Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Het tribunal de grande instance te Agen ( Frankrijk ) heeft het Hof vragen gesteld over de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van de bedrijfstakovereenkomsten in de landbouw, die de overheid algemeen verbindend heeft verklaard voor alle binnenlandse telers die in een marktsector werkzaam zijn .
Het Hof heeft zich reeds eerder met dit probleem beziggehouden in zaak 218/85 ( Cerafel, arrest van 25 november 1986, Jurispr . 1986, blz . 3513 ), waarin ik advocaat-generaal was . Ik wil er hier dan ook alleen aan herinneren, dat ingevolge artikel 2 van wet nr . 75-600 betreffende de bedrijfstakorganisaties in de landbouw ( JORF van 11.7.1975, blz . 7124 ), laatstelijk gewijzigd bij wet nr . 80-502 van 4 juli 1980 ( JORF van 5.7.1980, blz . 1670 ), de bevoegde minister onder bepaalde voorwaarden bij ministerieel besluit de door de wettelijk erkende organisaties gesloten overeenkomsten verbindend kan verklaren voor de niet-aangesloten telers . Bedoelde organisaties kunnen bovendien gemachtigd worden om van die telers de voor de uitvoering van de overeenkomsten noodzakelijke bijdragen te innen .
Het hoofdgeding heeft betrekking op de bijdragen betreffende de selderij - en schorsenerenoogst 1982/1983 en 1983/1984 . Om betaling van die bijdragen af te dwingen heeft de Union nationale interprofessionnelle des légumes de conserve ( Unilec, verzoekster in het hoofdgeding, hierna : verzoekster ) de vennootschap Larroche, een kleine conservenproducent die in het zuiden van Frankrijk werkzaam is en niet bij een vereniging is aangesloten ( verweerster in het hoofdgeding, hierna : verweerster ) voor de rechter te Agen gedaagd . In de loop van de procedure heeft verzoekster het aanvankelijk gevorderde bedrag vermeerderd met de bijdragen voor de oogst 1985/1986, met inbegrip van die voor de produktie van sperziebonen .
Voor de nationale rechter voerde verweerster aan, dat de algemeenverbindendverklaring van de bedrijfstakovereenkomsten voor de telers en de verwerkers van voormelde groenten ( ministeriële besluiten van 10.12.1981, 30.9.1983, 13.11.1984 en 18.12.1986, respectievelijk gepubliceerd in JORF 9.1.1982, blz . 306, 15.10.1983, blz . 9359, 12.4.1984, blz . 11032, 13.1.1987, blz . 460 ) in strijd is met de regels van het gemeenschapsrecht inzake landbouw en mededinging . Wanneer aan alle verwerkers-conservenfabrikanten een minimumaankoopprijs voor de binnenslands geteelde grondstoffen werd opgelegd, zou het de zelfstandige handelaar onmogelijk worden gemaakt op de desbetreffende markt een doeltreffende concurrentie te voeren . Bovendien zouden ingevolge artikel 3, tweede alinea, van vorenbedoelde wet de bijdragen ter financiering van de werking van de organisatie eveneens worden geïnd over uit andere Lid-Staten ingevoerde groenten . Deze bijdragen zouden dus een verkapte invoerheffing vormen .
Gezien het belang van de daarmee aan de orde gestelde vraagstukken heeft het tribunal de behandeling van de zaak geschorst en het Hof bij vonnis van 8 juli 1987 de volgende vragen gesteld :
1 ) Is, gelet op de artikelen 39, 42 en 85, lid 1, EEG-Verdrag en verordening nr . 26 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 april 1962, de vaststelling van een minimumaankoopprijs in een bedrijfstakovereenkomst, die bij administratief besluit algemeen verbindend is verklaard voor alle bij de produktie, verpakking en verkoop van een landbouwprodukt betrokken beroepsgroepen, te beschouwen als een onderling afgestemde feitelijke gedraging die de handel tussen de Lid-Staten van de Gemeenschap ongunstig kan beïnvloeden en ertoe strekt of ten gevolge heeft, dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst?
2 ) Is de door een nationale wet geboden mogelijkheid om op grond van een bedrijfstakovereenkomst die bij administratief besluit algemeen verbindend kan worden verklaard, heffingen toe te passen op produkten uit andere Lid-Staten, in strijd met de bepalingen van artikel 95 EEG-Verdrag?
Partijen in het hoofdgeding, de Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen hebben schriftelijke opmerkingen ingediend en ter terechtzitting het woord genomen .
2 . Eerst enkele algemene opmerkingen . Sedert 1983 voorziet het gemeenschapsrecht in een gemeenschappelijke regeling inzake de algemeenverbindendverklaring, die niet verschilt van de Franse regeling ( verordeningen nrs . 3284/83 en 3285/83, PB 1983, L 325, blz . 1 en 8 ). Voor wat bovenbedoelde groenten betreft, is deze regeling evenwel pas op 1 januari 1986 in werking getreden ( verordening nr . 1977/85, PB 1985, L 186, blz . 2 ); in casu kan zij derhalve slechts in de beschouwing worden betrokken, voor zover zij geldt voor de voor de oogst 1985/1986 gevorderde bijdragen .
