Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De middelen die Minolta Camera Co. Ltd (hierna: "Minolta") aanvoert tegen de wettigheid van verordening (EEG) nr. 535/87 van de Raad van 23 februari 1987 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van fotokopieerapparaten voor gewoon papier van oorsprong uit Japan(1) (hierna: "de bestreden verordening" of "de definitieve verordening"), verschillen in sommige opzichten van of zijn zelfs nieuw in vergelijking met die van de overige Japanse producenten van fotokopieerapparaten voor gewoon papier (plain paper copiers, hierna: "PPC' s") in hun respectieve beroepen. Om te beginnen stelt Minolta als enige, dat de dumpingmarge op onwettige wijze is berekend en dat de in de aangenomen normale waarde opgenomen winstmarge onredelijk is. Voorts verwijt Minolta de Raad, bij de vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs te hebben geweigerd om bepaalde correcties toe te passen voor verschillen in de verkoopsvoorwaarden; dit middel berust weliswaar op argumenten die reeds in andere zaken zijn aangevoerd, doch betreft ten dele andere soorten kosten. Ten slotte verzet Minolta zich tegen de opneming in de aangenomen normale waarde van de verkoop-, algemene en administratieve kosten van verkoopmaatschappijen (hierna: "VAA-kosten") en van de waarde van bepaalde kortingen (de zogenoemde inruilkortingen); ook deze middelen zijn reeds in andere zaken aangevoerd, doch hier berusten zij op in meerdere opzichten originele argumenten.
2. Op deze middelen en argumenten ga ik hierna slechts in detail in, voor zover dat noodzakelijk is voor mijn redenering; voor het overige verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting.
A - De berekening van de normale waarde
3. 1. Als eerste middel voert Minolta aan, dat de Raad door de VAA-kosten van haar Japanse verkoopmaatschappijen in de aangenomen normale waarde op te nemen, geen deugdelijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs heeft gemaakt, in die zin dat hij deze elementen niet in hetzelfde handelsstadium heeft vergeleken. Zo heeft de Raad in de aangenomen normale waarde kosten opgenomen die na het stadium "af-fabriek" - in welk stadium volgens haar de uitvoerprijs is berekend - zijn ontstaan. Deze handelwijze is in strijd met artikel 2, leden 3, sub b, ii, en 9, van de basisverordening(2) en met de overeenkomstige bepalingen van de GATT en de anti-dumpingcode van 1979.(3)
4. Met betrekking tot de basisverordening moet evenwel worden vastgesteld, dat het Hof in de arresten van 5 oktober 1988, de zogenoemde "elektronische schrijfmachines"-zaken (hierna: "ETW"-zaken), een soortgelijk betoog als van Minolta reeds heeft verworpen. In het arrest Canon (gevoegde zaken 277/85 en 300/85, Jurispr. 1988, blz. 5731, r.o. 19) overwoog het Hof, dat
"aan de in artikel 2, lid 3, sub a, gestelde eis van vergelijkbaarheid is voldaan, wanneer de normale waarde en de uitvoerprijs beide zijn vastgesteld uitgaande van de eerste verkoop aan een onafhankelijke koper"
en dat
"de vergelijking (...) derhalve tussen de aldus berekende cijfers (moet) worden verricht, onverminderd de in artikel 2, leden 9 en 10, uitdrukkelijk voorziene correcties en verminderingen".
5. Ook in de onderhavige zaak zijn de normale waarde en de uitvoerprijs vastgesteld uitgaande van de eerste verkoop aan een onafhankelijke koper. Immers, de normale waarde is zowel op basis van de kosten van Minolta als op basis van die van haar verkoopmaatschappijen samengesteld. De uitvoerprijs is overeenkomstig op basis van artikel 2, lid 8, sub b, van de basisverordening berekend op basis van de "prijs waartegen het ingevoerde produkt voor het eerst wordt wederverkocht aan een onafhankelijke koper". Het middel betreffende schending van artikel 2, lid 3, sub b, ii, is dus ongegrond. Weliswaar knoopte het Hof in het Canon-arrest uitdrukkelijk aan bij artikel 2, lid 3, sub a, doch mijns inziens is wat voor sub a geldt, eveneens van toepassing op het bepaalde sub b, ii, daar het doel van het samenstellen van de normale waarde is, het ontbreken van een overeenkomstig sub a, en sub b, i, bepaalde normale waarde op te vangen, en het Hof overwoog in rechtsoverweging 26 van hetzelfde arrest, dat
"het doel van het aannemen van de normale waarde in het systeem van verordening nr. 2176/84 is, de verkoopprijs van een produkt te bepalen, zoals deze zou zijn, wanneer dit produkt in het land van oorsprong of van uitvoer zou worden verkocht".
Voor haar stelling, dat artikel 2, lid 3, sub b, ii, verlangt dat de vergelijking tussen de uitvoerprijs en de normale waarde een deugdelijke is, beroept Minolta zich overigens onder meer op de uitdrukking "vergelijkbare prijs" in sub a, en sub b, i.(4)
6. Daarbij komt, dat het Hof in het arrest TEC (van dezelfde datum, gevoegde zaken 260/85 en 106/85, Jurispr. 1988, blz. 5855) op de samenstelling van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 3, sub b, ii, eveneens de theorie van "één enkele economische eenheid" heeft toegepast, die moet voorkomen, dat kosten die zonder twijfel deel uitmaken van de verkoopprijs van een produkt, wanneer dit wordt verkocht door een verkoopafdeling binnen de organisatie van de producent, niet meer worden meegeteld, wanneer dat produkt wordt verkocht door een juridisch zelfstandige, maar economisch door de producent gecontroleerde vennootschap (r.o. 25-29). Met eenvoudig te stellen, dat de VAA-kosten van de verkoopmaatschappijen in de aangenomen normale waarde zijn opgenomen, is dus nog niet aangetoond, dat het voor VAA-kosten bij de produktiekosten bijgetelde bedrag niet "redelijk" is in de zin van artikel 2, lid 3, sub b, ii, van de basisverordening.
7. Met name uit rechtsoverweging 30 van het TEC-arrest volgt, dat in het geval van scheiding van produktie- en verkoopactiviteiten binnen een groep die uit juridisch zelfstandige, doch economisch met elkaar verbonden vennootschappen bestaat, zoals bij Minolta,
"juist de eerste verkoop aan een onafhankelijke koper (...) een correcte berekening van de normale waarde in het stadium 'af-fabriek' mogelijk".
Daar verzoekster zelf niet betwist, dat de uitvoerprijs in het stadium "af-fabriek" is samengesteld, kan niet anders dan worden geconcludeerd, dat de Raad met de gevolgde methode evenmin artikel 2, lid 9, van de basisverordening heeft geschonden, dat bepaalt dat "zij (de uitvoerprijs en de normale waarde) normaliter (...) in het zelfde stadium, bij voorkeur het stadium 'af-fabriek' (worden vergeleken)".
