Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . In het geschil tussen B . Giordani en de Commissie gaat het om de vraag, in hoeverre de administratie de plicht heeft een ambtenaar te herplaatsen, nadat diens verlof om redenen van persoonlijke aard is verstreken . Deze verplichting ligt besloten in artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, waarvan de eerste zin luidt als volgt :
"Na het verstrijken van het verlof om redenen van persoonlijke aard moet de ambtenaar bij de eerste vacature worden herplaatst in een tot zijn categorie of groep behorend ambt dat met zijn rang overeenkomt, mits hij de voor dit ambt vereiste geschiktheid bezit ."
De feiten
2 . Giordani, wetenschappelijk ambtenaar in de rang A 5, salaristrap 4, bij het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek te Ispra, kreeg in 1971 verlof om redenen van persoonlijke aard, dat tot 1974 werd verlengd .
3 . Vóór het verstrijken van zijn verlof liet Giordani de Commissie weten, dat hij zijn werk wilde hervatten . Hij heeft dit verzoek tot herplaatsing daarna nog meerdere malen herhaald, waarbij hij in een brief van 15 oktober 1983 verklaarde, naast Ispra iedere andere standplaats te accepteren en niet alleen geïnteresseerd te zijn in een wetenschappelijke of technische, maar ook in een administratieve functie .
4 . Tot 1986 heeft verzoeker nooit enige kennisgeving van vacature voor een post in de rang A 5 ontvangen . De Commissie beweert, dat de administratie stelselmatig iedere vacante post in de wetenschappelijke groep heeft bekeken, de groep dus waarvoor Giordani, gezien zijn opleiding en beroepservaring, in haar ogen voorbestemd was . Naar het oordeel van de administratie bezat verzoeker echter voor geen van deze vacatures de nodige kwalificaties . De Commissie verklaart voorts, dat het GCO te Ispra in de betrokken periode vier vacatures in categorie A ( administratieve groep ) heeft bekendgemaakt, waarvoor ruimte op de begroting beschikbaar was . Ook voor deze functies had Giordani volgens de administratie niet de vereiste opleiding en specifieke ervaring .
5 . Bij schrijven van 9 april 1986 diende Giordani op grond van artikel 90 van het Statuut een verzoek om herplaatsing in bij de Commissie .
6 . Bij besluit van 26 mei 1986 werd Giordani met ingang van 1 september 1986 herplaatst als wetenschappelijk ambtenaar in de rang A 5 bij het GCO te Ispra . In dit besluit waren de overige herplaatsingsvoorwaarden ( salaristrap, anciënniteit ) niet nader gepreciseerd .
7 . Toen Giordani zijn salarisafrekening van 14 oktober 1986 onder ogen kreeg, stelde hij vast dat het hem uitbetaalde salaris dat van een ambtenaar in de rang A 5, salaristrap 5, was . Hij meende, dat zijn indeling in de vijfde salaristrap geen rekening hield met de lange tijd die met zijn herplaatsing gemoeid was geweest .
8 . Op 26 november 1986 diende Giordani op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht in bij het tot aanstelling bevoegd gezag van de Commissie ( ingeschreven op 1.12.1986 ) en verzocht hij om toepassing van de rechtspraak van het Hof inzake te late herplaatsing van een ambtenaar die verlof om redenen van persoonlijke aard heeft genoten .
Aangezien hij op deze klacht geen enkel antwoord ontving, stelde verzoeker het onderhavige beroep in ( ingeschreven op 30.6.1987 ), dat in wezen drie vorderingen bevat :
1 ) nietigverklaring van de indeling in salaristrap 5 van rang A 5;
2 ) herplaatsing zowel voor diensttijd in rang en salaristrap, als voor de sociale zekerheid, met ingang van het tijdstip waarop de eerste post die hem ingevolge artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut had kunnen worden aangeboden, was vrijgekomen;
3 ) toekenning van schadevergoeding tot het verschil tussen de nettobezoldiging die de Gemeenschap hem had moeten uitbetalen gedurende de gehele periode dat herplaatsing op zich had laten wachten, en het gedurende diezelfde tijd verworven netto beroepsinkomen, alsmede aanvulling van de hem sinds 1 september 1986 betaalde bezoldiging tot het niveau van salaristrap 8 .
