Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Bij artikel 1 van verordening nr . 604/83 van de Raad ( 1 ) werd voor de produkten van post 07.06 A GDT ( maniokwortel en andere produkten ) de inning van de invoerheffing beperkt tot ten hoogste 6 % ad valorem van de voor de verschillende derde landen van oorsprong vastgestelde hoeveelheden . Voor de niet bij de GATT aangesloten derde landen voorzag de verordening voor 1983 in een tariefcontingent van 370 000 ton; de hoeveelheden voor de jaren 1984, 1985 en 1986 zouden later op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen door de Raad worden vastgesteld .
2 . In november 1985 stelde de Commissie voor, het tariefcontingent voor 1986 te bepalen op 200 000 ton . Eerst bij verordening nr . 758/86 van 10 maart 1986 ( 2 ), in werking getreden op 16 maart 1986, heeft de Raad dit voorstel van de Commissie goedgekeurd .
3 . De uitvoeringsbepalingen van verordening nr . 604/83 zijn vastgesteld bij verordening nr . 3656/83 van de Commissie ( 3 ) van 23 december 1983, waarvan artikel 2 betrekking heeft op de procedure voor afgifte van invoercertificaten en luidt als volgt :
"1 . De aanvragen om een invoercertificaat voor 1984, voor 1985 en voor 1986 mogen vanaf half december van het betrokken jaar bij de instanties van de Lid-Staten worden ingediend, onder voorbehoud dat de geldigheid ervan in de daaropvolgende maand januari ingaat .
2 . De gegevens betreffende de naam van de importeur, de gevraagde hoeveelheden en hun oorsprong worden door de Lid-Staten per
telexbericht aan de Commissie medegedeeld uiterlijk op de donderdag van de week die volgt op die waarin de aanvraag is ingediend .
3 . Uiterlijk op de vrijdag van de week die volgt op die waarin de in lid 2 bedoelde mededeling is gedaan, stelt de Commissie per land of groep van landen als bedoeld in artikel 1 van verordening ( EEG ) nr . 604/83, in voorkomend geval naar evenredigheid van de aanvragen, de hoeveelheden vast waarvoor certificaten worden afgegeven .
4 . ..."
4 . In verband met de te late vaststelling door de Raad van het contingent voor 1986, stemde de Commissie voor de periode van 1 januari tot 11 februari 1986 in met vervroegde afgifte van invoercertificaten voor een hoeveelheid van 130 000 ton . Aan het eind van de week van 12 tot 20 februari 1986 waren bij de Commissie nieuwe aanvragen om invoercertificaten voor een hoeveelheid van 87 020,261 ton aanhangig . Door deze hoeveelheid tezamen met de 130 000 ton waarvoor vanaf 1 januari 1986 reeds certificaten waren toegestaan en afgegeven, werd bijgevolg de door de Commissie aan de Raad voorgestelde hoeveelheid van 200 000 ton overschreden . Per telexbericht van 20 februari 1986 deelde de Commissie derhalve aan de betrokken nationale instanties in antwoord op de door deze ingediende en nog aanhangige aanvragen mede, dat geen verdere certificaten konden worden afgegeven zolang de Raad de verordening houdende vaststelling van het tariefcontingent voor 1986 nog niet had aangenomen . Op basis van deze mededeling van 20 februari 1986 wees het Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten ( verweerder in het hoofdgeding ) twee door verzoeksters in het hoofdgeding op respectievelijk 12 februari ( 15 300 ton ) en 20 februari ( 5 000 ton ) ingediende aanvragen af; de daarvoor gestelde waarborgen werden vrijgegeven en terugbetaald . Verzoeksters stelden terstond beroep in tegen deze afwijzende besluiten .
5 . Na de inwerkingtreding, op 16 maart 1986, van verordening nr . 758/86 van de Raad houdende vaststelling van het contingent op 200 000 ton, deelde de Commissie de bevoegde nationale instanties per telexbericht van 21 maart 1986 mede dat zij zich, om alle importeurs gelijke toegang te verschaffen tot de 70 000 ton waarvoor nog geen certificaten waren afgegeven, zou baseren op de evenredigheidsregel van artikel 2, lid 3, van verordening nr . 3656/83 . Zij deelde voorts mede, dat de termijn voor de indiening van nieuwe aanvragen of de bevestiging van reeds eerder ingediende aanvragen was verlengd tot 24 maart 1986 .
