Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Deze prejudiciële verwijzing betreft, net als zaak 265/87, Schraeder ( waarin ik vandaag eveneens conclusie heb genomen ), de wettigheid van de medeverantwoordelijkheidsheffing in de sector granen . Anders dan in de zaak Schraeder, gaat het hier evenwel niet om de geldigheid van de heffingregeling als zodanig, maar om de geldigheid van een bijzonder aspect ervan, namelijk de wijze waarop de door de eerste verwerker van het graan betaalde heffing wordt doorberekend bij de voorafgaande transacties tot de levering door de producent .
Ter verduidelijking van het probleem dient nader te worden ingegaan op enkele onderdelen van de betrokken regeling .
Volgens de regeling vastgesteld bij verordening nr . 1579/86 van de Raad van 23 mei 1986 ( PB 1986, L 139, blz . 29 ) en de daaraanvolgende uitvoeringsverordening nr . 2040/86 van de Commissie van 30 juni 1986 ( PB 1986, L 173, blz . 65 ), wordt de medeverantwoordelijkheidsheffing "betaald door degenen die een verwerking ... ( van het graan ) uitvoeren" ( zie artikel 2 van verordening nr . 2040/86 ).
Dit bedrag, dat - het weze gezegd - in een later stadium wordt betaald door de verwerkende onderneming, dient overeenkomstig artikel 1, punt 4, sub 6, van verordening nr . 1579/86 "op de producent te worden verhaald ".
Dienaangaande wordt in de zesde overweging van de considerans van verordening nr . 2040/86 verklaard :
" Overwegende dat de regeling inzake de medeverantwoordelijkheidsheffing met name tot doel heeft de producenten bewust te maken van de situatie op de graanmarkt; dat het daartoe dienstig is dat de heffing wordt doorberekend aan deze laatsten; dat bijgevolg een systeem van facturering dient te worden ingesteld dat met die behoefte rekening houdt; dat dit beginsel van doorberekening aan de producent van toepassing is onverminderd eventuele andersluidende contractuele clausules ."
Bijgevolg bepaalt artikel 5, lid 1, van diezelfde verordening :
" 1 . Degenen die de in artikel 1, lid 1, bedoelde transacties uitvoeren, berekenen de medeverantwoordelijkheidsheffing door op hun leverancier . De heffing wordt eveneens doorberekend bij elke voorafgaande transactie tot de levering door de producent .
Voor elke van de in de eerste alinea bedoelde transacties wordt op de betrokken bewijsstukken het bedrag van de afgetrokken heffing afzonderlijk vermeld ."
Uit de zojuist aangehaalde overweging blijkt, dat de reden voor de verplichting tot doorberekening van de heffing verband houdt met het specifieke doel van de maatregel . Deze is erop gericht een merkbare druk uit te oefenen op de graanproducenten, door hun een aanwijzing te geven over de situatie op de markt en op die manier weer een band te leggen tussen het aanbod, dat een structureel overschot vertoont, en de reële afzetmogelijkheden op de markt . Het is derhalve logisch, dat de heffing uiteindelijk door de producenten wordt gedragen .
Dat de oorspronkelijke regeling niettemin inhield dat de heffing moest worden betaald door de verwerkers, berustte enkel op opportuniteitsoverwegingen . De Raad was immers van oordeel dat het, ter voorkoming van beheersproblemen in verband met de controle van de grote hoeveelheid transacties van de verschillende producenten, de voorkeur verdiende de heffing pas te innen bij de definitieve verwerking van het graan ( of bij de verkoop aan het interventiebureau of bij de uitvoer ), en zulks niettegenstaande de Commissie had voorgesteld de heffing rechtstreeks door de producent te doen betalen .
Het systeem werkte in feite als volgt . Bij elke transactie betreffende een partij graan, te beginnen met de transactie tussen de producent en de eerste koper, werd een met de heffing overeenkomend bedrag van de aankoopprijs afgetrokken . Aan het einde van de handelsketen betaalde de verwerkende onderneming de heffing aan de bevoegde nationale instantie, na ze vooraf te hebben afgetrokken van de aan haar leverancier betaalde prijs .
