese klanten konden kiezen tussen een grote, snelle PPC, een kleine, inferieure PPC voor gecoat papier, of een trage PPC zoals de Rank Xerox 660, die minder goede kopieën afleverde, doch gewoon papier gebruikte en waar een uitgebreid servicenet achter stond",
of dat na het verschijnen van kleine fotokopieerapparaten op de Japanse markt,
"de Japanse ondernemingen in plaats van (of naast) één supersnel fotokopieerapparaat met een zeer grote capaciteit voor installatie in een centrale reproductiedienst, verscheidene of zelfs veel kleine fotokopieerapparaten konden kopen, die over het kantoor van de onderneming worden verspreid".
32. Het argument, dat het gamma van de Japanse uitvoer dat door het anti-dumpingrecht wordt getroffen groter is dan het gamma van de in de Gemeenschap vervaardigde PPC' s, gaat niet op in een context als de onderhavige: het staat immers vast, dat er tijdens de referentieperiode een communautaire produktie van PPC' s, hoe klein dan ook, bestond in alle segmenten waarin door Japanse ondernemingen werd geëxporteerd, dus van de personal copier tot en met de PPC' s van segment 4. Indien er tussen één van de talrijke ingevoerde Japanse modellen en één van de weinig talrijke communautaire modellen met vergelijkbare technische kenmerken verschillen bestonden, dan had daarmee, zoals de Raad opmerkt, in voorkomend geval rekening moeten worden gehouden in het stadium van de vergelijking van de prijzen, waartoe de instellingen moesten overgaan ten einde het bestaan en de omvang van de prijsonderbieding te kunnen vaststellen. Uit paragraaf 41 en volgende van de bestreden verordening blijkt, dat de instellingen dat hebben gedaan, net zoals in de zaak betreffende de elektronische schrijfmachines van oorsprong uit Japan. In het arrest van 5 oktober 1988 (Canon) stelde het Hof de gelijksoortigheid van de betrokken produkten niet ter discussie, ondanks de grote verscheidenheid aan modellen en de zeer grote verschillen in technische kenmerken van de diverse modellen (zie de rechtsoverwegingen 14 en 66 van het arrest).
2. De definitie van het begrip "bedrijfstak van de Gemeenschap"
33. Luidens artikel 4, lid 5, van de basisverordening wordt onder "bedrijfstak van de Gemeenschap" verstaan
"alle producenten van soortgelijke produkten in de Gemeenschap of een aantal van deze producenten waarvan de gezamenlijke produktie een groot deel van de communautaire produktie van dit produkt vormt, met dien verstande dat:
- wanneer producenten met de exporteurs of importeurs verbonden zijn of zelf importeurs zijn van het produkt ten aanzien waarvan wordt beweerd dat dumping (...) plaatsvindt, de uitdrukking 'bedrijfstak van de Gemeenschap' kan worden uitgelegd als betrekking hebbende op de rest van de producenten;
- (...)"
34. Ik wil er direct op wijzen, dat aangezien in de onderhavige zaak het begrip soortgelijk produkt correct is gedefinieerd als het gehele assortiment PPC' s, van de personal copier tot en met de apparaten van segment 5, verzoeksters betoog dat de communautaire produktie in de categorie van de "kleine" fotokopieerapparaten klein of zelfs onbestaande was en dat met name om die reden geen enkele communautaire producent schade kan stellen ten gevolge van de invoer van "kleine" fotokopieerapparaten van oorsprong uit Japan, blijkens deze bepaling niet beslissend is voor de definitie van de "bedrijfstak van de Gemeenschap" en dus geen aanleiding kan geven, althans niet op zichzelf, bepaalde producenten van die bedrijfstak uit te sluiten.
35. De overige argumenten die Ricoh aanvoert ten betoge dat Rank Xerox, Océ en Olivetti niet tot de "bedrijfstak van de Gemeenschap" mochten worden gerekend en die zijn gebaseerd op het feit dat deze communautaire producenten waren verbonden met Japanse exporteurs en zelf vanuit Japan invoerden, zijn in wezen identiek aan die welke het Hof in het reeds aangehaalde arrest van 14 maart 1990, Gestetner, heeft afgewezen.
