Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . In het geding waarin ik vandaag conclusie neem, gaat het vooral om de vraag of marktdeelnemers het recht hebben tegen de Commissie beroep in te stellen, wanneer die in weerwil van een dringend verzoek heeft nagelaten een procedure wegens niet-nakoming tegen een Lid-Staat in te leiden .
A - De feiten
2 . Ook hier betreft het de invoer in Frankrijk van bananen die zich in een Lid-Staat in het vrije verkeer bevinden . Verzoekster, die het beroep heeft ingesteld, is een te Brussel gevestigde vennootschap die zich onder andere bezighoudt met de handel in fruit ( en die trouwens de voornaamste leverancier zou zijn van verzoekster in zaak 206/87 ).
3 . Zij voert aan dat Franse klanten haar herhaaldelijk hadden te kennen gegeven dat zij bananen wensten te kopen, maar dat zij niet in staat was om exporten naar Frankrijk te verrichten . Haar vrachtwagens zouden telkens aan de grens zijn teruggestuurd - op deze
wijze zou slechts tweemaal invoer mogelijk zijn geweest - en haar Franse klanten zouden er ook niet in zijn geslaagd om vergunningen te verkrijgen in het kader van door de Franse instanties uitgeschreven aanbestedingen voor importen . Deze zouden integendeel systematisch zijn toegewezen aan de Groupement d' intérêts économiques bananiers ( waarover ook in zaak 206/87 uitvoerig wordt gesproken ), omdat deze vereniging zich ertoe zou hebben verbonden een bepaalde prijsdiscipline in acht te nemen .
4 . Om die reden wendde verzoekster zich op 14 april 1987 tot de Commissie en beschreef zij haar de toestand op de Franse bananenmarkt ( die eveneens in zaak 206/87 uitvoerig is behandeld ). Haars inziens schendt de Franse Republiek op deze manier zowel artikel 30 EEG-Verdrag als artikel 2 van de ACS-EEG-Overeenkomst van 28 februari 1975, en zij zou daarom verzoekster schadevergoeding moeten betalen voor de in de periode van oktober 1986 tot oktober 1987 niet doorgegane handelstransacties . Formeel werd de Commissie verzocht een procedure overeenkomstig artikel 169 EEG-Verdrag in te leiden, ten einde
- vast te stellen dat de artikelen 30 en volgende EEG-Verdrag, artikel 2 van voornoemde Overeenkomst van Lomé alsmede protocol nr . 6 daarvan zijn geschonden;
- de Franse Staat dringend te verzoeken de door hem toegepaste contingenten voor bananen, van oorsprong of herkomst uit de Europese Economische Gemeenschap of de geassocieerde staten, alsmede voor bananen van oorsprong uit derde landen die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden, op te heffen en
- Frankrijk dringend te verzoeken om verzoekster schadevergoeding te betalen voor de verliezen die zij heeft geleden ten gevolge van bepaalde, niet doorgegane leveringen, ten belope van 87 451 400 BFR .
5 . Omdat haar daarop in een brief van een afdelingshoofd van de Commissie van 4 mei 1987 enkel werd meegedeeld, dat de bevoegde instanties van de Commissie de nodige maatregelen zouden nemen en verzoekster daarvan in kennis zouden stellen, heeft zij zich op 14 augustus 1987 tot het Hof van Justitie gewend en aldus het onderhavige beroep aanhangig gemaakt .
6 . Volgens haar - op de artikelen 173 en 175 EEG-Verdrag gebaseerde - conclusies dient te worden vastgesteld, dat de Commissie heeft nagelaten om in verband met haar verzoek van 17 april 1987 ( dat zij nog eens woordelijk heeft overgenomen in haar verzoekschrift ) ten laste van Frankrijk een besluit te nemen .
7 . Deze vordering is volgens de Commissie - en trouwens ook volgens de Franse regering die haar ondersteunt - niet-ontvankelijk en derhalve heeft zij hierop enkel gereageerd met een akte als bedoeld in artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering .
B - Beoordeling rechtens
Mijn standpunt betreffende de ontvankelijkheid van het thans te behandelen beroep, waarover het vandaag uitsluitend gaat, is als volgt :
8 . 1 . Voor mij is het duidelijk, dat de verwijzing naar artikel 173 EEG-Verdrag in het beroep geen enkele waarde heeft . In casu kan inderdaad geen sprake zijn van een beroep tot nietigverklaring, aangezien verzoekster immers geen handeling van de Commissie aanduidt die voor vernietiging in aanmerking zou komen . Nadat zij hierop was gewezen, lijkt ook verzoekster dit in te zien, omdat zij hierop slechts heeft gereageerd met de opmerking dat zij zich voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van haar beroep krachtens artikel 173 EEG-Verdrag aan het oordeel van het Hof van Justitie refereert .