8. Nu baseert Minolta haar stelling - de kosten van haar Japanse verkoopmaatschappijen moeten buiten de normale waarde blijven - in wezen hierop, dat bij de samenstelling van de uitvoerprijs de kosten van haar verkoopmaatschappijen in de Gemeenschap zijn afgetrokken van de aan de eerste onafhankelijke koper berekende prijs. Deze verschillende behandeling van de kosten van haar dochterondernemingen, naargelang deze in Japan dan wel in de Gemeenschap zijn gevestigd, bracht Minolta tot de conclusie, dat uitvoerprijs wel, en de normale waarde niet in het stadium "af-fabriek" is samengesteld.
9. Ik moet toegeven, dat de twijfels en vragen van verzoekster op het eerste gezicht terecht kunnen lijken. Zo kan men zonder probleem - het Hof heeft dat ook gedaan - het stadium van de verkoop aan de eerste onafhankelijke koper als het stadium "af-fabriek" beschouwen; dan immers prevaleert de economische werkelijkheid boven juridische constructies. Zelfs zou men nog kunnen verdedigen, dat wanneer in de samengestelde normale waarde alle VAA-kosten in verband met de verkoop aan de eerste onafhankelijke koper worden opgenomen, en de samengestelde uitvoerprijs op de door de eerste onafhankelijke koper betaalde prijs wordt gebaseerd, in beide gevallen van hetzelfde handelsstadium wordt uitgegaan. Hierbij past evenwel de aantekening, dat door in de twee gevallen de kosten van de dochterondernemingen verschillend te behandelen, namelijk door ze bij de samenstelling van de normale waarde bij de produktiekosten op te tellen en bij de samenstelling van de uitvoerprijs van de door de eerste onafhankelijke koper betaalde prijs af te trekken, het stadium van de eerste verkoop aan een onafhankelijke koper in het eerste geval het eindpunt van de operatie is, in het tweede geval daarentegen het beginpunt.
10. Een en ander neemt niet weg, dat de aldus bepaalde uitvoerprijs de kosten van de "exportafdeling" van de producent omvat, die, wat het handelsstadium betreft, de kosten van de verkoopmaatschappij op de binnenlandse markt zijn.
11. Voorts heeft het Hof in het TEC-arrest (r.o. 31) in het kader van de samenstelling van de normale waarde categorisch het argument afgewezen, dat de VAA-kosten op dezelfde manier moeten worden behandeld wanneer de normale waarde en de uitvoerprijs worden samengesteld. Daarbij beperkte het Hof zich tot een verwijzing naar de "kogellager"-arresten van 7 mei 1987 (zaken 240/84, 255/84, 256/84, 258/84 en 260/84, Jurispr. 1987, respectievelijk blz. 1809, 1961, 1899, 1923 en 1975), volgens welke
"er drie reeksen onderling verschillende regels bestaan, die elk afzonderlijk moeten worden geëerbiedigd. Het betreft respectievelijk regels voor de vaststelling van de normale waarde, voor het bepalen van de uitvoerprijs en voor de vergelijking tussen beide".
Bovendien leidde het Hof in het arrest Canon (r.o. 37) uit deze onderlinge onafhankelijkheid van de methoden voor de berekening van de normale waarde en de uitvoerprijs af, dat
"voor de geldigheid van de in artikel 2, lid 9, voorziene vergelijking (...) dus niet als voorwaarde (kan) worden gesteld, dat de normale waarde en de uitvoerprijs volgens identieke methoden moeten zijn berekend".
12. Wat de door verzoekster aangehaalde bepalingen van de GATT en de anti-dumpingcode betreft, behoeft mijns inziens niet te worden ingegaan op Minolta' s stelling, dat in een beroep op grond van artikel 173 EEG-Verdrag op die bepalingen een beroep kan worden gedaan, ook al zijn zij niet "rechtstreeks toepasselijk" in de zin van het arrest International Fruit Company(5), en evenmin op hun "rechtstreekse toepasselijkheid", mocht die stelling niet opgaan. In ieder geval lijkt artikel 2, leden 3 en 9, van de basisverordening, de grondslag van de bestreden verordening, mij volkomen in overeenstemming met de overeenkomstige bepalingen van de GATT en de anti-dumpingcode. Zowel artikel VI, lid 1, van de GATT als artikel 2, leden 1 en 4, van de anti-dumpingcode spreken, net als artikel 2, lid 3, van de basisverordening, van de "vergelijkbare prijs" bij normale handelstransacties voor een soortgelijk produkt dat bestemd is voor verbruik in het land van uitvoer, of, bij gebreke daarvan, van de produktiekosten in het land van oorsprong, verhoogd "met een redelijk bedrag" voor administratie-, verkoop- en andere kosten en voor de winst. Wat artikel 2, lid 6, van de anti-dumpingcode betreft, dit is louter de voorbode van artikel 2, lid 9, van de basisverordening, waar het bepaalt dat
"de vergelijking (...) wil zij rechtvaardig zijn, betrekking moet hebben op prijzen die gelden in hetzelfde handelsstadium, dat in beginsel het stadium 'af-fabriek' zal zijn".
13. Zowel artikel VI, lid 1, van de GATT als artikel 2, lid 6, van de anti-dumpingcode voegen weliswaar daaraan toe:
"Voor elk geval moet, naar gelang van de bijzondere kenmerken ervan, naar behoren rekening worden gehouden met de verschillen in de verkoopsvoorwaarden, de belastingverschillen en de andere verschillen die van invloed zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen."
Ook al moeten dus prijzen worden vergeleken, namelijk de prijs op de binnenlandse markt (de normale waarde) en de uitvoerprijs, kan men uit het voorgaande toch niet afleiden, zoals Minolta wil, dat de uitdrukkingen "zelfde handelsstadium" en stadium "af-fabriek" betrekking hebben op de kosten die in de door de koper aan de verkoper betaalde prijs zijn begrepen. Enerzijds beoogt immers voormelde bepaling, die in artikel 2, lid 10, eerste alinea, van de basisverordening is overgenomen, niet een definitie te geven van wat onder "handelsstadium" moet worden verstaan, doch betreft in het algemeen de toe te passen correcties voor de diverse verschillen die van invloed zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen. En anderzijds, wanneer het handelsstadium wordt bepaald aan de hand van de in de door de koper aan de verkoper betaalde prijs opgenomen kosten (en niet aan de hand van de soort kopers die de prijs betalen), verdwijnen de verschillen tussen wat (ook in GATT-verband) de normale waarde en de uitvoerprijs, de twee parameters voor de vaststelling van dumping, worden geacht weer te geven. Anders dan de normale waarde, die de prijs vertegenwoordigt die op de binnenlandse markt wordt betaald voor het produkt dat bestemd is voor verbruik in het land van uitvoer, vertegenwoordigt de uitvoerprijs niet de op de exportmarkt betaalde prijs, maar de prijs die wordt betaald voor het produkt dat wordt verkocht voor uitvoer naar die markt.