Om dit beeld te vervolledigen, moet bovendien worden gezegd, dat de Raad, "gezien de moeilijkheden die bij de toepassing van ( genoemde ) ... regeling ... waren gerezen", is omgezwaaid en bij verordening nr . 1097/88 van 25 april 1988 ( PB 1988, L 110, blz . 7 ) heeft bepaald, dat de heffing met ingang van het verkoopseizoen 1988/1989 niet meer in de eindfase wordt geïnd, maar op het ogenblik waarop de goederen voor het eerst op de markt worden gebracht ( of aan het interventiebureau worden verkocht ).
2 . Laten wij thans, rekening houdend met deze elementen, nader ingaan op deze prejudiciële procedure, die haar oorsprong vindt in een geschil tussen de graanverwerkende onderneming Cehave ( Nederland ) en de Nederlandse instantie die bevoegd is voor het innen van de heffing ( het Hoofdproduktschap ).
Laatstgenoemde vorderde van Cehave een bepaald bedrag ( 542 644,14 HFL ) aan medeverantwoordelijkheidsheffing . Dit bedrag was bekomen door het ( in ecu uitgedrukte ) heffingbedrag in gulden om te rekenen tegen de op dat ogenblik voor de Nederlandse munt geldende landbouwomrekeningskoers, de zogenoemde groene koers .
Cehave had het graan om de verwerking waarvan het ging, evenwel in verschillende Lid-Staten gekocht . Voor elke partij graan was de desbetreffende heffing van de aankoopprijs afgetrokken, doch die heffing was niet berekend op basis van de groene koers van de gulden, maar op basis van de groene koers van de munt van het land van de verkoper .
Dit had tot gevolg, dat het door het Hoofdproduktschap van Cehave gevorderde bedrag niet altijd overeenkwam met het van de aankoopprijs afgetrokken bedrag . Zulks was met name het geval :
- voor het in Frankrijk, België en het Verenigd Koninkrijk gekochte graan, waarvoor het van de aankoopprijs afgetrokken bedrag lager bleek te zijn dan het bedrag van de geïnde heffing;
- voor het in de Bondsrepubliek Duitsland gekochte graan, waarvoor die aftrek dan weer hoger bleek te zijn dan het heffingbedrag .
Die verschillen werden veroorzaakt door het feit dat het afgetrokken bedrag en het betaalde bedrag weliswaar overeenkwamen met een zelfde bedrag in ecu, doch werden berekend op basis van de groene koersen van de respectieve munten, die, zoals bekend, niet de reële wisselverhouding tussen die munten weergeven . Dit had tot gevolg, dat de reële waarde van het door Cehave afgetrokken bedrag, dat was berekend volgens de groene koers van de Franse frank ( een zwakke munt ), uiteindelijk lager was dan die van de te betalen heffing, welke werd berekend op basis van de groene koers van de gulden ( een sterke munt ).
Op grond van het voorgaande stelde Cehave beroep in tegen het besluit van het Hoofdproduktschap betreffende de betaling van de heffing . De nationale rechter schorste de behandeling van het geding en legde het Hof de navolgende prejudiciële vragen voor :
" 1 ) De communautaire regeling van de medeverantwoordelijkheidsheffing in de sector granen vindt haar grondslag in de navolgende verordeningen :
- verordening ( EEG ) nr . 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975, met name in artikel 4 van die verordening;
- verordening ( EEG ) nr . 2040/86 van de Commissie van 30 juni 1986;
- verordening ( EEG ) nr . 1584/86 van de Raad van 23 mei 1986;
- verordening ( EEG ) nr . 1676/85 van de Raad van 11 juni 1985, met name in artikel 2 van die verordening .
Moet die regeling zo worden uitgelegd dat de daarin bedoelde medeverantwoordelijkheidsheffing, te betalen door en op te leggen aan de onderneming, waarin een eerste verwerking heeft plaatsgehad, dient te worden berekend in de nationale valuta van de Lid-Staat van eerste verwerking met toepassing van de voor die Lid-Staat geldende landbouwomrekeningskoers?