De ontvankelijkheid
9 . Het standpunt van de Commissie over de ontvankelijkheidsvraag is - op zijn zachtst gezegd - weifelachtig . Aanvankelijk, in haar verweerschrift, verzocht de Commissie het Hof het beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens termijnoverschrijding . In dupliek trok zij die stelling in, maar bleef zij er niettemin bij, dat het beroep was ingeschreven nadat de in het Statuut bepaalde termijn was verstreken . In antwoord op een door het Hof gestelde vraag concludeerde de Commissie vervolgens toch tot niet-ontvankelijkheid van het beroep, op grond dat het tweede en derde onderdeel van het petitum eerst hadden moeten worden geformuleerd in een verzoek als bedoeld in artikel 90, lid 1, van het Statuut, voordat zij in een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, bij het tot aanstelling bevoegd gezag konden worden ingediend . Ter terechtzitting ten slotte hield de gemachtigde van de Commissie ook aan dit argument niet langer vast, maar merkte hij nog wel op, dat er ( te ) veel tijd was verstreken tussen de herplaatsing van verzoeker ( 26.5.1986 ) en het indienen van zijn klacht ( 26.11.1986 ). Weliswaar was in het herplaatsingsbesluit onder meer niet de precieze aan betrokkene toegekende salaristrap vermeld, wat volgens de gemachtigde van de Commissie "vergeten" was, maar een ambtenaar zou de plicht hebben zich te informeren . Betrokkene had dus navraag moeten doen naar de hem bij herplaatsing toegekende salaristrap en had dus niet de dag waarop hij zijn eerste salarisafrekening ontving ( 14.10.1986 ), kunnen beschouwen als de datum waarop de klachttermijn was begonnen te lopen .
10 . Om te kunnen beoordelen of het beroep ontvankelijk is, dient men eerst het beroep en de daaraan voorafgaande administratieve klacht goed in hun verband te plaatsen . Beide gaan uit van de stelling, dat het besluit van de Commissie tot herplaatsing van betrokkene met niet te rechtvaardigen vertraging is genomen en dat de Commissie derhalve artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut heeft geschonden . De redactie van de klacht en van het beroepschrift is duidelijk geïnspireerd door de rechtspraak van het Hof inzake te late herplaatsing of uitblijven van herplaatsing na een verlof om redenen van persoonlijke aard ( arresten van 1 juli 1976, zaak 58/75, Sergy, Jurispr . 1976, blz . 1139, en 5 mei 1983, zaak 785/79, Pizziolo, Jurispr . 1983, blz . 1343 ). Volgens deze rechtspraak is de administratie in geval van schending van artikel 40 van het Statuut verplicht, de feitelijke herplaatsing van betrokkene, wat zijn anciënniteit in rang en salaristrap en wat de pensioenregeling betreft, werking te geven vanaf de datum waarop hij had moeten worden herplaatst . Op grond van diezelfde arresten heeft de ambtenaar die door een vertraagde herplaatsing is geschaad, recht op vergoeding van de werkelijke schade die hij daardoor heeft geleden . Wat Giordani dus in zijn klacht en in zijn beroepschrift de administratie in hoofdzaak verwijt, is dat deze ten onrechte geen schending van artikel 40 van het Statuut aanwezig heeft geacht en bijgevolg bij het vaststellen van de herplaatsingsvoorwaarden voor betrokkene geen aandacht heeft geschonken aan genoemde rechtspraak van het Hof .
11 . Aan de hand van deze inleidende beschouwing kan een principiële vraag worden beantwoord, die een van de stellingen van de Commissie inzake de ontvankelijkheid van het beroep opwerpt . Wanneer een klacht er voornamelijk toe dient om te bereiken dat de administratie een bepaalde maatregel neemt die zijzelf niet heeft willen nemen ( in casu dus de in het tweede en derde onderdeel van het petitum bedoelde maatregelen ), moet de administratie middels een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut dan eerst worden gevraagd die maatregel te nemen? In zijn arrest van 1 december 1983 ( zaak 217/82, Depoortere, Jurispr . 1983, blz . 4003, 4014, r.o . 6 ) overwoog het Hof :
"Voorts is een beroep volgens artikel 91, lid 2, van het Statuut slechts ontvankelijk indien het is ingesteld na een uitdrukkelijk of stilzwijgend besluit tot afwijzing van een klacht die, wanneer zij het feit betreft dat is nagelaten een maatregel te nemen, dient te zijn voorafgegaan door een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, waarbij het tot aanstelling bevoegde gezag is uitgenodigd een besluit te nemen ."