9 . Bijgevolg moet enkel worden onderzocht of het beroep ontvankelijk is uit hoofde van artikel 175, derde alinea, EEG-Verdrag, volgens hetwelk natuurlijke of rechtspersonen onder de in de eerste en de tweede alinea vastgestelde voorwaarden bij het Hof van Justitie hun bezwaren kunnen indienen tegen het feit dat een der instellingen van de Gemeenschap heeft nagelaten te hunner aanzien een andere handeling te verrichten dan het geven van een aanbeveling of een advies .
10 . 2 . In antwoord op bezwaren van de Commissie met betrekking tot de punten 3 en 4 van de conclusies in het verzoekschrift - dat wil zeggen de conclusies betreffende het dringende verzoek aan Frankrijk om de contingenten af te schaffen en verzoeksters schade te vergoeden - werd verduidelijkt, dat het hier niet gaat om autonome petita maar dat deze in samenhang moeten worden gezien met de eerste twee punten en op gelijke wijze als deze moeten worden onderzocht .
11 . Wij behoeven dus niet langer stil te staan bij het standpunt van de Commissie, dat dergelijke vorderingen niet-ontvankelijk zijn, aangezien zij in het stelsel van rechtsbescherming van het Verdrag niet zijn voorzien, wat ongetwijfeld juist is . Alles draait veeleer om de vraag, of natuurlijke en rechtspersonen krachtens artikel 175 EEG-Verdrag beroep kunnen instellen ten einde de Commissie krachtens artikel 169 EEG-Verdrag een procedure te laten inleiden wegens schending van het Verdrag .
12 . 3 . Daartegen bestaan inderdaad ernstige bezwaren .
a ) Daarbij denk ik niet in de eerste plaats aan argumenten die, gelet op de bewoordingen van artikel 175 EEG-Verdrag (" te zijnen aanzien een ... handeling te verrichten "), voor de hand zouden kunnen liggen en die de Commissie bijzonder heeft benadrukt in haar opmerkingen, namelijk dat het in de procedure krachtens artikel 169 enkel gaat om handelingen die tot de desbetreffende Lid-Staat moeten worden gericht ( en dus niet om handelingen die naar aard en strekking tot een particuliere verzoeker moeten worden gericht ) en dat het daarbij ook niet gaat om handelingen met een bindend karakter zoals beschikkingen ( zoals advocaat-generaal Gand in zijn conclusie in zaak 48/65 ( 1 ) als wezenlijke voorwaarde stelde voor een beroep op grond van artikel 175 ).
13 . Hiertegen zou namelijk steeds kunnen worden aangevoerd, dat de Commissie in het kader van artikel 169 in ieder geval - en hier gaat het toch enkel om - handelingen met rechtsgevolgen kan verrichten, aangezien de procedure veelal eindigt met een beroep voor het Hof van Justitie, gericht op een bindende uitspraak . Daarnaast zou kunnen worden opgemerkt dat tegen een strikte, in hoofdzaak op de bewoordingen (" te zijnen aanzien een ... handeling te verrichten "), steunende interpretatie pleit, dat op grond daarvan alleen beroepen wegens nalaten mogelijk zouden zijn, die gericht zijn op een administratieve handeling ten gunste van de verzoekende partij, en niet beroepen wegens nalaten - waarbij men ook belang kan hebben - waarmee de vaststelling van tot derden gerichte nadelige handelingen wordt beoogd, waarbij iemand blijkbaar ook belang zou kunnen hebben .
14 . b ) Ik zie daarentegen aanzienlijke bezwaren vanuit twee andere oogpunten .
15 . Het is duidelijk dat particulieren op grond van het stelsel van rechtsbescherming van het Verdrag niet over een volledige beroepsmogelijkheid beschikken, doch over een beperkte beroepsmogelijkheid, voor zover zij een individueel belang daarbij hebben . Met betrekking tot beroepen tot nietigverklaring komt dit in artikel 173 EEG-Verdrag tot uitdrukking door het vereiste van het individueel en rechtstreeks geraakt worden . Dienovereenkomstig moet het criterium "te zijnen aanzien een ... handeling te verrichten" in artikel 175 aldus worden verstaan, dat het hierbij hoogstens kan gaan om handelingen waarbij de verzoeker een bijzonder belang heeft, doch in geen geval om handelingen met een algemene strekking ( zoals Daig stelt in "Nichtigkeits - und Untaetigkeitsklagen im Recht der Europaeischen Gemeinschaften", blz . 239, volstaat het niet dat een eiser tezamen met de overige leden van een door algemene kenmerken gekarakteriseerde groep personen collectief wordt geraakt door een maatregel, maar moet het gaan om maatregelen die de persoon of de situatie van de eiser specifiek betreffen ).
