Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Het Finanzgericht Muenchen heeft het Hof een vraag gesteld over de geldigheid van de verordeningen nrs . 3453/81 van de Commissie ( 1 ) en 789/82 van de Raad . ( 2 )
2 . Continentale Produkten-Gesellschaft Erhardt-Renken GmbH & Co . ( hierna : verzoekster ) importeert doorlopend katoenen garens van post 55.05 B van het gemeenschappelijk douanetarief ( hierna : GDT ), van oorsprong uit Turkije, en betwist in casu voor het Finanzgericht Muenchen de geldigheid van heffingnota' s van het Hauptzollamt Muenchen-West, waarbij haar wegens de invoer van vier partijen katoenen garens op 15, 20, 27 en 28 april 1982 een definitief anti-dumpingrecht van 12 % van de douanewaarde werd opgelegd . Zij beroept zich daartoe op de ongeldigheid van de twee genoemde verordeningen .
3 . Verzoekster is voor het Hof geen onbekende . Bij verzoekschrift van 28 december 1984 had zij krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tot gedeeltelijke nietigverklaring van een beschikking van de Commissie om de anti-dumpingrechten die zij op grond van verordening nr . 789/82 had betaald, gedeeltelijk terug te betalen . In die zaak bestreed verzoekster de geldigheid van die verordening . Ik kwam toen tot de conclusie, dat weliswaar bij artikel 16 van de latere, doch ook op lopende procedures toepasselijke basisverordening nr . 2176/84 van de Raad een procedure tot terugbetaling van anti-dumpingrechten was ingesteld, doch dat dit niet betekende, dat men kon opkomen tegen de verordening waarbij de anti-dumpingrechten waren ingesteld . ( 3 ) Het Hof sloot zich bij die conclusie aan en verwierp bij arrest van 24 februari 1987 het beroep van verzoekster, waarbij het er onder meer op wees, dat op grond van artikel 16 van verordening nr . 2176/84
"de geldigheid van de instellingsverordening niet in geding kan worden gebracht en geen nieuw onderzoek van de in de eerdere onderzoekfasen vastgestelde algemene gegevens kan worden verlangd ". ( 4 )
4 . In mijn conclusie in die zaak merkte ik op, dat communautaire importeurs volgens het arrest Allied Corporation ( 5 ) tegen heffingnota' s inzake anti-dumpingrechten kunnen opkomen voor de nationale rechter; zij kunnen zich daar beroepen op de onwettigheid van de verordening waarbij die rechten zijn ingesteld, en de nationale rechter vragen een prejudiciële vraag over de geldigheid van die verordening te stellen . Deze weg heeft verzoekster thans gekozen .
5 . Het Finanzgericht Muenchen vraagt het Hof nu om een prejudiciële beslissing over de geldigheid niet slechts van verordening nr . 789/82 houdende instelling van het definitieve anti-dumpingrecht van 12 %, waarvan de invordering voor deze rechter in geding is, doch ook van verordening nr . 3453/81 houdende instelling van het voorlopige anti-dumpingrecht van 16 %. Aangezien de heffingnota' s van 15, 20, 27 en 28 april 1982 betreffende het anti-dumpingrecht van 12 % enkel zijn gebaseerd op verordening nr . 789/82 ( 6 ), meen ik dat een uitspraak over de geldigheid van verordening nr . 3453/81 voor het Finanzgericht niet noodzakelijk is om vonnis te kunnen wijzen . Toen het Hauptzollamt Muenchen-West de heffingnota' s inzake het anti-dumpingrecht aan verzoekster zond, was die verordening immers niet meer van toepassing, aangezien inmiddels verordening nr . 789/82 houdende instelling van het definitieve anti-dumpingrecht was vastgesteld . ( 7 ) Ingevolge artikel 11, lid 1, van de destijds geldende basisverordening nr . 3017/79 van de Raad ( 8 ) had verordening nr . 3453/81 bovendien enkel tot gevolg, dat de invoer tot verbruik van de betrokken produkten in de Gemeenschap afhankelijk was van het stellen van een waarborg tot het bedrag van het voorlopige recht . De definitieve heffing van het anti-dumpingrecht zou nadien geschieden krachtens de verordening van de Raad tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht . In artikel 2 van verordening nr . 789/82 wordt niettemin voor de inning van het definitieve anti-dumpingrecht uitgegaan van de bedragen die tot zekerheid van het voorlopige recht waren betaald . Zoals ter terechtzitting is opgemerkt, zou een eventuele ongeldigheid van verordening nr . 3453/81 geen gevolg hebben voor de inwerkingtreding van verordening nr . 789/82, doch voor de toepassing ervan . Deze zou immers in werking treden op de dag van haar bekendmaking, dat wil zeggen op 3 april 1982, maar de inning van een anti-dumpingrecht zou eerst vanaf die datum kunnen geschieden en niet vanaf 1 januari 1982, zoals artikel 2 van de verordening bepaalt, aangezien de rechtsgrondslag van de regeling volgens welke de tot zekerheid betaalde bedragen definitief worden geïnd, zou zijn weggevallen . Anders dan de Commissie ter terechtzitting stelde, heeft het Hof zich in zijn arrest van 5 oktober 1988 ( Canon Inc .) ( 9 ) niet over deze moeilijkheden uitgelaten, aangezien de verzoeksters daar alleen de geldigheid van de verordening tot instelling van het definitief anti-dumpingrecht hadden betwist . Ik geloof echter niet, dat het Hof deze vraag in casu wel zou moeten beantwoorden . Want ook al kan men zich afvragen, of het niet nodig is de geldigheid van verordening nr . 3453/81 ( 10 ) te beoordelen, men dient ook te bedenken, dat het Hof artikel 177 EEG-Verdrag aldus uitlegt, dat in het algemeen uitsluitend de nationale rechter waarbij het hoofdgeding aanhangig is, heeft uit te maken of de voorgelegde vragen relevant zijn . ( 11 ) Ik zal daarom de geldigheid van de beide verordeningen te zamen onderzoeken .
6 . Tegen die verordeningen zijn vier grieven aangevoerd :
a ) Artikel 7, lid 9, van de basisverordening, dat bepaalt dat binnen een jaar na de aanvang van de procedure de procedure moet zijn beëindigd of een definitieve maatregel moet zijn genomen, is niet nageleefd, aangezien de anti-dumpingprocedure is geopend op 3 augustus 1979 en de definitieve anti-dumpingrechten eerst zijn ingesteld bij verordening nr . 789/82 van 2 april 1982, dus 32 maanden later . Bovendien heeft de Raad niet voldaan aan zijn motiveringsplicht, daar hij deze vertraging in de betrokken verordening niet heeft toegelicht .
b ) De drie ter bepaling van de dumpingmarge uitgekozen Turkse ondernemingen zijn niet representatief .
c ) Aan het voor de instelling van een anti-dumpingrecht noodzakelijke vereiste, dat schade moet zijn geleden door communautaire ondernemingen, is niet voldaan .
d ) Verordening nr . 789/82 heeft terugwerkende kracht doordat zij van toepassing was op vóór haar inwerkingtreding gesloten contracten; de importeur kon niet voorzien, dat zo lang na de inleiding van de procedure een anti-dumpingrecht zou worden ingesteld .
7 . Deze vier grieven, waarop ik achtereenvolgens zal ingaan, lijken mij ongegrond .
8 . Het middel van schending van artikel 7, lid 9, van de basisverordening, doordat de procedure meer dan een jaar in beslag heeft genomen, is, geloof ik, voor het Hof nog niet eerder aangevoerd . Deze grief bestaat in feite uit twee onderdelen :
- schending van artikel 7, lid 9, van de basisverordening door niet-inachtneming van de termijn,
- ontbreken van motivering voor deze vertraging .
