Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . De ontvankelijkheid van de door H . Maurissen en de Union syndicale tegen twee besluiten van de Rekenkamer van 17 en 31 maart 1987 ingestelde beroepen is het onderwerp geweest van 's Hofs arrest van 11 mei jongstleden . Bij die gelegenheid heeft het Hof het beroep van het personeelslid van de Rekenkamer geheel en dat van de vakbond gedeeltelijk ontvankelijk verklaard, namelijk voor zover dit laatste was gericht tegen het besluit van 31 maart 1987 .
2 . Het lijkt overbodig, de omstandigheden van het geschil, die in het rapport ter terechtzitting zijn uiteengezet, te herhalen . Ik noem enkel nog eens de belangrijkste in die beroepen aangesneden problemen :
- het Hof dient zich allereerst erover uit te spreken, of de Rekenkamer het recht had, bij haar besluit van 17 maart 1987 de verspreiding van vakbondspost door de interne bodedienst van de instelling te verbieden;
- vervolgens moet het Hof de wettigheid beoordelen van het besluit van 31 maart 1987, waarbij de Rekenkamer weigerde de vakbondsvertegenwoordigers vrijstelling van de dienst te verlenen om deel te nemen aan vergaderingen met de Commissie over de salarissen, de crisisheffing en de wijzigingen van het Ambtenarenstatuut .
3 . Tegen die besluiten zijn twee middelen aangevoerd :
- schending van artikel 24 bis van het Statuut en van de zorgplicht;
- schending van het beginsel van gelijke behandeling .
4 . Alvorens de gegrondheid van die grieven te bespreken, wil ik twee opmerkingen maken .
5 . Allereerst heeft de gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep van de Union syndicale geen praktisch belang, aangezien de gronden waarmee zij het besluit van 17 maart bestreed, identiek zijn aan die van Maurissen zelf .
6 . In de tweede plaats, hoewel het tweede nietigheidsmiddel kennelijk gelijkelijk op beide besluiten betrekking heeft, gaat het in de memories van verzoekers in feite enkel om het besluit van 31 maart 1987 .
A - Schending van artikel 24 bis van het Statuut en van de zorgplicht
7 . Ook hier zal ik enkel de hoofdzaken van het aan het Hof voorgelegde betoog weergeven en voor het overige naar het rapport ter terechtzitting verwijzen .
8 . Verzoekers stellen, dat de vakbonden het recht hebben verkregen, voor de behartiging van de beroepsbelangen van hun leden elke geoorloofde activiteit te ondernemen alsook het recht overeenkomsten te sluiten, het recht tegen de administratie in te gaan en de handelingen van de instellingen te kritiseren . De instellingen zouden zich dan ook niet zuiver passief mogen opstellen, daar zij krachtens hun zorgplicht de vrijheid van meningsuiting dienen te garanderen . Het bestreden besluit zou tot gevolg hebben, dat het personeel wordt belet kennis te nemen van de voor de behartiging van zijn belangen ondernomen acties en van eventuele schendingen van het Statuut door het gezag . De verspreiding van de vakbondsvlugschriften door de interne bodedienst zou hoe dan ook een onvervreemdbaar grondrecht zijn, dat ook zonder een met de instelling gesloten "raamovereenkomst" bestaat .
9 . Met een beroep op het arrest-Abrias ( 1 ) en het besluit van de Raad van 22 en 23 juni 1981 tot instelling van een overlegprocedure, stellen verzoekers voorts, dat de vakbonden het recht en de verplichting hebben het personeel te vertegenwoordigen in de door de instellingen georganiseerde overlegvergaderingen . Door vrijstelling van de dienst te weigeren, zou de Rekenkamer de vakbonden de noodzakelijke middelen ontnemen om de hun opgedragen taak te vervullen .
10 . De Rekenkamer brengt allereerst naar voren, dat de vrijheid van meningsuiting verzekerd is, doordat de vakbondspost door de leden van de vakbonden vrij binnen de instelling kan worden verspreid .