6 . Per telexbericht van 25 maart 1986 deelde de Commissie aan verweerder mede, dat de aanvragen die hij in de periode van 16 tot 24 maart 1986 had ontvangen en doorgezonden, voor 4,191315 % van de gevraagde hoeveelheden konden worden toegewezen . Tot die aanvragen behoorden de twee aanvragen van Krohn, die in februari waren afgewezen . Verzoeksters in het hoofdgeding stelden bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven beroep in tegen de besluiten van het Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten houdende toepassing van bovengenoemde verdelingscoëfficiënt van 4,191315 %. Het College van Beroep besloot daarop, het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen :
"1 ) Is de mededeling van de Commissie aan verweerder van 20 februari 1986 in strijd met het gemeenschapsrecht, in het bijzonder verordening ( EEG ) nr . 3656/83, het discriminatieverbod neergelegd in artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag en het rechtszekerheidsbeginsel?
2 ) Is de mededeling van de Commissie aan verweerder van 21 maart 1986 in strijd met het gemeenschapsrecht, in het bijzonder verordening ( EEG ) nr . 3656/83, het discriminatieverbod neergelegd in artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag en het rechtszekerheidsbeginsel?"
I - De eerste vraag
7 . In zijn uitspraak stelt het College van Beroep voor het Bedrijfsleven zich om te beginnen de vraag, of verordening nr . 3656/83 van toepassing is wanneer nog geen contingent is vastgesteld voor het jaar waarop de desbetreffende aanvragen om een invoercertificaat betrekking hebben . Het is het College niet duidelijk, tot welke hoeveelheid de Commissie in dat geval kan toestaan dat invoercertificaten worden afgegeven .
8 . Hoewel ik begrip heb voor de zienswijze van de nationale rechter, kan de Commissie mijns inziens niet worden verweten dat zij reeds invoervergunningen voor het contingent van 1986 heeft toegestaan, voordat de totale omvang van dit contingent door de Raad was vastgesteld .
9 . Uiteraard was de Commissie hiertoe niet verplicht en had zij alle aanvragen kunnen aanhouden tot de inwerkingtreding van de verordening van de Raad . Men moet echter erkennen, dat zwaarwegende argumenten pleitten voor de wijze waarop de Commissie tewerk is gegaan .
10 . In de eerste plaats de omstandigheid, dat het beginsel van de opening van jaarlijkse contingenten voor de jaren 1983, 1984, 1985 en 1986 bij verordening nr . 604/83 van de Raad van 14 maart 1983 definitief was vastgesteld en dat alleen de omvang van dat contingent voor 1986 nog moest worden vastgesteld .
11 . In de tweede plaats lijdt het geen twijfel, gelijk de Commissie opmerkt, dat een weigering harerzijds om met de afgifte van invoercertificaten in te stemmen voordat de Raad het contingent voor 1986 had vastgesteld, de importen zou hebben onderbroken en dus in strijd met de belangen van handelaren en consumenten zou zijn geweest .
12 . In een ander verband overwoog het Hof reeds, dat de Gemeenschap onder alle omstandigheden in staat moet blijven, haar verantwoordelijkheden waar te maken ( 4 ).
13 . Ook in voorgaande jaren had de Commissie reeds de afgifte van vergunningen toegestaan voordat het contingent was vastgesteld . De door de Commissie voorgestelde en door de Raad vastgestelde hoeveelheid was steeds ruim voldoende gebleken en er bestond geen aanleiding om a priori aan te nemen, dat dit in 1986 niet het geval zou zijn .
14 . De Commissie mocht zich dus bevoegd achten, de gevraagde invoervergunningen telkens toe te staan overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, lid 3, van verordening nr . 3656/83 . Dit heeft zij gedaan totdat zij moest vaststellen, dat de totale hoeveelheid bij haar binnengekomen aanvragen hoger was dan het restant van het door haar voorgestelde contingent van 200 000 ton . Daarop verzond zij haar mededeling van 20 februari 1986 .
