CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MISCHO
van 18 november 1988 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Terwijl ik in de zojuist in zaak C-3/87, Agegate Ltd, genomen conclusie de voorwaarden betreffende de samenstelling van de bemanning heb moeten onderzoeken, die het Verenigd Koninkrijk aan de verlening van een visvergunning verbindt, moet ik thans een standpunt innemen met betrekking tot de exploitatievoorwaarden waaraan Britse vissersschepen moeten voldoen die onder de aan het Verenigd Koninkrijk toegekende quota vissen.
De eerste vraag
2.
De eerste vraag die de Divisional Court van de Queen's Bench Division van de High Court of Justice of England and Wales heeft gesteld, luidt namelijk als volgt:
„Wanneer een Lid-Staat aan een aldaar ingeschreven onderneming een visvergunning afgeeft voor een vissersvaartuig waarvan deze onderneming eigenaar is en dat onder de vlag vaart van en is ingeschreven in deze Lid-Staat, en deze vergunning voorwaarden behelst (waaraan te allen tijde geheel moet worden voldaan) die moeten verzekeren dat het schip een ‚reële economische band’ heeft met de betrokken Lid-Staat, is dan een als volgt geformuleerde vergunningsvoorwaarde:
‚Het schip moet zijn activiteiten verrichten vanuit het Verenigd Koninkrijk, het eiland Man of de Kanaaleilanden; onverminderd het algemene karakter van dit vereiste wordt een schip geacht daaraan te voldoen indien gedurende ieder halfjaar van een kalenderjaar (dat wil zeggen van januari tot en met juni en van juli tot en met december) ofwel:
a)
ten minste 50% van het gewicht van de aan land gebrachte of overgeladen vangst van het schip waarop deze of enige andere op het betrokken tijdstip geldige vergunning betrekking heeft, in het Verenigd Koninkrijk, het eiland Man of de Kanaaleilanden aan land is gebracht en verkocht of is overgeladen bij verkoop binnen de Britse visserijgrenzen; ofwel
b)
op andere wijze wordt bewezen dat het schip ten minste viermaal met tussenpozen van ten minste vijftien dagen een haven van het Verenigd Koninkrijk, het eiland Man of de Kanaaleilanden heeft aangedaan„
onverenigbaar met het gemeenschapsrecht op grond van haar bewoordingen en/of haar verband met de twee andere vergunningsvoorwaarden (waarop zaak C-3/87 betrekking heeft), en meer bepaald, is een dergelijke voorwaarde:
a)
onverenigbaar met het gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector, zoals onder meer vastgelegd bij verordening nr. 101/76 van de Raad;
b)
onverenigbaar met de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijprodukten, zoals onder meer vastgelegd bij verordening nr. 3796/81 van de Raad;
c)
verboden door de artikelen 7, 34, 40, 48 tot en met 51, 52 tot en met 58 of 59 tot en met 66 EEG-Verdrag of door één van deze bepalingen;
d)
ongeldig op grond dat zij onevenredig of onbillijk is dan wel in strijd met het gewettigd vertrouwen van verzoeksters;
e)
door het Verenigd Koninkrijk onbevoegd vastgesteld of onwettig krachtens artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83 van de Raad, op grond dat zij wegens voornoemde punten in strijd is met de toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht ?”
3.
In het eerste deel van de betrokken bepaling wordt een algemene voorwaarde gesteld (het schip moet zijn activiteiten verrichten vanuit het Verenigd Koninkrijk, vanaf het eiland Man of de Kanaaleilanden). Deze voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld wanneer één van de gevallen, beschreven in punt a (hierna: het aanlandingscriterium) of in punt b (hierna: het aanwezigheidscriterium), zich voordoet.
4.
Allereerst moet derhalve worden nagegaan, of die algemene voorwaarde verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Daar het criterium van de regelmatige aanwezigheid van het schip in een Britse haven daarmee zeer nauw verband houdt, zal ik dat tegelijkertijd onderzoeken.
A — De algemene voorwaarde en het criterium van de regelmatige aanwezigheid van elk schip in een haven van het land van registratie
5.
In punt, a van het tweede deel van zijn vraag vraagt de High Court of Justice zich af, of de betrokken bepalingen verenigbaar zijn met verordening nr. 101/76 van de Raad van 19 januari 1976 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector (PB 1976, L 20, blz. 19), en in punt e, of de Lid-Staten ter zake nog bevoegd zijn.