11 . In het algemeen is zij van mening, de betrokken faciliteiten niet te kunnen verlenen bij gebreke van enige regeling en gezien de budgettaire consequenties die die verlening zou hebben . Voorts zou niet met vrucht een beroep op de zorgplicht kunnen worden gedaan, daar dit bij de instelling een keuzemogelijkheid veronderstelt, hetgeen in casu juist is uitgesloten wegens de voor verweerster bindende rechtssituatie . Ten slotte zijn de door andere instellingen toegekende faciliteiten gebaseerd op de sluiting van overeenkomsten ad hoc, naar het voorbeeld van de collectieve arbeidsovereenkomsten in het recht van de Lid-Staten . Dat zou de stelling als zou er op dit gebied sprake zijn van bestaande rechten, irrelevant maken .
12 . Dienaangaande merken verzoekers op, dat de Rekenkamer dan de onwettigheid van de door andere instellingen toegekende faciliteiten had moeten vaststellen en aan de kaak stellen, nu zij zich ter ondersteuning van haar eigen weigering op het onregelmatig karakter daarvan beroept .
13 . Laat ik dadelijk zeggen, dat het eerste middel, voor zover het gericht is tegen het besluit van 17 maart, mijns inziens moet worden afgewezen .
14 . Al hetgeen door Maurissen over de functie van de vakbonden en hun privileges te berde is gebracht, staat uiteraard niet ter discussie . Het beginsel van de vrijheid van meningsuiting wordt trouwens ook niet door verweerster betwist . Dat beginsel wordt evenwel naar het mij voorkomt, juist niet door het bestreden besluit miskend . Vaststaat immers, dat niets in de weg staat aan de verspreiding van de vlugschriften van de vakbond door de leden of functionarissen van de organisatie . Mijns inziens blijft de vrijheid van meningsuiting onverlet indien de vakbond haar standpunten zonder beperkingen aan het gehele personeel kenbaar kan maken .
15 . Bovendien wordt voor zover ik weet, in het recht van geen enkele Lid-Staat voorzien in een dergelijke verplichting voor de administratie . Het gaat in casu namelijk niet om de verzending van post tussen leden van de vakbond, maar om de bezorging van post van de vakbond aan het gehele personeel . Voor het eerste bestaan nog wel eens regelingen, maar het tweede wordt kennelijk nooit door het nationale ambtenarenrecht verplicht gesteld .
16 . In casu wordt een beroep gedaan op een algemene "onvervreemdbare en fundamentele" verplichting, welke kwalificaties zonder twijfel op de vrijheid van meningsuiting zelf van toepassing zijn, maar niet op de verspreiding van vakbondspost door de interne bodediensten .
17 . Opgemerkt zij evenwel, dat anders dan de Rekenkamer betoogt, het ontbreken van een desbetreffend voorschrift de verspreiding door de interne bodedienst zeker niet onwettig maakt . Dienaangaande illustreert de verspreiding van het in het dossier opgenomen stuk door de diensten van de Rekenkamer mijns inziens heel goed, dat het gebruik van dergelijke faciliteiten afhangt van een keuze van de betrokken instelling .
18 . Ik ben daarom van mening, dat de Rekenkamer tegen de stelling gebaseerd op schending van de zorgplicht, zich er niet op kan beroepen, dat zij geen keuze had . Haar betoog lijkt mij op dat punt niet consistent, want zij lijkt zich juist een grote vrijheid van handelen toe te kennen in het gebruik van de interne diensten voor de verspreiding van de post . Ik zou op dit punt overigens willen opmerken, dat die vrijheid van handelen in alle omstandigheden de neutraliteit van de openbare dienst moet respecteren, en ik betwijfel ten zeerste of de interne diensten als ware "brievenbussen" kunnen worden beschouwd . waar een ieder de filosofische, commerciële of politieke mededelingen van zijn keuze kan inwerpen .