36. Met betrekking tot de door Ricoh aangehaalde eerdere beschikkingen van de instellingen, waarin deze een andere opvatting zouden hebben gevolgd dan in de onderhavige zaak, herinner ik eraan, dat het Hof in het arrest Gestetner heeft ontkend, dat het de praktijk van de instellingen was, een producent die verbonden is met de exporteurs of importeurs of die zelf importeur is van het gedumpte of gesubsidieerde produkt automatisch uit te sluiten van de kring van producenten die de "bedrijfstak van de Gemeenschap" vormen in de zin van artikel 4, lid 5, van de basisverordening. Ofschoon het Hof tot die vaststelling kwam op basis van de gedingstukken en de behandeling ter terechtzitting, dat wil zeggen op basis van de door verzoekster in de zaak Gestetner uitdrukkelijk aangevoerde eerdere zaken (r.o. 44), geldt die vaststelling ook in de onderhavige zaak. Immers, de vier door Gestetner aangehaalde zaken worden ook door Ricoh genoemd, en bovendien geldt hetgeen voor die zaken waar is, ook voor de andere: telkens wanneer de instellingen een communautaire producent uitsluiten van de "bedrijfstak van de Gemeenschap" of dit juist weigeren, handelen zij op grond van hun beoordelingsbevoegdheid, die zij geval per geval en met inachtneming van alle relevante feiten moeten uitoefenen (r.o. 43 van het arrest Gestetner). Daarnaast mag niet uit het oog worden verloren, dat het in het geval van Rank Xerox om een communautaire onderneming gaat met een aanzienlijk belang in een Japanse producent, en niet om een Japanse producent die een produktiemaatschappij in de Gemeenschap controleert. Onder die omstandigheden vormen die andere gevallen evenmin bewijs van een praktijk die de instellingen voor de toekomst bindt.
37. Ten slotte is Ricoh' s verwijzing naar artikel 13, lid 10, van de basisverordening mijns inziens in casu niet ter zake. Om te beginnen is deze bepaling eerst na de vaststelling van de bestreden verordening in de basisverordening ingevoerd, namelijk bij verordening (EEG) nr. 1761/87 van de Raad van 22 juni 1987 (PB 1987, L 167, blz. 9), de zogenoemde "schroevedraaier"-verordening. Bovendien kan krachtens artikel 13, lid 10, onder bepaalde voorwaarden een anti-dumpingrecht worden ingesteld op produkten die in de Gemeenschap worden geassembleerd of geproduceerd op basis van onderdelen of materialen afkomstig van het betrokken land of landen van uitvoer: deze verordening heeft dus niets van doen met de definitie van de "bedrijfstak van de Gemeenschap".
3. De schade ten gevolge van de dumping
38. Ricoh is het niet eens met de wijze waarop de instellingen de diverse factoren hebben beoordeeld die zij voor de vaststelling van de schade hebben onderzocht. Haars inziens heeft de communautaire bedrijfstak in werkelijkheid geen schade geleden. De geringe activiteiten van de communautaire producenten in de sector van de kleine fotokopieerapparaten was niet het gevolg van de invoer uit Japan, maar was overwegend aan andere factoren toe te schrijven, en met name aan de beslissing van de communautaire producenten zelf om geen kleine fotokopieerapparaten te produceren. Ricoh ontkent dus via de door de instellingen in aanmerking genomen factoren het bestaan van schade en betwist daarnaast het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de gestelde schade met het argument, dat de schade zoals die is vastgesteld door andere factoren is veroorzaakt.
39. In voormeld arrest van 5 oktober 1988 (Canon, r.o. 49) stelde het Hof, dat volgens artikel 4 van de basisverordening, dat is ontleend aan artikel 3, lid 1, van de anti-dumpingcode van de GATT,
"er slechts sprake (is) van schade, indien de invoer met dumping 'door het effect van de dumping' aanmerkelijke schade aan een gevestigde bedrijfstak van de Gemeenschap toebrengt of dreigt toe te brengen, en mag schade veroorzaakt door andere factoren niet worden toegeschreven aan de invoer met dumping".
Voorts geeft artikel 4, lid 2, van de basisverordening een opsomming van de verschillende factoren waarop het schade-onderzoek betrekking moet hebben. Dit zijn de omvang van de invoer met dumping (sub a), de prijzen van die invoer (sub b) en de invloed ervan op de betrokken bedrijfstak (sub c).
