Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . In dit door mevrouw Agazzi ingestelde beroep, dat eveneens betrekking heeft op het door de Commissie georganiseerde intern vergelijkend onderzoek COM/A/8/84 voor ambtenaren uit de B-categorie die naar de A-categorie wensten over te gaan, wil ik het volgende opmerken .
1 . De ontvankelijkheid
2 . a ) De vraag is gerezen, of in het kader van de onderhavige procedure de bezwaren van verzoekster tegen de reorganisatie binnen de Commissie als ontvankelijk kunnen worden aangemerkt . Deze reorganisatie bracht met zich mee, dat de medische dienst van het GCO te Ispra ( waar verzoekster werkzaam is ) in 1973 onder het directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer kwam te ressorteren en niet meer uit de begroting voor onderzoek en investeringen werd bekostigd ( hetgeen tot gevolg had, dat het personeel van deze afdeling geen gebruik meer kon maken van de afwijkingsbepaling van artikel 98 van het Statuut - categoriewisseling zonder vergelijkend onderzoek ). De Commissie zet vraagtekens bij de ontvankelijkheid van die bezwaren met het argument, dat destijds geen klacht tegen die reorganisatie is ingediend . Bovendien had verzoekster, nadat zij in 1979 had gepoogd verbetering van haar - wat de overgang naar categorie A betreft - ongunstige positie te bewerkstelligen, met een verzoek tot herindeling bij het wetenschappelijk personeel dan wel deelneming aan een speciaal te organiseren vergelijkend onderzoek, geen verdere actie ondernomen nadat haar verzoek was afgewezen .
3 . Deze benadering van de Commissie lijkt mij echter niet juist . Verzoekster komt immers niet op tegen de in 1973 aangebrachte wijziging in de organisatiestructuur . Haar gaat het slechts om de daaruit voortvloeiende consequentie, namelijk dat overgang naar categorie A voor haar nog slechts mogelijk is door middel van een vergelijkend onderzoek, terwijl in de vroegere situatie een beoordeling van de schriftelijke bewijsstukken in combinatie met een onderhoud volstond . Zij meent dan ook, dat deze omstandigheid had moeten meewegen bij de organisatie van een speciaal voor de overgang naar een andere categorie bedoeld vergelijkend onderzoek, en wel zodanig, dat het ten behoeve van kandidaten zoals verzoekster, met een wetenschappelijke opleiding en beroepservaring, meer had moeten zijn afgestemd op hun specifieke kennis en ervaring, zodat zij een faire kans op plaatsing op de reservelijst hadden gehad . Zo gezien, valt er weinig in te brengen tegen de ontvankelijkheid van haar beroep, dat in feite niet gericht is op wijziging van de sinds 1973 bestaande situatie, maar deze wijziging veeleer als achtergrond betrekt in de beoordeling van het in 1985 georganiseerde vergelijkend onderzoek .
4 . b ) Hetzelfde dient te worden geantwoord op de tegenwerping van de Commissie, dat de bezwaren van verzoekster tegen de organisatie van het vergelijkend onderzoek niet-ontvankelijk zijn omdat de jury nu eenmaal niets kon doen aan de bijzondere problematiek van verzoekster, alsmede op haar standpunt, dat nu geen kritiek meer mogelijk is op de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, omdat tegen de inhoud van deze aankondiging niet tijdig een klacht is ingediend .
5 . Het is inderdaad juist dat, volgens de recente rechtspraak ( 1 ), in het kader van de toetsing van de handelingen van een vergelijkend onderzoek niet meer tegen de inhoud van de aankondiging van dat vergelijkend onderzoek kan worden geageerd, wanneer daartegen niet tijdig een afzonderlijk beroep is ingesteld . Zo dient echter het betoog van verzoekster niet te worden opgevat, zoals ter terechtzitting uitdrukkelijk is verklaard . De bezwaren van verzoekster richten zich veeleer tegen de wijze waarop het mondeling examen was ingericht, waarover in de aankondiging in feite niet méér was gezegd dan dat het de jury in staat moest stellen de kwalificaties en geschiktheid voor het vervullen van A-functies na te gaan . Er is geen enkele reden om een dergelijk bezwaar, voor zover het zich dus richt tegen de laatste handeling in de gehele procedure, namelijk de vaststelling van de uitslag van het mondeling examen, als niet-ontvankelijk te beschouwen .
