Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Afgezien van het middel betreffende de onverenigbaarheid van artikel 2, lid 10, sub c, van verordening (EEG) nr. 2176/84 van de Raad(1) (hierna: "basisverordening") met de anti-dumpingcode van 1979(2), is geen van de door verzoeksters, Matsushita Electric Industrial Co. Ltd (hierna: "MEI") en Matsushita Trading Co. Ltd (hierna: "MET"), in hun beroep tot nietigverklaring van verordening (EEG) nr. 535/87 van de Raad(3) (hierna: "definitieve verordening" of "bestreden verordening") aangevoerde middelen werkelijk nieuw.
2. De middelen betreffende schending van artikel 2, leden 3 en 7 (inzake de vaststelling van de normale waarde), en van artikel 2, leden 9 en 10, sub c, van de basisverordening (inzake de vergelijking van de normale waarde en de uitvoerprijs) heb ik reeds behandeld in de zaken C-171/87 (Canon) en C-174/87 (Ricoh). In de onderhavige conclusie kan ik dus naar mijn conclusies in beide voornoemde zaken verwijzen en mij voor het overige beperken tot de specifieke argumenten die Matsushita aanvoert, met name die betreffende de bijzondere omstandigheden waardoor haar positie zou verschillen van die van de andere betrokken Japanse producenten in het kader van de onderhavige verordening dan wel in dat van de verordening betreffende de elektronische schrijfmachines ("electronic typewriters", hierna: "ETW' s"), die het Hof in de arresten van 5 oktober 1988(4) heeft gesauveerd. Verder houdt het middel betreffende schending van artikel 190 EEG-Verdrag (motiveringsgebrek) nauw verband met het middel betreffende de onjuiste vaststelling van de normale waarde, in die zin dat de Raad wordt verweten dat hij de toepassing van artikel 2, leden 3 en 7, van de basisverordening in het onderhavige geval onvoldoende heeft toegelicht.
3. Wat betreft de middelen inzake de schade, de belangen van de Gemeenschap en de berekening van het anti-dumpingrecht hebben verzoeksters in de zaken C-174/87 (Ricoh), C-176/87 (Konishiroku), C-177/87 (Sanyo) en C-179/87 (Sharp) gemeenschappelijke opmerkingen ingediend; aangezien ik deze in mijn conclusie in zaak C-174/87 (Ricoh) reeds uitvoerig heb besproken, zal ik er hier niet meer op ingaan.
A - De vaststelling van de normale waarde
4. Matsushita heeft drie bezwaren tegen de wijze waarop de Raad de normale waarde heeft vastgesteld. Voor een gedetailleerde beschrijving van haar argumenten verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting.
1. Schending van artikel 2, leden 3 en 7, van de basisverordening, doordat de normale waarde op basis van de aan de eerste onafhankelijke koper gefactureerde prijs is berekend
5. Tot staving van haar eerste middel betoogt Matsushita, dat de basisverordening zich ertegen verzet, de aan de eerste onafhankelijke koper gefactureerde prijs te gebruiken voor de normale waarde. Haars inziens wordt de vaststelling van de normale waarde in het geval van een associatie tussen de producent en zijn afnemers door de leden 3 en 7 van artikel 2 van de basisverordening uitputtend geregeld en zijn de gemeenschapsinstellingen op grond van deze bepaling verplicht, de normale waarde op basis van de aan de producent betaalde prijs of van de door hem gedragen kosten vast te stellen. De Raad heeft deze bepalingen geschonden door te weigeren, artikel 2, lid 7, op de verkopen tussen MEI en haar geassocieerde verkoopmaatschappijen toe te passen en door - in zover die verkopen zijns inziens geen normale handelstransacties waren - de normale waarde niet overeenkomstig artikel 2, lid 3, sub c, te berekenen.
6. In mijn conclusies in de zaken C-171/87 (Canon) en C-174/87 (Ricoh) heb ik er evenwel reeds op gewezen, dat blijkens de voormelde arresten van 5 oktober 1988:
i) voor de vaststelling van de normale waarde in de eerste plaats artikel 2, lid 3, sub a, dient te worden toegepast en dat artikel 2, lid 3, sub b, slechts secundair is(5);
ii) indien de door de eerste onafhankelijke koper van het produkt betaalde prijs kan worden beschouwd als de in het kader van normale handelstransacties werkelijk betaalde prijs in het land van uitvoer of van oorsprong, overeenkomstig artikel 2, lid 3, sub a, die prijs met voorrang boven elke andere factor moet worden gebruikt(6);
iii) dit het geval is bij een splitsing van produktie- en verkoopactiviteiten binnen een groep die weliswaar uit juridisch zelfstandige vennootschappen bestaat, doch die "één enkele economische eenheid" vormt.(7)
7. Uit het voorgaande volgt, dat wanneer is voldaan aan de voorwaarden om de door de eerste onafhankelijke koper betaalde prijs als een prijs "in het kader van normale handelstransacties" te kunnen beschouwen en dus als normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 3, sub a, het probleem van de toepasselijkheid van artikel 2, lid 7, en derhalve de gevolgen van de eventuele toepassing van die bepaling niet behoeven te worden onderzocht.