Het Hof gaf dit antwoord in een zaak waarin de feiten tamelijk eenvoudig lagen . De verzoeker had noch in zijn verzoekschrift, noch tijdens de verdere procedure voor het Hof aangegeven, waarin de hem bezwarende handeling bestond, en had evenmin tevoren het tot aanstelling bevoegd gezag verzocht om jegens hem een besluit te nemen . In het voorliggende geval heeft de administratie wél een besluit genomen ( namelijk tot herplaatsing van verzoeker ). Uit de inhoud van dit besluit bleek impliciet maar onmiskenbaar - de Commissie heeft dit ook nergens in de procedure bestreden -, dat de administratie weigerde een schending van artikel 40 te erkennen, en ook geen aanleiding zag toepassing te geven aan de rechtspraak van het Hof inzake te late herplaatsing . Onder deze omstandigheden bestond er geen noodzaak een verzoek in te dienen tot het doen vaststellen van de in het tweede en derde onderdeel van het petitum bedoelde maatregelen . De administratie had immers deze punten, die niet meer behelzen dan de door het Hof aan schending van artikel 40 verbonden consequenties, reeds impliciet afgewezen . Verzoeker kon deze vorderingen dus terecht direct in de vorm van een klacht aan het tot aanstelling bevoegd gezag kenbaar maken, zoals hij inderdaad heeft gedaan .
12 . Rest nog vast te stellen, per welke datum verzoeker volledig bekend kon zijn met de nadere bijzonderheden van zijn herplaatsing . Ik deel de opvatting van verzoeker, dat dit de datum is waarop hij kennis kon nemen van de salarisafrekening van 14 oktober 1986, de eerste die hij na zijn herplaatsing ontving . Weliswaar wist betrokkene reeds in mei 1986, dat hij in rang A 5 was herplaatst met ingang van 1 september 1986, maar in dat besluit waren geen verdere bijzonderheden genoemd - naar het schijnt uit onachtzaamheid ( zie onder punt 9 ). Eerst bij ontvangst van de salarisafrekening bleek, in welke salaristrap betrokkene was ingedeeld, zodat de klachttermijn dus eerst vanaf dat moment begon te lopen . De door de Commissie verdedigde opvatting, dat betrokkene uit eigen beweging navraag had moeten doen naar de bijzonderheden van zijn herplaatsing en dat zijn klacht te laat was omdat hij dat niet tijdig heeft gedaan, kan niet worden aanvaard, nu de Commissie zelf een fout heeft gemaakt door te vergeten die bijzonderheden in het herplaatsingsbesluit te vermelden .
13 . Gelet op het voorgaande, meen ik, dat de termijn van drie maanden waarbinnen verzoeker zijn klacht moest indienen, is begonnen te lopen vanaf de datum waarop hij kennis heeft kunnen nemen van de salarisafrekening van 14 oktober 1986 . De klacht is op 26 november 1986, en dus bijtijds, ingediend . Ook aan de andere ontvankelijkheidsvoorwaarden is voldaan, zodat ik het Hof in overweging geef, het beroep in zijn geheel ontvankelijk te verklaren .
Ten gronde
14 . Verzoeker geeft in zijn petitum niet aan, in welk ambt of in welke ambten hij naar zijn mening had moeten worden herplaatst . Hij baseert zijn betoog in hoofdzaak op de omstandigheid, dat hij pas twaalf jaar na afloop van het verlof om redenen van persoonlijke aard is herplaatst en dat hem in die twaalf jaar geen enkele kennisgeving van vacature heeft bereikt . Deze omstandigheid acht hij des te zwaarwegender, nu hij in zijn brief van 15 oktober 1983 had verklaard iedere andere standplaats dan Ispra te accepteren, en niet alleen in wetenschappelijke of technische ambten te zijn geïnteresseerd, maar ook in administratieve .
De door verzoeker geschilderde gang van zaken is, gelet op de verplichting van het gezag krachtens artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut om een ambtenaar na afloop van diens verlof om redenen van persoonlijke aard te herplaatsen, dermate verbazend, dat het op de weg van de Commissie ligt hiervoor een verklaring te geven .
In de eerste plaats beweert de Commissie, dat de administratie stelselmatig alle vacatures voor een post in de wetenschappelijke groep op het moment van hun publikatie had beoordeeld, maar steeds tot de conclusie was gekomen, dat verzoeker er niet de vereiste kwalificaties voor bezat . Gezien de na de terechtzitting aan het Hof overgelegde bescheiden, is enige twijfel aan de stelselmatigheid van de beoordeling van vacatures nochtans op zijn plaats . Bovendien heeft de Commissie niets aangevoerd op grond waarvan kan worden aangenomen, dat andere vacatures bij de Commissie dan die bij het GCO te Ispra in aanmerking zijn genomen .