9 . Wat het eerste onderdeel betreft : naar de letter van artikel 7, lid 9, van de basisverordening dient de anti-dumpingprocedure "in het algemeen binnen een jaar na de aanvangsdatum afgesloten te zijn ". Zoals wij zagen, duurde de procedure in dit geval 32 maanden . De Raad heeft in zijn schriftelijke opmerkingen verklaard ( 12 ), dat zo een overschrijding van de termijn van één jaar geen zeldzaamheid is . Hij heeft daarvan de volgende voorbeelden gegeven :
- kogellagers van oorsprong uit Japan, Polen, Roemenië en de USSR : opening van de procedure op 18 september 1979 en afsluitingsbeschikking 81/406/EEG van 4 juni 1981, dus een termijn van 20 maanden; tegen deze beschikking is geen beroep ingesteld;
- stalen buizen van oorsprong uit Spanje : opening van de procedure op 19 oktober 1979 en afsluitingsbeschikking 81/430/EEG van 15 juni 1981, dus een termijn van 20 maanden; tegen deze beschikking is geen beroep ingesteld;
- polshorloges van oorsprong uit de USSR : opening van de procedure op 19 juli 1980, instelling van een anti-dumpingrecht op 12 juli 1982, dus een termijn van 24 maanden . Tegen verordening nr . 1882/82 van de Raad van 12 juli 1982 werd door Timex Corporation een beroep op grond van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag, ingesteld, dat geleid heeft tot het arrest van 20 maart 1985 . ( 13 ) De lange duur van de procedure werd door de verzoekster in die zaak niet aangevoerd als grond voor ongeldigheid van verordening nr . 1882/82;
- codeïne van oorsprong uit Tsjechoslowakije, Hongarije, Polen en Joegoslavië : opening van de procedure op 1 april 1981, afsluitingsbeschikking van de Raad van 17 januari 1983, dus een termijn van 21 maanden; tegen deze beschikking is geen beroep ingesteld .
10 . Het probleem is dus nieuw . Hoewel het niet denkbaar lijkt, artikel 7, lid 9, van de basisverordening aldus uit te leggen, dat aan de daarin genoemde termijn van een jaar niet kan worden getornd en dat een maatregel ter bescherming van de gemeenschappelijke markt, die na afloop ervan zou worden getroffen, onwettig zou zijn - dit zou immers in strijd zijn met de tekst van het artikel -, kan men toch niet ieder rechtsgevolg ontzeggen aan deze bepaling, waarmee de Raad zijn eigen bevoegdheden heeft willen beperken door een termijn te bepalen die onder normale omstandigheden in acht moet worden genomen . De noodzaak om een zekere mate van rechtszekerheid te waarborgen en de verkeersdeelnemers zoveel mogelijk in staat te stellen in een stabiele rechtssituatie te werken, vereist dat de onzekerheid die de inleiding van een anti-dumpingprocedure teweeg brengt, niet langer dan een redelijke termijn voortduurt . De gemeenschapsinstellingen kunnen op dit punt niet volledig discretionair tewerk gaan . Het Hof dient daarom van geval tot geval te onderzoeken, of er bijzondere omstandigheden zijn die de niet-inachtneming van de termijn van een jaar kunnen rechtvaardigen . Ik stel u voor, dit thans te doen .
11 . Bestaan er in casu omstandigheden die een aanzienlijke overschrijding van de termijn van artikel 7, lid 9, van de basisverordening konden rechtvaardigen? Mij dunkt van wel . De Commissie heeft, naar het schijnt, niet al te veel medewerking gehad van de Turkse exporteurs . ( 14 ) Voor de keuze van representatieve exportbedrijven waren lange onderhandelingen met de vereniging van Turkse textielexporteurs ( hierna : TTEA ) nodig . ( 15 ) De politieke en economische omstandigheden in Turkije in de jaren 1979 en 1980 bemoeilijkten de taak van de Commissie nog meer, vooral wegens de daardoor veroorzaakte verstoringen voor de produktie van katoenen garens . Ten slotte is de vertraging in de procedure mede te wijten aan het verzoek van de Turkse exporteurs om de referentieperiode, die aanvankelijk was vastgesteld op het tijdvak van 1 januari tot 30 september 1981, te verlengen tot 31 december 1981, om rekening te kunnen houden met de gebruikelijke daling van de prijs van ruwe katoen in de laatste maanden van het jaar . Deze verlenging heeft er blijkbaar toe bijgedragen, dat het voorlopig op 16 % bepaalde anti-dumpingrecht definitief werd vastgesteld op 12 %.
