Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Artikel 67 Ambtenarenstatuut kent de ambtenaren bepaalde gezinstoelagen toe, waaronder de kostwinnerstoelage en de kindertoelage .
Artikel 1, lid 2, van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut luidt als volgt :
" De volgende ambtenaren hebben recht op de kostwinnerstoelage :
a ) de gehuwde ambtenaar;
b ) de ambtenaar die weduwnaar, van echt gescheiden, wettelijk gescheiden of ongehuwd is, en die een of meer te zijnen laste komende kinderen in de zin van artikel 2, leden 2 en 3 heeft;
c ) krachtens een bijzonder en gemotiveerd besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag, genomen op grond van bewijsstukken, de ambtenaar die hoewel hij niet voldoet aan de sub a ) en b ) gestelde voorwaarden, in feite gezinslasten draagt ."
De kindertoelage is geregeld in artikel 2 van bijlage VII, waarvan lid 4 luidt als volgt :
" In uitzonderlijke gevallen kan een persoon ten aanzien van wie de ambtenaar een wettelijke onderhoudsplicht heeft welke hem zware lasten oplegt, bij bijzonder, met redenen omkleed besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag, genomen op grond van bewijsstukken, met een te zijnen laste komend kind worden gelijkgesteld ."
Mouriki was vanaf 16 september 1980 tijdelijk functionaris bij de Commissie en werd met ingang van 1 juli 1981 in vaste dienst benoemd . Daar zij destijds gehuwd was, ontving zij krachtens artikel 1, lid 2, sub a, van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut de kostwinnerstoelage .
Bij brief van 29 november 1985 deelde zij de Commissie mee, dat haar huwelijk per 30 maart 1984 bij rechterlijke beslissing was ontbonden . Daarop trok de Commissie verzoeksters kostwinnerstoelage bij besluit van 11 december 1985 in .
Op 6 augustus 1986 diende verzoekster bij de Commissie overeenkomstig artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut een verzoek in om herziening van het besluit tot intrekking van haar kostwinnerstoelage en om toekenning van die toelage met terugwerkende kracht vanaf 1 april 1984 althans vanaf de datum van haar aanvraag . Daarbij wees zij op het besluit van de Commissie om voor de toekenning van de kindertoelage van artikel 2 van bijlage VII haar grootmoeder ( vanaf 1 mei 1982 ), haar moeder ( vanaf 1 december 1985 ) en haar vader ( vanaf 1 januari 1986 ) gelijk te stellen met kinderen ten laste . De Commissie wees dat verzoek bij schrijven van 29 oktober 1986 af met de opmerking, dat verzoeksters moeder, vader en grootmoeder niet daadwerkelijk met haar samenwoonden . Tegen dat besluit diende verzoekster op 19 januari 1987 een klacht in krachtens artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut . Deze klacht werd door de Commissie bij besluit van 4 juni 1987 afgewezen .
Daarop stelde verzoekster op 14 augustus 1987 het onderhavige beroep in, waarin zij het Hof verzoekt om het besluit tot afwijzing van haar klacht nietig te verklaren en te verklaren, dat het tot aanstelling bevoegd gezag haar de kostwinnerstoelage moet toekennen . De Commissie concludeert dat het beroep niet-ontvankelijk althans ongegrond is .
Met betrekking tot de ontvankelijkheid betoogt de Commissie, dat de voor verzoekster bezwarende handeling in de zin van artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut het besluit van de Commissie van 11 december 1985 was, waarbij de kostwinnerstoelage werd ingetrokken . Daar verzoekster, aldus de Commissie, tegen dat besluit geen klacht heeft ingediend binnen de in artikel 90 gestelde termijn van drie maanden, is het onderhavige beroep op het Hof krachtens artikel 91 Ambtenarenstatuut niet-ontvankelijk .
Mijns inziens kan dat middel niet slagen . Het besluit van de Commissie van 11 december 1985 tot intrekking van verzoeksters kostwinnerstoelage was een gevolg van de ontbinding van haar huwelijk, waardoor de rechten die zij als gehuwde ambtenaar aan artikel 1, lid 2, sub a, ontleende, waren vervallen . Ik zie haar verzoek van 6 augustus 1986 niet als een aanvechting van dat besluit, maar veeleer als een verzoek om toekenning van de kostwinnerstoelage op een andere rechtsgrond, te weten artikel 1, lid 2, sub c, van bijlage VII . Ik geloof dan ook dat de beroepstermijn inging op het tijdstip van de afwijzing van dat verzoek . Mijns inziens zijn bijgevolg zowel de klacht van 19 januari 1987 als het onderhavige verzoekschrift tijdig ingediend en dient het middel ontleend aan niet-ontvankelijkheid te worden afgewezen .
Wat de grond van de zaak aangaat staat in casu vast, dat verzoekster in Luxemburg woont en haar drie familieleden in Griekenland . In haar verzoek krachtens artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut stelde zij, dat aangezien het tot aanstelling bevoegd gezag had besloten om haar vader, moeder en grootmoeder gelijk te stellen met te haren laste komende kinderen en haar de desbetreffende toelagen toe te kennen, de Commissie haar ook op grond van artikel 1, lid 2, sub c, de kostwinnerstoelage moest toekennen, ook al woonden die familieleden niet met haar samen . In haar bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen heeft verzoekster dit argument gehandhaafd . Volgens de Commissie daarentegen bestaat er geen verband tussen de toekenning van beide toelagen en kan de kostwinnerstoelage op grond van artikel 1, lid 2, sub c, alleen worden toegekend wanneer de betrokken familieleden daadwerkelijk bij de ambtenaar inwonen . Voor hun stellingen verwijzen beide partijen zowel in hun mondelinge als in hun schriftelijke opmerkingen naar 's Hofs arrest van 19 januari 1984 ( zaak 65/83, Erdini, Jurispr . 1984, blz . 211 ).