Voorts beweert de Commissie, dat al zou verzoeker het recht hebben herplaatsing in de administratieve groep te verlangen - hetgeen de Commissie bestrijdt -, hij niet de geschiktheid bezat om te kunnen worden herplaatst in een van de vier ambten waarvoor het GCO te Ispra een kennisgeving van vacature had gepubliceerd ( aan mogelijkheden bij andere vestigingen van het GCO, laat staan bij de andere diensten van de Commissie, wordt hier opnieuw stilzwijgend voorbijgegaan ).
Ten slotte verklaart de Commissie nog bij wijze van algemene opmerking, dat verzoeker van 1 juni 1971 tot 31 januari 1985 ononderbroken bij dezelfde onderneming werkzaam was en dat deze dienstbetrekking zijn wens tot herplaatsing niet bijzonder dringend maakte .
De door de Commissie gegeven rechtvaardiging werpt drie vragen op omtrent de uitlegging van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut . Ten eerste de vraag, of de plicht tot herplaatsing van een ambtenaar wiens verlof om redenen van persoonlijke aard is geëindigd, geldt voor de gehele dan wel voor een gedeelte van de instelling waar betrokkene in dienst is . De tweede vraag betreft de mate van zorgvuldigheid die van de administratie wordt vereist bij de nakoming van deze herplaatsingsverplichting . Met name gaat het hier om de vraag, of een meer of minder dringende wens tot herplaatsing van de zijde van de ambtenaar een factor is die deze mate van zorgvuldigheid kan beïnvloeden . De derde vraag ten slotte betreft de toepassing van de betrokken bepaling op de ambtenaren van de wetenschappelijke en technische groepen . Kunnen deze laatste zich beroepen op een recht om te worden herplaatst in een ambt van de administratieve groep, gesteld dat zij de vereiste geschiktheid hebben voor een dergelijk ambt? Ik zal hier eerst deze drie algemene vragen beantwoorden en de antwoorden op deze vragen vervolgens op de onderhavige zaak toepassen .
De eerste vraag : is de instelling of de ( plaatselijke ) vestiging tot herplaatsing verplicht?
15 . In artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut is niet aangegeven, welk gezag erop moet toezien dat een ambtenaar na het verstrijken van zijn verlof om redenen van persoonlijke aard wordt herplaatst . Daarentegen is in artikel 40, lid 4, sub a, van het Statuut wel bepaald, dat een verlof om redenen van persoonlijke aard door het tot aanstelling bevoegd gezag wordt verleend . Mag men uit deze laatste bepaling afleiden, dat de verplichting tot herplaatsing na afloop van dat verlof op hetzelfde gezag berust en dat derhalve alleen de ambten waarvoor dat gezag aanstellingsbevoegdheid heeft, met het oog op eventuele herplaatsing in aanmerking komen? Hoe ligt de situatie dan wanneer de aan het tot aanstelling bevoegd gezag toekomende bevoegdheden zijn gedelegeerd naar een tweede of zelfs derde niveau? Moet men dan alle ambten op het niveau van de instelling als geheel in aanmerking nemen, of alleen de ambten die binnen de gedelegeerde dan wel gesubdelegeerde bevoegdheid vallen? Deze vraag is voor de personeelsleden bij het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek ( GCO ) van bijzonder belang . Als onderdeel van het Directoraat-generaal Wetenschappen, onderzoek en ontwikkeling heeft het GCO vier vestigingen ( namelijk te Geel, Ispra, Karlsruhe en Petten ), die door de Commissie zijn opgericht om uitvoering te geven aan de gemeenschappelijke onderzoeks - en onderwijsprogramma' s . ( 1 ) Wanneer het verlof om redenen van persoonlijke aard is verleend door de directeur van één van de vestigingen van het GCO, zijn er voor herplaatsing theoretisch drie niveau' s denkbaar : ambten bij de oorspronkelijke vestiging van het GCO, ambten bij het GCO als geheel, en ambten bij de Commissie als geheel .