6.
In het arrest van 19 januari 1988 (zaak 223/86, Pesca Valentia, Jurispr. 1988, blz. 83) heeft het Hof verklaard, dat de Lid-Staten, zolang bepaalde in verordening nr. 101/76 voorziene communautaire maatregelen niet in werking zijn getreden,
„hun eigen regeling voor de uitoefening van de visserij in het gedeelte der zee dat onder hun soevereiniteit of hun jurisdictie valt (artikel 2) mogen toepassen en hun eigen structuurbeleid voor deze sector mogen vaststellen (artikel 1). Voorts zij opgemerkt, dat de verordening het heeft over vissersvaartuigen ‚die onder de vlag’ van een Lid-Staat varen of op diens grondgebied staan ‚ingeschreven’, doch het omschrijven van die begrippen aan de nationale wetgever overlaat.
Derhalve zijn de Lid-Staten bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht bevoegd om, in het kader van de gemeenschappelijke regeling waarin deze verordening voorziet of met toepassing van de bepalingen ervan, de uitoefening van zeevisserij door onder hun vlag varende vaartuigen in het onder hun jurisdictie vallende gedeelte der zee te regelen” (r. o. 13 en 14).
7.
Het gemeenschapsrecht beperkt derhalve niet het door het volkenrecht aan elke staat gegeven recht om de voorwaarden te bepalen waaronder hij een schip onder zijn vlag laat varen. Bovendien staat verordening nr. 101/76 de Lid-Staten toe, maatregelen te treffen tot regeling van de uitoefening van de visserij in de onder hun jurisdictie vallende wateren door schepen die onder hun vlag varen. Mij dunkt dat een regel die geldt voor de onder de jurisdictie van een Lid-Staat vallende wateren, logischerwijs ook moet gelden met betrekking tot de visserijactiviteiten van diezelfde schepen in de wateren van andere Lid-Staten, in de wateren van derde landen en in de internationale wateren, voor zover het gaat om vangsten die moeten worden toegerekend aan quota die in die wateren bij een gemeenschapsverordening aan die Lid-Staat zijn toegekend.
8.
Voorts houdt het recht van elke Lid-Staat om de voorwaarden vast te stellen voor de verlening van zijn vlag aan een schip, mijns inziens het recht in om te eisen dat het betrokken schip vanuit zijn havens opereert.
9.
Het bestaan van dat recht lijdt inzonderheid geen twijfel indien wordt gelet op de bepalingen van het verdrag van Genève van 29 april 1985 inzake de volle zee. Dat verdrag is op 30 september 1962 in werking getreden en acht Lid-Staten, waaronder het Verenigd Koninkrijk en Spanje, hebben het geratificeerd of zijn toegetreden. Artikel 5 van het verdrag is als volgt geformuleerd:
„1.
Iedere staat stelt de voorwaarden vast voor het verlenen van zijn nationaliteit aan schepen, voor de registratie van schepen op zijn grondgebied en voor het recht zijn vlag te voeren. Schepen hebben de nationaliteit van de staat wiens vlag zij het recht hebben te voeren. Er moet een wezenlijke band bestaan tussen de staat en het schip; in het bijzonder dient de staat op administratief, technisch en sociaal gebied zijn rechtsmacht en toezicht op doeltreffende wijze uit te oefenen.
2.
Iedere staat dient aan schepen aan wie hij het recht heeft verleend zijn vlag te voeren, documenten te verstrekken waaruit zulks blijkt.” (Cursivering van mij)
10.
Artikel 10 van het verdrag bepaalt nog het volgende:
„1.
Iedere staat neemt ten aanzien van de schepen die onder zijn vlag varen alle maatregelen welke nodig zijn om de veiligheid op zee te verzekeren, onder andere met betrekking tot:
a)
het gebruik van signalen, het onderhouden van verbindingen en het voorkomen van aanvaringen;
b)
het bemannen der schepen en de arbeidsvoorwaarden voor bemanningen, waarbij rekening wordt gehouden met de van toepassing zijnde internationale arbeidsverdragen;
c)
de bouw, uitrusting en zeewaardigheid der schepen.
2.