40. Uit de teneur van laatstgenoemde bepaling blijkt duidelijk, dat de instellingen terzake over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken, waarvan de uitoefening vaak zeer ingewikkeld economisch onderzoek vergt. Enerzijds bepaalt artikel 4, lid 2, uitdrukkelijk, dat één enkele of zelfs verscheidene van deze drie factoren niet noodzakelijkerwijs doorslaggevend zijn voor de beoordeling; anderzijds is, zoals het Hof eveneens in het arrest Canon van 5 oktober 1988 (r.o. 56) preciseerde, de in lid 2, sub c, gegeven opsomming van de economische factoren aan de hand waarvan de invloed van de invoer met dumping op de bedrijfstak van de Gemeenschap moet worden gemeten, louter indicatief, zodat het de instellingen vrij staat, hun oordeel alleen te baseren op de factoren die zij het meest relevant achten.
41. Uit de considerans van de bestreden verordening blijkt, dat de instellingen de betrokken factoren nauwkeurig hebben onderzocht. Deel i) van hoofdstuk H, "Schade", is gewijd aan de omvang van de invoer, deel ii) aan de prijs van de invoer en deel iv) aan de invloed van de prijzen op de bedrijfstak van de Gemeenschap.
42. Over de stijging van de omvang van de Japanse invoer stelt Ricoh, dat die stijging parallel liep met de groei van de "nieuwe" markt van kleine fotokopieerapparaten, waarvan de bedrijfstak van de Gemeenschap zelf ook ruimschoots profiteerde. Het is juist, dat volgens paragraaf 34 van de bestreden verordening
"verkopen en verhuur van door producenten in de Gemeenschap (Rank Xerox, Océ Olivetti, Tetras) gedurende de onderzochte periode vervaardigde nieuwe apparaten stegen van 62 000 eenheden in 1981 tot 108 000 in 1984, dat wil zeggen met 74 %".
Hun marktaandeel daalde evenwel van 21 % in 1981 tot 11 % in 1985, terwijl het aandeel van de markt van de Gemeenschap van in Japan vervaardigde apparaten van 70 % in 1981 tot 78 % in 1985 steeg (paragraaf 33). Onder die omstandigheden mochten de instellingen zich op het standpunt stellen dat de Japanse invoer, die tussen 1981 en 1984 met meer dan 120 % is gestegen, de communautaire producenten schade heeft berokkend, doordat hij een gunstigere ontwikkeling van hun verkoop en verhuur heeft verhinderd.(12)
43. Wat de prijsonderbieding aangaat, voert Ricoh geen enkel argument aan waaruit zou kunnen blijken, dat de bevindingen van de instellingen op dit punt kennelijk onjuist zijn. Integendeel, zij baseert zich juist op die bevindingen, met name op die in de paragrafen 48 en 49 van de bestreden verordening, om te concluderen dat de Japanse produkten niet goedkoper waren dan de door de communautaire producenten verkochte, maar technisch superieur. Daarbij verliest Ricoh evenwel uit het oog, dat het standpunt van de instellingen overwegend is gebaseerd op de zeer verbreide vorm van onderbieding, die zich niet in lagere prijzen uitte, maar in de verkoop door de Japanse exporteurs van apparaten met extra mogelijkheden tegen dezelfde prijs of zelfs goedkoper dan de eenvoudigere apparaten van de producenten in de Gemeenschap (zie paragraaf 47, tweede alinea, en paragraaf 49, in fine). Mijns inziens was het in de gegeven omstandigheden niet alleen redelijk, maar zelfs noodzakelijk, met deze vorm van onderbieding rekening te houden. In paragraaf 44 van de bestreden verordening stelt de Raad immers, dat
"de in Japan vervaardigde modellen gewoonlijk meer mogelijkheden boden dan concurrerende CECOM-modellen",
zodat
"de Commissie (...) bij haar keuze van te vergelijken paren modellen veelvuldig verplicht (was) een - minder mogelijkheden biedend - CECOM-model met een in Japan geproduceerd model met gelijksoortige basiskenmerken te vergelijken".