16 . Naar mijn mening rust de verplichting tot herplaatsing van een ambtenaar na afloop van diens verlof om redenen van persoonlijke aard op de instelling waaraan de ambtenaar statutair verbonden is . De instellingen treden tegenover de ambtenaren op als werkgever . Behoudens afwijkende bepalingen, zijn zij de dragers van de statutaire verplichtingen jegens de ambtenaren . Past men dit beginsel toe op de ambtenaren van het GCO wier verlof om redenen van persoonlijke aard is verstreken, dan moeten zij dus worden herplaatst in de eerste vacature die zich voordoet bij de Commissie als geheel, voor zover aan de voorwaarden van artikel 40 is voldaan . Het Hof heeft impliciet blijk gegeven van deze opvatting in het arrest van 2 april 1981 ( zaak 785/79, Pizziolo, Jurispr . 1981, blz . 969 ) en in de beschikking van 11 oktober 1984 ( zaak 285/83, Nobili, niet gepubliceerd ). ( 2 )
17 . Deze opvatting van de herplaatsingsverplichting houdt de mogelijkheden van de ambtenaar om na afloop van het verlof om redenen van persoonlijke aard herplaatst te worden, zo ruim mogelijk, maar heeft als nadeel, dat de betrokkene een ambt aangeboden kan krijgen in een standplaats die hem niet goed uitkomt . Dat is echter een consequentie van de toepassing van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut, gelijk het Hof oordeelde in het arrest van 14 juni 1988 ( zaak 12/87, Heyl, Jurispr . 1988, blz . 2943, r.o . 12 ):
"( de ambtenaar heeft ) niet het recht om op grond van zijn persoonlijke omstandigheden te worden herplaatst in een bepaalde standplaats ".
In hetzelfde arrest gaf het Hof evenwel te kennen, dat het tot aanstelling bevoegd gezag binnen het kader van haar bevoegdheid familiale omstandigheden in aanmerking mag nemen, maar dat dergelijke omstandigheden voor de toepassing van artikel 40 van het Statuut niet beslissend kunnen zijn .
De tweede vraag : de zorgvuldigheidsverplichting van de administratie
18 . Ingevolge artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut dient de ambtenaar wiens verlof om redenen van persoonlijke aard is verstreken, bij de eerste vacature te worden herplaatst in een tot zijn categorie of groep behorend ambt dat met zijn rang overeenkomt en waarvoor hij de vereiste geschiktheid bezit . Wanneer hij een hem aangeboden ambt weigert, behoudt hij het recht bij de tweede vacature te worden herplaatst . Indien hij ten tweede male weigert, kan hij, na raadpleging van de paritaire commissie, ambtshalve worden ontslagen .
19 . Uit deze bepaling kunnen twee conclusies worden getrokken . De eerste is, dat de bepaling het gezag opdraagt om "bij de eerste vacature" een geschikt ambt aan de te herplaatsen ambtenaar aan te bieden, en bij weigering nog eens "bij de tweede vacature ". Uit deze bewoordingen blijkt, dat het gezag verplicht is de te herplaatsen ambtenaar een post aan te bieden zodra aan de in deze bepaling genoemde voorwaarden omtrent loopbaan en geschiktheid is voldaan . De bepaling geeft het gezag niet het recht, maar geen post aan te bieden omdat de betrokkene op dat moment toch al een bevredigende werkkring heeft . En nog minder geeft zij de administratie de vrijheid om de mate van eigen zorgvuldigheid te verminderen volgens een zo vaag criterium als de meer of minder urgente wens van betrokkene tot herplaatsing, wanneer die wens eenmaal vaststaat . ( 3 ) De regeling laat het nu eenmaal aan de ambtenaar over om te beoordelen, of het in zijn belang is de post die hem bij de eerste vacature wordt aangeboden, te aanvaarden . Het Statuut kent hem uitdrukkelijk het recht toe het eerste aanbod te weigeren . Wanneer hij weigert, moet de administratie nogmaals een post aanbieden zodra een tweede vacature zich voordoet . Weigert hij ook deze tweede post, dan kan, dus niet moet, de ambtenaar ambtshalve worden ontslagen, nadat de paritaire commissie is geraadpleegd .
20 . Het voorgaande behoeft niettemin enige nuancering in het geval dat voor een zelfde vacature verscheidene ambtenaren wier verlof om redenen van persoonlijke aard is verstreken, in aanmerking kunnen komen . In zulk een geval moet een bepaalde volgorde worden vastgesteld en het lijkt mij legitiem om dan voorrang te geven aan ambtenaren die niet reeds een werkkring elders hebben . Laat ik hier echter erop wijzen, dat de Commissie in de onderhavige zaak niet heeft gesteld, dat zich vacatures hebben voorgedaan die betrokkene had kunnen vervullen, maar die aan andere te herplaatsen ambtenaren moesten worden aangeboden omdat deze voorrang hadden .