19 . Toch meen ik niet, dat het Hof het besluit kan afkeuren op grond van schending van de zorgplicht . In die in 's Hofs rechtspraak erkende plicht weerspiegelt zich
"het door het Statuut geschapen evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen in de betrekkingen tussen het administratief gezag en de ambtenaren ". ( 2 )
De gevallen waarin het Hof dat heeft erkend, betroffen situaties waarin de administratie door een bekrompen of al te starre toepassing van de regels aan die bijzondere band tussen zichzelf en haar personeelslid voorbij zag . Het komt mij evenwel misplaatst voor, op die "welwillende aandacht" een beroep te doen zodra men maar even raakt aan verhoudingen die in de sfeer van de definitie van vakbondsrechten liggen, dus aan collectieve verhoudingen, ook al is in het onderhavige geval slechts een individuele ambtenaar de verzoeker .
20 . In dat verband moet ik teruggaan tot het Duitse recht, waaruit de zorgplicht afkomstig is . Uit de rechtspraak van het Bundesverfassungsgericht te Karlsruhe blijkt duidelijk, dat het hier een plicht betreft die op de administratie rust in "samenhang met het traditionele beginsel betreffende de loyaliteitsverplichting van de ambtenaar ". ( 3 ) Dat onderling verband, nauw verweven met de hiërarchieke ondergeschiktheid van de ambtenaar, is volkomen vreemd aan de aard van de betrekkingen tussen een instelling en de vakbonden .
21 . Een laatste opmerking : het valt niet uit te sluiten, dat een door een instelling regelmatig en ononderbroken gevolgde praktijk, mits zij niet in strijd met de wet is, op dit gebied constitutief voor een recht kan zijn . Ik moet wel vaststellen, dat er in deze zaak niets is gesteld waaruit kan blijken dat dat hier het geval is .
22 . Bij gebreke van een uitdrukkelijke bepaling en mits de vrijheid van meningsuiting is gewaarborgd, geef ik dan ook in overweging het eerste middel af te wijzen voor zover het is gericht tegen het besluit van 17 maart 1987 .
23 . Met betrekking tot het besluit van 31 maart 1987 doe ik dat evenwel niet .
24 . Allereerst is in het arrest-Abrias ontegenzeglijk het belang van onderhandelingen tussen de instelling en de vakorganisaties erkend . Het ging in die zaak om een beroep van ambtenaren tegen de Commissie, ondersteund door met name de Raad en de in de onderhavige zaak als verzoeker optredende vakbond, tot nietigverklaring van de invoering van de "crisisheffing ". Allereerst overwoog het Hof, dat het "normatieve kader" in dat geval
"het resultaat (( was )) van een na lange onderhandelingen tussen de instellingen en de meest representatieve vakbonden van het personeel der Gemeenschappen tot stand gekomen overeenkomst ". ( 4 )
Vervolgens benadrukte het Hof de rol die de vakbonden in de totstandkoming van de bestreden maatregel hadden gespeeld . Voor zijn afwijzing van het middel ontleend aan schending van het beginsel van "parallellisme" als bedoeld in artikel 65, lid 1, tweede alinea, van het Statuut, overwoog het Hof dan ook, dat
"waar de meest representatieve vakbonden ermee hebben ingestemd om met een buitengewone en eenmalige maatregel in de vorm van een loonmatiging te participeren in de gevolgen van de bijzonder moeilijke sociaal-economische toestand in de Gemeenschap, als tegenprestatie een methode voor de aanpassing van de bezoldigingen is vastgesteld, die het zogenoemde beginsel van het parallellisme handhaafde ". ( 5 )
Ten aanzien van de grief ontleend aan schending van het gewettigd vertrouwen van de ambtenaren, ingeroepen door de verzoekers, die van mening waren dat de betrokken wijziging "de wezenlijke elementen van de tussen de ambtenaren en de instellingen bestaande dienstverhouding raakt", beklemtoonde het Hof bovendien heel duidelijk, dat
"de vakbonden van het personeel nauw betrokken zijn geweest bij het overleg zowel over de nieuwe aanpassingsmethode als over de buitengewone heffing ". ( 6 )
25 . Ik geloof niet, dat ik de beslissing van het Hof geweld aandoe wanneer ik de volgende conclusie formuleer : de deelneming van de vakbonden aan onderhandelingen met de instellingen garandeert, dat bij de vaststelling van rechtspositieregels rekening wordt gehouden met de belangen van het personeel . Voorts is de instemming van de vakorganisaties met een regeling niet zonder belang voor de wettigheid daarvan, met name wat de eerbiediging van het gewettigd vertrouwen van de ambtenaren betreft . Het zou weliswaar riskant zijn om in dat verband zomaar te doen alsof de rechtspositie van ambtenaren een zaak is van overeenkomstenrecht, aangezien de bepalingen van het Statuut een legislatief karakter hebben, maar ik moet niettemin vaststellen dat uit de bewoordingen van het arrest zelf blijkt, dat het Hof aan de instemming van de vakbonden ontegenzeglijk rechtsgevolgen verbindt ten aanzien van het gehele personeel .