Een uitsluitend op de prijzen gebaseerde vergelijking van de ingevoerde en de daarmee het best vergelijkbare communautaire modellen, zonder inachtneming van die technische verschillen, zou dus niet het werkelijke verschil in prijs of handelswaarde hebben weergegeven dat tussen de verschillende modellen eventueel bestond, gelet op het feit dat
"in het algemeen (...) een veelzijdiger model vanwege de bijkomende mogelijkheden hoger geprijsd (zou) moeten zijn" (paragraaf 44, in fine).
44. Het feit dat de instellingen deze vorm van onderbieding niet exact hebben gekwantificeerd - zij konden onmogelijk de bijkomende kenmerken van de Japanse apparaten waarderen (zie paragraaf 49, vierde streepje) -, doet geen afbreuk aan hetgeen zij omtrent het bestaan ervan hebben vastgesteld. Mijns inziens is een dergelijke vaststelling in het kader van het onderzoek van de schadefactoren voldoende, en zou een "kwantificering" slechts vereist zijn geweest, indien de instellingen de omvang van de onderbiedingrekening in het percentage van het anti-dumpingrecht tot uiting hadden willen brengen. Uit paragraaf 110 van de bestreden verordening blijkt evenwel, dat juist vanwege de onmogelijkheid, de vastgestelde onderbieding te becijferen,
"de Commissie (besloot) dat het in het kader van deze procedure niet dienstig zou zijn in de berekeningen van het recht een factor op te nemen waarmee rekening zou worden gehouden met het tijdens de procedure vastgestelde soort prijsonderbieding".
45. Gelet op het voorgaande kan Ricoh zich evenmin beroepen op paragraaf 86 van de bestreden verordening - waarin de Raad betwist dat het grote marktaandeel van de Japanse exporteurs aan de betere kwaliteit van hun apparaten was toe te schrijven "behalve wat het aantal extra' s betreft" - ten betoge dat het niet om onderbieding, maar om concurrentie ging: in casu is de onderbieding immers juist gelegen in het feit, dat "meer mogelijkheden biedende" apparaten werden verkocht tegen prijzen die niet hoger waren dan die van minder geavanceerde apparaten. Zoals de Raad terecht opmerkt, is deze onderbieding, als zij het gevolg is van invoer met dumping, niet als een eerlijke mededingingspraktijk te beschouwen (punt 128 van het verweerschrift).
46. Ten slotte lijkt mij Ricoh' s betoog, dat
"het onderzoek van Info-Markt erop wijst dat de prijzen van de Europese modellen in het algemeen hoger moesten zijn dan die van vergelijkbare Japanse modellen, omdat de Europese modellen vaak voor verhuur bestemd zijn en dus in de regel op een langere levensduur zijn berekend",
te vaag en niet met bewijzen gestaafd. Afgezien van het feit dat een langere levensduur voor een grotere betrouwbaarheid staat, wat op technische superioriteit wijst - die Ricoh de communautaire apparaten juist ontzegt -, moet voorts worden opgemerkt, dat
"de ontvangsten uit de verhuur van de apparaten volgens raming (slechts) 35 % van de door de communautaire producenten gerealiseerde omzet van de apparaten bedraagt"
en dat de prijsvergelijking alleen voor de verkoopprijzen is verricht (zie paragraaf 46 van de bestreden verordening), dus niet de uitsluitend voor verhuur bestemde apparaten betrof.
47. Met betrekking tot de invloed van de invoer met dumping op de betrokken bedrijfstak hebben de instellingen behalve op de aanzienlijke daling van het marktaandeel van de communautaire producenten - zie hiervóór bij de bespreking van de omvang van de Japanse invoer - vooral gewezen op de daling van de rentabiliteit. Ricoh betwist de in paragraaf 81 van de bestreden verordening vermelde cijfers niet, maar verwijt de instellingen, dat zij zich bij de beoordeling van de rentabiliteit van de communautaire producenten hebben geconcentreerd op de verkoop en de verhuur van "apparaten van eigen fabrikaat van de segmenten 1 tot en met 4", in plaats van rekening te houden met de winst van al hun activiteiten op het gebied van de fotokopie, en met name met de winst uit de doorverkoop van bij Japanse leveranciers gekochte OEM-modellen, de verkoop van toebehoren en de verkoop en de verhuur van apparaten van de segmenten 5 en 6.