21 . De tweede conclusie die uit de bepaling valt af te leiden, is dat het aan de administratie is om na te gaan, of de ambtenaar de vereiste geschiktheid bezit voor een bepaald vacant ambt . Naar ik meen, dient dit ambtshalve en stelselmatig te worden onderzocht bij iedere vacature in de groep van de te herplaatsen ambtenaar, die met zijn rang overeenkomt . In beginsel hoeft dus de te herplaatsen ambtenaar niet te zoeken naar vacatures . Naast dit stelselmatige onderzoek ambtshalve, is het evenwel ook een zaak van goed bestuur om de betrokkene ook in kennis te stellen van vacatures die wellicht voor hem interessant kunnen zijn, met het verzoek te reageren wanneer hij meent de vereiste geschiktheid voor een bepaald ambt te bezitten .
Een dergelijke herplaatsingsprocedure is trouwens bij het GCO te Ispra ook in het leven geroepen . Dat blijkt uit een standaardbrief van maart 1981, die door het hoofd van de afdeling "personeelszaken" van de vestiging aan een aantal ambtenaren wier verlof om redenen van persoonlijke aard was verstreken, is toegezonden . Twee passages daaruit zijn hier van belang :
- "Bij iedere vacature voor een ambt dat overeenkomt met de rang en categorie van een ambtenaar die om herplaatsing, en wel bij zijn oorspronkelijke administratieve eenheid, heeft verzocht, onderzoekt de administratie vóór de officiële publikatie, of betrokkene de vereiste geschiktheid bezit ."
- "Naast hetgeen de administratie onderneemt om ten behoeve van de binnenkort te herplaatsen ambtenaar ambtshalve een post te vinden, zal de ambtenaar ten einde hem van de vacatures binnen de instelling op de hoogte te houden, stelselmatig en zonder voorafgaande schifting afschrift ontvangen van alle op korte termijn te publiceren aankondigingen van vacatures in zijn groep die met zijn rang overeenkomen, waarin enerzijds de te verrichten werkzaamheden worden omschreven en anderzijds de vereiste kwalificaties worden vermeld .
Het is aan de ambtenaar om na te gaan, of deze posten voor hem interessant zijn, en in voorkomend geval zijn belangstelling aan de administratie kenbaar te maken, waarbij hij, zo nodig, dient aan te geven welke bijzondere geschiktheid - waarvan niet blijkt uit de sollicitatiebrief - hij bezit om de betrokken functie te kunnen vervullen ."
Derde vraag : dienen ook vacatures bij de administratieve groep in aanmerking te worden genomen?
22 . Behoeft de administratie, wanneer het verlof om redenen van persoonlijke aard van een ambtenaar in de wetenschappelijke en technische groep afloopt, slechts vacatures bij de wetenschappelijke en technische groep in aanmerking te nemen, of dient zij ook naar vacatures bij de administratieve groep te kijken? Laat ik, alvorens op deze vraag te antwoorden, de juridische achtergrond ervan belichten .
Volgens artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut moet de ambtenaar na het verstrijken van het verlof om redenen van persoonlijke aard bij de eerste vacature worden herplaatst in een tot zijn categorie of groep behorend ambt dat met zijn rang overeenkomt, mits hij de daarvoor vereiste geschiktheid bezit . De woorden "of groep" lijken op het eerste gezicht de mogelijkheid uit te sluiten, ambten van de administratieve groep mede in aanmerking te nemen wanneer de te herplaatsen ambtenaar tot de wetenschappelijke en technische groep behoort . In titel VIII van het Statuut evenwel, die bijzondere bepalingen bevat voor ambtenaren der wetenschappelijke en technische groepen der Gemeenschappen, is in artikel 98, tweede alinea, bepaald, dat artikel 45, lid 2, niet van toepassing is op ambtenaren van de wetenschappelijke of technische groep . Dit laatste artikel luidt als volgt :
"De overgang van een ambtenaar naar een andere groep of een hogere categorie kan alleen plaatsvinden na een vergelijkend onderzoek ."
Uit artikel 45 juncto artikel 98 volgt, dat ambtenaren van de wetenschappelijke en technische groepen zonder vergelijkend onderzoek in de administratieve groep kunnen worden aangesteld . Hieruit spreekt de wens van de opstellers van het Statuut om de aantrekkelijkheid van een functie bij de wetenschappelijke en technische groep te verhogen ( zie het arrest van 20 oktober 1977, zaak 5/76, Jaensch, Jurispr . 1977, blz . 1817 ). Kan men uit deze keuzemogelijkheid opmaken, dat de administratie in het geval dat een ambtenaar van de wetenschappelijke of technische groep moet worden herplaatst, verplicht is alle ambten van de administratieve groep mede in aanmerking te nemen? Strekt de verplichting om ambtshalve en stelselmatig voor iedere vacature in de wetenschappelijke en technische groep de geschiktheid van de te herplaatsen wetenschappelijk of technisch ambtenaar na te gaan, zich uit tot ambten van de administratieve groep?