8. Uit het voorgaande volgt ook dat voor de stelling, dat alleen de aan de producent betaalde prijzen of de door hem gedragen kosten kunnen dienen ter berekening van de normale waarde geen argumenten zijn te ontlenen aan het feit dat volgens artikel 2, lid 3, sub b, ii, de aangenomen waarde wordt bepaald door bij de produktiekosten een redelijk bedrag voor winst te voegen en dat deze produktiekosten een redelijk bedrag voor uitgaven in verband met de verkoop en administratie en andere uitgaven omvatten. Argumenten in die zin zijn evenmin te vinden in het feit dat de basisverordening wat de vaststelling van de normale waarde betreft niet zoals voor de uitvoerprijs (zie artikel 2, lid 8, sub b) uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid om uit te gaan van de prijs waartegen het produkt voor het eerst wordt (weder)verkocht aan een onafhankelijke koper. In het arrest TEC (reeds aangehaald, r.o. 29) stelde het Hof overigens uitdrukkelijk, dat zelfs bij toepassing van artikel 2, lid 3, sub b, ii, niet alleen de door de producent (of zijn bedrijfsinterne verkoopafdeling) gedragen kosten, maar ook die van een verkoopmaatschappij die weliswaar juridisch zelfstandig is, doch economisch door de producent wordt gecontroleerd, in de normale waarde moeten worden opgenomen.
9. Rest derhalve de vraag, of de argumenten die Matsushita in haar na de uitspraken in de ETW-zaken neergelegde repliek aanvoert ten bewijze dat MEI en haar 59 geassocieerde verkoopmaatschappijen niet "één enkele economische eenheid" in de zin van genoemde arresten vormen, volstaan om te concluderen dat die rechtspraak in casu geen toepassing kan vinden. Matsushita betoogt om te beginnen, dat MEI niet alleen fabrikant van fotokopieerapparaten voor gewoon papier (hierna: "PPC' s") is, maar ook een aantal verkoopfuncties vervult en dat de overdrachten tussen MEI en haar 59 geassocieerde verkoopmaatschappijen echte verkopen zijn. Voorts voert Matsushita aan, dat deze 59 geassocieerde verkoopmaatschappijen, waaraan MEI haar produkten "verkoopt", andere taken dan die van een bedrijfsinterne verkoopafdeling verrichten en dat hun verkoopkosten, die bij de reeds door MEI zelf gedragen kosten komen, derhalve niet in de normale waarde hadden mogen worden opgenomen.
10. Gelet op situatie in de onderhavige zaak geloof ik echter niet, dat deze argumenten voldoende grond opleveren om Matsushita en haar geassocieerde verkoopmaatschappijen niet als "één enkele economische eenheid" in de zin van de ETW-arresten te beschouwen. In de eerste plaats achtte het Hof in elk van de arresten van 5 oktober 1988, waarin het het begrip "één enkele economische eenheid" hanteerde, de constatering voldoende, dat de betrokken producent(8) zijn
"produkten op de binnenlandse markt (...) via een distributiemaatschappij (verhandelt), die (hij) economisch controleert en waaraan (hij) taken toevertrouwt, die gewoonlijk worden uitgeoefend door een bedrijfsinterne verkoopafdeling van een producent".
Zeker, deze formulering impliceert misschien niet, dat de theorie van "één enkele economische eenheid" eveneens toepassing moet vinden, wanneer de producent zelf een gedeelte van zijn produkten via een bedrijfsinterne verkoopafdeling rechtstreeks aan onafhankelijke klanten verkoopt, en een ander gedeelte via een of meer verkoopmaatschappijen. Anderzijds kan er echter niet uit worden afgeleid, dat het Hof deze theorie heeft willen reserveren voor die gevallen waarin de producent zelf geen enkele verkoopfunctie vervult en waarin alle verkoopfuncties, die normaliter tot de taak van een bedrijfsinterne verkoopafdeling behoren, uitsluitend door een of meer geassocieerde verkoopmaatschappijen worden vervuld. Er is sprake van "één enkele economische eenheid" in geval van
"scheiding van produktie- en verkoopactiviteiten binnen een groep die uit juridisch zelfstandige vennootschappen bestaat".(9)
Mijns inziens is niet vereist, dat er een duidelijke scheiding tussen de produktie-activiteiten en de verkoopactiviteiten bestaat, in die zin dat de produktie-onderneming geen enkele verkoopfunctie vervult. Het volstaat dat de produktie-onderneming niet zelf rechtstreeks aan onafhankelijke klanten verkoopt.
11. Die uitlegging lijkt mij in de lijn te liggen van het doel van deze theorie, de economische werkelijkheid te laten prevaleren boven rechtsvormen en juridische constructies. In concreto dient die theorie ertoe te "voorkomen, dat kosten die duidelijk (of noodzakelijkerwijs(10)) een bestanddeel van de verkoopprijs van een produkt vormen, wanneer dit produkt wordt verkocht door een verkoopafdeling binnen de organisatie van de producent, niet aldus worden gezien, wanneer dezelfde verkoopactiviteit wordt verricht door een juridisch zelfstandige, maar economisch door de producent gecontroleerde vennootschap".(11) Om dit te bereiken moet deze theorie niet alleen worden toegepast, wanneer alle verkoopfuncties door een juridisch zelfstandige, maar economisch door de producent gecontroleerde vennootschap worden vervuld, maar ook wanneer de producent slechts een gedeelte van die functies aan een dergelijke vennootschap heeft toevertrouwd en hij de overige via een bedrijfsinterne verkoopafdeling uitoefent.