48. Krachtens artikel 4, lid 4, van de basisverordening wordt
"het effect van de invoer met dumping of subsidiëring (...) geraamd ten opzichte van de produktie van het soortgelijke produkt in de Gemeenschap (...)"
Bij de beoordeling van de invloed van de Japanse invoer op de rentabiliteit van de communautaire producenten behoefde de Raad dus geen rekening te houden met hun winst of verlies op de verkoop of de verhuur van door hen ingevoerde PPC' s, of op andere produkten dan het "soortgelijke produkt" zoals dat in het kader van de procedure is gedefinieerd. Zoals wij hebben gezien, omvat dit begrip
"alle fotokopieertoestellen tot en met die van segment 5 van de Dataquestindeling" (paragraaf 31 van de bestreden verordening).
Voor dit laatste segment kwam de Raad evenwel tot de slotsom, dat hier geen belangrijke schade was berokkend (paragraaf 79). Hij behoefde de PPC' s van segment 5 dus niet meer in de rentabilteitsberekening op te nemen.
49. Ricoh kan zich evenmin beroepen op paragraaf 10 van de voorlopige verordening, waaruit blijkt dat de Commissie bij de samenstelling van de normale waarde rekening heeft gehouden met de winsten behaald op alle met PPC' s verband houdende activiteiten van elke exporteur, dus ook met de winst uit de verkoop van toebehoren. Want bij haar definitieve standpuntbepaling heeft de Commissie haar opvatting immers herzien en voor elke exporteur de winst uitsluitend op basis van de verkoop van PPC' s berekend. Blijkens paragraaf 10 van de definitieve verordening heeft zij dat gedaan, ten einde rekening te houden met de opmerkingen van bepaalde betrokken partijen en omdat
"deze benadering volstrekt consistent (is) met de bij de berekeningen inzake schade ten aanzien van de bedrijfstak van de Gemeenschap gekozen benadering".
Het zou op zijn minst onbillijk zijn, indien Ricoh voor een bepaalde methode ter bepaling van haar eigen winst kon kiezen bij de samenstelling van de normale waarde, en die methode kon afwijzen wanneer het erom gaat, de winsten van de communautaire producenten te bepalen ter beoordeling van de schade.
50. Ricoh is er dus niet in geslaagd aan te tonen, dat als gevolg van de toegepaste methode de rentabiliteit "kunstmatig" is verlaagd, zodat haar bezwaren tegen paragraaf 82 van de bestreden verordening, voor zover zij op dat argument gebaseerd zijn, eveneens ongegrond zijn. In paragraaf 82 stelde de Raad:
"De verminderde winsten vormen een bedreiging voor de mogelijkheden van de communautaire producenten de nodige bedragen voor O & O uit te trekken met het oog op de ontwikkeling van nieuwe produkten ten einde in de toekomst op de markt van de Gemeenschap met Japanse exporteurs te kunnen concurreren en de verkoop van hun produkten te bevorderen door middel van reclame en sales promotion op een dusdanig niveau dat gelijke tred wordt gehouden met hun Japanse concurrenten."
Om de voormelde redenen, namelijk dat de schade, en dus de rentabiliteit, uitsluitend ten opzichte van de produktie van het soortgelijke produkt dient te worden bepaald, wordt aan die conclusie evenmin afgedaan door het feit dat de algemene situatie van de communautaire producenten gezond was en dat hun inkomsten uit andere activiteiten ruimschoots volstonden om de betrokken kosten te dekken.
51. Voorts heeft Ricoh bezwaar tegen het feit, dat de instellingen aan de geringe rentabiliteit andere moeilijkheden hebben toegeschreven, zoals bij voorbeeld het onvermogen om te profiteren van schaalvoordelen (zie paragraaf 83 van de bestreden verordening). Haars inziens worden de geringe schaalvoordelen verklaard, doordat de communautaire producenten door technische problemen eerst laat zijn gestart met de produktie van kleine fotokopieerapparaten die de Japanse produkten konden beconcurreren.
52. Hierbij vergeet Ricoh evenwel, dat de grotere PPC' s ook onder het begrip "soortgelijk produkt" vallen zoals dat voor deze procedure is gedefinieerd, en dat de invoer met dumping van kleine Japanse fotokopieerapparaten dus ook aan de communautaire produktie van grotere PPC' s schade kon toebrengen.
