CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 17 oktober 1989 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In deze zaak doen zeven taalleraren hun beklag over het feit, dat zij zijn aangesteld op basis van met de Commissie gesloten overeenkomsten, die de mogelijkheid om te worden aangemerkt als ambtenaar of ander personeelslid van de Gemeenschappen, met zoveel woorden uitsluiten. Zij stellen, dat hun aanstelling zou moeten geschieden op basis van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: het „Statuut”) of van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (hierna: de „RAP”).
2.
Verzoekers geven allen sinds een aantal jaren taalcursussen aan ambtenaren van de Commissie. In de loop der jaren zijn zij aan verschillende regelingen onderworpen geweest. Zo werden er op een gegeven moment — in elk geval aan het begin van de tachtiger jaren — afzonderlijke overeenkomsten gesloten voor elke te geven taalcursus, terwijl er vanaf ongeveer 1983, als gevolg van besprekingen tussen de Commissie en de beroepsorganisaties, meer algemene overeenkomsten voor onbepaalde tijd werden gesloten, op basis waarvan de leraren alle de hun opgedragen onderwijstaken moesten vervullen, in de regel vijftien uur per week gedurende 33 weken per jaar. Deze verandering was kennelijk vooral ingegeven door het streven, de leraren onder het Belgische socialezekerheidsstelsel te laten vallen. Al die overeenkomsten bevatten een bepaling, volgens welke zij werden beheerst door het Belgische recht; zij verschilden echter ten aanzien van de vraag, aan welke rechter eventuele geschillen zouden moeten worden voorgelegd: sommige verklaarden hiertoe het Hof van Justitie bevoegd, andere de Belgische rechter. In 1986 legde de Commissie de leraren een nieuw standaardcontract voor. Het betrof hier een overeenkomst voor onbepaalde tijd, die voorzag in een vijftienurige werkweek, gedurende een periode van 33 weken per academisch jaar, en waarin het Belgische recht toepasselijk werd verklaard en de Belgische rechter als bevoegd forum werd aangewezen. In artikel 5, lid 2, van de overeenkomst was dit keer echter met zoveel woorden bepaald:
„gelet op de aard van de werkzaamheden waarop het onderhavige contract betrekking heeft, kan de contractant niet worden aangemerkt als personeelslid van de Commissie”.
Volgens de Commissie zijn er momenteel 23 taalleraren op basis van dergelijke overeenkomsten aangesteld.
3.
Verzoekers maakten tegen het opnemen van bovengenoemde clausule bezwaar, maar de Commissie stond erop, dat de nieuwe overeenkomsten zonder voorbehoud werden ondertekend. Op of omstreeks 6 november 1986 gaven verzoekers hieraan gevolg, al maakten zij in een apart schrijven wel kenbaar, dat zij bij hun oorspronkelijke standpunt bleven. Op 6 februari 1987 dienden verzoekers tegen de overeenkomsten een klacht als bedoeld in artikel 90 van het Statuut in. Ondanks een door verzoekers op 19 mei gestuurd rappel, kwam er geen antwoord van de Commissie binnen de voorgeschreven termijn van vier maanden na de dag van indiening van de klacht. Op 19 augustus 1987 kwamen verzoekers in beroep bij het Hof van Justitie, waarbij zij onder meer verzochten om nietigverklaring van het stilzwijgend besluit tot afwijzing van de klacht. Inmiddels had de Commissie de klacht bij schrijven van 31 juli uitdrukkelijk afgewezen, maar die afwijzing bereikte verzoekers kennelijk pas nadat zij hun beroep hadden ingesteld.
4.
Verzoekers vragen het Hof in de eerste plaats om nietigverklaring van het besluit van de Commissie van november 1986 om hun het standaardcontract op te leggen, en van het stilzwijgend besluit tot afwijzing van de door hen ingediende klacht. In de tweede plaats vorderen zij veroordeling van de Commissie om de bestreden overeenkomst te vervangen door een onder het Statuut of de RAP vallende regeling.
