Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . In het geding waarin ik vandaag conclusie neem, gaat het erom of het beroep van een marktdeelnemer tegen een beschikking van de Commissie waarbij een Lid-Staat werd gemachtigd handelspolitieke beschermende maatregelen te treffen, ontvankelijk is . In dit verband dient men het volgende te weten .
A - De feiten
2 . Zoals wij hebben gehoord, wordt de Franse bananenmarkt overwegend bevoorraad met de produktie van de overzeese departementen Guadeloupe en Martinique alsmede met de produktie van de drie ACS-staten Kameroen, Ivoorkust en Madagascar, de traditionele leveranciers van Frankrijk . Om die reden worden door Frankrijk krachtens verordening nr . 288/82 van de Raad "inzake de gemeenschappelijke regeling voor de invoer" ( 1 ) kwantitatieve invoerbeperkingen toegepast voor bananen uit de zogenoemde dollarzone .
3 . In verband met de evolutie van de produktie die - als gevolg van toenemende investeringen - in de jaren 1984 tot 1986 werd vastgesteld in de overzeese departementen en met de situatie die zich voor het jaar 1987 aftekende ( de te verwachten invoer uit de voornoemde overzeese departementen en ACS-staten overtrof ruimschoots de Franse behoeften ) vreesde de Franse regering moeilijkheden voor de nationale produktie en een verstoring van de Franse markt wanneer bananen die in het vrije verkeer waren gebracht in andere Lid-Staten, ( waarvoor afwijkende handelsmaatregelen gelden ) in Frankrijk zouden worden ingevoerd . Zich beroepend op het belang van de bananenproduktie in de Franse overzeese departementen, artikel 227 EEG-Verdrag en protocol nr . 4 bij de derde ACS-EEG-overeenkomst van 8 december 1984 ( 2 ), verzocht de Franse regering op 30 april 1987 bijgevolg overeenkomstig artikel 3 van beschikking nr . 80/47 van de Commissie van 20 december 1979 ( 3 ) om krachtens artikel 115 EEG-Verdrag beschermende maatregelen te mogen nemen . Met name verzocht zij om machtiging om bananen uit derde landen ( met uitzondering van produkten uit Kameroen, Ivoorkust en Madagascar ) die zich in andere Lid-Staten in het vrije verkeer bevonden, van de communautaire behandeling uit te sluiten .
4 . Bij beschikking van 8 mei 1987 ( 4 ) werd dit verzoek ingewilligd, zij het dat - in afwijking van hetgeen de Franse regering had gevraagd - de machtiging werd beperkt tot bananen uit de dollarzone ( wegens hun beperkte uitvoercapaciteit zag de Commissie in de produkten uit de andere ACS-staten geen gevaar voor de Franse markt ) terwijl ook de geldigheid van de maatregel werd beperkt tot één jaar ( tot 30 april 1988 ), met dien verstande evenwel, dat de situatie zou worden herzien, indien de importen uit de dollarzone meer dan 15 000 ton zouden bedragen .
5 . Volgens verzoekster in het onderhavige geding - een bananenimporteur die in het verleden herhaaldelijk zonder succes heeft geprobeerd om met name bananen van de Belgische markt in Frankrijk in te voeren - is die beschikking onwettig en zij heeft daartegen bijgevolg beroep tot nietigverklaring ingesteld .
6 . De Commissie en de Franse regering die haar ondersteunt, stellen echter dat deze zienswijze onjuist is . Volgens hen kan de bedoelde beschikking niet door een onderneming zoals verzoekster tot voorwerp van een procedure voor dit Hof worden gemaakt .
7 . Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid . Dienovereenkomstig werd de mondelinge behandeling van 30 november tot dit onderwerp beperkt . Derhalve behoef ik nu enkel conclusie nemen inzake de vraag, of het door de firma Lefebvre ingestelde beroep al dan niet ontvankelijk is .
B - Beoordeling rechtens
8 . Ik wil meteen zeggen, dat ik op deze vraag ontkennend zal moeten antwoorden .
9 . In dit verband behoeft niet te lang te worden stilgestaan bij de vraag, of verzoekster door de omstreden beschikking rechtstreeks wordt geraakt . Ik wijs er enkel op, dat de beschikking ongetwijfeld aan de Franse regering een voor de toekomst geldende beoordelingsbevoegdheid toekende, waardoor zij het recht kreeg doch niet werd verplicht om bepaalde bananen te weren van de Franse markt ( zoals ons werd gezegd was er ten gevolge van de marktontwikkeling blijkbaar nog een aanzienlijke invoer uit de dollarzone, die in de herfst van 1987 dan ook heeft geleid tot een nieuwe, aanzienlijk soepeler beschikking van de Commissie ).
10 . Verzoeksters stelling, dat de beschikking louter een bestaande regeling heeft gelegaliseerd, kan niet worden aanvaard . Hoe de toestand in het verleden ook moge geweest zijn, de bestreden beschikking had slechts rechtsgevolgen voor de toekomst, dat wil zeggen voor het tijdvak na 8 mei 1987 en uiterlijk tot 30 april 1988 ( artikel 3 van de beschikking ), tenzij zij voordien zou worden gewijzigd ( artikel 2 ). De tekst van de bestreden beschikking laat er bovendien geen twijfel over bestaan, dat verweerster zelf geen maatregelen wilde nemen, doch enkel interveniënte de machtiging daartoe wilde verlenen . Dit blijkt uit de titel, de considerans en de inhoud van de beschikking . Ten slotte had de Franse regeling een andere draagwijdte dan de beschikking met haar hiervoor genoemde beperkingen .