Voor mij is het duidelijk, dat genoemd arrest niet het door verzoekster gestelde verband legt tussen de aanspraken op grond van artikel 2, lid 4, en die op grond van artikel 1, lid 2, sub c, maar dat het dat verband juist uitsluit . In rechtsoverweging 12 wordt verklaard dat "toekenning van een der in beide bepalingen voorziene toelagen op toekenning van de andere niet prejudicieert, in die zin dat betrokkene op die andere toelage niet zonder meer aanspraak kan maken, terwijl zij hem ook niet zonder meer wordt ontzegd ". Dit betekent dat zo het tot aanstelling bevoegd gezag een kindertoelage toekent op grond van artikel 2, lid 4, het daardoor niet automatisch verplicht is om de kostwinnerstoelage van artikel 1, lid 2, sub c, toe te kennen . Het betreft hier een andere aanspraak, die afzonderlijk moet worden onderzocht . Verwezen is naar rechtsoverweging 19 van het arrest Erdini, waarin sprake is van een "gebonden bevoegdheid" (" compétence liée "). Naar mijn mening gebruikt het Hof die term hier met betrekking tot de voorwaarden waaraan volgens artikel 1, lid 2, sub c, moet zijn voldaan eer de kostwinnerstoelage kan worden betaald . In deze rechtsoverweging wordt de toepassing van artikel 1, lid 2, sub c, in geen geval beperkt op grond dat aan de voorwaarden van artikel 2, lid 4, is voldaan .
Mitsdien faalt verzoeksters middel, dat de Commissie gehouden was haar de kostwinnerstoelage toe te kennen omdat zij de betrokken familieleden met kinderen te haren laste had gelijkgesteld .
Blijft nog de vraag, of het samenwonen van de betrokken familieleden met de ambtenaar een voorwaarde is voor toekenning van de kostwinnerstoelage op grond van artikel 1, lid 2, sub c . Deze kwestie is mijns inziens niet zo eenvoudig als de Commissie haar doet voorkomen . In de eerste plaats is het duidelijk, dat een ambtenaar in feite gezinslasten kan dragen - om bij de terminologie van het artikel aan te sluiten - zonder dat de betrokken personen onder hetzelfde dak wonen; dit is zeer vaak het geval met ouders op leeftijd . Ofschoon het dit gemakkelijk had kunnen doen, specificeert artikel 1, lid 2, sub c, niet met zoveel woorden dat de toelage enkel voor inwonende personen verschuldigd is . Gelijk bovendien de raadsman van de Commissie erkent - en mijns inziens is dit duidelijk - kan de kostwinnerstoelage op grond van lid 2, sub a en b, ook worden toegekend wanneer de betrokken echtgenoot of kinderen ten laste niet met de ambtenaar samenwonen .
Voorts zij opgemerkt, dat het Hof in rechtsoverweging 18 van het arrest Erdini de inwoning niet als vereiste heeft gesteld . Het overwoog enkel, dat de kostwinnerstoelage in uitzicht is gesteld om "tegemoet te komen aan ambtenaren met inwonende gezinsleden, ook niet zijnde echtgenoten of kinderen, die zich in financieel opzicht niet kunnen redden ". Het Hof overwoog niet, dat de toelage enkel kan worden toegekend voor personen die met de betrokken ambtenaar samenwonen . Door de overlegging van bewijsstukken te verlangen en voor te schrijven dat de toelage slechts bij een bijzonder en gemotiveerd besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag kan worden toegekend, waarborgt artikel 1, lid 2, sub c, bovendien een zekere bescherming tegen misbruik .
Mijns inziens bestaan er derhalve argumenten ten gunste van de stelling van verzoekster .
Het gaat hier evenwel om een een kostwinnerstoelage . Ofschoon ik er geen bezwaar tegen zou hebben, het begrip "gezin" enigszins ruim op te vatten zodat daar bij voorbeeld ook onder vallen ouders op leeftijd waarvoor de ambtenaar de zorg heeft, maar die in een aansluitende woning leven - wat de Engelsen een "granny flat" of een "granny wing" zouden noemen -, komt het mij niettemin voor dat artikel 1, lid 2, sub c, slechts kan worden toegepast indien er sprake is van één huishouden .
Ongeacht het standpunt dat in meer op de grens liggende gevallen zou kunnen worden ingenomen, kan in casu mijns inziens echter niet worden gesteld, dat een ambtenaar die in Luxemburg woont één gezin vormt met zijn ouders en grootouders in Griekenland . Mitsdien heeft de Commissie een juiste beslissing genomen . Namens verzoekster is betoogd, dat dit tot grote onrechtvaardigheid leidt . Zelf ben ik daarvan niet overtuigd, maar ook al zou het Hof die mening wel zijn toegedaan, dan komt het mij voor dat hieraan niet moet worden tegemoet gekomen door het Hof, maar door de Commissie .
Beide partijen hebben een beroep gedaan op artikel 8 van bijlage VII, dat de vergoeding van reiskosten regelt . Mijns inziens is dit artikel irrelevant voor de oplossing van het onderhavige probleem . Uiteraard zouden die kosten alleen kunnen worden vergoed indien de personen ten laste daadwerkelijk met de ambtenaar samenwoonden in diens land van tewerkstelling, ten einde naar hun land van herkomst terug te keren . Als zodanig geeft het artikel echter geen antwoord op de vraag, of het samenwonen als één gezin een noodzakelijke voorwaarde is .
Mijns inziens moet het beroep derhalve worden verworpen en zal elk der partijen overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering haar eigen kosten moeten dragen .
(*) Vertaald uit het Engels .
Full & Egal Universal Law Academy