12. In de tweede plaats stel ik vast, dat volgens verzoeksters zelf (zie met name punt 21 van het verzoekschrift) in het onderhavige geval de voornaamste taak van MEI' s verkoopafdeling voor kantoorapparatuur (een onderdeel van de Office Equipment Division, hierna: "OED") is, "het bijstaan van de geassocieerde verkoopmaatschappijen in hun commerciële activiteiten, met name bij verkopen aan belangrijke afnemers zoals banken, scholen en soortgelijke instellingen" omdat "de meeste geassocieerde verkoopmaatschappijen geen personeel hebben dat gespecialiseerd is in de verkoop van PPC' s". MEI' s verkoopafdeling springt de geassocieerde verkoopmaatschappijen dus bij in een taak die deze niet alleen aankunnen, en als zij verkoopfuncties vervult, dan doet zij dat ten opzichte van de klanten van de geassocieerde verkoopmaatschappijen, en niet ten opzichte van de geassocieerde verkoopmaatschappijen zelf.
13. Wanneer "de OED-verkopers demonstraties, tentoonstellingen, verkoopwedstrijden tussen geassocieerde verkoopmaatschappijen en dealers organiseren", bevorderen zij de verkoop van Matsushita' s produkten aan de klanten van de geassocieerde verkoopmaatschappijen, niet aan de geassocieerde verkoopmaatschappijen zelf.
14. Voorts blijkt uit het feit, dat "zij samen met verkopers van de geassocieerde verkoopmaatschappijen dealers en feitelijke of potentiële klanten bezoeken en de orders van de geassocieerde verkoopmaatschappijen in ontvangst nemen", dat zij in werkelijkheid niet aan de geassocieerde verkoopmaatschappijen verkopen, doch hooguit met hen samenwerken bij de verkoop aan onafhankelijke dealers.
15. Ten slotte, ook al wordt "de reclame voor PPC' s in Japan hoofdzakelijk door OED gevoerd", gaat het er daarbij zeker niet om, de "verkopen" van MEI aan haar geassocieerde verkoopmaatschappijen te bevorderen, maar de verkopen van laatstgenoemden aan onafhankelijke dealers.
16. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd, dat de verkoopfuncties van MEI betrekking hebben op de overdrachten aan haar 59 geassocieerde verkoopmaatschappijen, of dat deze overdrachten daadwerkelijke verkopen zijn in de zin van de anti-dumpingregeling, dus verkopen "in het kader van normale handelstransacties". Aangezien de betrokken verkoopfuncties gericht zijn op de verkopen aan de eerste onafhankelijke kopers op de binnenlandse markt moeten, om te bereiken dat de normale waarde alle kosten omvat die kennelijk in de verkoopprijs op de binnenlandse markt zijn begrepen, dus de door die functies veroorzaakte kosten worden opgenomen. Matsushita betwist dat overigens niet, doch, zoals reeds gezegd, betoogt zij dat de door de geassocieerde verkoopmaatschappijen uitgeoefende functies verschillen van die van een bedrijfsinterne verkoopafdeling, zodat de normale waarde alleen de kosten van MEI zou mogen omvatten, en dus niet die van de geassocieerde verkoopmaatschappijen.
17. In de derde plaats moet echter worden opgemerkt, dat reeds uit de vaststelling, dat de functies van MEI slechts complementair zijn ten opzichte van die van de geassocieerde verkoopmaatschappijen, en uit het - niet weersproken - feit dat MEI zelf nooit aan onafhankelijke klanten heeft verkocht, volgt dat de door de geassocieerde verkoopmaatschappijen uitgeoefende verkoopfuncties onmisbaar zijn voor de verkoop van Matsushita-PPC' s op de binnenlandse markt. In haar verzoekschrift (punt 24) preciseert Matsushita overigens uitdrukkelijk, dat "elke geassocieerde verkoopmaatschappij verantwoordelijk is voor de verkoop van PPC' s aan de in haar gebied gevestigde dealers" en dat "hun activiteiten niet alleen de levering van PPC' s aan de dealers omvatten, maar ook het vervoer van de PPC' s naar de winkels van de dealers of naar de eindverbruikers, de reclame voor en de promotie van PPC' s, de serviceverlening en, in voorkomend geval, de reparatie van de aan de eindverbruiker verkochte PPC' s". Dit zijn ongetwijfeld activiteiten die, waren er geen geassocieerde verkoopmaatschappijen geweest, door een bedrijfsinterne verkoopafdeling zouden zijn verricht en waarvan de kosten dus in de normale waarde behoren.
18. Weliswaar omvat de normale waarde in dit geval, zoals Matsushita opmerkt(12), "twee soorten kosten, namelijk die van verzoekster MEI zelf en die van de geassocieerde verkoopmaatschappijen". Aangezien dit echter de kosten van de verschillende taken zijn die alle samenhangen met de verkoop op de binnenlandse markt, zou bij in aanmerkingneming van slechts één soort kosten niet worden bereikt dat de normale waarde alle kosten omvat die kennelijk tot de verkoopprijs behoren, wanneer de verkoopactiviteiten uitsluitend zouden zijn verricht door een bedrijfsinterne verkoopafdeling van de producent, dan wel door een ten opzichte van de producent juridisch zelfstandige, maar economisch door hem gecontroleerde vennootschap.
19. Uit het voorgaande concludeer ik, dat aangezien alle verkopen aan onafhankelijke kopers op de binnenlandse markt zijn verricht door de met MEI geassocieerde verkoopmaatschappijen, het feit dat MEI niet alle desbetreffende verkoopfuncties aan die verkoopmaatschappijen heeft toevertrouwd, doch zelf een aantal van die functies (voornamelijk ondersteunende) verricht, niet belet dat MEI en haar verkoopmaatschappijen voor de vaststelling van de normale waarde als "één enkele economische eenheid" kunnen worden beschouwd.