14. Beide vertegenwoordigen dus het bedrag dat de producent/exporteur ontvangt. Uiterst verhelderend in dit verband is het deskundigenverslag betreffende de anti-dumpingrechten en compenserende rechten van de GATT van 1961. In dat verslag staat te lezen, dat
"het wezenlijke doel is, een effectieve vergelijking te maken tussen de normale binnenlandse prijs in het land van uitvoer en de prijs waartegen een soortgelijk produkt dat land verlaat, niet die waartegen het het land van invoer binnenkomt"
en zeker niet op de binnenlandse markt van dat land. Het heeft dus geen zin om, zoals Minolta doet, de daadwerkelijk door haar Japanse dochterondernemingen aan onafhankelijke klanten in Japan berekende prijzen te vergelijken met de prijzen die haar Europese dochterondernemingen aan onafhankelijke klanten in de Gemeenschap feitelijk berekenen. Want de normale waarde, die de normale prijs aangeeft die op de binnenlandse markt aan de producent wordt betaald, omvat per definitie alle kosten (en winsten) in verband met de verkoop op die markt(6), terwijl de uitvoerprijs naar de Gemeenschap niet per definitie de kosten (en winsten) in verband met de activiteiten in de Gemeenschap en de verkoop op de communautaire markt omvat. Met een soortgelijke redenering wees het Hof in het arrest van 14 maart 1990 (zaak C-156/87, Gestetner, Jurispr. 1990, blz. I-781) het verzoek van Gestetner, een OEM-importeur van door Mita geproduceerde PPC' s, af om de door haar aan Mita Europe, een Europese dochteronderneming van Mita die in een stadium vóór de invoer in de Gemeenschap bij de verkoop betrokken was, betaalde prijs als uitvoerprijs te beschouwen. In rechtsoverweging 31 van dat arrest oordeelde het Hof, dat "de aan een dergelijke activiteit verbonden kosten (...) immers tot een daadwerkelijke verlaging (leiden) van het bedrag dat de fabrikant-exporteur ontvangt, daar deze kosten normaal gesproken door de importeur worden gedragen".
15. Uit het voorgaande concludeer ik, dat de bestreden verordening zomin in strijd is met artikel VI, lid 1, van de GATT of met artikel 2 van de anti-dumpingcode, als met artikel 2, leden 3 en 9, van de basisverordening, waarbij eerstgenoemde bepalingen in het gemeenschapsrecht zijn omgezet.
16. De argumenten betreffende misbruik van bevoegdheid en schending van het vertrouwens-, het evenredigheids- en het gelijkheidsbeginsel kunnen mijns inziens niet los van de hiervoor onderzochte argumenten worden gezien. Zij zijn alle gebaseerd op de premisse dat de Raad, door de VAA-kosten van Minolta' s verkoopmaatschappijen in de aangenomen normale waarde op te nemen, een vergelijking heeft gemaakt die niet strookt met de bepalingen van de basisverordening, de GATT en de anti-dumpingcode. Deze moeten dus evengoed als de middelen betreffende schending van die bepalingen worden afgewezen.
17. 2. Verzoeksters tweede middel is gericht tegen het feit, dat in de aangenomen normale waarde van haar modellen een winstmarge van 14,6 % is opgenomen, welk cijfer niet "redelijk" zou zijn of hoger dan de "normale winst" in de zin van artikel 2, lid 3, sub b, ii, van de basisverordening.
Niet is betwist, dat alle PPC-modellen van Minolta die zowel in Japan werden verkocht als naar de Gemeenschap werden uitgevoerd, op de binnenlandse markt werden verkocht tegen prijzen die gemiddeld lager waren dan de produktiekosten (daaronder begrepen de VAA-kosten), dus "met verlies". Daarom heeft de Raad overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening besloten, de normale waarde van die PPC' s samen te stellen. Blijkens paragraaf 10 (slot) van de bestreden verordening heeft de Raad voor de overeenkomstig artikel 2, lid 3, sub b, ii, op te nemen winstmarge in de samengestelde normale waarde de gemiddelde winst gebruikt van andere exporteurs van PPC' s op die van hun modellen, die gedurende de referentieperiode in Japan waren verkocht tegen een gemiddeld boven de produktiekosten liggende prijs.
18. In de eerste plaats betwist Minolta niet de cijfers zelf die als grondslag voor de berekening van de gemiddelde winstmarge van 14,6 % hebben gediend, doch voert een aantal argumenten aan ten bewijze, dat de door de Raad toegepaste berekeningsmethode onvermijdelijk tot een winst leidde die "redelijk" noch "normaal" was.
19. Minolta' s eerste klacht is, dat de verlieslatende verkopen uit de berekening van de gemiddelde winst zijn geëlimineerd. Wanneer de Raad tot de conclusie komt, dat er "gewoonlijk bij verkoop van produkten van dezelfde algemene categorie op de binnenlandse markt van het land van oorsprong winst wordt behaald" (voorlaatste zin van artikel 2, lid 3, sub b, ii, van de basisverordening), ofschoon sommige ervan met verlies worden verkocht, mag de in de aangenomen waarde op te nemen "normale winst" niet hoger zijn dan de normale winst op alle produkten, dus met inbegrip van de met verlies verkochte. In casu heeft de Raad evenwel de met verlies verkochte apparaten buiten beschouwing gelaten en op alle modellen van Minolta die op de binnenlandse markt werden verkocht, de uitsluitend op basis van de overige verkopen berekende winst toegepast.
20. In verband met deze argumenten wil ik om te beginnen opmerken, dat
"aangezien de als winstgevend aangemerkte verkopen alle verkopen omvat hebben van apparaten die gemiddeld tegen een prijs hoger dan de produktiekosten werden verkocht" (paragraaf 10, vierde alinea, van de bestreden verordening),
niet alle verlieslatende verkopen zijn geëlimineerd: eventuele verlieslatende verkopen zijn meegerekend wanneer over het geheel genomen winst op het betrokken model werd gemaakt.
21. Volgens de Raad hebben alle in artikel 2, lid 4, derde alinea, van de basisverordening opgesomde berekeningsmethoden voor de normale waarde die hij in geval van verlieslatende verkopen kan toepassen gemeen, dat zij gebaseerd zijn op verkopen, waarden of prijzen die een winst omvatten of kunnen omvatten. Deze constatering geeft weliswaar niet aan, welke die winst moet zijn, wanneer de Raad kiest voor samenstelling van de normale waarde, zoals beschreven in artikel 2, lid 3, sub b, ii, doch gaat Minolta mijns inziens te ver waar zij stelt, dat artikel 2, lid 4, in die context irrelevant is. Want juist omdat aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 2, lid 4, voldaan is, kiest de Raad voor één van die methoden, die dus het doel van die bepaling moet helpen verwezenlijken. Artikel 2, lid 4, geeft de instellingen uitdrukkelijk het recht om verlieslatende verkopen - onder bepaalde voorwaarden die in casu niet in geding zijn - te beschouwen als "niet te hebben plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties". In dat geval kunnen de prijzen bij die verkopen niet als normale waarde in de zin van artikel 2, lid 3, sub a, van de basisverordening dienen. Eliminatie ervan is dus in beginsel inherent aan de toepassing van artikel 2, lid 4. Het zou niet stroken met dat doel, indien de Raad, wanneer hij volgens één der genoemde methoden de normale waarde van met verlies verkochte produkten wil vaststellen, met die prijzen rekening zou moeten houden. Was dat wel zo, dan valt niet in te zien waarom de Raad de normale waarde van met verlies verkochte produkten moet bepalen volgens één van de daartoe speciaal in artikel 2, lid 4, genoemde methoden: indien hij toch met die prijzen rekening moet houden, waarom zou hij dan niet een gemiddelde normale waarde voor alle verkopen, winstgevende én verlieslatende, bepalen door gewoon uit te gaan van de prijs die werkelijk is of moet worden betaald in de zin van artikel 2, lid 3, sub a?
