Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Het onderhavige geschil betreft de toepassingsvoorwaarden van de aanpassingscoëfficiënt voor de vergoeding uit hoofde van verordening nr . 1679/85 van de Raad van 19 juni 1985 tot vaststelling van bijzondere tijdelijke maatregelen betreffende de beëindiging van de dienst van bepaalde ambtenaren van de Europese Gemeenschappen die behoren tot de wetenschappelijke en technische groepen ( PB 1985, L 162, blz . 1 ).
De feiten . In december 1986 mocht verzoeker, ambtenaar bij het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek te Ispra, zijn dienst vervroegd beëindigen overeenkomstig bovengenoemde verordening . Op de vergoeding voor de maand januari 1987 werd door de diensten van de Commissie de aanpassingscoëfficiënt voor Zwitserland toegepast, maar later werd hem meegedeeld dat vanaf de volgende maand de aanpassingscoëfficiënt voor Italië zou worden toegepast, daar niet was gebleken dat hij zijn woonplaats naar Zwitserland had overgebracht . Ook die maatregel was van korte duur . Na een onderhoud tussen verzoeker en de verantwoordelijken van de Commissie in februari besloten de diensten van de Commissie namelijk coëfficiënt 100 toe te passen totdat verzoeker een beslissing zou hebben genomen omtrent zijn woonplaats .
Verzoeker was evenwel niet tevreden met deze oplossing en diende in april 1987 een klacht in tegen de berekening van zijn vergoeding voor februari op basis van de aanpassingscoëfficiënt voor Italië . De Commissie heeft niet op die klacht geantwoord . Zij trok bovendien van de vergoeding voor de maand april een bedrag van 3 054,87 SFR af, dat door de toepassing van de coëfficiënt voor Zwitserland volgens haar teveel was betaald voor de maand januari .
Bij verzoekschrift, ingeschreven ter griffie op 24 september 1987, is verzoeker opgekomen tegen de salarisafrekeningen voor de maanden februari en maart 1987 en heeft hij het Hof verzocht a ) de afrekeningen van zijn vergoeding door de Commissie nietig te verklaren, b ) te verklaren dat hij vanaf februari 1987 recht heeft op een vergoeding waarop de aanpassingscoëfficënt voor Zwitserland wordt toegepast, en c ) de Commissie te veroordelen om hem het verschil te betalen tussen de verschuldigde en de toegekende bedragen, inclusief het van de vergoeding voor de maand april afgetrokken bedrag van 3 054,87 SFR .
2 . Het aan het Hof voorgelegde probleem spitst zich toe op de vraag, of verzoeker op het moment van indiening van zijn administratieve klacht ( 15.4.1987 ) kon bewijzen dat hij zijn woonplaats in Zwitserland had . Artikel 3, lid 3, van verordening nr . 1679/85 bepaalt namelijk, dat "op de vergoeding ... de aanpassingscoëfficiënt wordt toegepast die is vastgesteld voor het binnen of buiten de Gemeenschap gelegen land waar de betrokkene aantoont zijn woonplaats te hebben" ( cursivering van mij ).
Verzoeker betoogt, dat hij te Massagno in het Kanton Ticino woont, ten bewijze waarvan hij de volgende documenten overlegt : a ) een verklaring van de bevolkingsdienst van die gemeente van 5 februari 1987, volgens welke hij eigenaar is van een tweede woning in de via al Roccolo 20, die hij gedurende perioden van niet meer dan drie maanden achter elkaar en gedurende in totaal ten hoogste zes maanden per jaar bewoont; b ) twee rekeningen met betrekking tot zijn appartement, namelijk een telefoonrekening voor de periode van 17 oktober tot 16 december 1986 en een elektriciteitsrekening voor de periode april-september 1986, en c ) twee verklaringen van zijn broer Rudolf en van een kennis uit Darmstadt, volgens welke verzoeker het centrum van zijn belangen in Zwitserland heeft en, wanneer hij in het appartement van zijn broer in Gerbrunn ( Bondsrepubliek Duitsland ) verblijft, aldaar slechts over één kamer beschikt .
Volgens verzoeker tonen die documenten aan, dat hij zijn woonplaats in Zwitserland heeft, waar hij een woning bezit voor de onderhoudskosten waarvan - onder meer de bezoldiging van zijn huishoudster - hij een groot deel van zijn inkomsten besteedt . Dat hij er niet meer dan zes maanden per jaar verblijft en de rest van het jaar bij zijn broer doorbrengt, heeft te maken met de wettelijke regeling in Zwitserland . Zoals bekend, mogen vreemdelingen beneden de 60 jaar immers geen langere perioden in Zwitserland verblijven .
3 . De Commissie is een andere mening toegedaan . Zij merkt in de eerste plaats op, a ) dat voor gepensioneerden die in Zwitserland wonen, hun verblijf aldaar uit een officieel document ( de verblijfsvergunning ) blijkt, dat zonder probleem te verkrijgen is, b ) dat verzoeker de Commissie niet heeft gevraagd bij de Zwitserse autoriteiten te interveniëren opdat die vergunning werd verleend, en c ) dat de door verzoeker overgelegde documenten geen afdoende bewijs voor zijn stelling vormen, maar alleen aantonen dat hij reeds vóór de beëindiging van zijn functie over een tweede woning in Massagno beschikte .