20. Volledigheidshalve wil ik hieraan toevoegen, dat de verklaring in punt 23 van het verzoekschrift, dat "tijdens de onderzoeksperiode het belang van MEI en de andere vennootschappen van de Matsushita-groep in deze 59 geassocieerde verkoopmaatschappijen varieerde van 12,5 % tot 100 %" op zich niet volstaat als bewijs, dat deze maatschappijen niet economisch door MEI werden gecontroleerd. Immers, slechts bij enkele van die 59 verkoopmaatschappijen was MEI' s deelneming kleiner dan 50 % en bovendien is het aandeel in het kapitaal niet de enige graadmeter voor de mate van economische controle. In dit verband zij er bij voorbeeld op gewezen, dat de Industrial Sales Division van MEI verantwoordelijk is voor het commerciële beleid inzake industriële produkten en als zodanig samen met de OED met name het prijsbeleid voor de PPC' s, en dus ook de regels voor het verlenen van kortingen, bepaalt (zie punt 19 van het verzoekschrift). Het lijkt mij overigens veelbetekenend, dat Matsushita niet heeft aangevoerd, dat zij in enkele van haar verkoopmaatschappijen minder dan de helft van de aandelen houdt. Zij heeft daar slechts terloops op gewezen, in een voetnoot in haar repliek, en wel waar zij stelt, dat de interne overdrachten binnen de groep in werkelijkheid echte verkopen zijn, zij het tussen geassocieerde partijen (punt 8 van de repliek).
2. Schending van artikel 2, lid 3, sub a, van de basisverordening, doordat de inruilkorting voor het basisapparaat is opgenomen in de "werkelijk betaalde of te betalen prijs" die als normale waarde geldt
21. In mijn conclusie in zaak C-171/87 (Canon) heb ik reeds uiteengezet, dat inruilkortingen in beginsel moeten worden opgenomen in de overeenkomstig artikel 2, lid 3, sub a, van de basisverordening bepaalde normale waarde, omdat zij als pendant van de waarde die het ingeruilde apparaat voor de overnemer heeft, juist een deel van de door de koper van het nieuwe produkt "werkelijk" betaalde of te betalen prijs zijn. Dat blijft het geval, ook al vertegenwoordigt die waarde niet de doorverkoopwaarde van het gebruikte produkt, maar, zoals in casu, de voordelen die de producent heeft van het uit de markt nemen en buiten gebruik stellen van die apparaten, zoals de Raad in paragraaf 13, tweede alinea, in fine, van de bestreden verordening stelt. Matsushita' s argument, dat het geen rechtstreekse voordelen zijn en evenmin kwantificeerbaar, lijkt mij in deze context irrelevant, daar de instellingen niet voor iedere producent de specifieke voordelen van het uit de markt nemen van zijn oude PPC' s behoefden te berekenen, nu zij eenvoudig bij de door de klanten betaalde of te betalen nettoprijs het werkelijk bedrag van de verleende inruilkorting hebben opgeteld.
22. De specifieke argumenten van Matsushita ten betoge dat in ieder geval de door haar verkoopmaatschappijen aan hun onafhankelijke klanten verleende inruilkortingen gewone kortingen zijn en dus niet in de normale waarde hadden mogen worden opgenomen, falen eveneens.
23. Om te beginnen neemt het feit, dat de korting wordt verleend zonder dat inruil behoeft te worden bewezen en zonder dat Matsushita nagaat, of inruil heeft plaatsgevonden, niet weg, dat de korting juist tot doel heeft, de dealers van Matsushita-PPC' s in staat te stellen oude PPC' s over te nemen en van de markt te verwijderen. Gelet op het feit dat Matsushita nog andere kortingen geeft - de korting voor het basisapparaat, de korting wegens contante betaling en de kortingen uit concurrentie-overwegingen (zie hoofdstuk I, B, van het rapport ter terechtzitting) - en gezien de soms weifelachtige, zo niet tegenstrijdige verklaringen van Matsushita in de loop van de procedure (zie de punten 55 tot 77 van het verweerschrift van de Raad) valt eveneens moeilijk te begrijpen, waarom Matsushita kortingen verleent die zij "inruilkortingen voor het basisapparaat" noemt, indien deze niet bestemd zijn om behalve de verkoop van nieuwe PPC' s de inruil van gebruikte PPC' s te bevorderen. Ten slotte heeft volgens Matsushita zelf in 90 % van de gevallen inruil plaatsgevonden.
24. Bovendien is geen van de feiten die volgens Matsushita zouden aantonen, dat de inruilkorting niet een door de dealers aan de geassocieerde verkoopmaatschappijen overgedragen waarde vertegenwoordigt, ter zake afdoende. Het feit dat de onafhankelijke dealers de ingeruilde tweedehands-PPC' s niet (in alle gevallen) naar de geassocieerde verkoopmaatschappijen terugstuurden en de (eventuele) opbrengst van de sloping of de verkoop ervan doorboekten, betekent niet, dat het uit de markt nemen van de gebruikte PPC' s Matsushita niet de door de Raad beschreven voordelen kon opleveren. Integendeel, het feit dat Matsushita slechts in enkele gevallen de ingeruilde apparaten terugkreeg of niet zelf profiteerde van de eventuele opbrengst van de sloping of de verkoop ervan, geeft de indruk dat het Matsushita met de inruilkorting juist om dergelijke, los van de inruil- of doorverkoopwaarde van de ingeruilde apparaten staande voordelen te doen was. In het bijzonder wat Matsushita betreft heeft de Raad nooit ontkend, dat de korting in bepaalde gevallen niet juridisch (ingevolge een akkoord of een overeenkomst) gekoppeld was aan het uit de markt nemen van de oude PPC' s. Immers, in paragraaf 13, voorlaatste alinea, van de bestreden verordening doelt de Raad op Matsushita, waar hij zegt dat één exporteur aanvoerde dat
"de dealers in zijn geval niet behoefden aan te tonen dat de apparaten uit de markt waren genomen om voor de inruilbetaling in aanmerking te komen".
