Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Mijn conclusie in deze zaak, Sharp/Raad, kan ik zeer kort houden.
2. Sharp baseert haar beroep tot nietigverklaring van verordening (EEG) nr. 535/87 van de Raad van 23 februari 1987 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van fotokopieerapparaten voor gewoon papier van oorsprong uit Japan(1), immers enerzijds op de middelen betreffende de schade, de belangen van de Gemeenschap en de berekening van het anti-dumpingrecht, die zij samen met de verzoeksters in de zaken C-174/87 (Ricoh), C-175/87 (Matsushita), C-176/87 (Konishiroku) en C-177/87 (Sanyo) heeft voorgesteld. Zoals ik in mijn conclusie in zaak C-174/87 (Ricoh) heb uiteengezet, falen al deze middelen.
3. Anderzijds voert Sharp twee middelen aan, respectievelijk betreffende de berekening van de normale waarde en de vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs, die beide in wezen betrekking hebben op de wijze waarop de Raad de verkoop-, administratieve en andere algemene uitgaven (hierna: "VAA-kosten") van Sharp Business KK (hierna: "SBK"), Sharps verkoopmaatschappij in Japan, heeft behandeld. Deze middelen zijn grotendeels op soortgelijke, zo niet identieke argumenten gebaseerd als in de beroepen in sommige van de andere zaken, die volgens mijn conclusies van heden moeten worden verworpen. Sharp verwijst overigens uitdrukkelijk naar haar schriftelijke memories in de elektronische schrijfmachine-zaken ("electronic typewriter cases", hierna: "ETW-zaken"), die in s' Hofs arresten van 5 oktober 1988(2) aan de orde waren. Ik kan mij dus beperken tot de bespreking van de enkele min of meer nieuwe elementen die Sharp aanvoert of waarop zij bijzonder de nadruk legt.
4. 1. Het feit dat de VAA-kosten van SBK "enkel en alleen" de verkopen op de binnenlandse markt betreffen, betekent nog niet noodzakelijkerwijs, dat zij niet in de overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening(3) bepaalde normale waarde mogen worden opgenomen, of dat zij in het kader van de vergelijking met de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, leden 9 en 10, van de normale waarde moeten worden afgetrokken. In de eerste plaats immers behoort de normale waarde de verkoopprijs van een produkt weer te geven zoals die op de binnenlandse markt wordt toegepast, of zoals die zou zijn indien het produkt op die markt in het kader van normale handelstransacties werd verkocht. Alle kosten van de verkopen die op die markt in het kader van normale handelstransacties plaatsvinden, moeten dus in de normale waarde worden opgenomen. In de tweede plaats, willen eventuele verschillen in VAA-kosten in het kader van de vergelijking in aanmerking komen voor correctie, dan moeten zij "rechtstreeks in verband staan met de betreffende verkoop", wat in de regel niet het geval is met algemene en administratieve kosten, die ontstaan ongeacht of er een bepaalde verkoop tot stand komt of niet.
5. 2. In het arrest van 5 oktober 1988 (Sharp, reeds aangehaald in voetnoot 2, r.o. 22) verwierp het Hof reeds het argument, dat de instellingen de vennootschap Nakajima in de ETW-zaken ongelijk hebben behandeld. Het Hof overwoog:
"Aangezien door dit besluit (van de Commissie, inhoudende dat de dumpingmarge voor Nakajima als minimaal moest worden beschouwd) Nakajima niet behoort tot de ondernemingen die een definitief anti-dumpingrecht kregen opgelegd, kan een discriminatie ten voordele van Nakajima, zelfs al zou die al vaststaan, niet leiden tot nietigverklaring van de verordening waarbij Sharp een definitief anti-dumpingrecht werd opgelegd, welke verordening is vastgesteld op basis van gegevens, die in de loop van het anti-dumpingonderzoek op correcte wijze en overeenkomstig de regels van verordening nr. 2176/84 waren verkregen."
Deze redenering lijkt mij in casu nog sterker te gelden, aangezien een vergelijking wordt verlangd van de wijze waarop twee verschillende vennootschappen in twee onderscheiden anti-dumpingprocedures betreffende twee verschillende produkten zijn behandeld. Bovendien bevindt Sharp, die op de binnenlandse markt door tussenkomst van een door haar economisch gecontroleerde, als verkoopafdeling optredende verkoopmaatschappij verkoopt, zich niet in dezelfde situatie als een andere exporteur, die zijn produkten niet zelf op de binnenlandse markt verkoopt en distribueert, doch ze aan een derde verkoopt die voor de verkoop en de distributie zorgt.
6. 3. In de punten 5 en 6 van haar repliek ten slotte stelt Sharp, dat voor zover de wederverkoopprijzen van haar verkoopmaatschappij in Japan voor de bepaling van de normale waarde zijn gebruikt, er slechts sprake van dumping kan zijn, indien de wederverkoopprijs van haar Europese dochterondernemingen lager is dan die normale waarde, plus de kosten van uitvoer van de produkten naar de Gemeenschap en de communautaire douanerechten. Deze stelling miskent de definitie van het begrip uitvoerprijs en dus van het begrip dumping. Immers, volgens artikel 2, lid 2, van de basisverordening
"wordt geacht dumping plaats te vinden indien de prijs van het produkt bij uitvoer naar de Gemeenschap lager is dan de waarde van een soortgelijk produkt".
Bovendien volgt uit artikel 2, lid 8, sub b, van de basisverordening, dat wanneer de prijs bij uitvoer niet betrouwbaar is, hetgeen het geval is wanneer zoals in casu de transacties tussen geassocieerde partijen plaatsvinden, de uitvoerprijs wordt samengesteld op basis van de prijs waartegen het ingevoerde produkt voor het eerst wordt doorverkocht aan een onafhankelijke koper, onder aftrek echter van alle tussen de invoer en de doorverkoop gemaakte kosten alsmede van een redelijke winstmarge. Volgt men echter de redenering van Sharp, dan zouden de kosten en winsten van haar Europese dochterondernemingen in de uitvoerprijs opgenomen blijven, wat in strijd is met de uitdrukkelijke bewoordingen van de basisverordening.
7. Geen van de door verzoekster aangevoerde specifieke argumenten gegrond achtend, concludeer ik tot verwerping van het beroep, met verwijzing van Sharp in de kosten, daaronder begrepen die van de interveniënten.
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) - PB 1987, L 54, blz. 12.
(2) - Zaak 250/85, Brother, Jurispr. 1988, blz. 5683; gevoegde zaken 277/85 en 300/85, Canon, Jurispr. 1988, blz. 5731; zaak 301/85, Sharp, Jurispr. 1988, blz. 5813; gevoegde zaken 260/85 en 106/86, TEC, Jurispr. 1988, blz. 5855; en gevoegde zaken 273/85 en 107/86, Silver Seiko, Jurispr. 1988, blz. 5927).
(3) - Verordening (EEG) nr. 2176/84 van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1984, L 201, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy