Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Op 4 juni 1986 diende J . Koutchoumoff een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut in, waarin hij stelde dat op 2 juni 1986 tegen hem geweld was gebruikt door zijn hiërarchieke meerdere, Chr . Wilkinson, en waarin hij de Commissie verzocht een tuchtprocedure tegen laatstgenoemde in te stellen . Toen dit verzoek stilzwijgend werd afgewezen, diende verzoeker op 27 november 1986 een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut in . Ook deze klacht is door de Commissie stilzwijgend afgewezen . Daarop wendde verzoeker zich tot het Hof, met het verzoek :
a ) nietig te verklaren het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn klacht;
b ) vast te stellen dat de Commissie zijn verzoek en zijn klacht niet met de nodige spoed heeft onderzocht;
c ) de Commissie te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden morele en materiële schade .
I - De ontvankelijkheid
2 . De Commissie onthaalde het beroep op een waar "spervuur" van excepties van niet-ontvankelijkheid, zodat het onderzoek van de procedurekwesties - waarvan sommige mijns inziens doen blijken van buitensporig formalisme en van dwarsdrijverij - uiteindelijk het overwicht krijgt op de beoordeling van de grond van de zaak .
3 . A - De Commissie betoogt allereerst, dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat het is gericht tegen een stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van een administratieve klacht . Volgens de rechtspraak van het Hof ( zie de arresten van 28 mei 1980, gevoegde zaken 33 en 75/79, Kuhner, Jurispr . 1980, blz . 1677 en 9 december 1982, zaak 191/81, Plug, Jurispr . 1982, blz . 4229, 4245 ) vormt een dergelijk besluit immers slechts een bevestiging van het eerdere handelen - of stilzitten - waarover de betrokkene zich beklaagt, en is het als zodanig geen voor bestrijding vatbare handeling .
4 . Mijns inziens kan die exceptie niet slagen . Allereerst blijkt uit de conclusie van het beroep, en vooral uit de motivering ervan, dat het beroep in het onderhavige geval in feite is gericht tegen het besluit van de Commissie om betrokkene de op grond van artikel 24 van het Statuut gevraagde bijstand niet te verlenen . Bijgevolg mag worden aangenomen, dat verzoeker wilde opkomen tegen de twee besluiten waarin - zoals uit het beroepschrift zelf blijkt - de weigering van de bijstand is geconcretiseerd, dat wil zeggen het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn verzoek van 4 juni 1986 en het eveneens stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn klacht van 27 november 1986 .
5 . Met uw goedvinden wil ik nog enkele meer algemene opmerkingen maken over het betoog van de Commissie . Het lijdt geen twijfel, dat de afwijzing van een administratieve klacht een bevestiging is van het eraan voorafgaande besluit dat reeds het voorwerp van de klacht was . Het lijkt mij evenwel onjuist, het processuele beginsel dat louter bevestigende handelingen niet voor bestrijding vatbaar zijn, toe te passen op het besluit tot afwijzing van de klacht . Zoals bekend, strekt dat beginsel ertoe te voorkomen dat een wegens het verstrijken van de beroepstermijnen definitief geworden handeling toch nog wordt bestreden . Dat zou met name het geval zijn, wanneer degene tot wie het reeds definitief geworden besluit was gericht, zou proberen door middel van een nieuw verzoek een besluit met dezelfde inhoud als het eerste uit te lokken om er dan een beroep in rechte tegen in te stellen . Wanneer een ambtenaar evenwel tijdig een administratieve klacht indient, is dat uiteraard geen kunstgreep om de regeling van openbare orde betreffende de beroepstermijnen te omzeilen . Integendeel, volgens het Statuut is hij verplicht om vooraf een administratieve klacht in te dienen, ten einde de mogelijkheid om zich naderhand tot het Hof te wenden, te vrijwaren . Het besluit tot afwijzing van de klacht is evenmin een middel waarmee betrokkene zich op slinkse wijze een beroepsweg poogt te openen die hij anders niet zou hebben, maar integendeel een wezenlijke voorwaarde voor de ontvankelijkheid van het beroep ( artikel 91, lid 2, van het Statuut ).
6 . Gelet op het voorgaande, kan de stelling, dat het besluit tot afwijzing van de klacht op zichzelf een niet voor bestrijding vatbare handeling is omdat zij slechts bevestiging van de bestreden handeling vormt, mijns inziens niet worden bijgetreden . Dit lijkt overigens ook perfect in overeenstemming met de letter van het Statuut : artikel 90, lid 2, bepaalt immers, dat tegen een stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing "beroep kan worden ingesteld ".