53. Voorts is niet weersproken, dat er vanaf het einde der jaren 60 en gedurende de jaren 70, de periode waarin de Japanse exporteurs met de lancering van verschillende kleine fotokopieerapparaten begonnen, in de Gemeenschap PPC' s met geringe capaciteit werden geproduceerd: Rank Xerox bouwde immers het tot segment 1 behorende model 660.
54. De stelling van Ricoh, dat de communautaire producenten pas zeer laat zouden zijn begonnen met de ontwikkeling van nieuwe apparaten met geringe capaciteit die met de Japanse modellen konden concurreren, behandelt de Raad in de paragrafen 85 en 86 van de bestreden verordening. De Raad merkt met name op, dat de interne en technische moeilijkheden die Rank Xerox bij de ontwikkeling van een nieuw model ondervond, als geldige verklaring konden worden gezien voor de problemen waarmee de onderneming in het verleden te kampen had gehad, maar dat die moeilijkheden in 1982/1983 na de lancering van het nieuwe model waren opgelost. Aangezien Ricoh alleen maar op moeilijkheden in het verleden wijst en geen argumenten aanvoert waaruit zou blijken dat de beoordeling van die problemen door de Raad onjuist was, kan zijn weigering om daarin een schade-oorzaak te zien, als terecht worden beschouwd.
55. Océ en Olivetti ten slotte hebben weliswaar grote aantallen OEM-modellen uit Japan ingevoerd, doch deden dat, zoals het Hof in r.o. 47 van het arrest van 14 maart 1990 (Gestetner) opmerkte, nadat hun pogingen om hun eigen PPC' s met geringe capaciteit op de markt te brengen waren mislukt ten gevolge van de door de Japanse invoer veroorzaakte lage marktprijzen.
56. Uit het voorgaande volgt, dat de middelen en argumenten betreffende fouten in de vaststelling van de schade moeten worden afgewezen.
C - De belangen van de Gemeenschap
57. Krachtens artikel 12, lid 1, van de basisverordening mag een anti-dumpingrecht slechts worden ingesteld, onder meer
"wanneer uit de definitieve vaststelling van de feiten blijkt dat (...) de belangen van de Gemeenschap een communautair optreden noodzakelijk maken".
58. Volgens Ricoh hebben de instellingen de belangen van de Gemeenschap onjuist beoordeeld door enerzijds ondernemingen die afhankelijk waren en profiteerden van de invoer vanuit Japan tot de "bedrijfstak van de Gemeenschap" te rekenen, en door anderzijds geen rekening te houden met het feit dat de Europese produktie van kleine fotokopieerapparaten beperkt was. Zoals ik echter zoëven al heb gezegd, mochten de instellingen Rank Xerox, Océ en Olivetti evenwel terecht tot de "bedrijfstak van de Gemeenschap" rekenen en alle PPC' s, en niet alleen de "kleine" fotokopieerapparaten, als "soortgelijke produkten" beschouwen; derhalve faalt dit argument van Ricoh.
59. Voorts heeft Ricoh niet aangetoond, dat de Raad door de belangen van de communautaire producenten zwaarder te laten wegen dan die van de importeurs van OEM-modellen, zoals Gestetner en Agfa-Gevaert (zie paragraaf 93 van de bestreden verordening), of door te oordelen dat de voordelen die de instelling van een anti-dumpingrecht de betrokken producenten opleverde duidelijk opwogen tegen de eventuele nadelige gevolgen ervan, vooral voor de door de consumenten te betalen prijzen (zie paragraaf 99), een kennelijke vergissing heeft begaan in de uitoefening van zijn ruime beoordelingsbevoegdheid ter zake van de beoordeling van de belangen van de Gemeenschap.
60. Derhalve moeten de klachten over een onjuiste beoordeling van de belangen van de Gemeenschap eveneens worden afgewezen.
D - De berekening van het anti-dumpingrecht
61. Ricoh betoogt, dat de vaststelling van het anti-dumpingrecht op 20 % in strijd is met artikel 13, lid 3, van de basisverordening, bepalende dat het anti-dumpingrecht niet hoger mag zijn dan nodig is om de schade op te heffen. Geen van de argumenten die zij ter toelichting van dit middel aanvoert lijkt mij evenwel gegrond.