Bij het nemen van zodanige maatregelen dient iedere staat zich te houden aan de algemeen aanvaarde internationale normen en alles in het werk te stellen dat nodig is om de inachtneming van die normen te verzekeren.”
11.
Gezien die teksten kan er geen bezwaar tegen worden gemaakt dat een Lid-Staat meent dat hij de voorgeschreven controles niet kan uitvoeren, wanneer elk schip niet op gezette tijden een van zijn havens aandoet.
12.
Daartegen kan men weliswaar inbrengen, dat de registratievoorwaarden niets van doen hebben met de toekenningsvoorwaarden voor de vergunningen, maar ik zie niet in, waarom een Lid-Staat bij de verlening van de vergunningen geen voorwaarde zou mogen stellen, die hij wel reeds voor de registratie van het schip had kunnen stellen.
13.
Beletten de frequentie (viermaal per halfjaar) en de tijd die tussen de voorgeschreven bezoeken moet liggen (ten minste vijftien dagen) een dergelijk schip om diensten te verrichten in andere Lid-Staten en met name om de vangst in een Spaanse haven te verkopen ? Dat zou kunnen, indien het voor een schip onmogelijk of te duur zou zijn om op de voorgeschreven wijze een Britse haven aan te doen, in wateren te vissen die vrij ver van die havens gelegen zijn, zoals de wateren ten westen van Ierland, en de gevangen vis te verkopen in relatief ver weg gelegen havens, zoals de Spaanse. In dat geval zou er sprake kunnen zijn van een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve uitvoerbeperking. Dat is een feitelijke vraag, die enkel de nationale rechter kan beantwoorden. Bij die beoordeling mag de Britse rechter stellig van het beginsel uitgaan dat het voor een Brits schip normaal is, zijn reizen in een Britse haven te beginnen en te eindigen. Ik deel niet de mening van de Commissie, dat wanneer van een Brits schip wordt gevraagd dat het een haven in het Verenigd Koninkrijk aandoet, zulks gelijk staat met een verzoek een omweg over Denemarken te maken.
14.
In hetzelfde verband zij eraan herinnerd, dat het stelsel dat is ingevoerd bij verordening nr. 101/76 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector, ten doel heeft om een redelijke levensstandaard te waarborgen aan degenen die van de visserij leven (vijfde overweging van de considerans). Men kan zich op het standpunt stellen, dat in die categorie ook degenen vallen die aan wal, in de havens, de diensten verrichten waaraan de schepen en de vissers behoefte hebben, zoals de verkoop van levensmiddelen en brandstof, de vervaardiging en de verkoop van ijs, het onderhoud en de reparatie van de schepen, de verwerking en het vervoer van de vis.
15.
Agegate Ltd heeft voorts bij de door haar in zaak C-3/87 ingediende opmerkingen omvangrijke stukken gevoegd (affidavits, deskundigenrapporten) waaruit blijkt hoe bepaalde Britse havens, met name Milford Haven, zich zouden kunnen ontwikkelen wanneer de voorheen Spaanse vissersschepen deze regelmatig zouden aandoen. Ook Jaderow Ltd heeft bij haar opmerkingen krantenknipsels gevoegd in dezelfde zin. Die ondernemingen lijken er derhalve niet van uit te gaan, dat de voorwaarde betreffende het regelmatig binnenlopen in een Britse haven hun de verdere exploitatie economisch onmogelijk zou maken. Zij stellen slechts, dat de regel dat zij niet meer dan 25% Spaanse vissers aan boord mogen hebben, hen aan sancties blootstelt waardoor zij niet meer in die havens kunnen binnenlopen, en dat de tijd die tussen twee bezoeken moet liggen, te lang is.
16.
Voorts zij vastgesteld, dat verordening nr. 3796/81 van de Raad van 29 december 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijprodukten (PB 1981, L 379, biz. 1) geen regels bevat waarmee de Britse maatregelen in strijd zouden kunnen worden verklaard.
17.
Hoewel de verordening de verdragsregels betreffende het vrije verkeer van goederen niet uitdrukkelijk noemt, maken zij daarvan uiterlijk sinds het einde van de overgangsperiode ( 1 ) wel van rechtswege deel uit, zoals ook wordt beklemtoond in de dertigste overweging van de considerans van de verordening. Wij hebben evenwel zojuist gezien dat slechts ingeval de nationale rechter tot de conclusie komt dat het aanwezigheidscriterium de Britse schepen daadwerkelijk belet hun vangsten in de havens van andere Lid-Staten te verkopen, dit criterium als strijdig met artikel 34 EEG-Verdrag kan worden beschouwd.