7 . Voorts kan het nuttig zijn, eraan te herinneren dat in bepaalde rechtsorden, zoals de Italiaanse en Franse, die het systeem van de "verplichte voorafgaande administratieve klacht" nochtans kennen of gekend hebben, nooit is betwijfeld dat - stilzwijgende of uitdrukkelijke - besluiten tot afwijzing van een klacht, voor bestrijding vatbare handelingen zijn . ( 1 )
8 . De arresten van 28 mei 1980 en 9 december 1982 hebben mijns inziens niet de relevantie die de Commissie eraan toekent . In de zaak Kuhner waren immers twee besluiten tot afwijzing van de klacht, een stilzwijgend en - later - een uitdrukkelijk, genomen; tegen de twee afwijzende besluiten was een afzonderlijk beroep in rechte ingesteld . In die zaak had de Commissie terecht opgeworpen, dat het tweede besluit het eerste afwijzend besluit bevestigde en dat het tweede beroep derhalve niet-ontvankelijk was . De zaken lagen echter anders dan in het onderhavige geval; enerzijds ging het om twee besluiten tot afwijzing van dezelfde klacht ( en niet om twee afwijzende besluiten, waarvan het ene het "verzoek" en het andere de "klacht" betrof ), en anderzijds waren er twee - in wezen identieke - beroepen in rechte ingesteld, waarvan het tweede op grond van het beginsel ne bis in idem niet-ontvankelijk was .
In de zaak Plug had de rechtsvordering tot nietigverklaring van het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van de klacht dezelfde inhoud als de andere vorderingen die in het kader van hetzelfde beroep waren gericht tegen de basisbesluiten waarop de klacht betrekking had . Om redenen van proceseconomie was het in die zaak dus mogelijk, de eerste vordering buiten beschouwing te laten en ten gronde enkel uitspraak te doen over de andere vorderingen, die hoe dan ook hetzelfde voorwerp hadden .
Kortom, in de twee genoemde zaken was het beroep ( of de vordering ) betreffende het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van de klacht, de herhaling van een ander beroep ( of een andere vordering ) in rechte . Dat betekent, dat de niet-ontvankelijkheid van het eerste beroep - over het tweede had het Hof zich in ieder geval uit te spreken - de rechtsweg niet volledig blokkeerde, hetgeen in casu wel het geval zou zijn .
9 . Ten slotte herinner ik eraan, dat er tegenover genoemde zaken andere staan, waarin de Commissie noch het Hof hebben getwijfeld aan de ontvankelijkheid van beroepen die enkel tegen een besluit tot afwijzing van een klacht waren gericht ( een voorbeeld dat bijzonder dicht bij het onderhavige geval ligt, is te vinden in het arrest van 14 juni 1979, zaak 18/78, V ., Jurispr . 1979, blz . 2093 ).
10 . B - In de tweede plaats merkt de Commissie op, dat verzoeker zich in zijn administratieve klacht niet uitdrukkelijk op artikel 24 van het Statuut heeft beroepen en niet de minste schadevergoeding heeft gevorderd . Het later ingestelde beroep zou dus geheel of ten dele niet-ontvankelijk zijn, voor zover het daarin gaat om nieuwe punten ( respectievelijk : de schending van artikel 24 en de vordering tot schadevergoeding ) die in de precontentieuze fase niet ter sprake waren gebracht .
11 . Ik wil er meteen op wijzen, dat deze proceduremiddelen doen blijken van een te formalistische uitlegging van het beginsel dat de administratieve klacht en het latere beroep in rechte hetzelfde onderwerp en dezelfde rechtsgrondslag moeten hebben . Die uitlegging lijkt mij niet in overeenstemming met de geest van de Statuutsbepalingen, zoals die in de rechtspraak van het Hof is gepreciseerd .
Dienaangaande wil ik het volgende opmerken . Vorm en inhoud van een klacht zijn niet aan bepaalde regels gebonden . Gelijk het Hof in zijn arrest van 9 maart 1978 ( zaak 54/77, Herpels, Jurispr . 1978, blz . 585, r.o . 46 en 47 ) overwoog, "gaat het bij de in artikel 90 van het Statuut geregelde preliminaire fase om een debat tussen de, zonder bijstand van een advocaat optredende, ambtenaar en de administratie"; daaruit volgt "dat de eventuele klachten aan geen enkel vormvoorschrift zijn onderworpen en haar inhoud door de administratie moet worden geïnterpreteerd en verstaan met de zorgvuldigheid die een grote en deugdelijk toegeruste organisatie jegens haar justitiabelen, met inbegrip harer personeelsleden, betaamt ".
12 . Dat strookt overigens met het specifieke doel van de precontentieuze fase, te weten de instelling in staat stellen kennis te nemen van de kern van de grieven en verlangens van de ambtenaar, zodat eventuele geschillen in der minne en binnen de administratie zelf kunnen worden geregeld, zonder dat de zaak voor de rechter behoeft te worden gebracht .
Het beginsel dat de klacht en het beroep hetzelfde onderwerp en dezelfde rechtsgrondslag moeten hebben, mag dus niet zo strikt worden uitgelegd, dat het de aard van de procedure van artikel 90, lid 2, van het Statuut wijzigt door die procedure, die was opgevat als een middel om het geschil "vooraf in der minne te regelen", om te vormen tot een soort voorafspiegeling van de latere contentieuze fase .
13 . Daaruit volgt dat, gelijk het Hof meermaals heeft overwogen ( zie de arresten van 23 januari 1986, zaak 173/84, Rasmussen, Jurispr . 1986, blz . 197; 7 mei 1986, zaak 52/85, Rihoux, Jurispr . 1986, blz . 1555; 23 oktober 1986, zaak 142/85, Schwiering, Jurispr . 1986, blz . 3199 en 20 mei 1987, zaak 242/85, Geist, Jurispr . 1987, blz . 2181 ), de inhoud van de klacht de omvang van een eventueel beroep in rechte niet nauwkeurig en definitief afbakent . De betrokkene mag de grieven die hij in de voorafgaande fase reeds had toegelicht, vóór de rechter preciseren en ontwikkelen door middelen en argumenten aan te voeren die, ofschoon niet in de klacht zelf vermeld, daarmee nauw verband houden . Met andere woorden, de ambtenaar dient in zijn klacht niet alle technisch-juridische implicaties van zijn vordering te vermelden . Het staat veeleer aan de instelling - die de mogelijkheid en de verplichting daartoe heeft - die implicaties op te sporen en te beoordelen "met de zorgvuldigheid die een grote en deugdelijk toegeruste organisatie jegens haar justitiabelen betaamt ". Hieruit moet worden geconcludeerd dat, binnen de hiervoor genoemde grenzen, in de contentieuze fase nieuwe vorderingen en middelen kunnen worden ontvangen, mits zij objectief verband houden met de inhoud van de klacht die aan de administratie ter onderzoek was voorgelegd .
14 . A contrario redenerend, wil ik vervolgens opmerken, dat een andere oplossing, die dus de nadruk legt op de verplichting voor de ambtenaar om de inhoud van zijn klacht te preciseren, onbillijke gevolgen dreigt te hebben voor de bescherming van diens rechten . De ambtenaar zou dan immers verplicht zijn om reeds in zijn klacht alle vorderingen en middelen te vermelden die hij eventueel tijdens de contentieuze fase wil doen gelden, terwijl de instelling er zich gemakkelijk vanaf zou kunnen maken door de klacht ( net als overigens een eventueel voorafgaand verzoek ) stilzwijgend af te wijzen, zodat zij elke uitspraak over de inhoud ervan vermijdt maar wel de mogelijkheid behoudt om een later beroep in rechte te beletten, door zich te beroepen op de niet-ontvankelijkheid van de gevolgtrekkingen die in de precontentieuze fase niet waren geëxpliciteerd .
15 . Tegen de achtergrond van deze opmerkingen zal ik genoemde excepties van niet-ontvankelijkheid één voor één onderzoeken . Met betrekking tot de exceptie ontleend aan het feit dat in de klacht niet uitdrukkelijk naar artikel 24 van het Statuut is verwezen, behoeft slechts te worden opgemerkt, dat dit niet relevant lijkt, daar verzoeker, door in de loop van de precontentieuze fase gewag te maken van het geweld dat zijn hiërarchieke meerdere tegen hem had gebruikt en door de Commissie om disciplinaire maatregelen te verzoeken, impliciet de bijstand van de Commissie in verband met het geleden onrecht had gevraagd . Bijgevolg faalt die exceptie .