In de laatste alinea van dezelfde paragraaf antwoordde de Raad daarop:
"Het feit dat er virtueel geen tweedehandsmarkt voor PPC' s in Japan bestaat, toont aan dat de dealers vrijwel altijd de machines uit de markt nemen en dat deze exporteur derhalve opzettelijk of anderszins hetzelfde voordeel als alle andere producenten van PPC' s in Japan genoot",
en
"de betrokken exporteur heeft geen overtuigend bewijs van het tegendeel geleverd".
Doordat er in Japan nagenoeg geen tweedehandsmarkt voor PPC' s bestond, genoot Matsushita dus hetzelfde voordeel als de andere producenten die geen bezwaar hebben gemaakt (zie paragraaf 13, tweede alinea) of wier betalingen
"in elk geval als betalingen voor inruilapparaten (werden) omschreven en vrijwel zonder uitzondering (waren) gerelateerd aan de apparaten die uit de markt werden genomen" (paragraaf 13, vierde alinea).
Matsushita geeft zelf toe, dat in Japan "de tweedehandsmarkt voor PPC' s thans nagenoeg verdwenen is" (punt 31 van het verzoekschrift). Bijgevolg mocht de Raad mijns inziens aannemen, dat het uit de markt nemen van de oude PPC' s de regel was en dat het derhalve irrelevant was, dat de korting formeel niet aan het uit de markt nemen of het bewijs daarvan gekoppeld was.
25. Ten slotte ben ik van mening, dat de Raad bij de bepaling van de waarde van de inruilkorting voor het basisapparaat geen kennelijke beoordelingsfout heeft begaan, door in de waarde van de inruilkorting de door alle verkoopmaatschappijen van Matsushita behalve Osaka NOA verleende "kortingen voor het basisapparaat" mee te rekenen. Want alleen voor die onderneming heeft verzoekster bewijs overgelegd op grond waarvan tussen deze korting en de "inruilkorting" onderscheid kan worden gemaakt. Aangezien de verkopen van Osaka NOA echter slechts ongeveer 22,5 % van de totale verkoop tijdens de onderzoeksperiode vertegenwoordigden, kan de Raad niet worden verweten dat hij de cijfers van Osaka NOA niet heeft toegepast op de overige 58 verkoopmaatschappijen, waarvoor Matsushita slechts één cijfer voor beide kortingen had opgegeven.
3. Schending van artikel 2, lid 3, sub b, ii, van de basisverordening, doordat een kennelijk buitensporig bedrag voor VAA-kosten(13) in de aangenomen normale waarde voor de verkopen aan OEM' s(14) is opgenomen
26. Zoals bekend, heeft de Raad rekening gehouden met de kosten- en winstverschillen tussen de verkopen onder de eigen merknaam van de fabrikant en de OEM-verkopen; voor laatstbedoelde werd een forfaitaire winstmarge van 5 % aangenomen, in plaats van de - hogere - winstmarge die de fabrikant op de verkopen onder zijn eigen merknaam behaalde.
27. Volgens Matsushita heeft de Raad een kennelijke beoordelingsfout gemaakt bij de berekening van het bedrag van de VAA-kosten die zouden zijn ontstaan, had Matsushita in Japan PPC' s op OEM-basis verkocht. Door die kosten op te nemen in de normale waarde die is samengesteld ter vergelijking met de verkopen voor uitvoer aan OEM' s in de Gemeenschap, heeft de Raad dus artikel 2, lid 3, sub b, ii, van de basisverordening geschonden, dat voorschrijft, dat het bedrag van de VAA-uitgaven "redelijk" moet zijn.
28. Volgens Matsushita zijn ten onrechte in de samengestelde normale waarde opgenomen:
1) de VAA-kosten van haar geassocieerde verkoopmaatschappijen, want als er op de Japanse markt aan OEM' s zou zijn verkocht, deze verkopen rechtstreeks door de producent, MEI, zouden zijn verricht;
2) de reclame- en promotie-uitgaven voor de verkopen onder haar eigen merk, die in het geval van OEM-verkoop door OEM' s zelf zouden zijn gedragen;
3) de inruilkorting voor het basisapparaat, ofschoon het evident is, dat een fabrikant een OEM-koper nooit een korting zou verlenen om hem in staat te stellen tot inruiltransacties.
29. In dit verband moet evenwel in het algemeen voor ogen worden gehouden dat de instellingen, nu er op de Japanse markt helemaal niet aan OEM' s is verkocht, een raming hebben gemaakt ten einde alle kosten- en winstverschillen te dekken, ongeacht de aard ervan. Men kan dus niet met zekerheid zeggen, dat een bepaalde categorie kosten die in de normale waarde voor de verkopen onder de merknaam van de fabrikant is opgenomen, ook is opgenomen in de aangenomen normale waarde voor de verkopen aan de OEM' s. In ieder geval is het uitgesloten, dat alle soorten kosten integraal zijn opgenomen.