6 . Wat anderzijds de vraag betreft, of de jury rekening had kunnen - en moeten - houden met het bijzondere geval van verzoekster, dient die niet hier in het kader van de ontvankelijkheid, maar bij de behandeling ten gronde te worden besproken .
7 . c ) Er bestaan derhalve geen overwegende bezwaren tegen de ontvankelijkheid van het beroep of van bepaalde, tot staving daarvan aangevoerde middelen .
2 . Ten gronde
8 . a ) Centraal staat in het betoog van verzoekster - onder de kop "schending van het beginsel van goed bestuur en de zorgvuldigheidsplicht" en "schending van het non-discriminatiebeginsel" -, dat zij als ambtenaar met een wetenschappelijke opleiding en beroepservaring bij het vergelijkend onderzoek in het nadeel was, omdat de jury bij de keuze van de examenvragen en bij de beoordeling daarvan geen rekening met die achtergrond heeft gehouden .
9 . Gelet op hetgeen ons over het verloop van het mondeling examen bekend is ( ik verwijs in dit verband naar mijn conclusie in zaak 228/86 van 17 november 1987 ( 2 )), valt aan te nemen, dat het bezwaar van verzoekster vooral de laatste fase van het mondeling examen geldt, waarin vragen over de beleidsterreinen van de Gemeenschap moesten worden beantwoord . Want in de eerste fase van het mondeling examen werd de algemene kennis van de kandidaten getoetst met behulp van vragen van algemene aard ( verzoekster moest wat vertellen over de verovering van de ruimte, een onderwerp dat haar toch geen al te grote problemen kan hebben opgeleverd ). Vervolgens werd aandacht besteed aan de opleiding en bezigheden van iedere kandidaat, en de plaats van deze bezigheden in de respectieve beleidsgebieden van de Gemeenschap, met andere woorden : in deze fase kwam de bijzondere achtergrond van verzoekster wel degelijk in de door haar bedoelde zin tot zijn recht .
10 . Wat nu de vragen betreft over de diverse beleidsterreinen van de Commissie, was ik na een eerste lezing van het dossier stellig geneigd - en na mijn conclusie in zaak 228/86 zal dit geen verbazing wekken - om het bezwaar daartegen als gegrond te erkennen . Dit evenwel niet zozeer op grond van de bevinding, dat aan verzoekster geen speciale, op haar persoonlijke opleiding en bezigheden afgestemde vragen zijn gesteld, want bij een vergelijkend onderzoek dat voor vele B-ambtenaren uit alle mogelijke sectoren was bedoeld en dat diende om te voorzien in A-functies bij allerlei diensten, kan men nu eenmaal niet verlangen dat het volledig "op maat gesneden" is .
11 . Veeleer lijkt mij voor kritiek vatbaar, dat de vragen slechts ten dele verband hielden met de in het opleidingsprogramma behandelde onderwerpen, waardoor kandidaten die vragen buiten die gebieden kregen voorgelegd ( verzoekster bij voorbeeld moest wat vertellen over de rol van de Europese Investeringsbank ), in het nadeel konden zijn wanneer zij niet toevallig over de betrokken kennis beschikten of deze in hun werkervaring hadden kunnen opdoen .
12 . Na het arrest dat de Tweede kamer van het Hof op 24 maart 1988 heeft gewezen, kan deze beoordeling echter geen stand houden . Zoals bekend, deelde de Kamer mijn bezwaren niet; zij meende dat de vragen ongeveer dezelfde moeilijkheidsgraad hadden, niet al te moeilijk waren, en dat het onderwerp voldoende vertrouwd moest zijn voor ambtenaren die al jarenlang bij de Gemeenschap werken en zich voor haar beleid interesseren . In het arrest werd erop gewezen, dat het onderzoek veeleer was bedoeld om de kwalificaties van de kandidaten te beoordelen dan om hun kennisniveau te peilen, waarmee de Kamer de opvatting volgde van de Commissie, die van mening was dat het mondeling examen niet zozeer toetsing van kennis beoogde als wel het beoordelen van het vermogen om problemen te herkennen, en gedachten logisch op te bouwen en helder uit te drukken . Bovendien valt in de onderhavige zaak nog op, dat verzoekster uit de twee voorgelegde vragen er één had kunnen kiezen die wel degelijk verband hield met een in het opleidingsprogramma behandeld onderwerp ( namelijk de overschotten in de landbouwpolitiek ). Nu zij desondanks het andere onderwerp heeft gekozen, kan zij natuurlijk niet meer klagen over een benadeling in de zin die ik in mijn conclusie in zaak 228/86 heb aangegeven .