18.
Het door de Commissie genoemde artikel 27, lid 2, van verordening nr. 3796/81, luidens hetwelk
„onverminderd andere communautaire bepalingen, de Lid-Staten de nodige maatregelen treffen om aan alle vissersvaartuigen die onder de vlag van één der Lid-Staten varen, gelijke voorwaarden te verzekeren ten aanzien van de toegang tot de havens en het gebruik van de inrichtingen waar de produkten in eerste aanleg worden verhandeld, alsmede van alle uitrustingen en alle technische installaties die daartoe behoren”,
verbiedt anderzijds de Lid-Staten niet, hun eigen schepen te verplichten regelmatig hun eigen havens aan te doen.
19.
De algemene voorwaarde en het bewijsmiddel betreffende de regelmatige aanwezigheid van de schepen in een Britse haven kunnen evenmin in strijd worden geacht met de verdragsartikelen die elke discriminatie van natuurlijke of rechtspersonen uit andere Lid-Staten verbieden (artikelen 7, 48 tot en met 51, 52 tot en met 58, en 59 tot en met 66), aangezien deze voorschriften slechts in het Verenigd Koninkrijk geregistreerde schepen betreffen die eigendom zijn van Britse rechtspersonen.
20.
Artikel 40, lid 3, van het Verdrag kan niet van toepassing zijn, daar het gaat om een nationale maatregel die van toepassing is op alle schepen en ondernemingen die in de betrokken Lid-Staat de zeevisserij beoefenen.
21.
Met betrekking tot de algemene beginselen van gemeenschapsrecht, genoemd sub d in het tweede gedeelte van de vraag van de High Court, zou ik het volgende willen opmerken.
22.
Het Hof heeft erkend, dat elke nationale instantie die belast is met de toepassing van het gemeenschapsrecht, de algemene beginselen van gemeenschapsrecht moet eerbiedigen (zie het arrest van 27 september 1979, zaak 230/78, Eridania, Jurispr. 1979, biz. 2749). Zelfs indien men als vaststaand zou aannemen — hetgeen evenwel voor betwisting vatbaar is —, dat de algemene voorwaarde en het criterium betreffende de aanwezigheid van de schepen in de havens slechts maatregelen zijn die ter uitvoering van het communautaire quotastelsel zijn genomen, dan moet toch worden vastgesteld, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof
„aan het vertrouwensbeginsel niet een dusdanig ruime draagwijdte mag worden gegeven, dat een nieuwe regeling nooit van toepassing zou kunnen zijn op de toekomstige gevolgen van situaties die onder de oude regeling zijn ontstaan, zulks met name op een gebied als dat van de gemeenschappelijke marktordeningen, die juist een voortdurende aanpassing mogelijk moeten maken, afhankelijk van de wijzigingen van de economische situatie in de verschillende landbouwsectoren”.
Die regel is laatstelijk nog eens herhaald in rechtsoverweging 19 van het arrest van 20 september 1988 (zaak 203/86, Spanje/Raad, Jurispr. 1988, blz. 4563) in verband met een van vóór de toetreding van Spanje daterende nationale wettelijke regeling tot verhoging van de melkproduktie in dat land, terwijl de door de Raad vastgestelde melkquota die verhoging verder blokkeerden. Mijns inziens gelden die beginselen eveneens ten aanzien van een maatregel die is genomen in het kader van een regeling die verband houdt met een gemeenschappelijke marktordening, die zelf ook op artikel 43 EEG-Verdrag is gebaseerd.
23.
Voorts heeft het Hof in een ambtenarenzaak verklaard (arrest van 14 juni 1988, zaak 33/87, Christianos/Hof van Justitie, Jurispr. 1988, blz. 2995), dat
„(de) verzoeker zich niet kan beroepen op het beginsel inzake de bescherming van het gewettigd vertrouwen om voordelen te behouden die hij in het kader van een vroegere regeling genoot” (r. o. 17)
en dat
„een ambtenaar zich niet kan beroepen op het vertrouwensbeginsel om op te komen tegen de regelmatige toepassing van een nieuwe regeling” (r. o. 23).