12 . Wat het tweede onderdeel van de eerste grief betreft : volgens vaste rechtspraak van het Hof
"dient de door artikel 190 EEG-Verdrag verlangde motivering de redenering van de communautaire instantie waarvan de bestreden handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig te doen uitkomen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en hun rechten kunnen verdedigen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen ". ( 16 )
13 . Aangezien het Hof controleert of er bijzondere omstandigheden waren die de niet-naleving van de in artikel 7, lid 9, van de basisverordening voorziene termijn rechtvaardigden, dient de gemeenschapsinstelling te motiveren, waarom zij nog een maatregel ter bescherming tegen dumpingpraktijken heeft getroffen lang nadat de in de basisverordening voorziene termijn was verstreken . Zoals hiervóór gezegd, hebben de handelaren er recht op, dat de door de inleiding van een anti-dumpingprocedure ontstane onzekerheid niet eindeloos voortduurt . Ook hebben zij er recht op te weten, waarom de termijn van één jaar niet in acht is genomen .
14 . Het Hof heeft echter al eens verklaard, dat
"men niet kan verlangen dat alle, soms zeer talrijke details van een dergelijke maatregel specifiek worden gemotiveerd ." ( 17 )
Ook heeft het erkend, dat de redengeving beknopt mag zijn, zolang zij maar toereikend is . ( 18 )
15 . In de zesde overweging van de betrokken verordening nu wordt verklaard, dat de Commissie een aanvullend onderzoek in Turkije heeft gedaan naar de uitvoer gedurende het laatste kwartaal van 1981 en dat deze uitbreiding van de periode van onderzoek is geschied op verzoek van de Turkse exporteurs . Deze overweging lijkt mij een voldoende motivering voor de niet-inachtneming van de termijn van artikel 7, lid 9, van de basisverordening . De eerste grief moet naar mijn mening dan ook worden afgewezen .
16 . De tweede en de derde grief - niet-representativiteit van de voor de bepaling van de dumpingmarge gekozen Turkse ondernemingen en geen schade van de gemeenschapsonderneming - vereisen een ingewikkelde economische beoordeling, waarbij het Hof zich volgens zijn rechtspraak
"dient te beperken tot de vraag, of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel misbruik van bevoegdheid ". ( 19 )
17 . Tot staving van haar grief, dat de ter bepaling van de dumpingmarge uitgekozen ondernemingen niet representatief waren, stelt verzoekster, dat de Commissie voor die ondernemingen tot specifieke aanpassingen is moeten overgaan, enerzijds omdat de firma Taris Pam Tar . Sat . Koop . Birligi Iplik Fab . de Commissie niet heeft toegestaan, de over haar produktiekosten verschafte gegevens te controleren of aan te vullen, en omdat de Commissie anderzijds heeft moeten overgaan tot aanpassingen bij de door de firma Cukurova Sanayi Isl . AS meegedeelde algemene kosten en de door de firma Trakya Iplik Sanayi AS meegedeelde produktiekosten .