22. Voorts wijst de Raad er terecht op, dat alle voorziene methoden, waartussen kan worden gekozen, zo moeten worden toegepast, dat ongeveer dezelfde waarden worden bereikt, daar het er steeds om gaat, een normale waarde te bepalen die zo dicht mogelijk ligt bij de verkoopprijs van een produkt zoals die zou zijn wanneer dat produkt in het land van oorsprong of uitvoer in het kader van normale handelstransacties zou worden verkocht. De eerste van die methoden nu, die is gebaseerd op
"de overige verkopen op de binnenlandse markt tegen een prijs die niet lager is dan de produktiekosten",
impliceert de uitsluiting van alle verkopen met verlies. Wanneer de Raad dus deze methode toepast, kan hij op de verkopen met verlies gewoon de winst toepassen op de verkopen tegen prijzen boven de produktiekosten, en dus de winst op laatstbedoelde verkopen transponeren op de verkopen met verlies, zonder daarbij een gemiddelde winst te hoeven berekenen op basis van de verkopen tegen prijzen die hoger, respectievelijk lager zijn dan de produktiekosten.
23. Bovendien aanvaardde het Hof in het Cannon-arrest (reeds aangehaald), dat de winstmarge van een producent op de verkoop van sommige van zijn modellen op de binnenlandse markt, die als zodanig deel uitmaakt van de werkelijke prijs die overeenkomstig artikel 2, lid 3, sub a, als normale waarde geldt, door de instellingen bij het samenstellen van de normale waarde van andere modellen van dezelfde producent als "redelijke" marge in de zin van artikel 2, lid 3, sub b, ii wordt gebruikt (r.o. 21 en 22). Weliswaar is het juist, dat in die zaak tot samenstelling van de normale waarde is overgegaan, omdat de betrokken modellen op de binnenlandse markt niet in voldoende hoeveelheden werden verkocht, doch daarmee is niet gezegd, dat dezelfde regel niet ook zou mogen worden toegepast wanneer de normale waarde om andere redenen wordt samengesteld, bij voorbeeld omdat sommige modellen met verlies worden verkocht. Dit voorbeeld toont duidelijk aan, dat artikel 2, lid 3, sub b, ii, geenszins belet om ter bepaling van de in de aangenomen waarde op te nemen "redelijke winstmarge" of "normale winst" alleen de verkopen tegen prijzen hoger dan de produktiekosten in aanmerking te nemen.
24. Uit andere arresten in de ETW-zaken blijkt bovendien, dat bij de samenstelling van de normale waarde van de produkten van een onderneming mag worden uitgegaan van de winst van een andere onderneming. Ik verwijs in het bijzonder naar het arrest Sharp (zaak 301/85, Jurispr. 1988, blz. 5813, r.o. 8), waarin het Hof oordeelde, dat
"niets in deze bepaling (artikel 2, lid 3, sub b, ii) verbiedt om als 'redelijk bedrag voor winst' de winst te gebruiken, die gewoonlijk wordt behaald door andere ondernemingen dan die waarop het anti-dumpingonderzoek betrekking heeft".
In de gevoegde zaken 260/85 en 106/86 (TEC, reeds aangehaald) kwam verzoekster op tegen het feit, dat de Raad op haar een winstmarge van 47,92 % had toegepast die een andere producent op de verkoop van een beperkt aantal elektronische schrijfmachines behaalde op de binnenlandse markt. Het Hof stelde echter alleen vast, dat
"niet (is) aangetoond, dat de betrokken winstmarge niet werd behaald in het kader van normale handelstransacties",
en concludeerde, dat
"op grond van artikel 2, lid 3, sub b, ii, van verordening nr. 2176/84 niet (kan) worden gezegd, dat de instellingen de door hen aangehouden winstmarge in het kader van hun beoordelingsbevoegdheid niet als een redelijke winstmarge konden beschouwen" (r.o. 13).
25. Nu kan men tegenwerpen, dat het voorgaande hooguit aangeeft, dat de Raad op de verlieslatende verkopen van Minolta de "normaal behaalde winst" of de winst behaald "in het kader van normale handelstransacties" had mogen toepassen, maar niet, wat onder die begrippen moet worden verstaan, en in het bijzonder geen direct antwoord geeft op de vraag of, wanneer die andere ondernemingen eveneens met verlies zouden hebben verkocht, een winstmarge die enkel met hun winstgevende verkopen rekening houdt een "normale" winst in de zin van artikel 2, lid 3, sub b, ii, van de basisverordening zou zijn, dan wel of in een dergelijk geval alleen hun winstmarge gerealiseerd "in het kader van normale handelstransacties" op alle modellen van Minolta mocht worden toegepast.
26. Dit neemt echter niet weg, dat het Hof in rechtsoverweging 10 van het Sharp-arrest en in rechtsoverweging 16 van het TEC-arrest ter rechtvaardiging van het gebruik van de winstmarge van een andere onderneming bij de samenstelling van de normale waarde er uitdrukkelijk op wees dat,
"wanneer voor producenten die niet op de binnenlandse markt actief zijn, de normale waarde enkel zou kunnen worden samengesteld op basis van een hypothetische winst, het gevaar zou bestaan, dat de andere fabrikanten, voor wie de winstmarge op door hen in Japan verkochte modellen wordt gebruikt voor het samenstellen van de normale waarde van hun overige modellen, worden gediscrimineerd".
Die redenering gaat ook op, wanneer de normale waarde wordt samengesteld omdat bepaalde produkten tegen een prijs lager dan de produktiekosten worden verkocht: indien de Raad op ondernemingen die slechts bepaalde modellen op de binnenlandse markt met verlies verkopen de winstmarge mag toepassen die zij op hun "overige verkopen" behalen (of een gemiddelde winstmarge gebaseerd op de totaliteit van hun verkopen tegen een prijs die gemiddeld hoger is dan de produktiekosten)(7), mag hij diezelfde winstmarge ook toepassen op andere ondernemingen die hun hele produktie met verlies verkopen (of tegen een prijs die gemiddeld lager is dan de produktiekosten). Anders zou, om voormelde arresten van het Hof te parafraseren,
"het gevaar bestaan dat de andere fabrikanten, voor wie de werkelijk op de verkoop van bepaalde modellen behaalde winstmarge wordt gebruikt voor het samenstellen van de normale waarde van de overige, met verlies verkochte modellen, worden gediscrimineerd".