5.
Ik wil drie opmerkingen maken over de ontvankelijkheid van het beroep. Mijn eerste opmerking betreft het door verzoekers in tweede instantie gevorderde: het is duidelijk, dat het Hof niet bevoegd is om een dergelijk verzoek in te willigen. Strikt genomen moet dat onderdeel van het beroep dan ook niet-ontvankelijk worden geacht. Mocht het Hof evenwel het beroep tot nietigverklaring toewijzen, dan is de Commissie ingevolge artikel 176 EEG-Verdrag gehouden, de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest.
6.
In de tweede plaats wil ik erop wijzen, dat de artikelen 90 en 91 van het Statuut, die betrekking hebben op de bevoegdheid van het Hof in ambtenarenzaken, weliswaar spreken van „iedere in dit statuut bedoelde persoon”, en dus niet expliciet van toepassing zijn op verzoekers in de onderhavige zaak, maar dat dit niet wegneemt, dat verzoekers' bevoegdheid om een procedure te starten, buiten kijf staat. Aan die woorden is in tal van arresten een ruime uitlegging gegeven en in zaak 123/84 (Klein, Jurispr. 1985, blz. 1907), waarop ik bij de bespreking van de zaak ten gronde nog uitvoeriger zal terugkomen, verklaarde het Hof, dat volgens vaste rechtspraak niet alleen degenen die de hoedanigheid van ambtenaar of personeelslid van de Gemeenschap bezitten, maar ook degenen die aanspraak maken op die hoedanigheid, zich voor het Hof op de bepalingen van het Statuut kunnen beroepen. In zaak 43/84 (Maag, Jurispr. 1985, blz. 2581), waarop ik eveneens later nog terugkom, verklaarde het Hof het beroep weliswaar niet-ontvankelijk, maar niet dan nadat het eerst was ingegaan op de inhoudelijke kwestie, of verzoeker aanspraak kon maken op de hoedanigheid van personeelslid van de Gemeenschap. Die vraag moet mijns inziens onder de bevoegdheid van het Hof vallen.
7.
In de derde plaats wil ik opmerken, dat één van de verzoekers, de heer Penella-Rom, na te zijn geslaagd voor een algemeen vergelijkend onderzoek, inmiddels een „full-time” baan bij de Commissie heeft. Dit doet echter volstrekt geen afbreuk aan de ontvankelijkheid van zijn beroep: hij heeft duidelijk nog steeds belang bij de procedure, aangezien zijn toekomstige rechten, met name op pensioengebied, afhankelijk kunnen zijn van de vraag, of hij vóór zijn huidige baan al dan niet als ambtenaar of tijdelijk functionaris kon worden aangemerkt.
8.
Ten gronde voeren verzoekers vier middelen aan, die ik in de volgende volgorde zal bespreken: 1) schending van artikel 212 EEG-Verdrag en/of van titel I van de RAP; 2) misbruik van procedure; 3) schending van het vertrouwensbeginsel; 4) niet-nakoming door de administratie van haar zorgplicht jegens haar ambtenaren en overige personeelsleden. Omdat de eerste twee middelen met elkaar samenhangen, moeten zij mijns inziens ook samen worden besproken.
9.
Artikel 212 EEG-Verdrag is in feite komen te vervallen ingevolge artikel 24, lid 2, van het Fusieverdrag, en verzoekers hebben kennelijk artikel 24, lid 1, van laatstgenoemd verdrag voor ogen, dat luidt als volgt:
„Op het tijdstip van inwerkingtreding van dit Verdrag worden de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen en maken zij deel uit van één administratie welke deze Gemeenschappen gemeen hebben.
De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de andere betrokken instellingen, het statuut vast van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, alsmede de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen.”
10.
Titel I van het Statuut, „Algemene Bepalingen”, bestaat uit de artikelen 1 tot en met 10 bis. Artikel 1, lid 1, bepaalt:
„Ambtenaar van de Gemeenschappen in de zin van dit Statuut is hij die, op de bij dit Statuut bepaalde wijze, in een vast ambt bij een der instellingen van de Gemeenschappen is aangesteld bij schriftelijk besluit van het daartoe bevoegde gezag van deze instelling.”
11.
Titel I van de RAP, ook „Algemene Bepalingen” genoemd, omvat de artikelen 1 tot en met 7 bis. Artikel 1 luidt als volgt:
„Deze regeling is van toepassing op ieder personeelslid dat op grond van een overeenkomst door de Gemeenschappen is aangesteld. Dit personeelslid heeft de hoedanigheid van: tijdelijk functionaris, hulpfunctionaris, plaatselijk functionaris, bijzonder adviseur.”
12.
Als eerste middel voeren verzoekers aan, dat bovengenoemde bepalingen enkel voorzien in ambtenaren en andere personeelsleden, en geen ruimte laten voor andere categorieën personeel, zoals personen die zijn aangesteld op basis van privaatrechtelijke overeenkomsten voor onbepaalde tijd. Dit betekent huns inziens, dat een ieder die krachtens een dergelijke overeenkomst voor de Gemeenschap diensten verricht, hetzij onder de bepalingen van het Statuut hetzij onder die van de RAP moet vallen.
13.
Om te beginnen moet worden nagegaan, of het de Commissie absoluut is verboden, een contractuele relatie als de in casu in geding zijnde aan te gaan buiten het kader van het Statuut of de RAP. Het is duidelijk, dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Commissie is bevoegd tot het sluiten van overeenkomsten (artikel 211 EEG-Verdrag) en kan daarop nationaal recht — zowel publiek- als privaatrecht — van toepassing verklaren [artikel 181 EEG-Verdrag; zie ook rechtsoverweging 11 van's Hofs arrest in zaak 109/81 (Porta, Jurispr. 1982, blz. 2469, inz. blz. 2480)]. Deze bevoegdheid strekt zich uit tot overeenkomsten tot het verrichten van diensten buiten het kader van het Statuut en de RAP: zie de rechtsoverwegingen 20 en 23 van het arrest in zaak 43/84 (Maag, Jurispr. 1985, blz. 2581, inz. blz. 2601 en 2602); zie ook de rechtsoverwegingen 9 en 13 van het arrest in zaak 111/84 (Cantisani, Jurispr. 1985, blz. 2671, inz. blz. 2677 en 2678), de rechtsoverwegingen 12 en 26 van het arrest in de zaak-Klein (reeds aangehaald, blz. 1916-1918), alsmede de rechtsoverwegingen 13 en 14 van het arrest in zaak 432/85 (Souna, Jurispr. 1987, blz. 2229, inz. blz. 2247).
14.
Er zijn echter wel grenzen aan de bevoegdheid van de Commissie om overeenkomsten tot het verrichten van diensten te sluiten buiten het kader van het Statuut en de RAP, en de volgende vraag is dan ook, waar die grenzen in de onderhavige zaak liggen. In dit verband wil ik erop wijzen, dat de in het kader van het Statuut tussen een ambtenaar en een instelling tot stand gebrachte betrekkingen een statutair, en geen contractueel karakter hebben, terwijl de door de RAP bestreken rechtsbetrekkingen van contractuele aard zijn.
15.
In de zaak-Klein ging het om een tewerkstellingsovereenkomst van een arts, waarin was bepaald, dat deze tegen een uurtarief zestien uur per week dienst zou doen in de lokalen van de Commissie. Het Hof bevestigde de geldigheid van die overeenkomst in de volgende bewoordingen (rechtsoverwegingen 24 en 25 van het arrest) :
„Onder deze omstandigheden zou de aanwerving van verzoeker op grond van een overeenkomst waarin uitdrukkelijk naar Belgisch recht wordt verwezen, slechts dan strijdig kunnen worden geacht met artikel 1 van de Regeling (RAP), indien de Commissie bij de vaststelling van zijn arbeidsvoorwaarden niet was uitgegaan van de behoeften van de dienst, maar enkel aan de toepassing van de bepalingen van de Regeling had willen ontkomen en zich daarmee schuldig had gemaakt aan misbruik van procedure.