24.
Verzoekers kunnen derhalve niet een geldig beroep doen op het vertrouwensbeginsel.
25.
Daaruit volgt verder, dat de algemene voorwaarde en het aanwezigheidscriterium zeker niet willekeurig zijn, maar dat zij zijn aangenomen met een wettig oogmerk, namelijk om te waarborgen dat de schepen aan de nodige technische, administratieve en sociale controles kunnen worden onderworpen en dat de visserijsector van de vlagstaat de economische vruchten plukt van de opbrengst van hun visserijactiviteiten. Voor zover het aanwezigheidscriterium niet belet, dat de vangsten in zelfs op grote afstand gelegen, niet-Britse havens kunnen worden verkocht, kan dat criterium evenmin onevenredig aan het beoogde doel worden geacht.
26.
In punt e van zijn eerste prejudiciële vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof voorts, het vraagstuk van de bevoegdheid van een Lid-Staat om een maatregel als de onderhavige te treffen, te onderzoeken met inachtneming van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83 van 25 januari 1983 tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden (PB 1983, L 24, blz. 1).
27.
In mijn conclusie in zaak C-3/87 heb ik uiteengezet, dat de Lid-Staten ingevolge dat artikel juist zijn belast met het vaststellen van de voorschriften voor het gebruik van de hun toegewezen quota. Om de aldaar uiteengezette redenen ben ik van mening, dat een wettelijke regeling die de vangst van soorten waarvoor een quotum geldt, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de visvangst wordt beoefend vanuit een haven in het land van registratie, op dezelfde voet onder het quotabeheer valt als een regeling betreffende de samenstelling van de bemanning, aangezien die regeling het mogelijk maakt controle uit te oefenen op het aantal schepen dat mag uitvaren voor de vangst van vissoorten waarvoor een quotum geldt.
28.
Indien de uitvoeringspraktijk van een dergelijke regeling niet een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve uitvoerbeperking vormt, hetgeen de nationale rechter heeft te beoordelen, moet zij verenigbaar met het gemeenschapsrecht worden geacht en is daarvoor ook een rechtsgrondslag te vinden in artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83, zelfs indien de betrokken Lid-Staat de maatregel in elk geval had kunnen nemen op grond van zijn bevoegdheid om de voorwaarden vast te stellen waaronder hij een schip onder zijn vlag laat varen.
29.
Ik kan derhalve concluderen, dat een nationale bepaling die de verlening van een visvergunning voor een vissersschip dat de vlag van een Lid-Staat voert, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat dat schip, ten einde op soorten waarvoor een quotum geldt te mogen vissen, zijn activiteiten uitoefent vanuit die staat, en die als bewijs dat aan die voorwaarde is voldaan, de regelmatige aanwezigheid van dat schip in een haven van dat land accepteert, niet indruist tegen het gemeenschapsrecht. Een dergelijke voorwaarde is ook niet onwettig ingeval zij wordt beschouwd in samenhang met de beide andere voorwaarden waarvan sprake is in zaak C-3/87, Agegate, die ik geoorloofd achtte.
B — Het criterium van de aanlanding en de verkoop van de vangsten
30.
Een schip wordt eveneens geacht zijn activiteiten vanuit het Verenigd Koninkrijk, vanaf het eiland Man of de Kanaaleilanden te verrichten, indien gedurende ieder halfjaar van het kalenderjaar ten minste 50% van de vis waarop een vergunning betrekking heeft, aldaar aan land is gebracht en verkocht, of is overgeladen bij verkoop binnen de Britse visserijgrenzen.
31.
Laat ik direct zeggen, dat dit bewijs mijns inziens onverenigbaar is met artikel 34 EEG-Verdrag betreffende kwantitatieve uitvoerbeperkingen en maatregelen van gelijke werking.
32.
Immers, volgens vaste rechtspraak van het Hof
„(heeft) artikel 34 EEG-Verdrag betrekking op nationale maatregelen die een specifieke beperking van het uitgaand goederenverkeer ten doel of tot gevolg hebben en aldus tot een ongelijke behandeling van de binnenlandse handel en de uitvoerhandel van een Lid-Staat leiden, waardoor aan de nationale produktie of de binnenlandse markt van de betrokken Lid-Staat een bijzonder voordeel wordt verzekerd”. ( 2 )
33.