15 . a ) Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven wenst thans in de eerste plaats te vernemen, of deze mededeling in strijd is met verordening nr . 3656/83 . In de overwegingen van zijn verwijzingsuitspraak verklaart het College : "Voorts rijst in dit verband de vraag of de Commissie de termijn genoemd in lid 3 van dit artikel 2 al dan niet in acht heeft genomen ."
16 . De verwijzende rechter vraagt zich dus kennelijk af of de Commissie, nadat zij eenmaal begonnen was certificaten af te geven zonder de inwerkingtreding van de verordening van de Raad af te wachten, niet had moeten doorgaan met elke vrijdag te besluiten over de haar in de loop van de voorgaande week doorgezonden aanvragen, totdat de door haar aan de Raad voorgestelde hoeveelheid geheel was uitgeput .
17 . Op het eerste gezicht kon deze plotselinge onderbreking van de vervroegde toepassing van de verordening inderdaad verbazing wekken . Indien de Commissie echter als voorheen was blijven besluiten op de aan haar voorgelegde verzoeken, had zij het restant van het contingent in zijn geheel volgens de evenredigheidsregel moeten verdelen .
18 . Mijns inziens heeft de Commissie terecht willen vermijden, dat het contingent volledig uitgeput raakte voordat het bij verordening nr . 758/86 van de Raad van 10 maart 1986 formeel zou worden vastgesteld . Weliswaar betreft het hier geen echte toepassing van een voorschrift met terugwerkende kracht - reeds in 1983 was bij verordening nr . 604/83 van de Raad van 14 maart 1983 besloten dat ook voor 1986 een tariefcontingent voor maniokwortels zou worden geopend -, maar door de vervroegde afgifte van de invoervergunningen moest de verordening van de Raad tot vaststelling van de omvang van het contingent voor 1986 noodzakelijkerwijs grotendeels terugwerkende kracht hebben . Indien het gehele contingent vóór de inwerkingtreding van de verordening was verdeeld, zou deze er slechts toe hebben gediend, reeds genomen besluiten achteraf te formaliseren, hetgeen moest worden vermeden .
19 . Voorts was het theoretisch niet uitgesloten, dat de Raad het contingent op minder dan 200 000 ton zou vaststellen . De Commissie moest derhalve een veiligheidsmarge aanhouden . Indien de Raad daarentegen een contingent van meer dan 200 000 ton had vastgesteld, had de Commissie de aanvragen ongetwijfeld in volle omvang kunnen toewijzen zonder de evenredigheidsregel toe te passen . Er waren derhalve uitstekende argument die pleitten voor onderbreking van de afgifte van de vergunningen .
20 . Verzoeksters geven in hun opmerkingen overigens zelf toe, dat het niet redelijk zou zijn geweest wanneer de Commissie, vanaf het tijdstip waarop de aangevraagde hoeveelheden te zamen met de reeds toegewezen hoeveelheden het door de Commissie vastgestelde contingent overschreden, over deze aanvragen was blijven beslissen voordat zij de uiteindelijke beslissing van de Raad kende .
21 . Ik meen derhalve, dat de Commissie niet heeft gehandeld in strijd met verordening nr . 3656/83 door in haar mededeling van 20 februari 1986 te beslissen, dat "geen verdere certificaten meer konden worden afgegeven zolang de Raad de verordening houdende vaststelling van het tariefcontingent voor 1986 niet had aangenomen ". Aangezien de Commissie, vooruitlopend op het besluit van de Raad, eenzijdig en onverplicht certificaten had verleend en er vervolgens zwaarwegende redenen bestonden om deze afgifte niet voort te zetten, was zij gerechtigd om er een einde aan te maken .
22 . Ik zal bij de behandeling van de tweede vraag van het College van Beroep onderzoeken, of de Commissie vervolgens mocht aannemen dat deze aanvragen eerst prioriteit kregen op de datum waarop zij werden bevestigd .
23 . b ) Is de mededeling van de Commissie van 20 februari 1986 in strijd met het discriminatieverbod van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag?