Uit de overgelegde stukken en de voor het Hof gevoerde discussie kan echter niet worden opgemaakt dat dit het geval is geweest.”
16.
Dit betekent, dat de Commissie een dergelijke overeenkomst kan sluiten buiten het kader van de RAP, wanneer dit beantwoordt aan de behoeften van de dienst. Het was niet bewezen, dat dit met de in de zaak-Klein in geding zijnde overeenkomst niet het geval was. Een ander voorbeeld kan worden ontleend aan de zaak-Maag, waar het ging om freelance-tolken. In rechtsoverweging 16 van dat arrest werden de behoeften van de dienst omschreven als „toevallige behoeften, die zeer sterk kunnen variëren, afhankelijk van het ritme van de communautaire vergaderingen en van de onderhandelingen met derde landen, waarvoor een beroep moet worden gedaan op een groot aantal losse medewerkers, die de op dat moment vereiste kwalificaties bezitten en die herhaaldelijk voor zeer korte periodes kunnen worden geëngageerd”. De contractuele regelingen die, zonder toepassing van de RAP, aan deze behoeften beoogden de voldoen, werden eveneens rechtmatig geacht: zie rechtsoverweging 20 van het arrest, loco citato.
17.
Wanneer de verhouding daarentegen onder één van de in de RAP omschreven categorieën valt, dan zou het van misbruik van procedure getuigen, ze te behandelen als viel zij onder een.van de andere categorieën, of sterker nog, ze in te kleden in de vorm van een buiten de RAP vallende overeenkomst, althans voor zover deze handelwijze niet is ingegeven door de behoeften van de dienst, maar door het streven, de juiste toepassing van de RAP te vermijden (zie de zaak-Klein, loc. cit., en zaak 17/78, Deshormes, Jurispr. 1979, blz. 189). Dit aspect van de vraag vormt het onderwerp van het tweede middel (misbruik van procedure).
18.
Bovengenoemde criteria moeten worden toegepast op de feiten van de onderhavige zaak, om vervolgens na te gaan, of de tussen verzoekers en de Commissie gesloten overeenkomsten, in aanmerking genomen de aard van de verrichte diensten, strikt genomen onder het Statuut of onder een van de in de RAP omschreven categorieën vallen, en of zij beantwoorden aan de behoeften van de dienst dan wel juist zijn ingegeven door het streven, de toepassing van het Statuut en de RAP uit te sluiten.
19.
Het is zonneklaar, dat de overeenkomsten op basis waarvan verzoekers thans werkzaam zijn, het onmogelijk maken hen in te passen in een van de bestaande, onder het Statuut of de RAP vallende categorieën personeel. Zij kunnen niet worden beschouwd als „ambtenaren” in de zin van artikel 1 van het Statuut, aangezien zij geen aanspraak kunnen maken op enig „vast ambt” in de zin van die bepaling. Bovendien is het duidelijk, dat de ambtenarenstatus in beginsel is voorbehouden aan degenen die vaste, „fulltime”-posten vervullen. Zoals ik zal trachten aan te tonen, kunnen verzoekers, die werkzaam zijn op basis van een vijftienurige werkweek, gedurende een periode van 33 weken per jaar (ook indien zij, zoals zij stellen, van tijd tot tijd meer uren maken), niet worden aangemerkt als voltijdwerknemers in de zin van het Statuut. Zij vallen evenmin onder de in artikel 55 bis en bijlage TV bis van het Statuut vervatte bepalingen, die de mogelijkheid bieden, op basis van een halve werktijd werkzaam te zijn. Deze bepalingen zijn duidelijk slechts bedoeld voor beperkte perioden; bovendien is met zoveel woorden gesteld, dat zij een uitzonderingskarakter hebben. Verder voldoen verzoekers niet aan het in die bepalingen gestelde urenvereiste en zijn de benodigde formaliteiten niet vervuld. Ook zou toepassing van de betrokken bepalingen verzoekers het recht ontnemen, enige andere betaalde activiteit te verrichten, hetgeen hun onder de huidige omstandigheden wél is toegestaan.