62. Ricoh stelt om te beginnen, dat de marge van 12 % die instellingen voor een redelijke winst of opbrengst over de verkoop van fotokopieerapparaten noodzakelijk achten, overtrokken is, omdat de winstmarge op de verkoop van kleine apparaten steeds kleiner is dan op de andere activiteiten in verband met fotokopieerapparaten.
63. Over dit probleem heeft de Raad zich in de bestreden verordening evenwel reeds uitgesproken, waar hij het standpunt van de Commissie overnam, die
"geen goede redenen (zag) waarom, zoals de exporteurs lijken te suggereren, alleen winst zou moeten worden gemaakt op verbruiksgoederen en toebehoren" (paragraaf 105, in fine, van de bestreden verordening).
Tevoren had de Raad uiteengezet, dat een rendement van 12 % vereist was, ten einde
"de gezamenlijke producenten van de Gemeenschap in staat te stellen:
- in de toekomst hun positie op de markt te behouden doordat zij passende middelen kunnen uittrekken voor O & O en sales promotion;
- een redelijke opbrengst te behalen, evenredig aan het risico van de ontwikkeling van nieuwe produkten, waarbij een passend deel aan de aandeelhouders kan worden uitgekeerd" (paragraaf 103, eerste alinea).
Het was de instellingen er dus om te doen, de communautaire producenten een rendement te garanderen dat voldoende was om hen aan te sporen tot investeringen in de ontwikkeling en de produktie van fotokopieerapparaten. Aldus redenerend konden de instellingen abstraheren van eventuele winsten uit de latere verkoop van verbruiksgoederen of, in het algemeen, uit andere activiteiten op het gebied van de fotokopie. Dezelfde redenering hebben de instellingen overigens tegenover klaagsters gevolgd: een rendement van 18 % wezen zij af omdat
"dit cijfer zodanig moet worden geïnterpreteerd dat hieronder ook de over het algemeen hogere winsten op verbruiksgoederen (...) vallen" (paragraaf 104 van de bestreden verordening).
64. Ricoh had het dus niet bij een algemeen gestelde herhaling van haar standpunt moeten laten, doch concreet moeten aantonen waarom de opvatting van de instellingen onjuist of onredelijk was.
65. Voorts heeft Ricoh haar argumenten beperkt tot de kleine fotokopieerapparaten en niet aangegeven, hoeveel lager dan 12 % het rendement op deze apparaten had moeten zijn, en nog minder, welke consequenties dat lagere rendementspercentage op kleine fotokopieerapparaten zou hebben gehad voor het ingestelde anti-dumpingrecht, gelet op de in paragraaf 107 van de bestreden verordening beschreven berekeningsmethode die, zoals ik in mijn conclusie in de zaken Nashua (gevoegde zaken C-133/87 en 150/87) heb gesteld, een globale was,
"gebaseerd op de totale schade veroorzaakt door een representatief deel (...) van alle uitvoer naar de Gemeenschap tegen dumpingprijzen door Japanse ondernemingen en niet op de schade veroorzaakt door elke exporteur afzonderlijk" (punt 103 van de conclusie; zie ook paragraaf 112, derde alinea, van de bestreden verordening).
66. Ricoh' s tweede argument, namelijk dat het anti-dumpingrecht was berekend op basis van het bedrag waarmee de prijzen moesten worden verhoogd om de prijsonderbieding ongedaan te maken, die in feite niet bestond, is reeds volgens de wetten van de logica onhoudbaar wegens het wegvallen van de premisse waarop het steunt. Want zoals gezegd, de Japanse exporteurs hebben de prijzen onderboden, zij het veelal
"in de vorm van de verkoop van apparaten met meer mogelijkheden tegen prijzen die vergelijkbaar waren met of lager waren dan die van de minder toegeruste modellen van de producenten in de Gemeenschap" (paragraaf 49 van de bestreden verordening).
Vervolgens is, zoals eveneens reeds gezegd, wegens de moeilijke kwantificeerbaarheid van deze bijzondere vorm van onderbieding, in de berekening van het anti-dumpingrecht geen enkele factor opgenomen die daarmee rekening houdt (zie paragraaf 110 van de bestreden verordening).