2 ) Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord, moet de onder 1 bedoelde regeling dan zo worden uitgelegd dat de onderneming, die de medeverantwoordelijkheidsheffing betaalde, bevoegd en verplicht is om achteraf nog aan haar leveranciers door te berekenen het negatieve of positieve verschil tussen de door haar betaalde heffing ( gelijk aan het bedrag van de heffing in ecu, omgerekend in nationale valuta van de Lid-Staat van eerste verwerking met toepassing van de landbouwomrekeningskoers van die Lid-Staat ) en de door haar leverancier verleende korting ( gelijk aan het bedrag van de heffing in ecu, omgerekend in nationale valuta van de Lid-Staat van produktie met toepassing van de landbouwomrekeningskoers van die Lid-Staat, en vervolgens omgerekend in nationale valuta van de Lid-Staat van eerste verwerking met toepassing van de reële marktwisselkoersen )?
3 ) Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord, voert toepassing van de onder 1 bedoelde regeling in omstandigheden tot het resultaat dat de producent van het graan uiteindelijk wordt belast met een heffing, waarvan de hoogte afhankelijk is van de omstandigheid in welke Lid-Staat het graan een eerste bewerking ondergaat .
Brengt zulks mee dat die regeling ongeldig is wegens strijd met het Verdrag, meer in het bijzonder met de artikelen 12, 16, 34 en/of 40, lid 3, dan wel met enig aan het Verdrag ten grondslag liggend beginsel?
4 ) Indien vraag 2 ontkennend wordt beantwoord, heeft toepassing van de onder 1 genoemde regeling in omstandigheden tot resultaat, dat de eerste verwerker van het graan uiteindelijk wordt belast met een heffing ( het verschil tussen de hem opgelegde heffing en de lagere, door hem ontvangen korting ) dan wel wordt bevoordeeld met een bedrag ( het verschil tussen de door hem ontvangen korting en de lagere, aan hem opgelegde heffing ), waarvan de hoogte verschilt en afhangt van de omstandigheid in welke Lid-Staat het graan is geproduceerd .
Brengt zulks mee dat die regeling ongeldig is wegens strijd met het Verdrag, meer in het bijzonder met de artikelen 12, 16, 30 en/of 40, lid 3, dan wel met enig aan het Verdrag ten grondslag liggend beginsel?
5 ) Indien de vragen 3 en/of 4 bevestigend worden beantwoord, vindt het Hof dan aanleiding om de gevolgen van zijn arrest te regelen voor wat betreft het voor de datum van dat arrest gelegen tijdvak?"
3 . Allereerst zij erop gewezen, dat de situatie waarin Cehave zich bevond, overeenkomt met die waarover het Hof in zijn arrest van 19 april 1988 ( zaak 64/87, Versele-Laga, Jurispr . 1988, blz . 1961 ) uitspraak heeft gedaan .
In dat arrest heeft het Hof de navolgende criteria voor de berekening van de heffing geformuleerd .
De verwerkende onderneming betaalt als heffing een bedrag dat wordt berekend door het in ecu uitgedrukte heffingbedrag volgens de landbouwomrekeningskoers in de nationale munt om te zetten . Toegepast wordt dus de groene koers van het land waar de verwerking heeft plaatsgevonden .
Verder heeft het Hof bij de uitlegging van de op dat ogenblik geldende regeling verklaard, dat de betrokken regeling tot doel heeft de neutraliteit van de last ten opzichte van de graanverwerkers te verzekeren en derhalve ertoe noopt dat de heffing volledig wordt doorberekend aan de leverancier .
Daaruit volgt, dat de verwerker bij de aankoop precies hetzelfde bedrag van de prijs moet aftrekken als nadien aan de bevoegde instantie zal worden betaald . Dat wil zeggen dat de aftrek en de te betalen heffing volgens dezelfde landbouwomrekeningskoers, te weten - zoals gezegd - de groene koers van het land waar de verwerking plaatsvindt, moeten worden berekend .
Aan de hand van de in het arrest Versele-Laga geformuleerde regels kunnen de door Cehave en door om het even welke andere graanverwerkende onderneming ondervonden moeilijkheden, gemakkelijk worden opgelost . Wanneer de heffing bij de aankoop of bij de inning volgens één enkele groene koers wordt omgerekend, kan er geen enkel verschil meer ontstaan tussen het ingehouden en het betaalde bedrag, ongeacht de oorsprong van het verwerkte of te verwerken graan .