16 . Met betrekking tot de exceptie gebaseerd op het feit dat de schadevordering een nieuwe vordering is, blijkt uit het beroepschrift, en nog duidelijker uit de repliek, dat die vordering in feite uit drie verschillende onderdelen bestaat . Ik zal ze afzonderlijk onderzoeken .
17 . a ) Verzoeker stelt allereerst met een beroep op artikel 24, tweede alinea, van het Statuut, dat de instelling solidair aansprakelijk is voor de door de agressor veroorzaakte schade . De schadevergoedingsplicht waarin die bepaling voorziet, is slechts één aspect van de veel ruimere bijstand waartoe de administratie jegens haar ambtenaren gehouden is . Zoals gezegd, appelleerde verzoekers klacht juist aan die plicht van de Commissie . Dat hij zich voor de rechter op de specifieke schadevergoedingsplicht beroept, vormt mijns inziens derhalve geen nieuwe vordering ten opzichte van wat hij in de precontentieuze fase vroeg . Overigens moet mijns inziens worden aangenomen, dat de Commissie zeer wel in staat was te beseffen dat het in de klacht in algemene bewoordingen geformuleerde verzoek om bijstand gevolgen kon hebben op het gebied van de schadevergoeding in de zin van artikel 24, tweede alinea, van het Statuut .
18 . b ) Vervolgens stelt verzoeker, dat de Commissie aansprakelijk is voor de schade die hij ten gevolge van het besluit tot afwijzing van zijn klacht heeft geleden; dat besluit is zijns inziens ongeldig wegens schending van artikel 24 van het Statuut . Het staat buiten kijf, dat hij hiervoor in zijn klacht geen schadevergoeding heeft gevorderd . Het valt echter evenmin te betwijfelen, dat de schadevordering accessoir is aan de vordering tot nietigverklaring van het bezwarend besluit, daar zij op dezelfde causa petendi ( schending van artikel 24 van het Statuut ) berust . Deze nauwe band blijkt overigens ook uit de omstandigheid dat de eventuele niet-ontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring onvermijdelijk de niet-ontvankelijkheid van de vordering tot schadevergoeding meebrengt . Voor de ontvankelijkheid van de schadevordering volstaat het dus, dat "de handeling die later in rechte wordt aangevochten, in het bij de administratie ingediende klaagschrift onrechtmatig wordt genoemd" ( zie de conclusie van advocaat-generaal Capotorti in zaak 167/80, Curtis, Jurispr . 1981, blz . 1533, arrest van 4 juni 1981, Jurispr . 1981, blz . 1499 ).
19 . Dit verdraagt zich overigens met wat hiervoor is gezegd met betrekking tot de aard en het doel van het systeem van de statutaire beroepswegen . Immers, zodra de ambtenaar zich in zijn klacht op de onwettigheid van een handeling heeft beroepen, moet de administratie beseffen, dat die onwettigheid, eens zij vaststaat, de aansprakelijkheid van de administratie voor de schadelijke gevolgen van de betrokken handeling kan meebrengen . Het Hof heeft zich in die zin uitgesproken in zijn arrest van 22 oktober 1975 ( zaak 9/75, Meyer-Burckhardt, Jurispr . 1975, blz . 1171 ), waarin het overwoog, dat de betrokkene in geval van afwijzing van een klacht betreffende de wettigheid van een hem bezwarend besluit zich tot het Hof kan wenden, zowel ter zake van de wettigheid van de handeling zelf als als ter zake van de eventueel daaruit voortvloeiende geldelijke gevolgen . Het arrest van 9 maart 1978 ( zaak 54/77, Herpels, Jurispr . 1978, blz . 585 ) is nog duidelijker : met betrekking tot de ontvankelijkheid van een schadevordering die niet in de voorafgaande administratieve klacht was geformuleerd, overwoog het Hof :
"...
dat uit het verzoekschrift blijkt, dat deze vordering slechts is ingesteld voor het geval de bestreden weigering zou worden vernietigd, zodat zij niet reeds in de door verzoeker tot verweerster gerichte klachten uitdrukkelijk behoefde te worden vermeld;
dat het bovendien van belang is dat het Hof over de gegrondheid van zodanige vorderingen uitspraak kan doen;
dat verzoeker derhalve in zijn vordering tot schadevergoeding dient te worden ontvangen ."