26 . Voorts bevat het statutaire recht belangrijke aanwijzingen . Ik denk aan het besluit van de Raad van 21 en 22 juni 1981, waarbij een overlegprocedure is ingevoerd in het kader van een comité waarin de vakorganisaties zitting hebben als vertegenwoordigers van het personeel . ( 7 ) Overigens, laat ik dat duidelijk stellen, spreekt het overlegcomité zich uitsluitend uit over voorstellen van de Commissie tot wijziging van het Ambtenarenstatuut, over de toepassing van de bepalingen van dat Statuut of over de salaris - en pensioenregeling . ( 8 ) Ten slotte bepaalde de Raad, dat de leden van de commissie zich bij hun werkzaamheden moeten inspannen hun standpunten zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen, om aldus de Raad een rapport met gemeenschappelijke standpunten te kunnen aanbieden . ( 9 )
27 . Met het bestreden besluit sluit de Rekenkamer elke vrijstelling van de dienst voor vakbondsvertegenwoordigers uit en behoudt zij dergelijke vrijstellingen enkel voor aan de leden van het personeelscomité . Ondanks de algemeenheid van dat standpunt wijst zij evenwel een verzoek om vrijstelling van de dienst uitsluitend af voor vergaderingen met de Commissie .
28 . Het standpunt van de Rekenkamer is duidelijk : zij beroept zich op de juridische onmogelijkheid om vrijstelling van dienst te verlenen, daar geen bepaling in het Statuut in die mogelijkheid voorziet .
29 . Dienaangaande merk ik op, dat verweerster na het bestreden besluit dergelijke vrijstellingen voor vergaderingen van het overlegcomité heeft verleend, ofschoon het besluit van de Raad geen uitdrukkelijke bepaling daarover bevat . Zij erkende daarmee zelf, dat het door de Raad ingestelde overleg de noodzaak van vrijstelling van dienst met zich meebracht .
30 . Verzoekers lijken mij zeer overtuigend wanneer zij stellen, dat de vergaderingen van de overlegcommissie niet noodzakelijk het belangrijkste onderdeel van het overleg zijn . De onderhandelingen met de Commissie vormen een beslissende fase in de totstandkoming van rechtspositieregelingen in brede zin . Bij die instelling ligt immers de zorg om voorstellen aan het statutair gezag op te stellen, die verder binnen het overlegcomité worden bestudeerd . En het is wel duidelijk, dat de werkzaamheden van dat comité veel effectiever worden indien de voorstellen van de Commissie reeds de instemming van de vakbonden hebben verkregen . De bepaling van een gemeenschappelijk standpunt, het in het besluit van de Raad neergelegde doel, kan daardoor enkel maar aanzienlijk vergemakkelijkt worden .
31 . Men hoeft niet veel te weten van de onderhandelingsprocessen tussen de vakbonden en de administratie om in te zien, hoe noodzakelijk diepgaande discussies, het zoeken naar compromissen is . Zoals ik liet zien, heeft het arrest-Abrias het belang van een dergelijke dialoog duidelijk in het licht gesteld .