16 . In de procedure van artikel 169 EEG-Verdrag, zoals die verzoekster voor ogen staat, wanneer zij verzoekt om vaststelling dat Frankrijk de artikelen 30 en volgende EEG-Verdrag en de Overeenkomst van Lomé heeft geschonden, gaat het uiteindelijk evenwel ongetwijfeld ( gelet op de consequenties die de Franse Republiek zou moeten verbinden aan het arrest waarin de door verzoekster gewenste vaststellingen worden gedaan ) om een handeling van algemene strekking : een wijziging van de geldende invoerregeling met haar beperkingen van de intracommunautaire handel . Zoals reeds door advocaat-generaal Roemer werd gesteld in zijn conclusie in zaak 103/63 ( 2 ), kan inderdaad bezwaarlijk worden toegestaan dat een particuliere onderneming een dergelijke doelstelling nastreeft .
17 . Anderzijds moet er de nadruk op worden gelegd - en dit is zo mogelijk nog overtuigender - dat volgens het systeem van het Verdrag, zoals dat uit de artikelen 169 en 170 kan worden afgeleid, enkel de Commissie en de Lid-Staten bevoegd zijn om een met het Verdrag strijdige gedraging van een Lid-Staat tot voorwerp van een gerechtelijke procedure te maken, dat daarbij een belangrijke beoordelingsmarge bestaat ( waarop door advocaat-generaal Gand is gewezen in zijn conclusie in zaak 48/65 ) en dat ook een precontentieuze procedure in acht moet worden genomen, waarbij de betrokken Lid-Staat de mogelijkheid wordt geboden om de toestand met het Verdrag in overeenstemming te brengen zonder dat een gerechtelijke procedure wordt aanhangig gemaakt .
18 . Inderdaad valt hiermee moeilijk te verenigen, dat een particulier belanghebbende het recht zou hebben om de Commissie te verzoeken een procedure wegens niet-nakoming van het Verdrag in te leiden om zich, in geval van weigering, tot het Hof te wenden . Daarvoor ontbreekt een belangrijk, in artikel 175 EEG-Verdrag neergelegd vereiste - het in strijd met het Verdrag nalaten een besluit te nemen -, juist omdat de Commissie niet verplicht is die procedure in te leiden doch daarover naar eigen goeddunken kan beslissen . Indien de Commissie geen aanleiding ziet om een procedure in te leiden, zou de gewraakte handelwijze van de Staat daarenboven in zekere zin onmiddellijk het voorwerp worden van een gerechtelijk onderzoek ( namelijk een procedure die op een of andere wijze zou verplichten tot het instellen van beroep, waarin ten minste gesproken zou moeten worden over de vraag of er voldoende aanwijzingen voor een verdragsschending zijn ). Dit betekent dat de betrokken Lid-Staat niet in de gelegenheid zou zijn gesteld om - zoals in artikel 169 is voorzien - vooraf zijn opmerkingen te maken en de hem ten laste gelegde inbreuk op te heffen . Ook advocaat-generaal Gand heeft daarop gewezen in zijn conclusie in zaak 48/65, en de heersende mening ligt volledig in deze lijn, zoals blijkt uit Daig, op.cit ., blz . 240 .
C - Conclusie
19 . 4 . Mitsdien kan enkel worden geconcludeerd, dat ook het beroep van de firma Star Fruit Company niet-ontvankelijk is en dat zij, zoals is gevorderd, in de kosten moet worden verwezen, evenwel ook hier met uitzondering van de door interveniënte gemaakte kosten, aangezien deze niet in die zin heeft geconcludeerd .
(*) Oorspronkelijke taal : Duits .
( 1 ) Arrest van 1 maart 1966, zaak 48/65, Luetticke, Jurispr . 1966, blz . 23 .
( 2 ) Conclusie van 2 juli 1964, zaak 103/63, Rhenania, Jurispr . 1964, blz . 877 en 889 .
Full & Egal Universal Law Academy