Uit deze opmerkingen blijkt, welk antwoord op de eerste en de tweede vraag van de nationale rechter kan worden gegeven .
Op de eerste vraag kan worden geantwoord, dat het door de verwerkende onderneming te betalen bedrag moet worden berekend volgens de groene koers van de staat van verwerking ( voor Cehave, de groene koers van de Nederlandse gulden ).
Op de tweede vraag kan worden geantwoord, dat achteraf geen enkel positief of negatief verschil kan en mag worden gevorderd door de verwerker ( die de heffing heeft betaald ) van zijn leverancier, of omgekeerd .
Een eerste algemene opmerking is, dat de mogelijkheid om achteraf het verschil te betalen, in strijd is met de logica van het systeem, dat, zoals gezegd, erop is gericht op de producent een concrete druk uit te oefenen, die hem een nauwkeurige aanwijzing geeft over de reële toestand van de markt . Dit doel eist dat de heffing volledig en van in het begin, dat wil zeggen vanaf het ogenblik van de verkoop van het graan aan de eerste koper, op de producent drukt .
Zoals gezegd, treft de heffing de producent bij het op de markt brengen van het graan; dit is immers het ogenblik waarop een signaal moet worden gegeven omtrent de daadwerkelijke afzetmogelijkheden voor het aanbod . Dit gebeurt concreet door de heffing van de verkoopprijs af te trekken . Om het mechanisme op de gewenste manier te doen werken, moet de aftrek evenwel volledig en onmiddellijk gebeuren . Indien de producent nu bij de verkoop aan de eerste koper een voorlopig bedrag - in feite een voorschot - zou moeten laten vallen, met dien verstande dat hij het verschil achteraf moet betalen of terugkrijgt, zou het economische signaal over de reële toestand van de vraag onvermijdelijk worden vervalst .
De idee om eventuele verschillen achteraf opnieuw door te berekenen langs de verschillende schakels van de handelsketen te beginnen met de verwerker, lijkt derhalve onverenigbaar met het doel van de regeling .
Als tweede algemene opmerking dient te worden gezegd, dat de doorberekening achteraf van een positief of een negatief verschil in veel gevallen feitelijk onmogelijk is . Op de graanmarkt kopen de handelaars doorgaans van een groep producenten en verkopen zij aan een groep verwerkers . Het kan gebeuren dat na de verwerking van een partij graan in een bepaalde Lid-Staat niet meer valt te achterhalen, wie die bepaalde partij graan heeft geproduceerd, waar die producent is gevestigd en welk bedrag aan heffing daarover uiteindelijk is betaald . De onmogelijkheid om, althans in sommige gevallen, de oorsprong van het verwerkte graan nadien nog te achterhalen, maakt het ook onmogelijk te bepalen, hoeveel er eventueel nog verschuldigd is en door wie dit moet worden betaald .
Ten slotte is hiervoren, inzonderheid met betrekking tot de verhouding tussen de verwerker en zijn leverancier, gezegd, dat volgens de door het Hof in zijn arrest Versele-Laga geformuleerde regel het ( bij de verwerking ) geïnde bedrag en het voordien ( bij de aankoop ) ingehouden bedrag noodzakelijkerwijze identiek zijn . Daar er tussen beide bedragen geen verschil kan bestaan, is er uiteraard geen reden om tussen de ondernemingen die partij zijn bij deze specifieke transactie, achteraf nog enige doorberekening te verrichten . De tweede vraag van de nationale rechter moet derhalve ontkennend worden beantwoord .
4 . Gelet op hetgeen voorafgaat, lijkt het antwoord op de derde en de vierde vraag van de verwijzende rechter op het eerste gezicht evenmin moeilijkheden op te leveren .
De derde vraag is immers gesteld voor het geval dat op de tweede vraag bevestigend zou worden geantwoord . Zoals wij hebben gezien, kan deze vraag evenwel ontkennend worden beantwoord . Bijgevolg is de derde vraag zonder voorwerp geraakt en behoeft zij dus niet te worden beantwoord .
De vierde vraag berust op een onderstelling - het bestaan van een positief of negatief verschil tussen de aan de verwerker opgelegde heffing en de korting die deze op de aankoopprijs heeft gekregen - die in feite niet opgaat, althans niet voor de specifieke transactie tussen deze twee partijen . Die vraag lijkt derhalve zonder voorwerp te zijn .