27. Ten slotte bepaalt de in de plaats van verordening nr. 2176/84 gekomen nieuwe basisverordening(8) uitdrukkelijk, dat de in de aangenomen waarde op te nemen winst moet worden berekend door deze te relateren aan de "winstgevende verkopen" van soortgelijke produkten door dezelfde producent of door andere producenten.
28. Gelet op het voorgaande kan in casu het adagium "wie het meerdere kan, kan ook het mindere" toepassing vinden: als de Raad op de modellen die Minolta verkocht tegen een prijs onder de produktiekosten de winstmarge mocht toepassen die andere producenten op soortgelijke of verschillende produkten daadwerkelijk hadden behaald, mocht hij zeker op die verkopen een gemiddelde winstmarge toepassen die niet alleen de verkopen van andere producenten tegen prijzen hoger dan de produktiekosten, maar ook hun verlieslatende verkopen omvat, te meer daar de Raad in het geval van Minolta niet de gemiddelde marge van één andere producent heeft toegepast, die de hoogst geconstateerde marge had kunnen zijn, maar, zoals reeds gezegd, een marge die een gemiddelde was van alle geconstateerde individuele winstmarges (paragraaf 10, voorlaatste alinea, van de bestreden verordening). Men kan dus niet staande houden, dat de door de Raad toegepaste berekeningsmethode in het geval van Minolta tot een winstmarge heeft geleid die niet "redelijk" was of hoger dan de "gemiddelde winst" in de zin van artikel 2, lid 3, sub b, ii, van de basisverordening.
29. De twee hypothetische voorbeelden die Minolta geeft, doen niet af aan die conclusie.
30. In de eerste plaats heeft de Raad niet gedaan, wat Minolta hem aan de hand van die voorbeelden verwijt. Hij zou geen winsten van 10 % of 60 % voor de modellen 1 en 2 van de ondernemingen B of C hebben aangehouden, en dus evenmin een winst van 35 % voor de drie modellen van onderneming A. Ook zou hij met de feitelijk door hem gebruikte methode op een zelfde winst van 10 % zijn uitgekomen voor de ondernemingen A en B, hoewel een van hen bepaalde modellen met verlies verkocht. Maar bovendien volgt uit het voorgaande, dat de Raad rechtmatig had kunnen doen wat Minolta hem aan de hand van de gegeven voorbeelden verwijt. Aangezien artikel 2, lid 4, van de basisverordening uitdrukkelijk bepaalt, dat de normale waarde kan worden vastgesteld
"op basis van de overige verkopen op de binnenlandse markt tegen een prijs die niet lager is dan de produktiekosten",
had de Raad op de modellen 1 en 2 van de ondernemingen B en C, alsook op de door B met verlies verkochte modellen, de winst mogen toepassen die deze ondernemingen behaalden op de modellen die zij tegen een prijs hoger dan de produktiekosten verkochten. Met name in zijn arresten van 5 oktober 1988 (Sharp, TEC en Canon, reeds aangehaald) oordeelde het Hof, dat de door andere producenten of door dezelfde producent op andere modellen van het soortgelijke produkt behaalde winstmarge mag worden aangehouden in het kader van artikel 2, lid 3, sub b, ii, van de basisverordening. De Raad had dus hetzelfde mogen doen, indien hij, zoals in het geval van Minolta, voor de aangenomen waarde had gekozen.
31. Ten slotte probeert Minolta een argument te ontlenen aan de methode waarmee de Raad bij de berekening van het anti-dumpingrecht heeft bepaald
"met hoeveel de inkomsten van elke communautaire producent zouden moeten stijgen ten einde over elke soort transactie een opbrengst van 12 % te kunnen behalen" (paragraaf 107, iii, van de bestreden verordening).
In de context van de bepaling van de in de normale waarde op te nemen gemiddelde winstmarge van de Japanse producenten lijkt mij dat volstrekt irrelevant. Bovendien slaat de verklaring in paragraaf 10, tweede alinea, van de bestreden verordening, dat "deze benaderingswijze (voor de berekening van de winst met het oog op de bepaling van de normale waarde) volstrekt consistent (is) met de bij de berekeningen inzake schade ten aanzien van de bedrijfstak van de Gemeenschap gekozen benadering", niet op de behandeling van de verkopen met verlies, maar op de vraag, of de winst alleen over de PPC' s, dan wel over alle activiteiten van de exporteurs in de fotokopiesector moest worden berekend.
32. Wat de overige klachten van Minolta betreft over de wijze waarop de Raad de in de normale waarde op te nemen winst heeft bepaald, volstaat de opmerking, dat er in de regelgeving geen steun voor te vinden is. De eis, dat de "redelijke" of "normale" winst wordt bepaald aan de hand van de winst die gedurende de hele levenscyclus van de betrokken PPC' s is behaald, ten einde rekening te houden met de rentabiliteitsschommelingen in de tijd, lijkt mij verder te gaan dan de voorwaarde die artikel 2, lid 4, van de basisverordening voor de uitsluiting van de verkopen met verlies stelt, in het bijzonder dat
"de verkopen over een vrij lange periode hebben plaatsgevonden en betrekking hebben op aanzienlijke hoeveelheden" (sub a).
Mijns inziens behoeft de Raad de vervulling van deze voorwaarde niet te beoordelen over een periode die langer is dan het anti-dumpingonderzoek, dat volgens artikel 7, lid 1, sub c, van de basisverordening
"gewoonlijk een onmiddellijk aan de inleiding van de procedure voorafgaande periode van niet minder dan zes maanden (bestrijkt)",
en dat zich in de onderhavige procedure over de periode van januari tot en met juli 1985 uitstrekte (paragraaf 5 van de voorlopige verordening)(9). Ook strookt deze uitlegging met het bepaalde in de nieuwe basisverordening(10), namelijk dat verlieslatende verkopen kunnen
"geacht worden niet te hebben plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties, indien
a) de verkopen gedurende het onderzoektijdvak zoals dit in artikel 7, lid 1, sub c, is omschreven in aanzienlijke hoeveelheden hebben plaatsgevonden
b) (...)"
Ook de eis, dat de "redelijke" of "normale" winst wordt bepaald aan de hand van de verkopen van alle modellen, daaronder begrepen de verlieslatende verkopen, op grond dat de producenten verplicht zijn hun klanten een volledig assortiment modellen, ook niet-rendabele, aan te bieden, is in strijd met de letter van artikel 2, lid 4, van de basisverordening, waarin geen enkele rol is weggelegd voor de redenen van de producenten om met verlies te verkopen.