24 . Ook op dit punt erkennen verzoeksters in het hoofdgeding, dat de mededeling op zich niet discriminerend was; zij menen echter dat zij moet worden gezien in verband met het latere besluit . Mijn mening luidt daarentegen, dat het telexbericht niet noodzakelijkerwijs vooruit liep op het uiteindelijke besluit, en dat het op dat tijdstip nog mogelijk was dat de door verzoeksters op 12 en 20 februari 1986 ingediende aanvragen naderhand zouden worden toegewezen op grond van de datum van indiening ervan .
25 . c ) Ten slotte wenst de nationale rechter te vernemen, of bedoeld telexbericht in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel .
26 . In dit verband wil ik opmerken, dat de Commissie bij stringente toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel veeleer geen aanvraag had moeten inwilligen vóór de inwerkingtreding van de verordening van de Raad . Verzoeksters kunnen zich moeilijk op het rechtszekerheidsbeginsel beroepen, nu de Commissie dit immers soepel heeft toegepast om aan hun belangen en die van andere importeurs te kunnen voldoen . De mededeling van 20 februari heeft er juist toe bijgedragen om in het belang van de rechtszekerheid meer duidelijkheid te scheppen .
27 . Voor het overige wil ik er nogmaals op wijzen, dat de mededeling van de Commissie van 20 februari 1986 op zich niet vooruit liep op de uiteindelijke afhandeling van verzoeksters' aanvragen .
28 . Met betrekking tot de eerste vraag kom ik derhalve tot de conclusie, dat de Commissie in haar mededeling van 20 februari 1986 niet in strijd met verordening nr . 3656/83 noch met het discriminatieverbod of het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld .
II - De tweede vraag
29 . Zoals gezegd, deelde de Commissie het Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten per telexbericht van 21 maart 1986 mee, dat "de termijn voor de indiening van invoercertificaten tot 24 maart 1986 is verlengd voor eventuele belangstellenden die nog niet om afgifte van certificaten hebben verzocht; de Lid-Staten wordt voorts verzocht binnen die termijn de reeds eerder ingediende aanvragen te bevestigen . De Commissie zal dus op 25 maart 1986 naar evenredigheid van de aanvragen de hoeveelheden vaststellen waarvoor certificaten worden afgegeven ."
30 . Op 25 maart 1986 machtigde de Commissie het Hoofdproduktschap, de gevraagde certificaten af te geven ten belope van 4,191315 % van de gevraagde hoeveelheden . Deze laatste mededeling ligt ten grondslag aan de besluiten van het Hoofdproduktschap, waarin de op 12 en 20 februari door Krohn aangevraagde en door deze op 21 maart bevestigde invoervergunningen alsmede de op 24 maart 1986 gevraagde aanvullende vergunningen voor 25 000 ton voor slechts 4,191315 % werden toegewezen . Ten einde een zinnig antwoord op de tweede vraag van het College van Beroep te kunnen geven, moet ik derhalve de mededeling van de Commissie van 25 maart 1986 bij mijn onderzoek betrekken .
31 . a ) Is het door de Commissie in maart 1986 ingenomen standpunt in strijd met artikel 2 van verordening nr . 3656/83?
"In dit verband", aldus het College van Beroep voor het Bedrijfsleven in de overwegingen van zijn verwijzingsuitspraak, "rijst onder meer de vraag of de Commissie had mogen bevorderen dat nieuwe aanvragen om invoerlicenties werden ingediend bij de bevoegde instanties van de Lid-Staten . Voorts rijst de vraag of door de Commissie met deze nieuwe aanvragen, bij toepassing van de verdeling naar evenredigheid als bedoeld in lid 3 van genoemd artikel 2, rekening had mogen worden gehouden ten nadele van degenen die al op 12 en 20 februari 1986 aanvragen om invoertcertificaten hadden ingediend ."
32 . Met betrekking tot de eerste van deze twee vragen ben ik van mening, dat de Commissie nauwelijks kan worden verweten dat zij de indiening van nieuwe aanvragen om certificaten bij de bevoegde instanties van de Lid-Staten heeft bevorderd . De Commissie moest immers rekening houden met de mogelijkheid, ook al was die wellicht zuiver theoretisch, dat niet alle tussen 11 en 20 februari 1986 voor een hoeveelheid van 87 020,261 ton ingediende aanvragen zouden worden bevestigd . Indien de bevestigde aanvragen beneden de 70 000 ton waren gebleven, had het restant kunnen worden gebruikt om naar evenredigheid te voldoen aan de nieuwe aanvragen .