18 . Het feit dat ter bepaling van de dumpingmarge bijzondere aanpassingen noodzakelijk waren, behoeft op zichzelf niet te betekenen dat de uitgekozen ondernemingen niet representatief waren . Met betrekking tot de bepaling van de normale waarde bepaalt artikel 2 B, lid 3, sub b, van de basisverordening weliswaar, dat "wanneer op de binnenlandse markt van het land van uitvoer of van oorsprong geen verkoop van een soortgelijk produkt in het kader van normale handelstransacties plaatsvindt of indien dergelijke verkopen geen bruikbare vergelijking mogelijk maken", de normale waarde een waarde kan zijn die wordt aangenomen op basis van de kosten van materialen en fabricage in het kader van normale handelstransacties in het land van oorsprong, verhoogd met een redelijk bedrag voor winst en algemene kosten, doch volgens deze bepaling mag slechts een aangenomen waarde worden gebruikt wanneer op de binnenlandse markt van het land van uitvoer geen verkoop van een soortgelijk produkt in het kader van normale handelstransacties plaatsvindt of indien dergelijke verkopen geen bruikbare vergelijking mogelijk maken . Met betrekking tot het identieke artikel 2, lid 3, sub a, van basisverordening nr . 2176/84, de voorgangster van verordening nr . 3017/79, overwoog het Hof immers, dat
"uit de tekst en de structuur van genoemde bepalingen duidelijk blijkt, dat voor de vaststelling van de normale waarde in de eerste plaats dient te worden uitgegaan van de prijs die bij normale handelstransacties werkelijk is of moet worden betaald . De andere oplossingen zijn slechts secundair ". ( 20 )
Maar het Hof voegde hieraan toe, dat
"de instellingen ter zake over een beoordelingsvrijheid beschikken ". ( 21 )
19 . Nadat de Commissie had vastgesteld, dat de drie uitgekozen Turkse ondernemingen weliswaar representatief waren voor de uitvoer naar de gemeenschappelijke markt, doch niet voldoende produkten op de Turkse markt verkochten om de normale waarde op basis van de feitelijk betaalde prijzen te kunnen vaststellen, besloot zij de normale waarde overeenkomstig genoemd artikel 2 B, lid 3, sub b, op basis van de kosten te bepalen . De Commissie wordt met zoveel woorden verweten, dat zij een normale waarde heeft gebruikt ofschoon de situatie in Turkije haar niet belette andere ondernemingen te kiezen die wel representatief waren op de binnenlandse markt, en zo de feitelijk betaalde prijzen vast te stellen, doch het komt mij voor, dat, achter de grief dat de drie betrokken ondernemingen niet representatief waren, dit het eigenlijke verwijt is dat aan de Commissie wordt gemaakt .
20 . Daartoe moet artikel 2 B, lid 3, sub b, worden gelezen in samenhang met artikel 7, lid 7, sub b, van dezelfde basisverordening, dat bepaalt dat, "wanneer een betrokken partij of een derde land toegang weigert te verlenen tot de nodige gegevens of deze gegevens niet binnen een redelijke termijn verstrekt, of het onderzoek in belangrijke mate belemmert, voorlopige of definitieve conclusies, in bevestigende of in negatieve zin, kunnen worden getrokken op basis van de beschikbare gegevens ".
21 . In casu leverden de duur van de onderzoeksprocedure, de moeilijkheden waarvoor zij zich gesteld zag om de nodige gegevens te verkrijgen, en de toenmalige politieke en economische situatie in Turkije voor de Commissie goede gronden op voor haar oordeel, dat zij niet binnen een redelijke termijn over de noodzakelijke informatie zou kunnen beschikken, en dat de afsluiting van de procedure niet verder diende te worden vertraagd door andere ondernemingen uit te kiezen om de werkelijk betaalde prijzen vast te stellen, doch dat het de voorkeur verdiende om, uitgaande van de beschikbare gegevens, te werken met een aangenomen waarde op basis van de kosten . Dit middel is derhalve ongegrond .