33. Voorts betoogt Minolta dat, ook al mocht de Raad bij de bepaling van de "redelijke" winstmarge enkel rekening te houden met de winst op de modellen die (over het geheel genomen) rendabel waren (quod non), hij daarbij niettemin rekening had moeten houden met de omzet van alle verkopen, ook de niet-rendabele. De Raad heeft echter terecht opgemerkt, dat
"als (...) gewicht wordt toegekend aan de verlieslatende verkopen, zij de facto in de berekening (van de winst die normaal op de binnenlandse verkopen wordt behaald) worden opgenomen, terwijl dat volgens artikel 2, lid 4, van verordening nr. 2176/84 niet hoeft" (punt 58 van het verweerschrift).
Bovendien kan mijns inziens in dit verband geen argument worden ontleend aan de wijze waarop de Raad de dumpingmarge heeft berekend, daar dit een operatie is die verschilt van de berekening van de in de normale waarde op te nemen winstmarge (zie artikel 2, lid 13, van de basisverordening).
34. Wat ten slotte de opneming van de winst van de Japanse verkoopmaatschappijen in de "redelijke" winstmarge betreft, beperk ik mij tot de opmerking, dat volgens rechtsoverweging 17 van het arrest van 5 oktober 1988 (Silver Seiko) de instellingen in het geval van "één enkele economische eenheid" niet verplicht zijn de winstmarge van de producent te kiezen in plaats van die van zijn verkoopmaatschappij, doch winstmarges van beide mogen combineren.
35. Derhalve moet het middel betreffende het onredelijk karakter van de in de normale waarde opgenomen winst in zijn geheel worden afgewezen.
36. 3. Als derde middel voert verzoekster aan, dat de Raad in de VAA-kosten die in de aangenomen normale waarde zijn verwerkt, ten onrechte een post heeft opgenomen die de waarde van bepaalde door Minolta' s Japanse verkoopmaatschappijen aan hun klanten verleende kortingen uitdrukt.
37. In haar verzoekschrift verwijt Minolta de Raad vooral, dat hij deze kortingen heeft gelijkgesteld met de inruilbetalingen bedoeld in de paragrafen 13 en 14 van de bestreden verordening, ofschoon hij daartoe over geen enkel bewijs beschikte. Uit de notities van de advocaten van Minolta zelf tijdens de verificatie door de ambtenaren van de Commissie bij Minolta in februari 1986 blijkt evenwel duidelijk, dat verzoeksters vertegenwoordigers in ieder geval toen erkenden, dat
"wanneer de gebruikers nieuwe apparaten kopen, de dealers de oude overnemen en Minolta de dealers een subsidie verstrekt" (blz. 11 van de betrokken notities, zie bijlage IV B bij het verzoekschrift).
Bovendien wijzen Minolta' s advocaten in een brief van juli 1986 aan de Commissie (bijlage II bij het verweerschrift) er weliswaar op, dat de betrokken kortingen huns inziens "geen echte inruilkortingen zijn", doch geven als verklaring waarom zij in het verleden wel zo werden genoemd,
"dat zij bedoeld waren om de dealers van MJS (Minolta' s belangrijkste verkoopmaatschappij) te helpen bij de verkoop van nieuwe PPC' s alsook om aan hun kopers een bepaald bedrag uit te keren in ruil voor hun oude apparaten".
De instellingen beschikten dus wel degelijk over bewijs, dat naar aanleiding van de "inruil" van oude apparaten kortingen werden verleend.
38. In repliek spitste Minolta haar betoog overigens toe op de rechtsvragen rond de kwalificatie van de betrokken kortingen in het kader van het anti-dumpingonderzoek. Zij deed dat, omdat zij in het verweerschrift van de Raad de uitdrukkelijke bevestiging meende te hebben gevonden van een element dat haars inziens van meet af aan kwalificatie van de betrokken kortingen als inruilbetalingen, en dus het opnemen ervan in de normale waarde, onmogelijk maakte, namelijk het feit dat Minolta "de ingeleverde apparaten nooit heeft overgenomen of een poging daartoe heeft gedaan". In mijn conclusie in zaak C-175/87 (Matsushita) heb ik echter reeds gezegd, dat die constatering alsmede het feit dat de betrokken korting aan de dealers werd verleend ongeacht of zij daadwerkelijk met hun klanten een inruil waren overeengekomen en of die inruil daadwerkelijk had plaatsgevonden, niet volstaan om te ontkennen, dat de korting bestemd was om de dealers in staat te stellen, tot inruil over te gaan en oude apparaten uit de markt te nemen, of dat het daaruit voortvloeiende - en niet weersproken - ontbreken van een tweedehandsmarkt in Japan voor Minolta dezelfde, in paragraaf 13, tweede alinea, in fine, van de bestreden verordening beschreven voordelen had als voor alle andere producenten. Het feit ten slotte, dat de betrokken kortingen volgens een vast tarief werden verleend en dus niet per transactie verschilden, toont niet aan, dat het verlenen ervan niet aan een inruil was gekoppeld, doch bevestigt veeleer, dat de korting ertoe strekte, Minolta voordelen te verschaffen die, zoals in casu, geen verband houden met de waarde of de wederverkoopprijs van de ingeruilde apparaten.
39. Uit het voorgaande volgt, dat de inruilbetalingen in de normale waarde moeten worden opgenomen, ongeacht of zij op basis van artikel 2, lid 3, sub a, van de basisverordening is bepaald (zoals in het geval van Matsushita), dan wel of zij overeenkomstig artikel 2, lid 3, sub b, ii, is samengesteld, zoals in het geval van Minolta.
40. Om de redenen die ik heb vermeld in mijn conclusies in zaken C-171/87 (Canon) en C-174/87 (Ricoh), faalt ten slotte ook het subsidiaire middel van Minolta, namelijk dat wanneer de kosten van de inruilbetalingen op grond van artikel 2, lid 3, sub b, ii, in de normale waarde moeten worden opgenomen, zij krachtens artikel 2, lid 10, sub c, daarvan moeten worden afgetrokken.
B - De vergelijking
41. Als vierde middel voert Minolta aan, dat de Raad artikel 2, lid 10, sub c, van de basisverordening heeft geschonden, door de normale waarde niet te corrigeren voor bepaalde soorten kosten die nochtans "rechtstreeks in verband met de betreffende verkopen" stonden.