Krachtens artikel 4, lid 1, van verordening (EEG) nr. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip oorsprong van goederen (PB 1968, L 148, biz. 1) zijn „goederen die geheel en al in een land zijn verkregen, van oorsprong uit dat land”. Voor produkten van de zeevisserij bepaalt lid 2, sub f, van dat artikel, dat deze worden geacht geheel en al in een land te zijn verkregen wanneer zij „uit de zee zijn gewonnen met schepen welke in dat land zijn ingeschreven of geregistreerd en die de vlag van dat land voeren”.
34.
De oorsprong van de vis wordt dus bepaald aan de hand van de vlag of van de inschrijving van het schip dat de vangst verricht. ( 3 ) Derhalve zijn de vangsten van schepen onder Britse vlag goederen van Britse oorsprong en zijn de aanlanding en de rechtstreekse verkoop daarvan in een andere Lid-Staat zonder dat zij op Britse bodem zijn geweest, aan te merken als export.
35.
Mitsdien is elke beperking van een dergelijke uitvoer bij artikel 34 EEG-Verdrag verboden. Mijns inziens is het aanlandingscriterium, zoals in casu door de Britse regeling voorgeschreven, zulk een beperking. De verplichting om ten minste 50% van de vangsten van een Brits schip in een bepaald tijdvak in het Verenigd Koninkrijk, op het eiland Man of de Kanaaleilanden aan land te brengen en te verkopen, komt voor die hoeveelheid in feite neer op een verbod van elke rechtstreekse uitvoer vanuit het Verenigd Koninkrijk naar andere Lid-Staten.
Zelfs indien men van mening mocht zijn, dat die verplichting geen echte kwantitatieve uitvoerbeperking oplevert, daar zij uiteindelijk niet de uitvoer belemmert, dan nog vormt zij ten minste een maatregel van gelijke werking, aangezien zij de uitvoer moeilijker, trager en duurder maakt.
36.
Ik deel niet de opvatting van het Verenigd Koninkrijk, dat de exploitatievoorwaarde niet tot doel, noch tot specifiek gevolg heeft, de exportstromen te beperken en evenmin een verschil in behandeling invoert tussen de binnenlandse handel en de uitvoer. Ook al is het doel van het Verenigd Koninkrijk te voorkomen dat zijn quota worden ontdoken, toch heeft de bestreden maatregel namelijk een reëel en specifiek effect op de exporten, die zij rechtstreeks en op discriminerende wijze raakt.
37.
Dit onderscheidt het onderhavige geval met name van de zaken Groenveld ( 4 ), Oebel ( 5 ) en Jongeneel Kaas ( 6 ), waarin het Hof artikel 34 niet geschonden achtte, ook al werd gesteld dat de in geding zijnde nationale regelingen tot gevolg hadden dat exporten werden beperkt. Enerzijds ging het in al die zaken om een regeling die de fabricagevoorwaarden van bepaalde goederen en niet direct de uitvoer daarvan betrof; anderzijds stelde. het Hof in die gevallen vast, dat die regelingen objectief van toepassing waren op de produktie van de betrokken goederen, zonder onderscheid te maken naar gelang zij voor de binnenlandse markt dan wel voor de export bestemd waren.
38.
Ook door de andere mogelijkheid om aan het aanlandingscriterium te voldoen, namelijk het overladen bij verkoop binnen de Britse visserijgrenzen, worden ten gevolge van de vertragingen en de bijkomende kosten die daarmee gepaard kunnen gaan, de rechtstreekse exporten naar andere Lid-Staten belemmerd, zodat zij eveneens een bij artikel 34 EEG-Verdrag verboden maatregel van gelijke werking oplevert.
39.
Dan moet ten slotte worden bezien of, evenals voor de vestigingsvoorwaarde in zaak C-3/87, Agegate, de noodzaak om de toegang tot de visserijquota van een Lid-Staat voor te behouden aan de bevolking van die Lid-Staat die voor haar bestaan van de visserij afhankelijk is, een legitiem doel vormt dat een eventuele afwijking van een van de grondbeginselen van de Gemeenschap rechtvaardigt, in casu het beginsel dat in de handel binnen de Gemeenschap elke kwantitatieve uitvoerbeperking alsook maatregelen van gelijke werking verboden zijn.