20 . Het is juist, dat het Hof in zijn arrest van 4 juli 1985 ( zaak 174/83, Amman, Jurispr . 1985, blz . 2133 ) anders besliste en concludeerde tot de niet-ontvankelijkheid van een vordering tot vergoeding van schade ( voortvloeiend uit de gevolgen van de muntontwaarding ten aanzien van een te laat betaalde geldschuld ) die niet in de voorafgaande klacht was geformuleerd . Het is overigens merkwaardig, dat het Hof daarvoor verwijst naar een rechtsoverweging van het arrest Meyer-Burckhardt, waarin het - zoals gezegd - op dit punt tot de tegenovergestelde conclusie kwam, namelijk de niet-ontvankelijkheid van de vordering tot schadevergoeding én tot nietigverklaring, uitsluitend op grond dat het beroep niet binnen de termijn van drie maanden na de afwijzing van de klacht was ingesteld . Afgezien van deze eigenaardigheid blijft het zo, dat het standpunt van het Hof in het arrest Amman lijkt te zijn ingegeven door een zeer rigiede opvatting van de regel van de overeenstemming tussen precontentieuze en contentieuze fase . Zoals gezegd, dreigt die opvatting de op de ambtenaar rustende last te verzwaren zonder perken te stellen aan de grote vrijheid die de administratie ter zake van de vorm en de inhoud van haar antwoorden op administratieve klachten heeft . Het lijkt mij dan ook beter, het arrest Amman te beschouwen als een alleenstaand geval en niet als een teken dat het Hof is teruggekomen van zijn standpunt in de zaken Meyer-Burckhardt en Herpels .
Derhalve meen ik, dat de schadevordering die verzoeker op basis van de onwettigheid van het door de Commissie jegens hem genomen afwijzend besluit heeft ingesteld, ontvankelijk is .
21 . Voorts moet worden opgemerkt, dat deze specifieke schadevordering volgens de Commissie ook niet-ontvankelijk is omdat zij accessoir is aan een eveneens niet-ontvankelijke vordering tot nietigverklaring . Dit argument is uiteraard ongegrond, omdat de vordering tot nietigverklaring - zoals gezegd - ontvankelijk is . Door te wijzen op het accessoir karakter van de ene vordering ten opzichte van de andere, verzwakt de Commissie bovendien haar stelling, dat de schadevordering reeds in de klacht moest zijn geformuleerd .
22 . c ) In de derde plaats vordert verzoeker vergoeding van de schade veroorzaakt door de onzorgvuldigheid waarmee de administratie zijn verzoek heeft behandeld . Deze schadevordering verschilt van de twee vorige en is gebaseerd op de aansprakelijkheid van de administratie, niet uit hoofde van een onrechtmatige handeling, maar wegens een schuldige nalatigheid, die in het algemeen bestaat in het niet tijdig treffen van bepaalde maatregelen .
23 . Volgens de rechtspraak van het Hof vormt een dergelijke vordering tot schadevergoeding een zelfstandige beroepsweg ( zie het arrest van 13 juli 1972, zaak 79/71, Heinemann, Jurispr . 1972, blz . 579, en inzonderheid de conclusie van advocaat-generaal Roemer ) "waaraan toepassingsvoorwaarden zijn gesteld die zijn afgestemd op zijn specifieke doelstelling ". "Voor zodanige vordering geldt de termijn van artikel 91 van het Statuut niet" ( zo achtte het Hof in zijn arrest van 28 mei 1970, gevoegde zaken 19, 20, 25 en 30/69, Richez-Parise, Jurispr . 1970, blz . 325 een bij repliek ingestelde en op dienstfout van de administratie gebaseerde schadevordering ontvankelijk ); daarbij komt dat, aangezien het in casu een beroep in volle omvang betreft, "het Hof, ook indien zulks niet formeel is gevorderd, ... bevoegd is ... zo nodig ( de administratie ) ambtshalve te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de door haar dienstfout veroorzaakte schade" ( zie de arresten van 9 juli 1970, zaak 23/69, Fiehn, Jurispr . 1970, blz . 547 en 27 oktober 1987, gevoegde zaken 176 en 177/86, Houyoux, Jurispr . 1987, blz . 4333 ).
Op basis van deze gegevens kan mijns inziens zonder meer worden geconcludeerd, dat verzoeker de specifieke schadevordering niet in de precontentieuze fase diende te formuleren, te meer daar, alles wel beschouwd, de fout bestaande in de onzorgvuldige behandeling van de klacht, op het ogenblik van de indiening van de klacht nog niet was begaan .
24 . Met betrekking tot de schadevordering merkt de Commissie voorts nog op, dat verzoeker, door het bedrag van zijn vordering in repliek van 2 500 ecu tot 6 050 ecu te verhogen, een nieuwe - en derhalve niet-ontvankelijke - vordering heeft ingesteld . Ik wil er evenwel op wijzen, dat verzoeker in repliek tot staving van de gestelde schade geen andere middelen heeft aangevoerd dan die welke hij in het gedinginleidend stuk - zij het in vage bewoordingen - had vermeld, namelijk de solidaire aansprakelijkheid van de Commissie ex artikel 24 van het Statuut, de schending van de bijstandsplicht en de onzorgvuldigheid bij de instructie van de zaak . Hij heeft die middelen gewoon gepreciseerd en is daarbij tot een andere - en hogere - raming van de schade gekomen . Het gaat dus niet om een nieuwe vordering ( mutatio libelli ), noch om een substantiële wijziging van de oorspronkelijke vordering, maar gewoon om een emendatio ( verbetering ) van deze laatste, die de grondslag noch het voorwerp van de vordering wijzigt en derhalve niet tot gevolg heeft dat een nieuwe materie moet worden onderzocht en dat daardoor het verweer van de tegenpartij wordt bemoeilijkt . Deze laatste heeft haar verweer immers niet eens moeten wijzigen, daar zij er zich in dupliek toe beperkte, haar argumenten betreffende de ongegrondheid van de grieven en aanspraken van verzoeker te herhalen .
Bijgevolg ben ik van mening dat, zonder de rechtvaardigheid en de beginselen van een correct procesverloop geweld aan te doen, kan worden aanvaard dat de schadevordering zoals zij in repliek is gewijzigd, ontvankelijk is .
25 . C - Daarmee kom ik tot de laatste exceptie van niet-ontvankelijkheid die de Commissie ontwerpt .
De Commissie betoogt, dat het beroep niet-ontvankelijk is, voor zover het ertoe strekt van het Hof een arrest te bekomen waarin voor recht wordt verklaard dat de Commissie verplicht is een tuchtprocedure in te leiden .
26 . Gelijk hiervoor gezegd, moet het specifieke verzoek om disciplinaire maatregelen tegen Wilkinson, zoals dat door Koutchoumoff in zijn verzoek en in zijn klacht is geformuleerd, worden gezien als een onderdeel van een ruimer verzoek om effectieve bijstand van de Commissie . Het daaraanvolgende beroep bij het Hof strekt derhalve ertoe, te doen vaststellen de besluiten tot afwijzing van het verzoek en van de klacht onwettig zijn wegens schending van artikel 24 van het Statuut . Bijgevolg lijkt de exceptie mij ongegrond .
27 . Voorts zij erop gewezen, dat het inleiden van een tuchtprocedure in geen geval volstrekt discretionair is, zoals de Commissie stelt . Zo denk ik bij voorbeeld, dat het Hof het niet inleiden van een tuchtprocedure tegen een ambtenaar onwettig zou kunnen oordelen, indien uit die beslissing partijdigheid van de administratie ten gunste van de betrokken ambtenaar zou blijken .
II - Ten gronde
28 . Verzoeker betoogt ten gronde :
a ) dat het besluit tot afwijzing van de klacht in strijd is met artikel 24 van het Statuut;
b ) dat het gebrek aan zorgvuldigheid waarmee de Commissie zijn verzoek heeft behandeld, in ieder geval een ongeoorloofde gedraging is .
Als logisch gevolg van de grieven sub a en b verzoekt hij het Hof bovendien de Commissie te veroordelen tot vergoeding van de hem opgekomen materiële en de morele schade .
29 . Wat de grief sub a aangaat, meen ik dat verzoeker in casu niet op goede gronden kan klagen over een schending van de bijstandsplicht door de Commissie . De Commissie heeft immers terecht rekening gehouden met
- het feit dat Koutchoumoff in zijn verzoek zelf heeft erkend, dat hij aanleiding had gegeven tot de in geding zijnde gebeurtenissen door - overigens in strijd met de dienstvoorschriften - te weigeren het ontvangstbewijs betreffende zijn beoordelingsrapporten voor de tijdvakken 1981-1983 en 1983-1985 te ondertekenen; aan de overhandiging van zijn beoordelingsrapporten had hij zich overigens voorheen reeds stelselmatig onttrokken;
- de omstandigheid dat verzoeker weliswaar de administratie had verzocht hem te verdedigen, doch naderhand zelf elke medewerking had geweigerd door in zijn verzoek noch in het kader van het onderzoek van zijn klacht enig gegeven te verstrekken dat de waarheid van zijn eigen versie van de feiten, en inzonderheid van zijn verklaringen met betrekking tot het door zijn hiërarchieke meerdere gepleegde geweld, kon aantonen .