42. Met betrekking tot de uitsluiting van de salarissen van de verkoopleiders van de correctie voor de salarissen van de verkopers ben ik van mening, dat de Raad zich op het standpunt kon stellen dat zulk een rechtstreeks verband ontbrak; blijkens het onderzoek was de voornaamste taak van de verkoopleiders immers het beheren van en leiding geven aan een verkopersteam, en niet de rechtstreekse verkoop. Ik ga niet in op de stelling van de Raad, dat de verkoperssalarissen "bij wijze van uitzondering" in de in artikel 2, lid 10, sub c, vermelde lijst van kosten zijn opgenomen en dat de term "verkopers" dus restrictief moet worden uitgelegd. Wel wil ik opmerken, dat verzoeksters standpunt, dat niets in die bepaling een dergelijke strikte uitlegging - waardoor een onderscheid tussen verschillende soorten "verkopers" ontstaat - rechtvaardigt, mijns inziens te algemeen is. Minolta verliest daarbij immers uit het oog, dat de "verkoperssalarissen", willen zij voor correctie in aanmerking komen, net als alle andere in de betrokken bepaling genoemde kosten rechtstreeks met de betreffende verkopen in verband moeten staan, wat impliceert, dat bij bepaalde salarissen dat rechtstreeks verband ontbreekt.(11)
43. Met betrekking tot de kosten in verband met het gebruik van bestelwagens door de verkopers zij opgemerkt, dat volgens Minolta zelf
"de autokosten hoofdzakelijk vervoerkosten waren, daar de voertuigen voornamelijk werden gebruikt om PPC' s aan verzoeksters klanten te leveren",
doch dat
"deze voertuigen door de verkopers ook in het kader van verkoopactiviteiten en demonstraties van apparaten aan klanten werden gebruikt" (punt 7.15 van het verzoekschrift).
Uit het antwoord van de Raad op de vraag van het Hof blijkt duidelijk, dat wegens dit gemengd gebruik de Raad die kosten slechts voor twee derde heeft gecorrigeerd; dit deel had betrekking op de levering van PPC' s en werd geacht verband te houden met het vervoer van de goederen.(12)
44. Het resterende derde deel betrof volgens de Raad gewone reiskosten van de verkopers, die onder de algemene kosten vallen waarvoor "in het algemeen geen correcties worden toegepast" en die in de regel niet rechtstreeks verband houden met de betreffende verkopen: deze kosten ontstaan immers ongeacht of al dan niet een verkoop plaatsvindt (zie ook mijn conclusies in de zaken C-174/87, Ricoh, en C-171/87, Canon, respectievelijk paragraaf 19 en 46). Daar verzoekster deze twee derde/één derde splitsing uitdrukkelijk aanvaardt, volgt uit het voorgaande, dat de Raad geen vergissing heeft begaan door slechts een deel van de kosten van het gebruik van de bestelwagens te corrigeren. Om dezelfde redenen mocht de Raad ook een correctie weigeren voor alle reiskosten van de verkopers (per trein, taxi of vliegtuig).
45. Wat ten slotte de kosten van MO (Minolta' s produktiemaatschappij) voor opslag, vervoer, verzekering en krediet en de kosten van MJS voor vervoer, voertuigen en krediet in verband met haar verkopen aan de andere verkoopmaatschappijen van Minolta betreft, wil ik het bij een verwijzing naar paragraaf 45 van mijn conclusie in zaak C-171/87 (Canon) laten, waar ik heb gezegd, dat dit soort kosten niet "rechtstreeks in verband staan met de betreffende verkopen" omdat zij zijn gemaakt in een stadium vóór deze verkopen; bij een produktie- en verkooporganisatie als Minolta is, zijn dit de verkopen aan de eerste onafhankelijke koper.
46. Het middel betreffende de weigering van bepaalde correcties op de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 10, sub c, van de basisverordening, is dus evenmin gegrond.
C - De berekening van de dumpingmarge
47. Aangezien Minolta de enige producent is die over de berekening van de dumpingmarge heeft geklaagd, wil ik eraan herinneren dat volgens artikel 2, lid 13, sub b, van de basisverordening,
"Wanneer de prijzen variëren, de marge van dumping (kan) worden vastgesteld per transactie of uitgaande van de meest toegepaste, representatieve of gewogen gemiddelde prijzen."
48. Volgens Minolta heeft de Raad, door voor de berekening van de normale waarde de methode van het gewogen gemiddelde en voor de berekening van de uitvoerprijs de transactiegewijze methode te gebruiken, de twee termen niet deugdelijk vergeleken, zoals artikel 2, lid 9 en 13, sub b, van de basisverordening voorschrijft.
49. In de zogenoemde "kogellager"-arresten van 7 mei 1987 verwierp het Hof evenwel reeds een identiek argument. In de rechtsoverwegingen 15 en 18 van het arrest Nippon Seiko (zaak 258/84, Jurispr. 1987, blz. 1923) bij voorbeeld constateerde het Hof uitdrukkelijk, dat noch lid 13, noch lid 9 van artikel 2 van de basisverordening verlangt, dat de normale waarde en de uitvoerprijs volgens soortgelijke of identieke methoden worden berekend. In rechtsoverweging 24 van dat arrest voegde het Hof eraan toe, dat
"de vrijheid van keuze tussen de in artikel 2, lid 13, sub b (...) genoemde methoden juist moet verzekeren, dat die methode wordt gekozen die voor het doel van de procedure tot instelling van een anti-dumpingrecht het meest geschikt is".
50. Uit deze passage leidt Minolta af, dat wanneer de normale waarde volgens de methode van het gewogen gemiddelde is berekend, de transactiegewijze methode slechts in geval van bijzondere omstandigheden "het meest geschikt" is voor de berekening van de uitvoerprijs. Zij meent hiervoor steunt te vinden in rechtsoverweging 25 van voormeld arrest:
"Alleen met de transactiegewijze methode kunnen bepaalde manipulaties worden ondervangen, waarbij dumping wordt gecamoufleerd door verschillende prijzen toe te passen, die nu eens hoger, dan weer lager zijn dan de normale waarde."
Minolta concludeert hieruit, dat de transactiegewijze methode alleen dan gerechtvaardigd is, wanneer is aangetoond dat de exporteur - al dan niet opzettelijk - iets heeft gedaan met de bedoeling dumping te camoufleren.
51. Dit argument faalt. Om te beginnen stelde het Hof in rechtsoverweging 21 van het arrest Nippon Seiko, dat voor de keuze tussen de verschillende in artikel 2, lid 13, sub b, vermelde berekeningsmethoden ingewikkelde economische situaties moeten worden beoordeeld. Het volstaat dus niet aan te tonen dat in de omstandigheden van het geval heel goed een andere methode dan de gekozene had kunnen worden toegepast; ook zou moeten worden aangetoond, dat de Raad met de gekozen methode een kennelijke fout heeft begaan bij de beoordeling van de feiten van de zaak.
52. Voorts impliceert Minolta' s argument, dat van de mogelijke berekeningsmethoden er één prevaleert boven de anderen en dus als het ware de algemene regel zou zijn, zodat de andere methoden uitzonderingen zouden worden. Dat is echter onjuist, zelfs zo zeer, dat het Hof in rechtsoverweging 33 van voormeld arrest zich op het enkele feit kon baseren, dat
"de transactiegewijze methode één van de methoden is die de instellingen voor de berekening van de dumpingmarge mogen gebruiken wanneer (...) de prijzen variëren"
om te concluderen, dat het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel niet in de weg staan aan een wijziging van de aanvankelijk gekozen methode, zelfs zonder voorafgaande kennisgeving.