30. In de tweede plaats hebben de instellingen mijns inziens terecht geen rekening gehouden met de twee overeenkomsten die Matsushita heeft overgelegd ten bewijze dat als er in haar geval aan OEM' s in Japan was verkocht, dan rechtstreeks door MEI. Matsushita heeft immers noch de identiteit van de betrokken OEM-kopers, noch de aard van de betrokken produkten meegedeeld, zodat de instellingen de representativiteit van die overeenkomsten niet hebben kunnen nagaan. En zelfs al ging het om rechtstreekse verkopen door MEI, en niet, zoals bij de verkopen onder de merknaam Matsushita, om verkopen door haar geassocieerde verkoopmaatschappijen, dan zou dat toch een extra verkoopinspanning hebben betekend naast die die MEI normaal reeds moest leveren en dus ook extra en hogere VAA-kosten dan die welke MEI reeds droeg voor de verkopen onder de merknaam Matsushita: die kosten hadden dan eveneens in de normale waarde moeten worden opgenomen.
31. Al het door Matsushita geproduceerde bewijsmateriaal over reclame- en promotie-uitgaven heeft betrekking op de verkopen aan OEM' s in de Gemeenschap. Zoals ik evenwel reeds in mijn conclusie in zaak C-172/87 (Mita) heb gezegd, zijn de instellingen bij de samenstelling van de normale waarde niet verplicht rekening te houden met gegevens over een andere markt dan de uitdrukkelijk in artikel 2, lid 3, sub b, van de basisverordening vermelde "binnenlandse markt van het land van oorsprong of van uitvoer".
32. Indien ten slotte bij OEM-verkopen geen inruilkorting voor het basisapparaat werd verleend, dan zou de prijs van nieuwe PPC' s evenredig hoger zijn geweest, zodat het probleem van het opnemen van een desbetreffend bedrag als VAA-kosten in de normale waarde zich niet eens zou voordoen.
33. Uit het voorgaande concludeer ik, dat Matsushita er niet is in geslaagd aan te tonen, dat als gevolg van de handelwijze van de Raad het in de aangenomen normale waarde voor de verkopen aan OEM' s opgenomen bedrag voor VAA-uitgaven niet "redelijk" is.
34. Derhalve moet het middel betreffende de onwettige vaststelling van de normale waarde in zijn geheel worden afgewezen.
B - De vergelijking
35. Voor zover de Raad MEI en haar geassocieerde verkoopmaatschappijen ten behoeve van de vaststelling van de normale waarde als "één enkele economische eenheid" mocht beschouwen, betoogt Matsushita subsidiair, dat de Raad de normale waarde en de uitvoerprijs niet in hetzelfde handelsstadium heeft vergeleken en daardoor artikel 2, lid 9, of, subsidiair, lid 10, van de basisverordening heeft geschonden. Zelfs na een aantal correcties overeenkomstig artikel 2, lid 10, sub c, voor bepaalde kostenverschillen die rechtstreeks in verband staan met de verkopen voor uitvoer of op de binnenlandse markt, blijft er volgens Matsushita nog steeds een verschil in handelsstadium bestaan, omdat de uitvoerprijs de kosten omvat die Matsushita maakt doordat zij de PPC' s in haar bedrijfsruimte nabij Tokyo ter beschikking van de importeurs stelde, terwijl de normale waarde buiten Matsushita' s kosten in verband met de verkopen aan de geassocieerde verkoopmaatschappijen, bovendien nog de kosten omvat van deze laatsten wegens de terbeschikkingstelling van de PPC' s aan dealers in hun bedrijfsruimte. De uitvoerprijs is dus vastgesteld in het stadium "af-fabriek", de normale waarde in het stadium van de regionale distributie. Matsushita wil eigenlijk, dat in de normale waarde uitsluitend de kosten van MEI en niet die van de geassocieerde verkoopmaatschappijen worden opgenomen: indien hun kosten overeenkomstig artikel 2, lid 3, sub a, al in de normale waarde mochten worden opgenomen, dienden zij krachtens artikel 2, lid 9 of 10, sub c, weer te worden afgetrokken.
36. Dit argument is zeer makkelijk te weerleggen. Uit haar drie maanden na de uitspraken in de ETW-zaken neergelegde repliek blijkt, dat Matsushita zelf ook wel inziet, dat
"indien de Raad mocht aannemen, dat de geassocieerde verkoopmaatschappijen de taken van een bedrijfsinterne verkoopafdeling verrichtten, er geen verschil in handelsstadium tussen de uitvoerprijs 'af-fabriek' en de normale waarde in het stadium van de geassocieerde verkoopmaatschappijen bestaat" (punt 48).
37. In mijn conclusies in de zaken C-171/87 (Canon) en C-174/87 (Ricoh) heb ik erop gewezen, dat volgens die arresten in geval van een scheiding van produktie- en verkoopactiviteiten binnen een groep die uit juridisch zelfstandige, maar economisch met elkaar verbonden vennootschappen bestaat,
"juist de eerste verkoop aan een onafhankelijke koper een correcte berekening van de normale waarde in het stadium 'af-fabriek' mogelijk maakt".(15)
Anders dan Matsushita stelt, is dus ook de normale waarde in het stadium "af-fabriek" vastgesteld.
38. Voorts blijkt uit het arrest Silver Seiko (gevoegde zaken 273/85 en 107/86, reeds aangehaald, r.o. 30), dat de instellingen voor vermeende verschillen in handelsstadium geen correcties behoeven toe te staan, wanneer de uitvoerprijs en de normale waarde beide in het stadium "af-fabriek" zijn vastgesteld.