20.
Ingevolge het reeds eerder aangehaalde artikel 1 van de RAP is deze regeling van toepassing op vier categorieën personeelsleden, namelijk die met de hoedanigheid van „tijdelijk functionaris, hulpfunctionaris, plaatselijk functionaris en bijzonder adviseur”. De artikelen 2 tot en met 5 geven een nauwkeurige omschrijving van elk van deze categorieën, en het is duidelijk, dat de met verzoekers gesloten overeenkomsten in geen van die categorieën zijn onder te brengen. Verzoekers zijn niet aan te merken als „tijdelijk functionaris”, aangezien zij duidelijk niet een functie bekleden bij een persoon die een ambt bekleed als bedoeld in artikel 2, sub c, en, daar zij zijn aangesteld op basis van overeenkomsten voor onbepaalde tijd, geen tijdelijk ambt vervullen in de zin van artikel 2, sub a, b of d (zie ook r. o. 17 van het arrest-Maag). Zij bezitten evenmin de hoedanigheid van „hulpfunctionaris” in de zin van de artikelen 3 en 52, omdat zij niet zijn aangesteld ter vervanging van een ambtenaar of tijdelijk functionaris, en bovendien hun werkelijke diensttijd meer dan één jaar bedraagt. Verzoekers kunnen ook niet worden beschouwd als „plaatselijk functionaris” als bedoeld in artikel 4, omdat zij zijn aangesteld voor intellectuele werkzaamheden en niet om „handenarbeid of hulpdiensten” te verrichten. Tot slot kunnen zij ook geen aanspraak maken op de hoedanigheid van „bijzonder adviseur” in de zin van artikel 5, aangezien zij niet zijn aangesteld om op grond van hun „buitengewone kundigheden” hun medewerking te verlenen aan de betrokken instelling. Bedacht moet worden, dat in de Franse versie van artikel 5 wordt gesproken van „qualifications exceptionnelles” en dat het Hof in het arrest-Maag (r. o. 8) heeft erkend, dat de hoedanigheid van bijzonder adviseur is gereserveerd voor uitzonderlijke gevallen.
21.
Het feit, dat verzoekers niet zijn in te passen in een van de bestaande categorieën van ambtenaren of andere personeelsleden, betekent echter nog niet, dat hun middel moet worden afgewezen. Zij kunnen met recht stellen, dat de Commissie, wanneer dit dienstig bleek, was gehouden de met hen gesloten overeenkomsten dusdanig te wijzigen — bij voorbeeld door in voorkomend geval een volledige baan aan te bieden —, dat zij wél onder die categorieën kwamen te vallen, of sterker nog, dat zij had moeten voorstellen, de bepalingen van het Statuut of de RAP aldus aan te passen, dat er ook plaats werd ingeruimd voor taalleraren. De kernvraag blijft, of de aard van de door verzoekers verrichte prestaties rechtvaardigt, dat zij aanspraak maken op een behandeling als ambtenaar of ander personeelslid van de Gemeenschappen.
22.
Voor de beantwoording van deze vraag moet worden onderzocht, in hoeverre de door verzoekers verrichte taken accessoir zijn aan de primaire functies van de instelling, in hoeverre zij op „fulltime”-basis kunnen worden uitgevoerd, en in hoeverre zij beantwoorden aan een vaste behoefte van de instelling. Zelfs diensten die beantwoorden aan een vaste behoefte van de instelling, kunnen mijns inziens zeer wel worden verzekerd door middel van buiten het Statuut of de RAP vallende contractuele regelingen, wanneer zij, ofschoon onmiskenbaar van belang, niettemin ondergeschikt zijn aan de hoofdtaken van gemeenschapsambtenaren.