23 . Naar mijn mening handelt de administratie niet onjuist, wanneer zij niet ambtshalve nagaat of de te herplaatsen wetenschappelijk of technisch ambtenaar geschikt is om een vacature voor een administratief ambt te vervullen . Dit vloeit voort uit artikel 40, dat de wetenschappelijk of technisch ambtenaar geen recht toekent om te worden herplaatst in een ambt van een andere groep . Wanneer deze ambtenaar echter de administratie blijk geeft van een reële belangstelling voor een of meer nader te noemen posten bij de administratieve groep en preciseert, in welk opzicht hij zich geschikt acht voor het vervullen van zo een ambt, dwingen de beginselen van goed bestuur er mijns inziens toe, een dergelijk verzoek tot herplaatsing welwillend te behandelen . Natuurlijk heeft het bevoegd gezag in het kader van dit volgens de beginselen van goed bestuur te verrichten onderzoek het recht en zelfs de plicht om na te gaan, of herplaatsing van de wetenschappelijk of technisch ambtenaar bij de administratieve groep ook in het belang van de dienst is ( zie artikel 7, lid 1, van het Statuut, waarin aan het gezag het recht wordt toegekend om de ambtenaar uitsluitend in het belang van de dienst overeenkomstig zijn rang te werk te stellen in een tot zijn categorie of groep behorend ambt ).
Had verzoeker eerder moeten worden herplaatst? Een deskundigenonderzoek zou het Hof hieromtrent uitsluitsel moeten geven .
24 . Ik wil nu de hierboven gevonden antwoorden toepassen op het geval van de wetenschappelijk ambtenaar Giordani, die statutair verbonden is aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen .
De administratie had ambtshalve en stelselmatig na moeten gaan, of Giordani geschikt was voor de ambten in de rang A 5 van de wetenschappelijke of technische groepen, die bij de Commissie als geheel vrijkwamen ( zie punten 16 en 21 ). Blijkens de aan het Hof overgelegde stukken valt te betwijfelen, of de vacante posten bij deze groep stelselmatig in overweging zijn genomen . Bovendien geeft de Commissie niet aan, of er ook is gekeken naar vacatures elders dan bij de vestiging te Ispra . Het stilzwijgen op dit punt, in combinatie met andere elementen die uit de schriftelijke opmerkingen en de aan het Hof overgelegde stukken naar voren komen, doet veronderstellen, dat de vacatures bij andere vestigingen van het GCO en bij de administratieve diensten van de Commissie niet in overweging zijn genomen voor de herplaatsing van Giordani .
Dit rechtvaardigt naar mijn oordeel, dat het Hof de uitspraak ten gronde uitstelt totdat een overzicht van alle vrijgekomen, in aanmerking komende ambten bij de wetenschappelijke en technische groepen is opgemaakt en is onderzocht, in hoeverre de bekwaamheden van verzoeker overeenkwamen met de voor die ambten te stellen eisen .
25 . Anderzijds was de administratie strikt genomen niet verplicht, ambtshalve na te gaan of de bekwaamheden van verzoeker overeenkwamen met de kwalificaties die voor vacatures bij de administratieve groep vereist werden . Toch had zij dit ingevolge de beginselen van goed bestuur moeten doen in het geval dat betrokkene echt belangstelling had getoond voor bepaalde administratieve posten, onverminderd haar bevoegdheid te beoordelen of een eventuele overgang naar een andere groep ook in het belang van de dienst was ( zie punt 23 ).
In een brief van 15 oktober 1983 had verzoeker voor het eerst te kennen gegeven, geïnteresseerd te zijn in een post bij de administratieve groep . In dezelfde brief verzocht hij om toezending van de kennisgevingen van vacature die voor hem interessant zouden kunnen zijn, ook die betreffende posten bij de administratieve groep . Vóór deze brief had Giordani dus niets ondernomen wat voor de administratie aanleiding had kunnen zijn om vacatures bij de administratieve groep in de overweging te betrekken, met het oog op eventuele herplaatsing van verzoeker in een administratief ambt . Dus kan hij ook niet stellen, dat hij herplaatst had moeten worden in een ambt van de administratieve groep, waarvoor een kennisgeving van vacature was verschenen vóórdat hij die brief had verzonden . Voor de periode na deze brief had de administratie - zo komt mij voor - wél rekening moeten houden met de door verzoeker getoonde belangstelling voor een administratief ambt en had zij gehoor moeten geven aan zijn verzoek om mogelijk voor hem interessante kennisgevingen van vacature toe te sturen, ook wanneer het om administratieve ambten ging .