39. Bijgevolg behoef ik niet nader in te gaan op Matsushita' s uitleg van artikel 2, leden 9 en 10, sub c, van de basisverordening en van het verband tussen die twee leden. Het argument, dat de Raad krachtens artikel 2, lid 9, correcties had moeten toepassen ten einde rekening te houden met verschillen in handelsstadium, ook al voldeden deze niet aan de voorwaarden van artikel 2, lid 10, veronderstelt, dat er verschillen in handelsstadium bestonden. Hetzelfde geldt voor het subsidiaire argument, dat de Raad, nu hij dit niet heeft gedaan, voor die verschillen correcties op grond van artikel 2, lid 10, sub c, had moeten toepassen, ook al stonden die verschillen niet in rechtstreeks verband met de betrokken verkopen.
C - De onverenigbaarheid van artikel 2, lid 10, sub c, van de basisverordening met de anti-dumpingcode van de GATT van 1979
40. Het voorgaande geldt eveneens voor het middel betreffende de gestelde onwettigheid van artikel 2, lid 10, sub c, van de basisverordening. Matsushita betoogt immers, dat
"indien de Raad op grond van artikel 2, lid 10, sub c, van de basisverordening correcties mag weigeren, ofschoon de normale waarde en de uitvoerprijs qua handelsstadium niet vergelijkbaar zijn, deze bepaling onwettig is, want in strijd met de krachtens de anti-dumpingcode van 1979 op de Gemeenschap rustende verplichtingen, zodat zij niet op verzoeksters mocht worden toegepast" (zie de titel van haar vijfde middel).
Voor zover de definitieve verordening op die bepaling is gebaseerd, zou zij dus moeten worden nietig verklaard.
41. Om te beginnen helpt deze exceptie van onwettigheid Matsushita in casu niet vooruit, omdat de Raad de normale waarde en de uitvoerprijs in hetzelfde handelsstadium heeft vergeleken, zoals wij zojuist hebben gezien. Voorts berust zij op een onjuiste premisse, namelijk dat de Raad deze twee elementen krachtens de basisverordening in verschillende handelsstadia zou mogen vergelijken. Artikel 2, lid 9, bepaalt daarentegen uitdrukkelijk, dat
"(zij) normaliter worden (...) vergeleken in hetzelfde handelsstadium, bij voorkeur het stadium 'af-fabriek' (...)",
terwijl artikel 2, lid 10, sub c, bepaalt, dat voor verschillen in handelsstadium correcties worden toegepast
"voor zover hiermee niet op andere wijze rekening is gehouden".
42. De kwestie van de rechtstreekse werking van de bepalingen van de anti-dumpingcode van de GATT, dat wil zeggen de vraag, of zij de justitiabelen het recht verlenen om er zich in rechte op te beroepen, kan derhalve in het midden blijven.
D - De schade
E - De belangen van de Gemeenschap
F - De berekening van het anti-dumpingrecht
43. Om de redenen vermeld in mijn conclusie in zaak C-174/87 (Ricoh) moeten de middelen betreffende onjuistheden in de vaststelling van de schade, in de beoordeling van de belangen van de Gemeenschap en in de berekening van het anti-dumpingrecht, die Matsushita samen met verzoeksters in de zaken C-174/87 (Ricoh), C-176/87 (Konishiroku), C-177/87 (Sanyo) en C-179/87 (Sharp) heeft voorgesteld, eveneens worden afgewezen.
G - Schending van artikel 190 EEG-Verdrag
44. De middelen betreffende schending van artikel 190 EEG-Verdrag houden nauw verband met de diverse grieven van Matsushita tegen de wijze waarop de Raad de normale waarde heeft vastgesteld en die ik sub A van deze conclusie heb behandeld.
45. Matsushita betoogt om te beginnen, dat uit de bestreden verordening niet voldoende duidelijk en nauwkeurig blijkt, waarom de Raad is afgeweken van de dwingende regeling die in artikel 2, leden 3 en 7, van de basisverordening is gegeven voor de vaststelling van de normale waarde in geval van een associatie tussen een fabrikant en de met hem gelieerde verkoopmaatschappijen. Dit argument is gebaseerd op de premisse, dat de Raad de theorie van "één enkele economische eenheid" ten onrechte op Matsushita heeft toegepast en dat hij, aangezien de verkopen van MEI aan haar geassocieerde verkoopmaatschappijen zijns inziens geen normale handelstransacties waren, de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 3, sub b, ii, van de basisverordening had moeten samenstellen. Aangezien dit uitgangspunt onjuist is gebleken, moet dit eerste middel worden afgewezen. Bovendien zijn in paragraaf 7 van de voorlopige verordening, uitdrukkelijk bevestigd bij paragraaf 6 van de definitieve verordening, duidelijk de redenen vermeld, waarom de instellingen voor de vaststelling van de normale waarde zijn uitgegaan van de aan de eerste onafhankelijke kopers berekende prijs en waarom zij hebben geweigerd artikel 2, lid 7, van de basisverordening toe te passen.