13 . Is dus wat de keuze van de vragen over het gemeenschapsbeleid betreft, kritiek op de wijze waarop het mondeling examen verliep, niet mogelijk, dan heeft dat kennelijk ook te gelden voor de wijze waarop de antwoorden op de vragen zijn beoordeeld, namelijk zonder daarbij rekening te houden met de individuele situatie van de kandidaten . In het geval van verzoekster zou dat bij voorbeeld hebben betekend, dat de jury haar dank zij een soepeler beoordeling gemakkelijker naar categorie A had laten overgaan, omdat dit voor haar - als wetenschappelijk personeelslid - vroeger via artikel 98 van het Statuut toch al mogelijk zou zijn geweest . Een dergelijke gang van zaken moet echter principieel onaanvaardbaar worden genoemd bij een dergelijk omvangrijk vergelijkend onderzoek met zoveel kandidaten uit allerlei B-functies, want hier is het zeker zaak, iedere schijn van speciale behandeling te vermijden .
14 . Ook moet worden gezegd, dat van een jury niet kan worden gevergd - zoals verzoekster verlangt - dat zij door haar werkwijze allerlei uit reorganisaties voortspruitende onevenwichtigheden rechtzet ( en dit nog afgezien van de vraag, of daardoor vroegere, onherroepelijk geworden administratieve maatregelen niet alsnog indirect kunnen worden aangetast ).
15 . Daarnaast kan verzoekster - voor zover zij erop wijst, dat het onderzoek tot doel had, ambtenaren met een lange diensttijd, wier loopbaan aan het plafond van categorie B tot staan is gekomen, de mogelijkheid te bieden hun loopbaan voort te zetten - worden tegengeworpen, dat mocht er van een dergelijk oogmerk sprake zijn, dit in haar geval geen rol kan hebben gespeeld, omdat zij op de relatief lage leeftijd van 43 jaar nog geenszins het plafond van de B-loopbaan heeft bereikt, maar pas sinds enkele jaren ( sedert 1982 ) in de rang B 2 is ingedeeld ( hetgeen - zo houde men in het oog - wat salaris betreft overeenkomt met de rang A 7 ).
16 . De argumenten die verzoekster in het kader van haar eerste twee middelen heeft aangevoerd, kunnen het beroep dus niet doen slagen .
17 . b ) Voor zover verzoekster voorts opwerpt dat met dit vergelijkend onderzoek de relevante kennis van kandidaten voor de eveneens te bezetten wetenschappelijke functies bij de Commissie niet behoorlijk kon worden getoetst, hetgeen volgens haar schending van artikel 27 oplevert ( volgens deze bepaling dienen de aan te werven ambtenaren te voldoen aan de hoogste eisen op het punt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid ), kan de in deze procedure omstreden vraag of artikel 27 al dan niet ook voor interne vergelijkende onderzoeken geldt, in het midden blijven .
18 . Uit andere overwegingen volgt namelijk zonder nader betoog, dat het standpunt van verzoekster ook in dit opzicht niet kan worden gevolgd .
19 . Van belang is vooral, dat het hier gaat om de aankondiging van een breed opgezet intern vergelijkend onderzoek met kandidaten uit allerlei diensten van de B-categorie en ter vorming van een reserve met het oog op de vervulling van allerlei A-posten . Uiteraard kon een dergelijke opzet alleen zijn bedoeld voor de toetsing van de algemene geschiktheid voor A 7 - en A 6-functies . En waar de jury een dergelijke algemene geschiktheid heeft kunnen vaststellen, is het natuurlijk niet zo, dat iedere aldus op de reservelijst geplaatste kandidaat gelijkelijk in aanmerking kan komen voor ongeacht welke vacature in die rangen . Voor de vervulling van iedere vacature moet op de daarvoor verlangde specifieke kwalificaties worden gelet . Het is echter niet goed denkbaar dit aspect reeds bij het algemene onderzoek te laten meespelen en de exameninhoud erop af te stemmen .