23.
In een meertalige Gemeenschap is het uiteraard wenselijk, dat het personeel van de instellingen kennis heeft van meer dan één van de gemeenschapstalen. Artikel 28, sub f, van het Statuut en — met betrekking tot tijdelijke functionarissen — artikel 12, lid 2, sub e, van de RAP stellen wat dit betreft dan ook de volgend minimumvereisten:
„een grondige kennis van een van de talen der Gemeenschappen en... een voldoende kennis van een andere taal der Gemeenschappen voorzover dit voor de... te verrichten werkzaamheden noodzakelijk is”.
Dit zijn de minimumvereisten. Het spreekt vanzelf, dat een grotere talenkennis wenselijk, zo niet noodzakelijk is.
24.
Verzoekers beroepen zich op het feit, dat gemeenschapsambtenaren, willen zij hun taken kunnen vervullen, koste wat kost andere talen moeten leren. Zoals zij ter terechtzitting treffend stelden, zou een gebrekkige communicatie tussen ambtenaren tot gevolg hebben, dat het Berlaymont-gebouw van de Commissie tot een toren van Babel wordt. Dit neemt echter niet weg, dat ambtenaren van de Commissie in eerste instantie belast zijn met het uitstippelen en uitvoeren van gemeenschapsbeleid. Natuurlijk moeten zij met elkaar kunnen communiceren, maar zij moeten ook eten, over een werkkamer beschikken, gezond blijven, enzovoort. Het is de Commissie zonder meer toegestaan, catering- en schoonmaakwerkzaamheden, en, zoals we in de zaak-Klein zagen, medische zorg uit te besteden. Er lijkt geen enkele reden te zijn, waarom de Commissie niet hetzelfde zou doen met het taalonderricht ten behoeve van haar ambtenaren: zij zou haar ambtenaren naar een particulier taleninstituut kunnen sturen of het taalonderricht kunnen uitbesteden aan een particulier bedrijf.
25.
Dat taalonderricht, vergeleken met de normale taken van de ambtenaren van ondergeschikt belang is, blijkt voorts uit het feit, dat de taallessen voor ongeveer de helft van de tijd buiten de normale werktijden worden gegeven: ‚s morgens, tussen de middag of ’s avonds. In de regel komt de helft van de gevolgde uren ten laste van de werktijd, terwijl de ambtenaar voor de andere helft zijn eigen tijd moet opofferen. Daarom worden de lessen meestal gegeven van 8.30 tot 10.30, van 11.30 tot 1.30, en van 4.30 tot 6.30 uur: rond het begin van de werkdag, rond lunchtijd en rond het eind van de werkdag. Een ambtenaar zal normaal gesproken eens per week op één van deze tijdstippen les hebben, tenzij het intensievere cursussen betreft. Verder komen de lesperioden tot op zekere hoogte overeen met de schooltrimesters, met onderbrekingen met Kerstmis, met Pasen en in de zomer. Het is dan ook onwaarschijnlijk, dat taalonderricht binnen de Gemeenschappen iets anders is dan een „parttime”- en ondergeschikte bezigheid.
26.