Maar bij nader toezien gaat het in alle vragen van de nationale rechter meer in het algemeen over de wijze waarop de door de verwerkende onderneming betaalde heffing ( overeenkomstig artikel 5, lid 1, van verordening nr . 2040/86 ) "eveneens wordt doorberekend bij elke voorafgaande transactie tot de levering door de producent ". In hun opmerkingen hebben partijen het overigens - mede op uitdrukkelijk verzoek van het Hof - voornamelijk over dit aspect gehad .
Kort gezegd, komt het probleem neer op het volgende . Het is juist, dat in het laatste verhandelingsstadium van een partij graan het geïnde en het ingehouden bedrag noodzakelijkerwijze identiek zijn, ongeacht de oorsprong van het door de verwerker gekochte graan . Maar daarmee is niet gezegd dat dit ook in de eerdere stadia zo is ( integendeel, vaak blijkt dit niet het geval te zijn ).
Een voorbeeld kan duidelijk maken waarom dit zo is . Nemen wij het geval van een Britse producent die een partij graan verkoopt aan een onderneming ( laten wij zeggen een andere Britse onderneming ), die zich met de verhandeling daarvan belast . Van de prijs wordt als medeverantwoordelijkheidsheffing een bedrag afgetrokken dat wordt berekend aan de hand van de landbouwomrekeningskoers van het land van de koper ( dus de groene koers van het Britse pond, een munt die, laten wij aannemen, een moeilijke tijd doormaakt ). De koper-handelaar verkoopt het graan door aan verwerkende ondernemingen die zijn gevestigd in andere Lid-Staten, bij voorbeeld Nederland en Duitsland ( landen wier munt op dat ogenblik een gunstige evolutie kent, een veronderstelling die allesbehalve onwaarschijnlijk is ). Zoals wij weten, trekken ook die Nederlandse en Duitse ondernemingen van de aankoopprijs een bedrag aan heffing af . Dit bedrag is, in ecu uitgedrukt, weliswaar hetzelfde als het in het eerdere stadium afgetrokken bedrag, maar wordt nu omgerekend volgens de groene koers van de respectieve nationale munten ( dat wil zeggen, de gulden en de mark ). Wat er gebeurt in een dergelijk geval, dat, ik herhaal het, meer is dan een schoolvoorbeeld, is gemakkelijk te raden . Het door de verwerkers ten laste van de eerste koper-tussenhandelaar ingehouden bedrag ( dat overeenkomt met het bedrag dat aan de bevoegde instantie wordt betaald ) blijkt na omrekening in Britse ponden volgens de officiële wisselkoers ( aanzienlijk ) hoger te zijn dan het bedrag dat diezelfde tussenhandelaar voor datzelfde graan had ingehouden ten laste van de producent die hem dat graan had verkocht . De tussenhandelaar lijdt dus schade ten gevolge van het negatieve verschil tussen de korting die hij heeft moeten verlenen en het bedrag dat hij voordien van de aan de producent, zijn leverancier, betaalde prijs heeft afgetrokken . Deze laatste heeft op zijn beurt voor het in de handel gebrachte graan een korting moeten verlenen, die niet overeenkomt - zij is immers lager - met de heffing die aan het einde van de handelsketen daadwerkelijk voor dat graan is betaald .
Verder dient erop te worden gewezen dat dit niet kan gebeuren bij een rechtstreekse transactie tussen producent en verwerker waarbij geen beroep wordt gedaan op een tussenhandelaar . Dergelijke transacties komen evenwel niet veel voor op de betrokken markt .
Daartegenover staat dat genoemde problemen in omvang kunnen toenemen, wanneer het graan niet het voorwerp is van één enkele maar van verscheidene internationale tussenhandelstransacties, en dit steeds als gevolg van de omstandigheid dat de keer op keer toegepaste groene koersen niet overeenstemmen met de officiële wisselkoers van de betrokken munten .
5 . Hieruit blijkt dus, dat het systeem een ernstig gebrek vertoont en niet in staat is de neutraliteit van de door de tussenhandelaren gedragen last en de volledige doorberekening van de heffing aan de producent te verzekeren .