20 . Zo de klacht van verzoekster mocht inhouden, dat er bij het opstellen van de aankondiging niet aan gedacht is, dat er mogelijk wetenschappelijke functies te vervullen zouden zijn, geldt in de tweede plaats niet alleen, dat ten tijde van die voorbereidingen moeilijk te overzien was, in hoeverre er zich zulke vacatures zouden voordoen, maar ook dat volgens de reeds genoemde rechtspraak dergelijke bezwaren tegen de aankondiging van het onderzoek niet meer als ontvankelijk kunnen worden beschouwd .
21 . c ) Rest nog het verwijt van verzoekster over de schending van het gewettigd vertrouwen .
22 . Om aan te tonen dat ook dit middel niet kan slagen, kan eigenlijk met twee kanttekeningen worden volstaan . Voor zover de grief zich richt tegen de formulering van de aankondiging, waarbij onvoldoende rekening zou zijn gehouden met de deelneming van wetenschappelijk opgeleide kandidaten, kan worden opgemerkt dat de grief op dit punt niet meer ontvankelijk is . En voor zover het zou gaan om de wijze waarop het vergelijkend onderzoek door de jury is ingericht binnen de grenzen van de discretionaire bevoegdheid waarover zij beschikte, moet erop worden gewezen, dat generlei omstandigheden zijn aangevoerd, waaruit zou blijken dat de jury bij verzoekster in enig opzicht gerechtvaardigde verwachtingen had gewekt .
23 . Bovendien kan ik nog aantonen, dat uit de twee elementen die verzoekster in dit verband aanvoert, bezwaarlijk een vertrouwen in de zin van de rechtspraak ( 3 ) op dit punt kan worden geconstrueerd, in die zin dat er gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt waarmee de administratie rekening had moeten houden .
24 . Wanneer verzoekster bij voorbeeld wijst op de inspanningen die zij zich heeft getroost om haar opleiding aan te vullen, en die in 1978 hebben geleid tot het behalen van een diploma aan een Belgische universiteit, kan daartegen worden ingebracht, dat zij niets heeft aangevoerd waaruit concreet zou blijken dat zij door de administratie is aangemoedigd tot verdere studie en dat zij op die grond mocht verwachten dat haar inspanningen bij het scheppen van carrièremogelijkheden zouden worden beloond . Bovendien mag niet uit het oog worden verloren, dat verzoekster haar aanvullende studie heeft gevolgd na de overgang van de medische dienst naar het directoraat-generaal Personeelszaken . Verzoekster moet zich indertijd volledig hebben gerealiseerd, dat een vergemakkelijkte overgang naar categorie A volgens artikel 98 van het Statuut voor haar toen niet meer mogelijk was .
25 . Tegen de bewering van verzoekster dat zij tot deelneming aan het betrokken vergelijkend onderzoek is aangemoedigd, kan worden ingebracht dat men haar waarschijnlijk heeft willen attenderen op een kans die zich voordeed . Dat wil niet zeggen, dat haar toezeggingen zouden zijn gedaan omtrent de wijze waarop het vergelijkend onderzoek in zijn werk zou gaan, want dat lag overeenkomstig de aankondiging grotendeels in handen van de onafhankelijke jury .
26 . d ) Tot slot moet derhalve worden geconcludeerd, dat geen van de door verzoekster naar voren gebrachte middelen tot nietigverklaring van de door haar bestreden handeling kan leiden .
27 . 3 . Ik geef derhalve ook in deze zaak in overweging, het beroep te verwerpen en over de kosten te beslissen overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering .
(*) Vertaald uit het Duits .
( 1 ) Arrest van 11 maart 1986, zaak 294/84, Adams e.a ., Jurispr . 1986, blz . 977; arrest van 8 maart 1988, gevoegde zaken 64, 71, 72 en 73 en 78/68, Sergio e.a ., Jurispr . 1988, blz . 1399 .
( 2 ) Arrest van 24 maart 1988, zaak 228/86, Goossens e.a ., Jurispr . 1988, blz . 1819 .
( 3 ) Arrest van 19 mei 1983, zaak 289/81, Mavridis, Jurispr . 1983, blz . 1731 .
Full & Egal Universal Law Academy