Voorts wijs ik erop dat, ingevolge de verwijzing in artikel 1 van verordening nr . 1035/72 van 18 mei 1972 ( PB 1972, L 118, blz . 1 ) naar de desbetreffende posten van het gemeenschappelijk douanetarief, selderij, schorseneren en sperziebonen onder de bij deze verordening ingestelde gemeenschappelijke marktordening voor groenten en fruit vallen . Dit brengt mee dat de vragen van de Franse rechter ertoe nopen, in de eerste plaats na te gaan of de algemeenverbindendverklaring van de bedrijfstakovereenkomsten niet reeds als zodanig onverenigbaar is met de gemeenschapsregels inzake die marktordening .
Aangezien voorts de litigieuze bepalingen uitsluitend betrekking hebben op groenten die nog in verse toestand zijn, kan ik mij niet aansluiten bij verzoeksters opvatting, dat voor de onderhavige materie de gemeenschapsregeling inzake verwerkte produkten geldt . Evenmin kan worden gesteld, dat in casu de in verordening nr . 1035/72 voorziene uitzonderingen voor produkten die bestemd zijn voor industriële verwerking, relevant zijn; die uitzonderingen betreffen immers niet de telersverenigingen, maar de kwaliteitsnormen .
3 . Dan kom ik thans toe aan de eerste vraag . Zoals bekend, wenst het tribunal te Agen in hoofdzaak te vernemen of de oplegging van een minimumaankoopprijs aan de onafhankelijke verwerkers van sommige soorten groenten verenigbaar is met diverse bepalingen van primair en van afgeleid recht .
In dat verband wijs ik er in de eerste plaats op dat ingevolge 's Hofs vaste rechtspraak de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten voor de Lid-Staten de verplichting meebrengt, "zich te onthouden van elke maatregel" die daarvan zou kunnen afwijken of er inbreuk op zou kunnen maken ( arresten van 18 mei 1977, zaak 111/76, Van den Hazel, Jurispr . 1977, blz . 901, r.o . 13; 29 november 1978, zaak 83/78, Pigs Marketing Board, Jurispr . 1978, blz . 2347, r.o . 56; en 7 februari 1984, zaak 237/82, Jongeneel Kaas, Jurispr . 1984, blz . 483, r.o . 12 ).
In rechtsoverweging 18 van de meest recente uitspraak - het reeds aangehaalde arrest Cerafel - verklaarde het Hof meer in het bijzonder : "De gemeenschappelijke ordening der markten wordt (( in de sector groenten en fruit )) gekenmerkt door een dubbel interventieniveau . Enerzijds kunnen de telersverenigingen ingevolge artikel 15 van verordening nr . 1035/72 voor een bepaald produkt een bodemprijs vaststellen, waarbeneden zij de door hun leden aangevoerde goederen niet te koop aanbieden . Door het uit de markt nemen kunnen de telersverenigingen de prijzen stabiliseren; in bepaalde omstandigheden kan een financiële vergoeding worden betaald om de kosten van het uit de markt nemen te dekken . Anderzijds voorziet artikel 19 in interventiemaatregelen voor bepaalde produkten ... die op alle telers van toepassing zijn . Deze interventie kan evenwel slechts plaatsvinden, nadat de Commissie heeft geconstateerd dat de markt van het betrokken produkt een ernstige crisis doormaakt; onmiddellijk na deze constatering verzekeren de Lid-Staten door middel van de interventiebureaus de aankoop van produkten die aan de communautaire kwaliteitsnormen voldoen en die nog niet ... door telersverenigingen uit de markt zijn genomen, zulks tegen de in gemeenschapsbepalingen vastgestelde aankoopprijzen ."
"Op grond van dit beknopte onderzoek - aldus rechtsoverweging 19 - kan worden vastgesteld, dat verordening nr . 1035/72 het vraagstuk uitputtend regelt, en een zeer duidelijk onderscheid maakt tussen de interventiemechanismen die de telersverenigingen in werking kunnen stellen en de op alle telers toepasselijke mechanismen . In die omstandigheden is een Lid-Staat niet bevoegd de door de telersverenigingen opgestelde interventievoorschriften voor alle telers verbindend te verklaren" ( cursivering van mij ).
Deze overwegingen zijn volledig overdraagbaar op het onderhavige geval . De litigieuze algemeenverbindendverklaring brengt op de nationale markt namelijk een uniform stelsel van gegarandeerde prijzen voor alle telers tot stand, dat in feite in de plaats treedt van het stelsel van bodemprijzen die de verenigingen uitsluitend aan hun leden kunnen opleggen, zodat het stelsel waarbij onder de door de gemeenschapswetgever vastgestelde voorwaarden produkten uit de markt worden genomen, onwerkzaam wordt gemaakt . Dit stelsel is dus onverenigbaar met de regels van de gemeenschappelijke marktordening .