Die gebreken, waarvan het bestaan door alle partijen wordt aanvaard, lijken derhalve in strijd te zijn met de door het Hof in het reeds aangehaalde arrest Versele-Laga geformuleerde regel . Het is juist, dat de vereisten van neutraliteit en volledige doorberekening in dat geval golden voor de betrekkingen tussen verwerker en leverancier . Er zijn evenwel geen redenen om aan te nemen, dat die vereisten niet tevens voor de voorafgaande stadia moeten gelden . Het gaat hier immers om kenmerken van het aftrekmechanisme die van wezenlijk belang zijn voor alle stadia waarin dit mechanisme wordt toegepast, daar zij bijdragen tot de verwezenlijking van het doel, te weten het doorberekenen van de heffing tot aan de producent ( gelijk in artikel 5, lid 1, van verordening nr . 2040/86 wordt voorgeschreven ) om deze laatste bewust te maken" van de situatie op de graanmarkt" ( zie de zesde overweging van de considerans van die verordening ).
De Commissie erkent weliswaar het bestaan van deze gebreken, doch is van oordeel dat zij niet de onwettigheid van het systeem tot gevolg hebben . Zij stelt immers, dat deze gebreken tegen de achtergrond van de marktprijsverschillen tussen de Lid-Staten moeten worden beoordeeld .
In haar antwoord op de vragen die het Hof haar - ook ter terechtzitting - heeft gesteld, heeft de Commissie haar opvatting nader toegelicht . Volgens haar zijn er een aantal factoren die tot gevolg hebben dat de mcb' s de monetaire verschillen niet volledig compenseren . Dit levert de produkten van Lid-Staten met een relatief zwakke munt een concurrentievoordeel op bij uitvoer naar Lid-Staten met een relatief sterke munt .
Hier zijn haars inziens nog twee andere, eigenlijk schijnbaar tegenstrijdige punten van belang .
Allereerst hebben de uit de toepassing van de medeverantwoordelijkheidsheffing voortvloeiende verschillen een geringere invloed op het handelsverkeer dan de omstandigheid dat de mcb' s de muntschommelingen niet volledig compenseren . Dit laatste zou in feite worden geduld .
Verder wijst de Commissie erop, dat de met de heffing verband houdende monetaire distorsies en de door de mcb' s niet volledig gecorrigeerde prijsverschillen tegengestelde gevolgen hebben . Aldus zou de grotere korting die de exporteur uit een land met een zwakke munt ( nemen wij de Britse tussenhandelaar uit ons voorbeeld ) heeft moeten verlenen, uiteindelijk worden gecompenseerd door het handelsvoordeel dat diezelfde exporteur als gevolg van de onvolledige correctie door de mcb' s geniet .
Deze twee argumenten kunnen mijns inziens evenwel niet worden aanvaard .
Allereerst zij erop gewezen dat de mcb' s, zoals bekend, een regelende functie hebben en dat de Commissie verplicht is "erop toe te zien dat de toepassing van de mcb' s beperkt blijft tot wat strikt noodzakelijk is om de gevolgen van de monetaire fluctuaties tussen de Lid-Staten te neutraliseren" ( zie inzonderheid het arrest van 24 juni 1986, zaak 236/84, Malt, Jurispr . 1986, blz . 1923 ).
Daarmee is evenwel niet gezegd, dat de onvolledige compensatie van de monetaire verschillen door de mcb' s, waarop de instelling onder verwijzing naar de situatie van de prijzen op de graanmarkt in de tweede helft van 1986 heeft gezinspeeld, gewettigd is .
Zelfs in de veronderstelling dat dit zo is, zie ik niet in hoe een onvolkomen of niet-optimale toepassing van de mcb' s een rechtvaardiging kan vormen voor gebreken in de werking van de heffingregeling . Een gebrek kan een ander gebrek niet dusdanig rechtvaardigen, dat het daardoor gewettigd wordt, ook al gaat het om gebreken met tegengestelde gevolgen . Dit klemt te meer, daar genoemde gevolgen elkaar louter toevallig opheffen . Wat zou er gebeuren, wanneer de mcb' s nu eens, zoals het eigenlijk zou moeten, beter of perfect zouden werken? In dat geval, maar enkel in dat geval, zouden de met de heffing verband houdende distorsies, die nu niet meer door andere distorsies worden opgeheven, volgens de gedachtengang van de Commissie niet meer gerechtvaardigd zijn . Met andere woorden, om de in deze zaak aan de orde zijnde distorsies te kunnen dulden, moeten wij hopen ... op de met de mcb-regeling verband houdende distorsies .