46. Hetzelfde geldt voor Matsushita' s tweede middel, namelijk dat de stelling van de Raad, dat zij misschien niet "opzettelijk" profiteerde van de voordelen van het ontbreken van een tweedehandsmarkt voor PPC' s, zijn beslissing om de inruilkorting voor het basisapparaat in de normale waarde op te nemen, "logisch" gezien niet kan dragen. In dit verband heb ik hierboven reeds gezegd, dat het van geen belang is dat de korting juridisch niet gekoppeld was aan het bewijs, dat de ingeruilde apparaten uit de markt waren genomen, aangezien het ontbreken van een tweedehandsmarkt aantoonde dat het uit de markt nemen van de apparaten de algemene regel was en Matsushita dezelfde voordelen opleverde als de andere producenten. Dit blijkt uitdrukkelijk uit paragraaf 13, in fine, van de bestreden verordening.
47. In haar derde middel voert Matsushita aan, dat de bestreden verordening niet de juridische of feitelijke omstandigheden aangeeft die rechtvaardigden, dat bepaalde kosten die zij met betrekking tot de verkopen onder haar eigen merknaam droeg alsmede de inruilkorting in de aangenomen normale waarde van de verkopen aan OEM' s werden opgenomen. Voorts heeft de Raad niet uitgelegd, waarom zijns inziens met de kosten- en winstverschillen tussen de verkopen aan OEM' s en de verkopen onder haar eigen merknaam voldoende rekening was gehouden door op de eerstgenoemde slechts een winstmarge van 5 % toe te passen. In zoverre wil ik in de eerste plaats opmerken, dat die correctie op de winstmarge rekening houdt met de kosten- en winstverschillen, zonder onderscheid, dus ook met de (eventuele) verschillen bij de door Matsushita in het bijzonder genoemde reclame- en promotiekosten. In de tweede plaats blijkt duidelijk uit paragraaf 11 van de bestreden verordening, dat er wegens het totale ontbreken van OEM-verkopen op de Japanse markt tijdens de referentieperiode
"inzake kosten of winst geen nauwkeurige schatting van het verschil kon plaatsvinden" (eerste alinea)
en dat het bij gebreke van een houvast met betrekking tot zulke verschillen
"passend (wordt) geacht hetzelfde winstniveau toe te passen op alle aldus aangenomen waarden" (derde alinea).
De bestreden verordening is dus voldoende met redenen omkleed, zowel wat de eventuele opneming, na correctie, van bepaalde kosten in de aangenomen normale waarden voor de verkopen aan OEM' s, als wat de toepassing van een forfaitaire en eenvormige winstmarge op die aangenomen waarden betreft.(16)
48. Derhalve moeten de middelen betreffende schending van artikel 190 EEG-Verdrag worden afgewezen.
49. Aangezien dus geen van de middelen van Matsushita kan slagen, moet het beroep worden verworpen en dient Matsushita te worden verwezen in de kosten, daaronder begrepen die van de interveniënten.
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) - Van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1976, L 201, blz. 1).
(2) - Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, goedgekeurd bij besluit 80/271/EEG van de Raad van 10 december 1979 betreffende de sluiting van de multilaterale overeenkomsten waarover tijdens de handelsbesprekingen 1973-1979 overeenstemming is bereikt (PB 1980, L 71, blz. 1, 90).
(3) - Van 23 februari 1987 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van fotokopieerapparaten voor gewoon papier van oorsprong uit Japan (PB 1987, L 54, blz. 12).
(4) - Arresten van 5 oktober 1988, zaak 250/85, Brother, Jurispr. 1988, blz. 5683; gevoegde zaken 277/85 en 300/85, Canon, Jurispr. 1988, blz. 5731; zaak 301/85, Sharp, Jurispr. 1988, blz. 5813; gevoegde zaken 260/85 en 106/86, TEC, Jurispr. 1988, blz. 5855; gevoegde zaken 273/85 en 107/86, Silver Seiko, Jurispr. 1988, blz. 5927.
(5) - Arrest Canon, gevoegde zaken 277/85 en 300/85, reeds aangehaald, Jurispr. 1988, blz. 5731, r.o. 11.
(6) - Zelfde arrest, r.o. 12.
(7) - Voor de berekening van de normale waarde, zie de reeds aangehaalde arresten Brother, zaak 250/85, Jurispr. 1988, blz. 5683, r.o. 16, en Silver Seiko, gevoegde zaken 273/85 en 107/86, Jurispr. 1988, blz. 5927, r.o. 13.
(8) - Arrest Brother, r.o. 15; arrest Canon, r.o. 39; arrest TEC, r.o. 26; en arrest Silver Seiko, r.o. 12.
(9) - Arrest Brother, r.o. 15, arrest Canon, r.o. 40, arrest TEC, r.o. 26 en arrest Silver Seiko, r.o. 13.
(10) - Arrest TEC, r.o. 29.
(11) - Arrest Silver Seiko, r.o. 14.
(12) - Punt 7, sub iii, van de repliek.
(13) - Afkorting van de in artikel 2, lid 3, sub b, ii, van de basisverordening bedoelde uitgaven in verband met verkoop en administratie en andere algemene uitgaven .
(14) - Afkorting van Original Equipment Manufacturers . Vreemd genoeg wordt deze term gebruikt ter aanduiding van leveranciers van PPC' s die onder hun eigen merknaam produkten verkopen die door andere fabrikanten zijn vervaardigd.
(15) - Arrest Canon, reeds aangehaald, r.o. 41.
(16) - Het probleem, of deze kosten in voorkomend geval mochten worden opgenomen en of de correctie forfaitair en eenvormig mocht zijn, behoort tot de behandeling ten gronde. De eerste vraag heb ik sub A, punt 3, van de onderhavige conclusie onderzocht; de tweede in punt 12 van mijn conclusie in zaak C-172/87 (Mita).
Full & Egal Universal Law Academy