33 . Daarentegen heeft de Commissie mijns inziens ten onrechte dezelfde behandeling toegepast op de bevestigde aanvragen en de nieuwe aanvragen, door in alle gevallen hetzelfde verminderingspercentage toe te passen .
34 . De Commissie was namelijk gebonden aan haar eigen verordening nr . 3656/83, waarvan artikel 2, lid 3, bepaalt dat de certificaten van week tot week worden toegekend .
35 . Om bovengenoemde redenen kan de Commissie niet worden verweten, dat zij de vervroegde toepassing van deze verordening op 20 februari 1986 heeft stopgezet; zij had daarbij echter niet uit het oog mogen verliezen, dat bepaalde aanvragen haar door de nationale autoriteiten reeds waren toegezonden op een tijdstip waarop zij deze vervroegde toekenning nog niet had beëindigd .
36 . Derhalve dienden de door verzoeksters op 12 en 20 februari 1986 ingediende aanvragen de rangorde te behouden waarop zij op grond van de datum van indiening recht hadden . De Commissie had éérst een besluit moeten nemen over de bevestigde aanvragen en pas daarna rekening mogen houden met de nieuwe aanvragen .
37 . Wanneer op 25 maart 1986 de totale hoeveelheid van de bevestigde aanvragen de resterende 70 000 ton van het contingent had overschreden, had de Commissie deze 70 000 ton moeten toewijzen naar evenredigheid van de in de bevestigde aanvragen gevraagde hoeveelheden, zelfs wanneer in dat geval op 25 maart 1986 geen enkele nieuwe aanvraag ook maar gedeeltelijk had kunnen worden toegewezen .
38 . Het is natuurlijk niet uitgesloten, dat deze handelwijze had kunnen leiden tot beroepen van handelaren die hun aanvragen zagen afgewezen . Dat was dan echter slechts een van de mogelijke gevolgen van het besluit van de Commissie om het contingent vervroegd te verdelen en van de daarmee door haar aanvaarde risico' s . Er bestond helaas geen geheel bevredigende oplossing voor de problemen ontstaan door het te late besluit van de Raad .
39 . Ter terechtzitting heeft de Commissie betoogd dat zij, wanneer zij voorrang had toegekend aan de oude aanvragen, ook de periode van vier weken tussen 20 februari en 21 maart "kunstmatig had moeten reconstrueren ".
40 . Dit argument vind ik niet overtuigend . Er bestaat namelijk een groot verschil tussen de aanvragen die , zoals die van verzoeksters, bij de nationale autoriteiten waren ingediend en aan de Commissie doorgegeven voordat deze besloot om de vervroegde toewijzing van de certificaten stop te zetten, en de aanvragen die handelaren wellicht nadien bij de nationale autoriteiten hadden willen indienen, doch die deze autoriteiten in verband met dit zelfde besluit van de Commissie moesten weigeren in te schrijven en door te geven .
41 . Ten slotte is het vermeldenswaard dat, gelijk ter terechtzitting is gebleken, de Commissie zelf het bij de uitvoering van verordening nr . 1898/86 van de Raad van 17 juni 1986, waarbij het contingent op 300 000 ton werd gebracht, nodig heeft geacht voorrang toe te kennen aan de produkten die zich, op de dag van inwerkingtreding van deze verordening, in een douane-entrepot of in een vrije zone bevonden .
42 . Mitsdien moet ik concluderen dat de Commissie, door geen voorrang toe te kennen aan de aanvragen die haar waren doorgegeven vóór haar besluit om de vervroegde toekenning te beëindigen, geen juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 2, leden 2 en 3, van verordening nr . 3656/83, bepalende dat de toewijzing van week tot week dient te geschieden .
43 . Gelet op deze conclusie behoeft niet meer te worden onderzocht, of de besluiten van de Commissie van 21 en 25 maart 1986 in strijd waren met het discriminatieverbod of het rechtszekerheidsbeginsel . Ik ga derhalve zuiver subsidiair in op deze vraag .