In feite bestaat er tussen de mcb' s en de medeverantwoordelijkheidsheffing niet die functionele band ( van wederzijdse compensatie ), die de Commissie ( bij nader toezien via een redenering ex post ) vaststelt . Het gaat om twee verschillende instrumenten met elk een eigen doelstelling; de eventuele onvolkomenheden of gebreken van het ene en van het andere moeten worden beoordeeld volgens de beginselen en de specifieke regels betreffende de materies waarbinnen die instrumenten worden toegepast . Dat in het kader van de specifieke regeling voor de mcb' s distorsies van een bepaalde omvang kunnen worden geduld, impliceert helemaal niet, dat de bepalingen waarbij de medeverantwoordelijkheidsheffing is ingevoerd en geregeld, zich niet verzetten tegen distorsies die slechts uiterlijk op eerstgenoemde gelijken .
Welnu, met betrekking tot de bepalingen betreffende de heffing, zoals die in het arrest Versele-Laga zijn uitgelegd, ben ik van mening, dat de door de Commissie aangevoerde omstandigheid, dat een tussenhandelaar uit een land met een zwakke munt die een groter bedrag moet laten vallen dan hijzelf aan zijn leverancier heeft doorberekend, toch nog voordeel heeft bij de uitvoer van het graan naar een land met een sterke munt, omdat de mcb' s de voor hem gunstige monetaire situatie niet volledig neutraliseren, volstrekt irrelevant is voor de beoordeling van de gebreken van het heffingmechanisme .
Allereerst is het voordeel dat de tussenhandelaar geniet, zoals gezegd, volledig aan het toeval te wijten . Indien de mcb' s perfect zouden functioneren, zou dat voordeel immers verdwijnen, terwijl de met de heffing samenhangende distorsie blijft bestaan . Dit vloeit logisch voort uit de reeds genoemde omstandigheid, dat de heffing per slot van rekening niet is ingesteld om als onderdeel van het mcb-stelsel de eventueel nog resterende prijsverschillen te compenseren .
Daarbij komt vooral, dat een dergelijk voordeel ten hoogste leidt tot vermindering van het economisch nadeel dat de tussenhandelaar van de onvolkomen werking van de heffing ondervindt ( en dat bestaat in het feit dat hij een hoger bedrag moet laten vallen dan hijzelf in mindering heeft gebracht ). Bij nader toezien, dienen de zojuist aan het licht gekomen gebreken evenwel op hun objectieve en niet op hun subjectieve strekking te worden beoordeeld . De neutraliteit van de last en de volledige doorberekening zijn weliswaar ook in het belang van de tussenhandelaren, doch dienen te worden gewaarborgd om de heffing in staat te stellen haar specifiek doel, te weten "de producenten bewust maken van de situatie op de markt", te verwezenlijken . Dit is in overeenstemming met het ter zake van de "betaling van belasting voor een ander" geldende beginsel, volgens hetwelk degene die op grond van een aan een ander toe te rekenen belastbaar feit voor deze laatste een heffing afdraagt, deze heffing in de regel moet doorberekenen aan degene aan wie het belastbare feit is toe te rekenen .
Dat het door de handelaren als gevolg van het gebrek aan neutraliteit geleden nadeel toevalligerwijze wordt gecompenseerd, is irrelevant . Het blijft voor de verwerker onmogelijk de door hem betaalde heffing - zoals voorgeschreven - eveneens volledig door te berekenen "bij elke voorafgaande transactie tot de levering door de producent ". Tevens blijft het gevaar bestaan, dat bij gebreke van andere factoren de bij de achtereenvolgende verhandelingen optredende monetaire verschillen de exportstromen scheef trekken en ze veeleer naar de ene dan naar de andere muntsfeer oriënteren .