30 . Het is juist, dat verzoeker ter rechtvaardiging zijn weigering om in de loop van de administratieve fase de namen van getuigen te noemen heeft aangevoerd, dat hij vreesde dat de Commissie pressie zou uitoefenen op die getuigen . Het is niet uit te sluiten, dat die vrees reëel was . Niettemin wil ik opmerken, dat tegen dergelijke pressie, zo zij was uitgeoefend, - net als overigens tegen elk ander gebrek in het administratief onderzoek - normalerwijs bescherming wordt geboden door het geheel van beroepsmiddelen waarin het Statuut voorziet . Dit gevaar voor pressie ontslaat de ambtenaar evenwel niet van de last om de juistheid van zijn verklaringen aan te tonen . Bovendien kan in het onderhavige geval het gevaar dat de Commissie pressie zou uitoefenen, hooguit een rechtvaardiging vormen voor verzoekers terughoudendheid in de administratieve fase, maar niet voor het feit dat hij ook voor de rechter niet het minste element tot staving van zijn stelling, en met name van zijn verzoek om bijstand van de administratie, heeft aangevoerd . Derhalve kan mijns inziens worden geconcludeerd, dat de Commissie artikel 24 van het Statuut niet heeft geschonden door verzoekers klacht af te wijzen .
31 . Mijns inziens levert het afwijzend besluit in casu evenmin een schending op van de zorgplicht in de zin van de rechtspraak van het Hof ( zie het arrest van 23 oktober 1986, zaak 321/85, Schwiering, Jurispr . 1986, blz . 3199 ), te weten de verplichting om niet enkel rekening te houden met het belang van de dienst maar ook met dat van de betrokken ambtenaar . Uit de brief van de heer Hay, directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer, van 15 mei 1987 blijkt, dat de Commissie van oordeel was, dat het incident tot zijn juiste proporties moest worden teruggebracht en dat zij daarom enerzijds verzoekers vordering had afgewezen en anderzijds had beslist niet in te gaan op het verzoek om een tuchtprocedure tegen verzoeker in te stellen . Gelet op het feit dat Koutchoumoff in zijn verzoek zelf heeft erkend, dat hij had geweigerd het ontvangstbewijs betreffende zijn beoordelingsrapporten te ondertekenen - hetgeen schending van een dienstverplichting oplevert -, kan mijns inziens worden geconcludeerd, dat de Commissie, alles bij elkaar genomen, rekening heeft gehouden met verzoekers belang door in het onderhavige geval geen enkele - gunstige of ongunstige - maatregel jegens hem te treffen .
32 . Met betrekking tot de sub b genoemde grief betreffende schending van de zorgvuldigheidsplicht door de Commissie, zij in het algemeen erop gewezen, dat in geval van incidenten die de normale werking van de dienst verstoren, de instelling tijdig, grondig en onpartijdig de nodige verificaties dient te verrichten en passende maatregelen dient te treffen ( zie het arrest van 14 juni 1979, zaak 18/78, V ., Jurispr . 1979, blz . 2093 ). Bij dergelijke incidenten mag de administratie zich dus niet beperken tot het verrichten van de louter preliminaire vaststellingen, zoals het verzamelen van de uiteenlopende verklaringen van de betrokken partijen, doch dient zij eveneens een objectief onderzoek te verrichten, ten einde haar eigen oordeel en haar beslissingen op een soliedere grondslag te kunnen baseren .
33 . Vaststaat, dat in het onderhavige geval een dergelijk onderzoek niet is verricht; bovendien ware het op zijn minst wenselijk geweest dat de Commissie de betrokken ambtenaren eerder bij zich had geroepen, in de plaats van dat eerst na de indiening van de klacht te doen, en dat zij verzoeker haar eigen beoordeling van de feiten expliciet had meegedeeld .