67. Ook het derde argument van Ricoh, namelijk dat de "gedetailleerde" beschrijving van de berekeningswijze van het recht in paragraaf 107 van de bestreden verordening "onbegrijpelijk" is, kan niet worden aanvaard. Om te beginnen is dit argument te vaag en heeft Ricoh niet eens geantwoord op het uitdrukkelijke verzoek van de Raad aan het slot van het verweerschrift om precisering van wat "onbegrijpelijk" zou zijn. In dit verband moet ook worden opgemerkt, dat Ricoh deze berekeningswijze niet als "onbegrijpelijk" heeft bestempeld toen deze haar vóór de vaststelling van de bestreden verordening voor eventueel commentaar was meegedeeld. Bovendien zijn in paragraaf 107, sub i) tot en met vii), alle fasen van de door de instellingen gemaakte berekening - zoals Ricoh zelf zegt - "gedetailleerd" weergegeven. Gelet op de in beginsel normatieve aard van de bestreden beschikking en op het feit dat het onmogelijk is om alle details van een anti-dumpingonderzoek in de motivering van een verordening weer te geven(13), was het mijns inziens niet noodzakelijk om ook de wiskundige formule en de berekeningen die tot de vaststelling van een anti-dumpingrecht van 20 % hebben geleid, daarin op te nemen. Daarenboven stond ook de vertrouwelijke aard van bepaalde cijfers daaraan in de weg.
Conclusie
Geen van de door verzoekster aangevoerde middelen gegrond achtend, concludeer ik tot verwerping van het beroep, met verwijzing van Ricoh in de kosten, daaronder begrepen die van de interveniënten.
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) - Zie de arresten van 7 mei 1987, de zogenoemde kogellager -arresten (zaak 240/84, Toyo, Jurispr. 1987, blz. 1809, r.o. 6; zaak 255/84, Nachi Fujikoshi, Jurispr. 1987, blz. 1861, r.o. 7; zaak 256/84, Koyo Seiko, Jurispr. 1987, blz. 1899, r.o. 6; en zaak 258/84, Nippon Seiko, Jurispr. 1987, blz. 1923, r.o. 7).
(2) - PB 1987, L 54, blz. 12.
(3) - Zie bij voorbeeld de arresten van 24 februari 1987 (zaak 312/84, Ehrhardt-Renken, Jurispr. 1987, blz. 841, r.o. 22) en 17 november 1987 (gevoegde zaken 142/84 en 156/84, BAT, Jurispr. 1987, blz. 4487, r.o. 13).
(4) - PB 1986, L 239, blz. 5.
(5) - PB 1984, L 201, blz. 1.
(6) - Zaken 240/84, 255/84, 256/84, 258/84 en 260/84, Jurispr. 1987, blz. 1809, 1861, 1899, 1923, 1975.
(7)
- Arrest van 5 oktober 1988 (gevoegde zaken 277/85 en 300/85, Canon, Jurispr. 1988, blz. 5731, r.o. 37).
(8) - Zie in die zin de kogellager -arresten van 7 mei 1987, in het bijzonder het arrest Toyo, r.o. 16.
(9) - In punt 48 van zijn verweerschrift preciseert de Raad, dat de normale waarde is samengesteld overeenkomstig artikel 2, lid 3, sub b, ii, en niet, zoals verzoekster suggereert, overeenkomstig artikel 2, lid 4 . Dit lijkt mij evenwel een enigszins kunstmatige controverse, daar beide bepalingen aan elkaar gekoppeld zijn, in die zin dat wanneer artikel 2, lid 4, van toepassing is en de normale waarde dus moet worden samengesteld, dit overeenkomstig de voorschriften van artikel 2, lid 3, sub b, ii, plaatsvindt.
(10) - Zie in die zin de arresten van 5 oktober 1988, in het bijzonder het arrest Canon, r.o. 26.
(11)
- In die zin, de kogellager -arresten van 7 mei 1987, in het bijzonder het arrest Nachi Fujikoshi, r.o. 32.
(12)
- Zie in dezelfde zin, de rechtsoverwegingen 57 en 58 van voormeld arrest van 5 oktober 1988 (Canon).
(13) - Arrest van 5 oktober 1988, Canon, reeds aangehaald, r.o. 46.
Full & Egal Universal Law Academy