Bovendien kan ik mij evenmin aansluiten bij de door de Commissie geopperde mening, dat deze gebreken verschoonbaar zijn omdat het per slot van rekening gaat om een "noodzakelijk kwaad ". Dit laatste wordt overduidelijk weersproken door de omstandigheid, dat de wijze van inning van de heffing twee jaar na de vaststelling van de omstreden verordeningen radicaal is gewijzigd, en wel aldus dat de heffing voortaan moet worden betaald door de producent bij het in de handel brengen van het graan en met toepassing van de groene koers van zijn eigen land . Deze hervorming lost de genoemde problemen op en ligt meer in de lijn van de wezenlijke doelstellingen van het systeem .
Op grond van het voorgaande ben ik van mening, dat verordening nr . 1579/86 van de Raad en verordening nr . 2040/86 van de Commissie ongeldig moeten worden geacht, voor zover zij de neutraliteit van de heffing ten opzichte van de tussenhandelaren en de volledige doorberekening van de heffing tot aan de producent niet verzekeren met betrekking tot grensoverschrijdende transacties .
6 . Wanneer het Hof deze oplossing volgt, rijst het probleem van de gevolgen van de ongeldigverklaring .
Dienaangaande zij erop gewezen dat deze ongeldigheid weliswaar niet het principe zelf van de heffing treft, doch gevolgen heeft voor de bij de verordeningen nrs . 1579/86 en 2040/86 ingevoerde en geregelde inningswijze .
Onder die, nadien gewijzigde, regeling zijn een aantal rechtsbetrekkingen ontstaan en afgehandeld . Die betrekkingen, waarbij algemene en private belangen met een aanzienlijke vermogensrechtelijke inhoud op het spel stonden, hebben aanleiding gegeven tot handelingen en verbintenissen van verschillende aard en inhoud ( men denke bij voorbeeld aan de door die verordeningen zelf voorgeschreven betalings -, aftrek - en faktureringsverrichtingen ).
Een ongeldigverklaring ex tunc dreigt die betrekkingen ernstig te verstoren . Bovendien kan zij aanleiding geven tot een reeks gedingen waarvan de uitkomst verschillend is naar gelang van de toepasselijke wettelijke regeling, wat dan weer het gevaar inhoudt van ongelijke behandeling en van distorsies van de mededinging tussen de betrokken handelaren .
Derhalve ben ik van oordeel, dat volgens de bekende rechtspraak van het Hof ( zie inzonderheid het arrest van 15 oktober 1980, zaak 4/79, Providence agricole de la Champagne, Jurispr . 1980, blz . 2823 ) ook in het onderhavige geval, bij wijze van uitzondering, de vastgestelde ongeldigheid van de in de omstreden verordeningen vervatte regeling betreffende de inning van de heffing niet de weg mag openen voor betwisting van de bedragen die op grond van genoemde verordeningen als heffing zijn betaald, geïnd of afgetrokken voor de aan de datum van het te wijzen arrest voorafgaande periode .
Ik stel het Hof evenwel voor, met het oog op de handhaving van het beginsel van een effectieve rechtsbescherming, te verstaan dat de ongeldigverklaring slechts kan worden ingeroepen door degenen die vóór de datum van het arrest beroep in rechte hebben ingesteld ( of een daarmee gelijkstaande klacht hebben ingediend ) tegen op grond van de ongeldig verklaarde verordeningen verrichte handelingen .
Mitsdien geef ik het Hof in overweging de vragen van de nationale rechter te beantwoorden als volgt :
"1 ) Verordening nr . 1579/86 van de Raad en verordening nr . 2040/86 van de Commissie zijn ongeldig, voor zover zij de neutraliteit van de heffing ten opzichte van de tussenhandelaren en de volledige doorberekening van de heffing tot aan de producent niet verzekeren met betrekking tot grensoverschrijdende transacties .
2 ) De vastgestelde ongeldigheid van genoemde verordeningen kan slechts ter betwisting van als heffing betaalde, geïnde of afgetrokken bedragen worden ingeroepen door degenen die vóór de datum van dit arrest beroep in rechte hebben ingesteld ( of een daarmee gelijkstaande klacht hebben ingediend ) tegen op grond van de ongeldig verklaarde verordeningen verrichte handelingen ."
(*) Oorspronkelijke taal : Italiaans .
Full & Egal Universal Law Academy