40.
Die vraag moet naar mijn opvatting duidelijk ontkennend worden beantwoord en wel om de volgende redenen.
41.
De voorwaarde dat 75% van de vissers die onder de quota van een Lid-Staat vissen, gewoonlijk in die Lid-Staat gevestigd moeten zijn en de regel betreffende de periodieke aanwezigheid van het schip in een haven van dat land lijken mij voldoende om te verzekeren dat de quota van die Lid-Staat daadwerkelijk ten goede komen aan hen die werkelijk tot de vissers van die Lid-Staat behoren. De eis dat bovendien een bepaald gedeelte van de door die vissers gevangen vis in die Lid-Staat aan land wordt gebracht en verkocht, gaat verder dan noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken. Het feit dat het Verenigd Koninkrijk uiteindelijk de uitvoer niet verbiedt en dat het aanlandingscriterium slechts betrekking heeft op de helft van de vangsten, levert daarvoor het a-contrariobewijs.
42.
Voorts bepaalt verordening (EEG) nr. 2241/87 van de Raad van 23 juli 1987 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de visserijactiviteiten (PB 1987, L 207, biz. 1) waarbij verordening (EEG) nr. 2057/82 van 29 juni 1982 (PB 1982, L 220, biz. 1) is ingetrokken en vervangen, en die is gebaseerd op artikel 11 van verordening nr. 170/83, in artikel 6, lid 1, dat „de kapitein van een vissersvaartuig dat een lengte heeft van meer dan 10 meter en dat de vlag van een Lid-Staat voert of in een Lid-Staat is geregistreerd, of diens gemachtigde, aan de autoriteiten van de Lid-Staat waarvan hij de losplaatsen gebruikt, een verklaring verstrekt voor de juistheid waarvan in de eerste plaats de kapitein verantwoordelijk is en waarin hij ten minste voor ieder bestand of iedere groep bestanden waarvoor een TAC of quotum geldt, de aangevoerde hoeveelheden vermeldt onder opgave van de vangstplaats met verwijzing naar de kleinste zone waarvoor een TAC of quotum is vastgesteld en wordt beheerd”.
43.
Voorts verplicht artikel 7 van die verordening de kapitein van een vissersvaartuig dat de vlag van een Lid-Staat voert, aan de autoriteiten van die Lid-Staat mededeling te doen van de overladingen of lossingen, ongeacht de plaats van overlading, zelfs als deze buiten de Gemeenschap is gelegen. Ingeval wordt overgeladen in een haven of in wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van een Lid-Staat vallen, moet de kapitein van het ontvangende vaartuig eveneens de bevoegde autoriteiten van de desbetreffende Lid-Staat daarvan in kennis stellen.
44.
Uit die bepalingen volgt, dat het quotastelsel zelf uitdrukkelijk het recht erkent dat een vissersvaartuig zijn vangsten in andere Lid-Staten dan zijn vlagstaat en rechtstreeks in derde landen aan land mag brengen, alsook deze mag overladen in een haven of in de wateren die onder de jurisdictie van een dergelijke andere Lid-Staat vallen.
45.
Ik meen dan ook, dat een Lid-Staat niet met een beroep op de noodzaak „zijn” quota aan „zijn” vissers voor te behouden, schepen die onder zijn vlag varen, kan beletten hun vangsten in andere Lid-Staten aan land te brengen of deze over te laden in havens en wateren die onder de jurisdictie van andere Lid-Staten vallen.
46.
Volledigheidshalve merk ik nog op, dat de verwijzing van het Verenigd Koninkrijk naar het arrest van 14 juli 1976 (gevoegde zaken 3/76, 4/76 en 6/76, Kramer, Jurispr. 1976, blz. 1279), waarin het Hof de vermindering van het intracommunautaire handelsverkeer die de vaststelling van vangstquota op korte termijn kan veroorzaken, rechtvaardigde door het effect dat die maatregelen juist op lange termijn op het handelsverkeer zou hebben ( 7 ), mij niet relevant lijkt. Terwijl namelijk in het arrest-Kramer de visquota zelf in geding waren, voor zover zij door de beperking van de visvangst die daaruit voortvloeit, de hoeveelheden vis vermindert die beschikbaar zijn en dus kunnen worden verhandeld, is de Britse regeling als het ware op die vermindering van de „produktie” van vis geënt ten einde het handelsverkeer van de daadwerkelijk gevangen hoeveelheden te beperken.