32 . Zo bezien zijn de bijeenkomsten tussen de vakbonden en de Commissie, die het voorwerp van het thans voorliggende geschil vormen, niet slechts de voorbereiding voor het overleg, maar maken zij deel uit van het overleg zelf . Volgens mij moet het "nuttig effect" van het overleg derhalve tot de conclusie leiden, dat er een overlegblok bestaat . Als noodzakelijk uitvloeisel van die opvatting moeten de vakbonden beschikken over de middelen om hun taak, het personeel te vertegenwoordigen, te vervullen .
33 . Het komt mij dan ook voor, dat de toekenning van vrijstelling van de dienst in het kader van dat blok, voor de instellingen principieel verplicht is . Anders zou dat een duidelijke contradictie opleveren : enerzijds zijn de vakbonden aangewezen als uitsluitende vertegenwoordigers van het personeel, hetgeen overigens volgens de rechtspraak van het Hof rechtsgevolgen heeft; anderzijds zouden de middelen om die rol te vervullen, hun kunnen worden geweigerd met een beroep op een al te formalistische opvatting .
34 . Bovendien merk ik op, dat het recht van de Lid-Staten grotendeels overeenstemt in die zin, dat aan de vakbonden de middelen voor het vervullen van hun taak moeten worden gegeven door toekenning van vrijstelling van de dienst . Het Luxemburgse recht vormt een uitzondering, voor zover het voorrang geeft aan interne structuren voor de vertegenwoordiging van het personeel, terwijl ook het Duitse en het Nederlandse recht, zij het in mindere mate, de belangrijkste faciliteiten in deze voor die interne structuren lijken te reserveren . Voor het overige wordt vrijstelling van de dienst erkend en dikwijls zeer ruim en zeer soepel verleend ( bij voorbeeld in de vorm van een jaarlijks urenbudget ) voor vakbondsactiviteiten en in het bijzonder voor het deelnemen aan vergaderingen waar de belangen van het personeel aan de orde zijn, dus juist waar het in de onderhavige zaak om gaat .
35 . Uiteraard staat het niet aan het Hof om vast te stellen, op welke wijze vrijstelling van de dienst moet worden verleend, daar dit onder de organisatievrijheid van de instellingen valt . De problemen die die verlening blijkens de opstelling van de Rekenkamer met zich meebrengt, doen evenwel niet af aan het beginsel waaraan zij zich moet houden .
36 . Ik stel immers vast, dat het verzoek waarop het bestreden besluit het antwoord vormde, betrekking had op bijeenkomsten met de Commissie over de salarissen, de crisisheffing en de wijzigingen van de rechtspositie, zaken die alle zonder enige twijfel liggen op het gebied waarop volgens punt I.3 van het besluit van de Raad, de voorstellen van de Commissie het uitsluitend onderwerp vormen voor de werkzaamheden van het overlegcomité . Het Hof heeft zich derhalve thans uitsluitend uit te spreken over de vraag, of de Rekenkamer verplicht is vrijstelling van de dienst te verlenen in het hiervoor omschreven overlegkader . De beslissing reikt niet verder dan het in deze zaak aan de orde zijnde geval .
37 . Ik geef dan ook in overweging, het besluit van 31 maart 1987 nietig te verklaren . Het staat aan de Rekenkamer om de maatregelen te nemen die de uitvoering van het arrest met zich meebrengt . Het arrest bevestigt, als het Hof mijn beoordeling overneemt, dat de instellingen de effectiviteit van de uitoefening van vakbondsrechten in het kader van het "overlegblok" moeten verzekeren . De omschrijving van de wijze waarop dat geschiedt, valt onder de vrijheid van organisatie van verweerster, die rekening moet houden met de in haar opmerkingen bedoelde eisen van de dienst .
B - Schending van het non-discriminatiebeginsel
38 . Gezien het voorgaande lijkt het mij niet zinvol veel tijd te besteden aan het tweede middel - dat in feite, zoals gezegd, enkel tegen het besluit van 31 maart is gericht - en dat het Hof slechts behoeft te behandelen ingeval het het eerste middel ongegrond acht .