Anderzijds heeft de inwerkingtreding van verordening nr . 3284/83 ( op 1 januari 1986 ) deze situatie niet fundamenteel gewijzigd . Uiteraard machtigt het nieuwe artikel 15 ter van verordening nr . 1035/72 de Lid-Staten om sommige door de verenigingen vastgestelde regels ook voor niet-aangesloten handelaars verbindend te verklaren . Die bevoegdheid is echter gebonden aan nauwkeurige materiële en territoriale beperkingen alsmede aan een lange reeks welomschreven voorwaarden, zoals een verzoek van de vereniging, geen nadelige gevolgen voor de handel binnen de Gemeenschap, mededeling aan en goedkeuring door de Commissie, etcetera . In de tweede plaats kunnen alleen bepalingen algemeen verbindend worden verklaard die betrekking hebben op de produktie, de verhandeling of de kennis van de produkten ( lid 1, sub a, b, c ). Ten slotte kunnen de bepalingen inzake het uit de markt nemen alleen verbindend worden verklaard voor de produkten bedoeld in bijlage II bij verordening nr . 1035/72; de groenten waarover het in de onderhavige zaak gaat, worden daar echter niet vermeld .
Het betreft hier derhalve een dermate goed doordachte en gedetailleerde regeling, dat het uitgesloten moet worden geacht dat de Lid-Staten nog over de door de Franse regering en verzoekster voorgestane beoordelingsruimte beschikken . En in dat geval behoeft ook niet meer te worden onderzocht , of de bestreden bepalingen verenigbaar zijn met artikel 85 EEG-Verdrag . Uit het voorgaande volgt immers, dat verordening nr . 1035/72 de Lid-Staten elke bevoegdheid ontneemt om een bij wege van nationale overeenkomsten ingevoerde regeling van minimumaankoopprijzen verbindend te verklaren voor alle telers en verwerkers van niet in bijlage II vermelde groenten .
4 . Het volgende punt is de verplichte bijdragenbetaling . Ik wijs er meteen op, dat die heffingen ook worden geïnd wanneer de Franse verwerkers hun grondstoffen uit andere Lid-Staten invoeren . De bedragen die verzoekster int, worden naderhand overeenkomstig het bepaalde in de overeenkomsten door deze organisatie gebruikt voor de financiering van acties ter verbetering van de produktiviteit en ter bevordering van de verkoop van groenten - en fruitconserven .
Ik wil verzoekster echter niet volgen in het lange onderzoek dat zij aan alle bijzonderheden van het aldus ingevoerde stelsel heeft gewijd . Voor de beantwoording van de vraag van de rechter te Agen kan immers worden volstaan met te verwijzen naar rechtsoverweging 22 van het arrest Cerafel : een dergelijke verplichting is - aldus het Hof - "onwettig voor zover zij ertoe dient activiteiten te financieren die zelf in strijd zijn met het gemeenschapsrecht . Het staat ... aan de nationale rechter te beoordelen welk gedeelte van de bijdrage die van de niet aangesloten telers wordt gevraagd, tot financiering van dergelijke activiteiten dient ."
Ik zie niet in, wat ik daaraan voor de onderhavige zaak nog kan toevoegen . Voor de verwijzende rechter kan het evenwel nuttig zijn te weten, dat "wanneer de opbrengst van een (( binnenlandse belasting die binnenlandse en ingevoerde produkten volgens identieke criteria treft )) bestemd is ter bekostiging van activiteiten die bijzonder de belaste nationale produkten ten goede komen, het resultaat kan zijn dat de ... bijdrage toch een discriminatoire belasting vormt, voor zover de fiscale last op nationale produkten wordt geneutraliseerd door de voordelen ter financiering waarvan zij is ingesteld, terwijl die op ingevoerde produkten een nettobelasting vormt" ( arrest van 21 mei 1980, zaak 73/79, Commissie/Italië, Jurispr . 1980, blz . 1533, r.o . 15 ). Ook hier woorden die als het ware voor de onderhavige zaak zijn geschreven .
5 . Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de vragen die het tribunal de grande instance te Agen bij vonnis van 8 juli 1987 in de zaak Unilec/Larroche heeft gesteld, te beantwoorden als volgt :
"Verordening nr . 1035/72 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit moet aldus worden uitgelegd, dat zij de Lid-Staten geen bevoegdheid laat om de regels die door een bedrijfstakorganisatie in het kader van overeenkomsten tot vaststelling van minimumaankoopprijzen voor bepaalde groenten zijn vastgesteld, verbindend te verklaren voor binnenlandse telers en verwerkers die niet bij die organisatie zijn aangesloten .
De nationale rechter zal moeten beslissen of dit, gezien de omvang van de met het gemeenschapsrecht onverenigbare werkzaamheden van die organisatie, leidt tot onwettigheid van de aan de niet-aangesloten telers opgelegde bijdragen en gehele of gedeeltelijke vrijstelling daarvan meebrengt ."
(*) Vertaald uit het Italiaans .
Full & Egal Universal Law Academy