47.
Om de vorenstaande redenen geef ik het Hof in overweging, de eerste prejudiciële vraag als volgt te beantwoorden:
„Het gemeenschapsrecht verzet zich er niet tegen, dat een Lid-Staat voor de verlening van een visvergunning aan in zijn registers ingeschreven vaartuigen, waarvan de vangsten op de aan die staat toegekende quota in mindering worden gebracht, als voorwaarde stelt dat die vaartuigen hun activiteiten uitoefenen vanuit die Lid-Staat en dat zij derhalve periodiek een haven van die staat aandoen.
Daarentegen moet artikel 34 EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat dit artikel zich ertegen verzet dat een Lid-Staat voor de verlening van een visvergunning als voorwaarde stelt, dat ten minste 50% van het gewicht van de vangst waarvoor de vergunning is verleend, in een haven van de vlagstaat aan land wordt gebracht of verkocht, of dat hetzelfde percentage van de vangsten wordt overgeladen bij verkoop binnen de visserijgrenzen van die Lid-Staat.”
De tweede vraag
48.
Met de tweede vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of de bevoegde autoriteiten van de betrokken Lid-Staat bij de controle op de naleving van de exploitatievoorwaarde andere factoren waaruit kan blijken dat er economische, financiële en fiscale banden tussen het vaartuig, zijn eigenaars en de autoriteiten van de betrokken Lid-Staat bestaan, buiten beschouwing mogen laten.
49.
Die vraag is gesteld omdat verzoekster in de hoofdzaak, Jaderow, van mening is, dat het bestaan van een echte band (genuine link) of van een werkelijke economische band tussen het vaartuig en de Lid-Staat van registratie, genoegzaam wordt bewezen doordat de onderneming die eigenaar is van het schip of van de schepen, in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd, alsook door de betaling in dat land van de vennootschapsbelasting en de BTW.
50.
Stellig geven al die factoren blijk van het bestaan van economische banden tussen het Verenigd Koninkrijk en de betrokken schepen, maar men behoeft artikel 5 van het Verdrag inzake de volle zee slechts te lezen om te zien dat men die Lid-Staat niet kan verwijten dat hij van mening is, dat die factoren op zichzelf hem niet in staat stellen zijn rechtsmacht en zijn toezicht op technisch, administratief en sociaal gebied op doeltreffende wijze uit te oefenen op de schepen die zijn vlag voeren.
51.
In die context mag niet worden vergeten, dat ook staten met een zogenoemde goedkope vlag eisen, dat de ondernemingen die eigenaar zijn van aldaar ingeschreven schepen hun zetel in dat land hebben en dat zij de in de wet voorziene belastingen betalen.
Ik geef dan ook in overweging, de tweede vraag te beantwoorden als volgt:
„Het feit dat een Lid-Staat de exploitatievoorwaarde aldus toepast, dat andere factoren waaruit het bestaan van economische, financiële en fiscale banden tussen het vaartuig, zijn eigenaren en de betrokken Lid-Staat kan blijken, buiten beschouwing worden gelaten, beïnvloedt niet de verenigbaarheid van de exploitatievoorwaarde met het gemeenschapsrecht.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 1 ) Zie in die zin iict arrest van 14 juli 1976, gevoegde zaken 3, 4 en 6/76, Kramer, Jurispr. 1976, blz. 1279, r. o. 54.
( 2 ) Zie het arrest van 7 februari 1984, zaak 237/83, Jongcnccl Kaas, Jurispr. 1984, blz. 483, r. o. 22.
( 3 ) Arrest van 28 maart 1985, zaak 100/84, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1985, blz. 1169.
( 4 ) Arrest van 8 november 1979, zaak 15/79, Groenveld, Jurispr. 1979, blz. 3409.
( 5 ) Arrest van 14 juli 1981, zaak 155/80, Oebel, Jurispr. 1981, blz. 1993.
( 6 ) Arrest van 7 februari 1984, Jongeneel Kaas, reeds aange-haald.
( 7 ) Zie ter zake ook het arrest van 16 juni 1987, zaak 46/86, Romkes, Jurispr. 1987, blz. 2671, r. o. 24.
Full & Egal Universal Law Academy