Het voorgaande rechtvaardigt naar mijn mening, dat bij het opstellen van het eerder genoemde overzicht tevens de posten bij de administratieve groep worden betrokken die in de periode tussen 15 oktober 1983 en het herplaatsingsbesluit zijn vrijgekomen . Mocht uit dat overzicht blijken dat Giordani, gelet op zijn bekwaamheden, in een of meer posten van de administratieve groep had kunnen worden herplaatst, dan is het aan de Commissie om, onder toezicht van het Hof, te beslissen over de verenigbaarheid van een dergelijke herplaatsing met het belang van de dienst .
26 . Wat ten slotte de posten betreft die wél in overweging zijn genomen, zijn partijen verdeeld over de vraag, of Giordani de bekwaamheden zou hebben gehad voor het vervullen van een van die posten . De Commissie merkt op, dat het oordeel of een ambtenaar de geschiktheid bezit voor een bepaalde functie, aan het tot aanstelling bevoegd gezag toekomt . Deze beoordelingsbevoegdheid van de administratie is inderdaad zeer ruim, maar juist daarom mag worden verwacht, dat zeer nauwkeurig wordt onderzocht of de bekwaamheden van de te herplaatsen ambtenaar met de vereisten van de vacante post overeenkomen . De omstandigheid, dat gedurende twaalf jaar geen enkele post aan verzoeker is aangeboden en hem zelfs geen enkele kennisgeving van vacature is toegestuurd, is dermate verbazingwekkend, dat mag worden betwijfeld of de administratie in deze zaak de nodige zorgvuldigheid heeft betracht .
27 . In zaak 785/79 ( Pizziolo, arresten van 2 april 1981, Jurispr . 1981, blz . 969, en 5 mei 1983, Jurispr . 1983, blz . 1343 ) en in zaak 285/83 ( Nobili, beschikking van 11 oktober 1984 ) heeft het Hof, alvorens een definitieve uitspraak te doen, een deskundigenonderzoek gelast om in een soortgelijk geschil te kunnen beslissen . Ik geef het Hof in overweging, dit in de onderhavige zaak eveneens te doen .
De aan te wijzen deskundige zou kunnen worden belast met de volgende, tweeledige opdracht :
1 ) Had verzoeker, gelet op zijn bekwaamheden, in een A 5-post van de wetenschappelijke of technische groep kunnen worden herplaatst bij de Commissie als geheel, voor welke post een kennisgeving van vacature is gepubliceerd in de periode tussen de datum waarop het verlof om redenen van persoonlijke aard afliep, en de datum van het herplaatsingsbesluit?
2 ) Had verzoeker, afgezien van de vraag of zulks in het belang van de dienst zou zijn geweest, gelet op zijn bekwaamheden, in een A 5-post van de administratieve groep kunnen worden herplaatst bij de Commissie als geheel, voor welke post een kennisgeving van vacature is gepubliceerd in de periode tussen 15 oktober 1983 en de datum van het herplaatsingsbesluit?
Concluderend geef ik het Hof in overweging :
1 ) het beroep ontvankelijk te verklaren;
2 ) een deskundigenonderzoek te gelasten met betrekking tot de hierboven geformuleeerde vragen ( punt 27 ).
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) Artikel 1 van het Besluit ( Euratom ) nr . 593 van de Commissie tot reorganisatie van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek ( GCO ) ( PB 1985, L 373, blz . 6 ).
( 2 ) In deze twee zaken beriepen twee ambtenaren van een vestiging van het GCO, wier verlof om redenen van persoonlijke aard was afgelopen, zich op hun recht om in verschillende ambten te worden herplaatst . In beide zaken gelastte het Hof een deskundigenonderzoek over de vraag, of verzoekers de vereiste kwalificaties hadden voor het uitoefenen van de functies zoals omschreven in een aantal kennisgevingen van vacature . Het ging hierbij zowel om posten bij de diensten van de Commissie als bij de onderscheiden vestigingen van het GCO .
( 3 ) In het geval dat betrokkene twijfel zou hebben laten bestaan omtrent zijn wil om te worden herplaatst, spreekt het vanzelf dat de administratie eerst gehouden is tot herplaatsing zodra alle twijfel is weggenomen ( zie het arrest van 27 oktober 1977, gevoegde zaken 126/75, 34 en 92/76, Giry, Jurispr . 1977, blz . 1937 ).
Full & Egal Universal Law Academy