39 . In dat geval moet het Hof het betoog verwerpen dat, gezien de door de andere instellingen dan de Rekenkamer gekozen oplossingen, de personeelsleden van de Rekenkamer gediscrimineerd worden .
40 . Allereerst is zonneklaar, dat een dergelijke opvatting in de praktijk zou kunnen leiden tot een soort regel van de "meest begunstigende instelling", die, indien zij werd toegepast, zeker tot betreurenswaardige starheid en uiterst verwarrende situaties aanleiding zou geven .
41 . Voorts betwijfel ik ten zeerste, of een beroep op het non-discriminatiebeginsel wel op zijn plaats is om de behandeling door twee of meer instellingen op elkaar af te stemmen . Dat beginsel verbiedt volgens mij immers, dat dezelfde autoriteit twee gelijke situaties verschillend of twee verschillende situaties gelijk behandelt . Het beginsel lijkt mij evenwel niet te pas, wanneer het gaat om de op elkaar afgestemde praktijken van twee of meer instellingen . Ongetwijfeld kan men tegenwerpen, dat een gelijke rechtspositie tot gelijke behandeling moet leiden . De strekking van dat argument moet mijns inziens evenwel worden toegespitst . Immers, ofwel verplicht het recht alle instellingen zich aan een zelfde beginsel te houden, zodat een beroep op non-discriminatie niet nodig is, daar de toepassing van de statutaire regeling volstaat om aan dat beginsel uitvoering te geven, ofwel gaat het om een binnen de interne organisatievrijheid van elke instelling gelegen terrein, in welk geval we buiten de voorschriften van het Statuut zijn geraakt; eventuele verschillen in situatie doen immers niet af aan de eenheid daarvan .
42 . Indien het Hof, anders dan ik voorstel, meent dat het beginsel dat aan de vakbonden in het kader van het "overlegblok" vrijstelling van de dienst moeten worden verleend, niet voortkomt uit de communautaire rechtsorde, dan is het dus de opvatting toegedaan, dat het hier slechts eenvoudige interne organisatiemodaliteiten betreft, waarvan de vergelijking met de door andere instellingen toegepaste modaliteiten geen rechtsgevolgen kan hebben, en dat dit de autonomie van elke instelling overlet laat .
43 . Ten slotte nog een enkel woord over het tweede onderdeel van het tweede middel, betreffende het verschil in behandeling door de Rekenkamer van haar eigen personeelsleden in vergelijking met de vakbondsafgevaardigden . Verweerster werpt in dat verband een exceptie van niet-ontvankelijkheid op tegen het beroep van Maurissen, wiens oorspronkelijke klacht dat argument niet bevatte, zodat dit als nieuw en dus niet-ontvankelijk zou zijn te beschouwen .
44 . Volgens de rechtspraak van het Hof kunnen ambtenaren in een beroep bij het Hof
"alleen maar conclusies indienen die hetzelfde voorwerp hebben als de conclusies van (( hun )) klacht, en alleen maar bezwaren doen gelden die op dezelfde grond berusten als de in die klacht geformuleerde bezwaren . Voor het Hof kunnen ter nadere precisering van die bezwaren middelen en argumenten worden aangevoerd die niet in de klacht waren vermeld, doch er wel nauw bij aansluiten ". ( 10 )
45 . Het is mijns inziens twijfelachtig, of de beweerde ongelijke behandeling van de vakbondsvertegenwoordigers, vergeleken met de behandeling van de personeelsleden die de Rekenkamer vertegenwoordigen, nauw aansluit bij het middel ontleend aan de discriminatie die voortkwam uit de in de klacht gestelde weigering om door andere instellingen aan de vakbonden verleende faciliteiten toe te kennen . Het gestelde begrip is wel hetzelfde, maar de rechtsgrondslag van de beide onderdelen van het middel laat zich moeilijk hetzelfde noemen . Ik ben dan ook geneigd, in dat verband de opvatting van de Rekenkamer te volgen .