11 . Bijgevolg beroept verzoekster zich tot staving van haar standpunt zeker ook ten onrechte op het arrest in de gevoegde zaken 105 en 107/63 ( 5 ), waarin het in feite slechts ging om een beschikking van de Commissie betreffende een reeds door een Lid-Staat getroffen beschermende maatregel, die naderhand geldig werd verklaard .
12 . In ieder geval staat vast, dat verzoekster niet individueel wordt geraakt in de zin van de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie . In dit verband volstaat het erop te wijzen, dat op grond van de beschikking gedurende een jaar aan de grenzen met andere Lid-Staten de invoer mocht worden geweigerd van bananen uit de zogenoemde dollarzone die in een Lid-Staat in het vrije verkeer zijn gebracht . Zij had dus duidelijk een algemene strekking en raakte een ieder die dergelijke importen wilde verrichten, dat wil zeggen naast verzoekster ook de andere Franse bananenhandelaren ( in Frankrijk zouden zo een 130 importeurs zaken doen met de dollarzone ) en handelaren in andere Lid-Staten, dus een algemeen en in abstracto omschreven categorie marktdeelnemers . Voor de bestreden beschikking geldt derhalve zonder meer datgene wat in het arrest in zaak 231/82 ( 6 ) eveneens werd gesteld ter zake van een beschikking krachtens artikel 115 EEG-Verdrag met betrekking tot toekomstige importen en de belemmering ervan, namelijk dat verzoekster op dezelfde wijze wordt geraakt als iedere andere marktdeelnemer .
13 . Aan de door verzoekster aangevoerde omstandigheden waaruit het individueel geraakt zijn zou moeten blijken - namelijk de verwijzing naar vroeger ingediende vergunningaanvragen en vroegere invoerpogingen, alsmede het feit dat verzoekster met betrekking tot die vorige gebeurtenissen een procedure aanhangig heeft gemaakt bij de Franse rechterlijke instanties en ook de Commissie daarvan in een klacht op de hoogte heeft gebracht - kan echter duidelijk niet een dergelijke betekenis worden gehecht .
14 . Hierover geïnterpelleerd, heeft verzoekster verklaard dat zij in dit verband enerzijds denkt aan vergunningaanvragen die gedurende de jaren 1978 tot 1980 en voor het laatst in oktober 1986 werden ingediend, en anderzijds aan het terugsturen van vrachtwagens aan de grens in de herfst van 1986 en in maart 1987 .
15 . Met betrekking tot de genoemde vergunningaanvragen moet in feite worden vastgesteld, dat deze op de datum waarop de omstreden beschikking werd gegeven niet meer in behandeling waren, maar naar Frans recht reeds waren afgehandeld . Dit blijkt uit een ons overgelegd vonnis van het tribunal te Rijsel van 19 juni 1985, waarin wordt vastgesteld dat een vergunningaanvraag na vier maanden moet worden geacht stilzwijgend te zijn verworpen . In dit verband kan geen beroep worden gedaan op het arrest in zaak 62/70 ( 7 ) ( waarin van belang was, dat een machtigingsbeschikking juist voor reeds ingediende vergunningaanvragen diende te gelden ) en kan evenmin worden verwezen naar het arrest in zaak 100/74 ( 8 ), waarin kon worden aanvaard dat verzoekster individueel werd geraakt, aangezien het ging om maatregelen die op grond van een individueel gedrag tijdens een bepaalde periode van toepassing waren op welbepaalde marktdeelnemers .
16 . Wat anderzijds de feitelijke belemmering van de invoer aan de Franse grens op de vermelde tijdstippen betreft, is doorslaggevend dat de bestreden beschikking geen terugwerkende kracht had . Deze gebeurtenissen, die plaatsvonden voordat de beschikking van kracht werd, kunnen dus zeker geen rol spelen bij de beoordeling van de ontvankelijkheid .
C - Conclusie
17 . Mitsdien kan enkel worden geconcludeerd dat - zoals de Commissie terecht stelt - het beroep niet-ontvankelijk is . Bijgevolg moet verzoekster ook in de kosten worden verwezen, zij het met uitzondering van de door interveniënte gemaakte kosten, aangezien de Franse regering niet in die zin heeft geconcludeerd .
(*) Oorspronkelijke taal : Duits .
( 1 ) PB 1982, L 35, blz . 1 .
( 2 ) PB 1986, L 86, blz . 160 .
( 3 ) PB 1980, L 16, blz . 14 .
( 4 ) PB 1987, C 127, blz . 4 .
( 5 ) Arrest van 1 juli 1965, gevoegde zaken 106 en 107/63, Toepfer KG, Jurispr . 1965, blz . 507 .
( 6 ) Arrest van 14 juli 1983, zaak 231/82, Spijker Kwasten BV, Jurispr . 1983, blz . 2559 .
( 7 ) Arrest van 23 november 1971, zaak 62/70, Bock, Jurispr . 1971, blz . 897 .
( 8 ) Arrest van 18 november 1975, zaak 100/74, Firma CAM SA, Jurispr . 1975, blz . 1393 .
Full & Egal Universal Law Academy