34 . Dit gezegd zijnde, moet worden aangenomen dat de instelling een zekere beoordelingsvrijheid bezit bij het vaststellen van de in een bepaald geval te volgen onderzoeksprocedure; zij is immers de enige die de opportuniteit van haar optreden kan beoordelen met inaanmerkingneming van de context waarin dat optreden zich dient af te spelen .
Zoals gezegd, was de Commissie op grond van de door de betrokkenen verstrekte gegevens in het onderhavige geval van oordeel ( zulks per slot van rekening mede in het belang van verzoeker ), dat het incident tot zijn juiste proporties moest worden teruggebracht . Zij is ongetwijfeld in die overtuiging gesterkt door het feit dat, zoals gezegd, gedurende de hele precontentieuze fase, en overigens ook voor het Hof, geen enkel element is aangevoerd waaruit ontegenzeglijk bleek dat het incident van dien aard was, dat het de normale werking van de dienst kon verstoren .
35 . Uit dit oogpunt bestaat er mijns inziens een aanzienlijk verschil tussen de onderhavige zaak en de zaak V ., waar zekerheid bestond omtrent het feit dat er een hevige twist had plaatsgevonden tussen ambtenaren en dat dezen daarbij lichamelijk letsel hadden opgelopen, en waar bijgevolg het feit dat de Commissie niet stante pede de nodige verificaties had verricht, door het Hof als een schuldige nalatigheid was aangemerkt . Het is echter evident, dat het in die zaak ging om een incident dat reeds op het eerste gezicht veel erger was, ook uit het oogpunt van de eventuele aansprakelijkheid van de betrokken ambtenaren .
36 . De feiten in de onderhavige zaak, zoals zij door partijen zijn weergegeven, zijn mijns inziens evenwel niet van dien aard, dat zij de Commissie geen enkele keuze lieten met betrekking tot de te verrichten onderzoeken en verificaties, te meer daar de instelling van oordeel was, dat het in de gegeven omstandigheden in ieder geval beter was geen enkele maatregel jegens de betrokkenen te treffen .
Ook al had de instelling een diepgaander onderzoek kunnen verrichten ( en in andere omstandigheden had zij dit zeker moeten doen ), toch ben ik van mening, dat zij in onderhavige zaak binnen de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid ten aanzien van de beoordeling van de feiten en situaties is gebleven, en dat haar uiteindelijk geen echte schending van de zorgvuldigheidsplicht kan worden verweten .
37 . Ten slotte is het duidelijk dat, aangezien het optreden van de Commissie niet onrechtmatig was, de schadevordering moet worden afgewezen .
III - Kosten
38 . De Commissie heeft het Hof verzocht verzoeker wegens vexatoir beroep in alle kosten te verwijzen . Mijns inziens dient dit verzoek te worden afgewezen, niet alleen omdat de Commissie naar mijn oordeel op talrijke door haar opgeworpen ontvankelijkheidskwesties in het ongelijk moet worden gesteld, maar ook omdat er een objectief belang bestond om in een zo delicaat geval door het Hof te laten onderzoeken of de instelling bij de behandeling van het verzoek de normale zorgvuldigheid aan de dag had gelegd .
Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging :
a ) het beroep ontvankelijk te verklaren;
b ) het beroep ongegrond te verklaren;
c ) te verstaan dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen .
(*) Oorspronkelijke taal : Italiaans .
( 1 ) Zie Chapus, R .: Droit du contentieux administratif, Parijs, 1982, blz . 202; Cassarino, S .: Il processo amministrativo, Milaan, 1984, blz . 1160 en Cannada Bartoli, E.:trefwoord confermo, in Enciclopedia del diritto, blz . 856 . Voor de rechtspraak, zie Conseil d' Etat Sect . 30 maart 1973, Gen, blz . 269, AJDA 1973, blz . 268, conclusie van G . Guillaume, en Consiglio di Stato, VI, 3 maart 1970, nr . 185 . De mogelijkheid om beroep in te stellen tegen het - uitdrukkelijk of stilzwijgend genomen - besluit tot afwijzing van de klacht, wordt duidelijk bevestigd, zij het op verschillende gronden; de enen voeren aan dat het afwijzend besluit het oorspronkelijke besluit substitueert, de anderen dat het gaat om een nieuw besluit, omdat het is vastgesteld door een ander orgaan dan het orgaan dat het oorspronkelijk besluit had genomen en zulks waarschijnlijk na een nieuw onderzoek en een nieuwe beoordeling rechtens en feitelijk .
Full & Egal Universal Law Academy