53. Ten slotte lijkt Minolta' s uitlegging van voormelde passage uit rechtsoverweging 25 van het arrest Nippon Seiko mij onjuist. Het bestaan van "manipulaties ((...)) waarbij dumping wordt gecamoufleerd" wordt daar niet voorgesteld als een voorwaarde vooraf voor toepassing van de transactiegewijze methode. In het onderhavige geval is er overigens nooit sprake geweest van dergelijke manipulaties. Mijns inziens heeft het Hof gewoon de gevolgen willen beschrijven van de toepassing van de transactiegewijze methode die - zoals bekend - inhoudt, dat de uitvoerprijzen die hoger zijn dan de normale waarde fictief worden verlaagd tot het niveau van die normale waarde, alvorens zij samen met de uitvoerprijzen die lager zijn dan de normale waarde, in de berekening van het gewogen gemiddelde van alle uitvoerprijzen worden opgenomen.
54. Volgens mij bevestigt het tweede gedeelte van rechtsoverweging 25 deze uitlegging. Daar zet het Hof de transactiegewijze methode tegenover de methode van het gewogen gemiddelde die volgens het Hof "in een dergelijke situatie", dat wil zeggen wanneer de uitvoerprijzen nu eens hoger dan weer lager zijn dan de normale waarde,
"er in wezen toe zou leiden, dat de verkopen tegen dumpingprijzen door de verkopen tegen zogenoemde 'negatieve' dumpingprijzen werden verhuld".
55. Ook kan voor deze uitlegging steun worden gevonden in het feit dat het Hof uitdrukkelijk een verband heeft gelegd tussen de keuze van de "meest geschikte" methode voor de berekening van de dumpingmarge en het doel van de procedure tot instelling van een anti-dumpingrecht, die
"volgens de artikelen 2, lid 1, en 4, lid 1, (van de basisverordening) (ertoe strekt) de schade of de dreiging van schade voor een gevestigde bedrijfstak van de Gemeenschap ten gevolge van dumping op te heffen" (r.o. 24, in fine).
Dit criterium lijkt mij subjectieve overwegingen betreffende de bedoelingen van de betrokken exporteur uit te sluiten: volgens het Hof was het niet omdat de exporteur zich schuldig heeft gemaakt aan camouflage van dumping, dat de Raad de transactiegewijze methode in plaats van die van het gewogen gemiddelde mocht kiezen, maar omdat toepassing van laatstgenoemde ertoe zou leiden, dat
"de door de betrokken bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade in volle omvang zou blijven bestaan" (arrest Nippon Seiko, r.o. 25, in fine).
56. Hieruit volgt, dat er in dit verband evenmin kan worden gesproken van schending van het "audi alteram partem"-beginsel: waar de Raad de transactiegewijze methode ook bij gebreke van pogingen om dumping te camoufleren mocht toepassen, behoefde hij verzoekster niet in de gelegenheid te stellen te reageren op eventueel terzake voorhanden bewijsmateriaal.
57. Wat ten slotte de gestelde schending van artikel 190 EEG-Verdrag betreft, zij in de eerste plaats opgemerkt, dat zowel de toepassing van de methode van het gewogen gemiddelde voor de berekening van de normale waarde, als de toepassing van de transactiegewijze methode voor de berekening van de uitvoerprijs duidelijk zijn vermeld in de paragrafen 5 en 26 van de bestreden verordening, te lezen in samenhang met de paragrafen 6 en 29 van de voorlopige verordening, waarvan zij niet meer dan een bevestiging zijn. Aangezien voorts de transactiegewijze methode dezelfde rang heeft als de andere in artikel 2, lid 13, sub b, van de basisverordening genoemde methoden voor de berekening van de dumpingmarge, behoefde de Raad mijns inziens in de considerans van de bestreden verordening de toepassing van die methode niet speciaal te motiveren. Dat in de "kogellager"-zaken de verordening op dit punt breedvoeriger was, wordt verklaard doordat destijds de keuze van de transactiegewijze methode een afwijking van de eerdere praktijk van de instellingen vormde.
58. De cijfers van de confidentiële tabellen die verzoekster bij haar verzoekschrift heeft gevoegd en waarnaar zij ook in dit verband verwijst, zijn volstrekt irrelevant. Zij zijn immers gebaseerd op andere berekeningsmethoden dan die welke de Raad, zoals hierboven gezegd, gerechtigd was toe te passen.
59. Aangezien geen van de middelen van verzoekster doel treft, concludeer ik tot verwerping van het beroep, met verwijzing van Minolta in de kosten, daaronder begrepen die van de interveniënten.
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) - PB 1987, L 54, blz. 12.
(2) - Verordening (EEG) nr. 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1984, L 201, blz. 1).
(3) - De anti-dumpingcode, getiteld Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de algemene overeenkomst betreffende tarieven en handel , is namens de Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 80/271/EEG van de Raad van 10 december 1979 betreffende de sluiting van de multilaterale overeenkomsten waarover tijdens de handelsbesprekingen 1973-1979 overeenstemming is bereikt (PB 1980, L 71, blz. 1, 90).
(4) - Zie de punten 4.2 en 4.26 van het verzoekschrift.
(5) - Arrest van 12 december 1972, gevoegde zaken 21/72 tot en met 24/72, International Fruit Company, Jurispr. 1972, blz. 1219.
(6) - In dit verband is het interessant op te merken, dat het Hof in het arrest van 11 juli 1990 (zaak C-157/87, Electroimpex, Jurispr. 1990, blz. I-3021, r.o. 20-22) een op een vergelijking tussen de verkoopprijs en de kostprijs van een produkt gebaseerde definitie van het begrip dumping heeft afgewezen.
(7) - Wat de Raad voor drie modellen van Canon heeft gedaan.
(8) - Verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1988, L 209, blz. 1).
(9) - Verordening (EEG) nr. 2640/86 van de Commissie van 21 augustus 1986 tot instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van fotokopieerapparaten voor gewoon papier van oorsprong uit Japan (PB 1986, L 239, blz. 5).
(10) - Verordening nr. 2423/88 van de Raad, reeds aangehaald; zie voetnoot 8.
(11) - In verordening nr. 2423/88 van 11 juli 1988, de nieuwe, thans geldende basisverordening, zijn de verkoperssalarissen uitdrukkelijk gedefinieerd als salarissen van personeel dat zich geheel bezighoudt met de rechtstreekse verkoopactiviteiten . Voorts vermeldt de nieuwe basisverordening, dat het om redenen van duidelijkheid wenselijk is aan te geven dat geen aanpassing mag worden verricht voor algemene verkoopkosten aangezien dergelijke uitgaven geen rechtstreeks verband houden met de betrokken verkopen, evenwel met uitzondering van de salarissen van de verkopers, die niet anders dan betaalde commissies behandeld mogen worden .
(12) - De nieuwe basisverordening bepaalt uitdrukkelijk, dat in aanmerking komen voor correctie, de kosten die hiermee rechtstreeks verband houden en die gemaakt zijn voor het overbrengen van het betrokken produkt (...)
Full & Egal Universal Law Academy