Meer in het algemeen merkt verzoeker op, dat het gebruik van de uitdrukking "zijn woonplaats" in zowel artikel 3, lid 3, van verordening nr . 1679/85 als in artikel 82 Ambtenarenstatuut erop wijst, dat wordt uitgegaan van de idee, dat men slechts op één plaats woont; heeft de gepensioneerde meer dan één woning, dan neemt de instelling aan, dat hij zijn woonplaats heeft op de plaats waar hij voor een periode van ten minste 185 dagen per jaar verblijft . Die praktijk stemt overigens overeen met de regel die geldt in een aantal secundaire normen die niet de ambtenaren betreffen . Zo wordt bij voorbeeld in artikel 7, lid 1, van richtlijn 83/182 van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap onder "gewone verblijfplaats" verstaan de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 kalenderdagen per jaar wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen ..." ( PB 1983, L 105, blz . 59; zie ook artikel 6 van richtlijn 83/183 van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij definitieve invoer uit een Lid-Staat van persoonlijke goederen door particulieren, PB 1983, L 105, blz . 64 ).
Maar volgens de Commissie heeft verzoeker niet het bewijs geleverd dat hij gedurende de vereiste minimumperiode in Zwitserland woont . Het is mogelijk dat hij zijn appartement in totaal gedurende 185 kalenderdagen bewoont, maar als gevolg van de wettelijke regeling die hem verbiedt meer dan drie maanden aan een stuk in Zwitserland te verblijven, moet hij die periode opsplitsen op een manier die niet met het begrip woonplaats te verzoenen valt .
4 . De stelling van de Commissie kan niet worden gevolgd . Ik herinner er in de eerste plaats aan, dat volgens 's Hofs rechtspraak als woonplaats moet worden aangemerkt, de plaats waar men het permanente of gewone centrum van zijn belangen heeft gevestigd met de intentie daaraan een bestendig karakter te verlenen ( arresten van 12 juni 1973, zaak 13/73, Angenieux, Jurispr . 1973, blz . 935 en 17 februari 1977, zaak 76/76, Di Paolo, Jurispr . 1977, blz . 315 ). Vervolgens merk ik op, dat de woonplaats niet kan worden vastgesteld op basis van een louter kwantitatief gegeven als de duur van het verblijf op het grondgebied van een bepaalde staat; dat zou meebrengen, dat als staat van woonplaats zou worden aangemerkt de staat waar men het grootste gedeelte van het jaar verblijft . In die optiek is de verwijzing naar een minimumperiode van 185 kalenderdagen - die overigens voor totaal andere situaties is voorzien - niet aanvaardbaar voor een situatie waarvoor een bepaling geldt ( artikel 3, lid 3, van verordening nr . 1679/85 ), die zelf geen tijdscriterium kent .
Gelijk advocaat-generaal Trabucchi in zijn conclusie in zaak 13/73 ( reeds aangehaald ) heeft gesteld, moet ter bepaling van de woonplaats in gevallen waarin de levensomstandigheden niet duidelijk aan een bepaald grondgebied gebonden schijnen te zijn, worden gewerkt "met criteria aan de hand waarvan de aard dezer relatie in verdergaande mate kan worden bepaald dan wanneer alleen met lijfelijke aanwezigheid gedurende een bepaalde tijd - zonder begeleidende factoren als uitwendige tekenen, bestendigheid, intentie en dergelijke - rekening wordt gehouden ". De woonplaats wordt inderdaad niet alleen bepaald door het fysieke feit van het wonen op een bepaalde plaats; zij impliceert ook de intentie om aan dat feit de bestendigheid te verlenen die voortvloeit uit levensgewoonten en normale sociale betrekkingen . Vanuit dat oogpunt kan een bepaald tijdsverloop dus hoogstens een vermoeden van woonplaats opleveren, bepalend is het echter niet .
Pas ik een en ander op de onderhavige zaak toe, dan meen ik dat de door verzoeker op het tijdstip van zijn klacht overgelegde documenten het afdoende bewijs leveren dat hij zijn woonplaats in Zwitserland heeft . Ongeacht de door de Zwitserse autoriteiten voor de kwalificatie van zijn appartement gebezigde termen (" tweede woning ") en de tijdsbeperkingen die door hen in deze fase van zijn leven aan zijn verblijf in Zwitserland worden gesteld, is het voor mij evident, dat verzoeker op het moment dat hij de dienst verliet, het bestendig centrum van zijn belangen in Zwitserland had . Bovendien zij opgemerkt, dat de Commissie toegeeft, dat zij op de hoogte was van verzoekers verhuizing naar Massagno in 1981 .
5 . Op grond van een en ander geef ik het Hof in overweging, verzoekers beroep tegen de Commissie van 24 februari 1987 gegrond te verklaren en derhalve
a ) de salarisregelingen voor de maanden februari en maart 1987 nietig te verklaren;
b ) vast te stellen, dat verzoeker vanaf februari 1987 recht heeft op toepassing van de aanpassingscoëfficiënt voor Zwitserland op de ingevolge artikel 3 van verordening nr . 1679/85 betaalde vergoedingen;
c ) de Commissie te veroordelen om verzoeker het verschil te betalen tussen de daadwerkelijk betaalde vergoeding en de vergoeding waarop hij recht zou hebben gehad bij toepassing van een andere aanpassingscoëfficiënt .
Ik stel verder voor, de verliezende partij in de kosten te verwijzen .
(*) Vertaald uit het Italiaans .
Full & Egal Universal Law Academy