Volgens de Commissie geeft het merendeel van de verzoekers twaalf uur per week les; daar komen dan nog drie uur met onderwijskundige verplichtingen bij. Verzoekers stellen, dat zij in feite een volledige dagtaak hebben. Zij zouden niet alleen les geven gedurende de contractueel overeengekomen periode, maar ook andere, individuele onderwijstaken op zich nemen, soms op basis van specifieke aanvullende overeenkomsten, en tevens een aanzienlijke hoeveelheid tijd besteden aan werkzaamheden zoals de voorbereiding van lessen, de correctie van examens, de evaluatie van cursussen en cursusmateriaal, en de onderlinge coördinatie van de werkzaamheden. Tijdens de zitting hebben zij gesuggereerd, minstens 22 tot 27 uur per week werkzaam te zijn (waardoor zij naar Belgisch recht als voltijdwerknemers zouden kunnen worden aangemerkt). Hiermee komen zij echter nog lang niet in de buurt van het in artikel 55 van het Statuut vastgestelde maximum van 42 uur per week, en halen zij evenmin de — met de beroepsorganisaties overeengekomen — gebruikelijke arbeidsduur van 37 1/2 uur. Bovendien mag het dan wel zo zijn, dat een aantal leraren bepaalde taken momenteel buiten de contractueel overeengekomen werktijd verrichten, maar dit neemt nog niet weg, dat die leraren in beginsel slechts voor 33 weken per jaar zijn aangesteld.
27.
De Commissie betoogt, dat de behoeften aan taalonderricht per periode aanzienlijk verschillen, en dat zal zeker zo zijn. Er zal uiteraard altijd behoefte zijn aan een zekere mate van taalonderricht, maar de vraag naar bepaalde talen zal variëren naar gelang van de omstandigheden van het moment. Factoren die hierbij een rol kunnen spelen, zijn bij voorbeeld de toetreding van nieuwe Lid-Staten, het aantal nieuw aangestelden of de mobiliteit, alsmede de wens van individuele ambtenaren om een andere taal te leren of hun kennis van een bepaalde taal te vergroten. Het mag dan misschien wel zo zijn, dat de behoefte aan bij voorbeeld onderricht in schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid in de werktaal of -talen van een bepaalde instelling, tot op zekere hoogte een permanent karakter heeft (ofschoon ook deze werktalen na verloop van tijd kunnen veranderen), maar uit de bij wijze van voorbeeld overgelegde overeenkomsten en de door de Commissie op de zitting gemaakte opmerkingen blijkt, dat het aantal van dergelijke cursussen zeer sterk achterblijft bij dat van de algemene taalcursussen. Aangezien verzoekers niet beweren, dat ieder van hen in staat is alle gemeenschapstalen te onderwijzen, moet worden erkend, dat de vraag naar verschillende talen hand in hand gaat met de vraag naar verschillende leraren. Het moet dan ook worden betwijfeld, of het altijd nodig is, dat een leraar in een bepaalde taal op „fulltime”-basis werkzaam is. Zo beschouwd kunnen de door een individuele leraar verrichte taken niet worden geacht een permanent karakter te hebben, al is er een vaste behoefte aan onderricht in meerdere verschillende talen.
28.
Ik kom dan ook tot de conclusie, dat de Commissie, gelet op het feit dat de betrokken taken van ondergeschikte aard zijn, in deeltijd worden verricht en geen vast karakter hebben, niet was gehouden, de overeenkomsten onder het Statuut of de RAP te doen vallen, en dat — om dezelfde redenen — de overeenkomsten kunnen worden geacht te beantwoorden aan de behoeften van de instelling.
29.
Er is mijns inziens evenmin voldoende bewijsmateriaal voorhanden om te kunnen stellen, dat met de betrokken overeenkomsten in werkelijkheid wordt beoogd, de toepassing van het Statuut of de RAP te vermijden. Verzoekers beroepen zich in dit verband op een intern document van de Commissie, dat er huns inziens op lijkt te wijzen, dat de Commissie beoogt tegen te gaan, dat verzoekers ooit ambtenaar of personeelslid van de Gemeenschappen zouden kunnen worden. Ofschoon de Commissie het bestaan van bedoeld document niet ontkent, verklaart zij dat het onvindbaar is; mocht het toch bestaan, dan zou het niet haar werkelijke beleid weergeven. Mijns inziens kan de conclusie, dat de betrokken overeenkomsten in het belang van de dienst waren, niet worden weersproken met het enkele beroep op dat document, dat nog niet eens aan het Hof is overgelegd. Ik ben dan ook van mening, dat de eerste twee middelen in deze zaak moeten worden afgewezen.