22 . Met betrekking tot de representativiteit van de drie uitgekozen ondernemingen - want na al wat stilzwijgend in deze grief besloten lag, te hebben onderzocht, dienen wij thans in te gaan op hetgeen daarin uitdrukkelijk wordt gezegd - lijkt de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout te hebben gemaakt . De betrokken ondernemingen zijn uitgekozen in overleg met de TTEA, nadat deze erop was gewezen, dat de drie uitgekozen ondernemingen representatief moesten zijn . Er werden elf Turkse bedrijven aangewezen, die gedurende de eerste zeven maanden van 1981 56 % van de uitvoer van katoenen garens naar de Gemeenschap voor hun rekening hadden genomen, en daarvan werden de drie grootste uitgekozen . In een vergadering op 20 november 1981 bevestigde de TTEA, dat deze drie ondernemingen representatief waren . Ook in dit opzicht lijkt het middel mij ongegrond .
23 . In de grief, dat de Europese ondernemingen geen schade hadden geleden en dat de Commissie het anti-dumpingrecht heeft misbruikt om de concurrerende ondernemingen in de Gemeenschap te beschermen, wordt verwezen naar 's Hofs rechtspraak betreffende kennelijke beoordelingsfouten en misbruik van bevoegdheid . Ik meen, dat ook dit middel faalt .
24 . In de overwegingen 14 tot en met 20 van de bestreden verordening worden de gevolgen van de vastgestelde dumping nauwkeurig uiteengezet : daling van de produktie in de Gemeenschap van 613 000 ton in 1977 tot 557 000 ton in 1981, teruggang van de benutting van de produktiecapaciteit in verschillende Lid-Staten tot minder dan 65 %, vermindering van het rechtstreeks bij de produktie van katoenen garens betrokken aantal arbeidsplaatsen van 100 000 in 1979 tot 92 000 in 1980 en tot minder dan 84 000 in 1981 . Daar tegenover nam de Turkse import in de Gemeenschap van 6,6 % in 1980 toe tot 10,8 % in 1981 . Over deze hele periode bleef het marktaandeel van andere derde landen dan Turkije betrekkelijk stabiel . Het bestaan van de in artikel 4 van de basisverordening vereiste belangrijke schade voor een in de Gemeenschap gevestigde produktie lijkt derhalve door de Commissie te zijn aangetoond, en men kan niet zeggen dat zij de bovengenoemde feiten kennelijk verkeerd heeft beoordeeld of haar bevoegdheid op dit punt heeft misbruikt .
25 . Wat ten slotte de terugwerkende kracht van verordening nr . 789/82 betreft, hieromtrent bestaat vaste rechtspraak van het Hof . Het heeft immers herhaaldelijk verklaard, dat
"volgens een algemeen erkend beginsel de wet waarbij een wettelijke bepaling wordt gewijzigd, behoudens andersluidende bepaling van toepassing is op de toekomstige gevolgen van feitelijke situaties welke onder de vigeur van de oude wet zijn ontstaan ". ( 22 )
26 . Zoals advocaat-generaal Capotorti in zijn conclusie in de zaak IFG/Commissie betoogde, geeft het enkele feit dat zij een contract hebben afgesloten, aan de partijen niet het recht, van de gemeenschapsinstellingen te verlangen dat deze ervoor zorgen, dat de rechtssituatie die bij de afsluiting van het contract bestond, tot de uitvoering ervan ongewijzigd blijft . ( 23 )
27 . Dit middel berust blijkbaar op een verwarring van de rechtstreekse toepasselijkheid van een nieuwe wettelijke bepaling met de terugwerkende kracht ervan . Het gaat niet aan, de inwerkingtreding van een nieuwe bepaling uit te stellen tot de sluiting van nieuwe contracten; de importeurs zouden dan met name door middel van kadercontracten of van contracten waarbij levering bij gedeelten wordt overeengekomen, de inwerkingtreding van een gemeenschapsverordening eindeloos kunnen vertragen en er zodoende iedere doeltreffendheid aan kunnen ontnemen . Daarentegen blijven situaties die volledig zijn uitgewerkt, buiten schot . Dit is met name het geval wanneer het contract definitief is uitgevoerd .
28 . De rechtspraak maakt echter een uitzondering op deze beginselen waar zij verklaart dat een nieuwe wettelijke bepaling niet onmiddellijk van toepassing is wanneer zij inbreuk maakt op de bescherming van het gewettigd vertrouwen . ( 24 )
29 . Mocht verzoekster, toen zij contracten sloot voor de invoer van katoenen garens uit Turkije, de hoop koesteren, dat er in de toekomst geen anti-dumpingrechten zouden worden ingesteld?
30 . Het komt mij voor, dat in casu niet is voldaan aan ten minste twee van de voorwaarden die het Hof stelt om te kunnen spreken van aansprakelijkheid van de Gemeenschap wegens schending van gewettigd vertrouwen . ( 25 )
31 . In de eerste plaats was de vaststelling van verordening nr . 789/82 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht, voor verzoekster niet onvoorzienbaar . Zoals gezegd, importeert zij voortdurend katoenen garens uit Turkije en dient zij zich dus als een "voorzichtig en bezonnen handelaar" te gedragen en zich met name op de hoogte te houden van mogelijke wijzigingen in de gemeenschapswetgeving met betrekking tot de produkten waarin zij handel drijft . De inleiding van een anti-dumpingprocedure voor katoenen garens van oorsprong uit Turkije was in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt . ( 26 ) Als importeur van die produkten moest verzoekster weten, dat die procedure krachtens artikel 7, lid 9, van de basisverordening ofwel zou leiden tot een afsluitingsbeschikking ofwel tot instelling van een anti-dumpingrecht . De vaststelling van verordening nr . 789/82 door de Raad was dus voor deze importeur volstrekt niet onvoorzienbaar .
32 . In de tweede plaats bestond er stellig een algemeen belang - bescherming van de gemeenschappelijke markt - dat een onverwijlde inwerkingtreding van verordening nr . 789/82 rechtvaardigde . Overigens heeft de Raad het als billijk beschouwd, "bij wijze van uitzondering de aanpassing van handelaren die commerciële verplichtingen waren aangegaan aan de nieuwe situatie die door het voorlopige anti-dumpingrecht is ontstaan, te vergemakkelijken" ( 27 ) door een aanpassingstermijn vast te stellen van vier weken, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van het voorlopige anti-dumpingrecht, dat wil zeggen 2 december 1981 . Artikel 2, lid 2, van de bestreden verordening bepaalt namelijk dat, voor de produkten die vóór 1 januari 1982 in het vrije verkeer zijn gebracht, de bedragen die tot zekerheid zijn gesteld van het voorlopige anti-dumpingrecht, worden vrijgegeven . Hiermee heeft de Raad het vertrouwensbeginsel dus gerespecteerd .
33 . Ten slotte, met betrekking tot invoercertificaten, heeft het Hof verklaard,
"dat een importeur die uitvoering van het contract onder de nieuwe regeling voor zijn belangen schadelijk acht, heul dient te zoeken bij zijn wederpartij ". ( 28 )
34 . Evenmin als de vorige kan deze laatste grief dus worden aanvaard .
35 . Mitsdien geef ik in overweging te verklaren voor recht, dat bij onderzoek van de gestelde vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de verordeningen nr . 3453/81 van de Commissie en nr . 789/82 van de Raad kunnen aantasten .
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) Verordening van 2 december 1981 houdende instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde garens van katoen, van oorsprong uit Turkije ( PB 1981, L 347, blz . 19 ).
( 2 ) Verordening van 2 april 1982 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde garens van katoen, van oorsprong uit Turkije ( PB 1982, L 90, blz . 1 ).
( 3 ) Conclusie in zaak 312/84, Jurispr . 1987, blz . 841, 858 .
( 4 ) Zaak 312/84, Continentale Produkten-Gesellschaft, arrest van 24 februari 1987, Jurispr . 1987, blz . 841, r.o . 12 .
( 5 ) Gevoegde zaken 239 en 275/82, arrest van 21 februari 1984, Jurispr . 1984, blz . 1005, r.o . 15 .
( 6 ) In werking getreden op de dag van bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, d.w.z . 3 april 1982 .
( 7 ) Zie artikel 2 van verordening nr . 3453/81 .
( 8 ) Verordening van 20 december 1979 betreffende de beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de EEG ( PB 1979, L 339, blz . 1 ).
( 9 ) Gevoegde zaken 277 en 300/85, Jurispr . 1988, blz . 0000 .
( 10 ) Zie memorie van de Commissie, punt 1.3 .
( 11 ) Zie hiervoor zaak 10/69, Portelange, arrest van 9 juli 1969, Jurispr . 1969, blz . 309, r.o . 6; zaak 35/76, Simmenthal, arrest van 15 december 1976, Jurispr . 1976, blz . 1871, r.o . 7; zaak 5/77, Tedeschi, arrest van 5 oktober 1977, Jurispr . 1977, blz . 1555, r.o . 17; zie ook zaak 52/77, Cayrol, arrest van 30 november 1977, Jurispr . 1977, blz . 2261, r.o . 32; zaak 78/76, Steinike en Weinlig, arrest van 22 maart 1977, Jurispr . 1977, blz . 595, r.o . 14; zaak 155/73, Sacchi, arrest van 30 april 1974, Jurispr . 1974, blz . 409, r.o . 3 .
( 12 ) Blz . 6 van de Franse vertaling .
( 13 ) Zaak 264/82, Jurispr . 1985, blz . 849 .
( 14 ) Zie de bijlage bij de opmerkingen van de Raad, punten 2, 10 en 11 .
( 15 ) Zie de bijlage bij de opmerkingen van de Raad, punten 5, 6, 8 en 9 .
( 16 ) Zaak 258/84, Nippon Seiko, arrest van 7 mei 1987, Jurispr . 1987, blz . 1923, r.o . 28; zaak 203/85, Nicolet Instrument, arrest van 26 juni 1986, Jurispr . 1986, blz . 2049, r.o . 10 .
( 17 ) Zaak 134/87, Danhuber, arrest van 22 maart 1979, Jurispr . 1979, blz . 1007, r.o . 6 .
( 18 ) Arrest van 11 februari 1971, zaak 37/70, Rewe-Zentrale, Jurispr . 1971, blz . 23, r.o . 8 .
( 19 ) Zaak 258/84, reeds aangehaald, r.o . 21; zaak 42/84, Remia, Jurispr . 1985, blz . 2545, r.o . 34; conclusie van advocaat-generaal Warner in zaak 113/77, NTN Toyo Bearing Company, Jurispr . 1979, blz . 1212, 1259; zie ook conclusie van advocaat-generaal Rozès in zaak 191/82, Fediol, Jurispr . 1983, blz . 2937, 2947 .
( 20 ) Gevoegde zaken 277 en 300/85, reeds aangehaald, r.o . 11 .
( 21 ) Ibidem, r.o . 17 .
( 22 ) Zaak 1/73, Westzucker GmbH, arrest van 4 juli 1973, Jurispr . 1973, blz . 723, r.o . 5; zaak 143/73, SPAD/FORMA en FIRS, arrest van 5 december 1973, Jurispr . 1973, blz . 1433, r.o . 8; zaak 96/77, Bauche, arrest van 15 februari 1978, Jurispr . 1978, blz . 383, r.o . 48 .
( 23 ) Zaak 68/77, IFG, Jurispr . 1978, blz . 377 .
( 24 ) Zaak 1/73, reeds aangehaald, r.o . 6 .
( 25 ) Zaak 90/77, Hellmut Stimming, arrest van 27 april 1978, Jurispr . 1978, blz . 995; zaak 78/77, Luehrs, arrest van 1 februari 1978, Jurispr . 1978, blz . 169 .
( 26 ) PB 1979, C 196 .
( 27 ) Vijfentwintigste overweging van verordening nr . 789/82 .
( 28 ) Arrest van 14 februari 1978, zaak 68/77, reeds aangehaald, r.o . 11 .
Full & Egal Universal Law Academy