46 . Deze bemerking lijkt evenwel zonder praktisch belang . De betrokken argumentatie wordt immers ook door de Union syndicale ingeroepen, waaraan op dit punt uiteraard geen niet-ontvankelijkheid kan worden tegengeworpen, aangezien haar beroep berust op artikel 173 EEG-Verdrag . Het Hof zal evenwel dat onderdeel van het middel in elk geval verwerpen, aangezien de Rekenkamer in haar antwoord, zonder uiteindelijk te zijn tegengesproken, heeft gesteld dat haar personeelsleden enkel deelnemen aan die vergaderingen waarvoor zij eveneens vrijstelling van de dienst aan de vakbondsvertegenwoordigers verleent .
47 . Mitsdien is het beweerde verschil in behandeling, zo overigens de vergelijking tussen personeelsleden van de instelling en vakbondsvertegenwoordigers al op zijn plaats zou zijn, niet bewezen .
48 . Rest de kostenvraag . Maurissen heeft een van de oorspronkelijke drie punten van zijn beroep laten vallen . Ik geef voorts in overweging, een van zijn beide eisen toe te wijzen . Het lijkt mij derhalve gerechtvaardigd, een derde van de kosten van verzoeker ten laste van de Rekenkamer te brengen . Ten aanzien van het beroep van de Union syndicale, dat deels niet-ontvankelijk is verklaard, maar waarvan ik in overweging geef het toe te wijzen voor zover het is gericht tegen het besluit van 31 maart 1987, stel ik voor, te verklaren dat elk der partijen zijn eigen kosten zal dragen . Ten slotte moet ik met betrekking tot de kosten van de interveniënte dezelfde beslissing voorstellen als voor de Union syndicale, aan welker zijde zij heeft geïntervenieerd .
49 . Mitsdien geef ik in overweging :
- nietig te verklaren het besluit van de president van de Rekenkamer van 31 maart 1987 om de vertegenwoordigers van de Union syndicale geen vrijstelling van dienst toe te staan voor het bijwonen van vergaderingen met de Commissie van de Europese Gemeenschappen over de bezoldigingen, de crisisheffing en de wijzigingen van het Statuut van de ambtenaren;
- het beroep van Maurissen voor het overige te verwerpen;
- een derde van de kosten van Maurissen ten laste van de Rekenkamer te brengen en te verstaan, dat voor het overige elk der partijen de eigen kosten zal dragen .
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) Arrest van 3.7.1985 ( zaak 3/83, Jurispr . 1985, blz . 1995 ).
( 2 ) Arrest van 23.10.1986, zaak 321/85, Schwiering, Jurispr . 1986, blz . 3199, r.o . 18; arrest van 28.5.1980, gevoegde zaken 33/79 en 75/79, Kuhner, Jurispr . 1980, blz . 1677; arrest van 9.12.1982, zaak 191/81, Plug, Jurispr . 1982, blz . 4229; arrest van 4.2.1987, zaak 417/85, Maurissen, Jurispr . 1987, blz . 551 .
( 3 ) Bundesverfassungsgericht 15.12.1976, Entscheidungen des Bundesverfassungsgerichts, blz . 165 .
( 4 ) Zaak 3/83, reeds aangehaald, r.o . 10, cursivering van mij .
( 5 ) Ibid ., r.o . 21, cursivering van mij .
( 6 ) Ibid ., r.o . 26, cursivering van mij .
( 7 ) Punt I.1 van het besluit .
( 8 ) Punt I.3 van het besluit .
( 9 ) Punt I.8 van het besluit .
( 10 ) Arrest van 20.5.1987, zaak 242/85, Geist, Jurispr . 1987, blz . 2181, r.o . 9; zie ook arrest van 7.5.1986, zaak 52/85, Rihoux, Jurispr . 1986, blz . 1555, r.o . 13 .
Full & Egal Universal Law Academy