44 . b ) Strijd met het discriminatieverbod
45 . Uit het bovenstaande volgt dat de Commissie, door geen onderscheid te maken tussen de aanvragen die slechts een bevestiging van eerdere aanvragen vormden en de na 21 maart 1986 ingediende, nieuwe aanvragen, situaties die niet vergelijkbaar waren gelijk heeft behandeld .
46 . Volgens de rechtspraak van het Hof is niet alleen als discriminatie te beschouwen het verschil in behandeling van gelijke situaties, doch ook het gelijk behandelen van ongelijke situaties ( 5 ).
47 . c ) Strijd met het rechtszekerheidsbeginsel
48 . De eerbiediging van het beginsel van rechtszekerheid verlangt onder meer, dat elke feitelijke situatie behoudens uitdrukkelijke bepaling van het tegendeel als regel wordt beoordeeld volgens de op het desbetreffende tijdstip geldende bepalingen ( zie arrest van 12 oktober 1978, zaak 10/78, Belbouab, Jurispr . 1978, blz . 1915, 1924, r.o . 7 ).
49 . In casu heeft de Commissie in haar besluiten van 21 en 25 maart 1986 buiten beschouwing gelaten, dat zij op het tijdstip waarop verzoeksters' aanvragen haar werden doorgegeven ( op 13 en 20 februari 1986 ), de vervroegde toepassing van de in artikel 2, leden 2 en 3, van verordening nr . 3656/83 voorziene regeling nog niet had stopgezet . Bijgevolg moesten deze aanvragen op grond van het rechtszekerheidsbeginsel de rangorde genieten die voortvloeide uit de datum waarop zij aan de Commissie waren doorgegeven .
50 . Ten slotte nog een enkel woord over een hiermee verwant probleem dat door het College van Beroep aan de orde is gesteld, namelijk de vraag in hoeverre verordening nr . 1898/86 van de Raad van 17 juni 1986, waarbij het contingent op 300 000 ton werd gebracht, in casu een rol kan spelen .
51 . Op grond van deze verordening heeft verweerder namelijk aanvullende invoercertificaten aan Krohn verstrekt .
52 . Mijns inziens is dit punt slechts relevant in het kader van het onderzoek van de schadevordering die verzoeksters in het hoofdgeding eveneens bij het College van Beroep hebben ingediend .
Conclusie
53 . Op grond van bovenstaande overwegingen geef ik het Hof in overweging, de vragen van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven te beantwoorden als volgt :
"1 ) Bij onderzoek van de eerste vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die afbreuk kunnen doen aan de geldigheid van de mededeling van de Commissie van 20 februari 1986 .
2 ) Met haar mededelingen van 21 en 25 maart 1986 heeft de Commissie gehandeld in strijd met artikel 2, lid 3, van verordening nr . 3656/83 en, subsidiair, met het discriminatieverbod en het rechtszekerheidsbeginsel ."
(*) Vertaald uit het Frans .
( 1 ) Verordening nr . 604/83 van de Raad van 14 maart 1983 betreffende de invoerregeling die voor de jaren 1983 tot en met 1986 geldt voor de produkten van post 07.06 A van het gemeenschappelijk douanetarief en houdende wijziging van verordening nr . 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief ( PB 1983, L 72, blz . 3 ).
( 2 ) Verordening nr . 758/86 van de Raad van 10 maart 1986 betreffende de invoerregeling die voor 1986 geldt voor de produkten van post 07.06 A GDT van oorsprong uit niet bij de GATT aangesloten derde landen ( PB 1986, L 72, blz . 1 ).
( 3 ) Verordening nr . 3656/83 van de Commissie van 23 december 1983 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor 1984, 1985 en 1986 voor produkten van post 07.06 A GDT, van oorsprong uit andere derde landen dan Thailand ( PB 1983, L 361, blz . 32 ).
( 4 )
Zie hiertoe het arrest van 5 mei 1983, zaak 804/79, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr . 1981, blz . 1045, r.o . 23 .
( 5 ) Arresten van 4 februari 1982, zaak 817/79, Buyl/Commissie, Jurispr . 1982, blz . 245, 266, en zaak 1253/79, Battaglia/Commissie, Jurispr . 1982, blz . 297, 322 .
Full & Egal Universal Law Academy