30.
Als derde middel voeren verzoekers aan, dat zij redelijkerwijs mochten verwachten, dat de verschillende besprekingen tussen de beroepsorganisaties en de Commissie ertoe zouden leiden, dat hun de status van ambtenaar of ander personeelslid zou worden toegekend. Over dit middel kan ik kort zijn. Gelijk de Commissie — mijns inziens terecht — stelt, garandeert het enkele feit dat er onderhandelingen worden aangeknoopt nog niet, dat er ook een bevredigend resultaat wordt bereikt. Bovendien zijn er geen aanwijzingen, dat de Commissie in enig stadium van de onderhandelingen de verwachting heeft gewekt, dat de taalleraren een specifieke status of contractuele positie als ambtenaar of ander personeelslid zou worden toegekend. De beroepsorganisaties zelf leken er immers-— in elk geval tot 1986 — geen bezwaar tegen te hebben, dat de overeenkomsten werden beheerst door het Belgische recht, en tot op dat moment was hun grootste zorg, te verzekeren dat er voor de taalleraren een behoorlijke regeling zou komen op het gebied van de sociale zekerheid en andere voorzieningen. Onder deze omstandigheden geloof ik niet, dat er op enigerlei wijze sprake is van gewettigd vertrouwen.
31.
In het vierde middel tot slot stellen verzoekers, dat de Commissie haar zorgplicht jegens haar personeel niet is nagekomen. Zij zou met name zijn tekortgeschoten in haar verplichting, passend onderricht voor haar personeel te verzorgen, waardoor het personeel zou zijn benadeeld. De Commissie brengt hiertegen terecht in, dat enkel het personeel dat stelt te zijn benadeeld, zich op de beweerde niet-nakoming kan beroepen (zie bij voorbeeld zaak 85/82, Schloh, Jurispr. 1983, blz. 2105). In elk geval is er geen enkele aanwijzing, dat het door verzoekers onderwezen personeel van de Commissie nadeel ondervindt van het feit, dat verzoekers niet de hoedanigheid van ambtenaar of ander personeelslid van de Gemeenschappen bezitten, of van het feit, dat het onderricht wordt verzorgd op basis van de in casu in geding zijnde overeenkomsten.
32.
Voor zover verzoekers zich willen beroepen op een zorgplicht van de Commissie jegens henzelf, ben ik van mening, dat een dergelijke plicht enkel bestaat ten opzichte van personeel in de strikte zin des woords, en zich niet uitstrekt tot personen die diensten verrichten op basis van niet onder het Statuut en de RAP vallende overeenkomsten, en al helemaal niet zo ver gaat, dat dergelijke personen onder de categorie „personeel” zouden moeten worden gebracht. Men kan op zijn hoogst van de Commissie verwachten, dat zij verzekert dat dergelijke personen, wanneer zij een aanzienlijk aantal uren per week werkzaam zijn, op basis van de betrokken contractuele regelingen onder het nationale socialezekerheidsstelsel kunnen vallen. Indien de in casu in geding zijnde overeenkomsten verzoekers in staat te stellen, van het Belgische socialezekerheidsstelsel te profiteren — hetgeen kennelijk het geval is —, dan wordt daarmee voor een groot deel aan verzoekers' bezwaar tegemoetgekomen. In antwoord op een vraag van het Hof heeft de Commissie verklaard, dat zij aan sociale-zekerheidsbijdragen een bedrag ter grootte van 35% van de beloning van de leraren betaalt. Verzoekers hebben geen andere elementen aangevoerd op basis waarvan zij van mening zijn, dat de Commissie heeft verzuimd hun belangen in aanmerking te nemen. Dit betekent, dat ook hun laatste middel moet worden afgewezen.
33.
Ik geef het Hof dan ook in overweging, het beroep ongegrond te verklaren, en overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering elk der partijen in de eigen kosten te verwijzen.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy