Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A - De feiten
1 . In het geding tussen de Commissie ( hierna : verzoekster ) en het Koninkrijk der Nederlanden ( hierna : verweerder ) verzoekt eerstgenoemde het Hof in een niet-nakomingsprocedure vast te stellen, dat verweerder de in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid op hem rustende communautaire verplichtingen niet is nagekomen .
2 . In de jaren 1983 tot 1985 zijn de aan Nederland toegekende vangstquota overschreden, in bepaalde gevallen zelfs met een veelvoud van de quota .
3 . Volgens verzoekster is de quota-overschrijding te wijten enerzijds aan het niet-tijdig stopzetten van de visvangst zoals artikel 10, lid 2, van verordening nr . 2057/82 ( 1 ) gebiedt, en anderzijds aan de niet-nakoming van de communautaire verplichtingen bij het quotabeheer en het toezicht op de visserij-activiteiten ( artikel 5, lid 2, van verordening nr . 170/83 ( 2 ), artikelen 1 en 6 tot en met 10 van verordening nr . 2057/82 ). Het beroep is in hoofdzaak gebaseerd op het middel ontleend aan het niet-tijdig stopzetten van de visvangst .
4 . Verzoekster concludeert dat het den Hove behage :
- overeenkomstig artikel 169, tweede alinea, EEG-Verdrag vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden wegens overschrijding van de hem voor de jaren 1983, 1984 en 1985 toegekende vangstquota de verplichtingen niet ten volle is nagekomen die voortvloeien uit artikel 5, lid 2, van verordening nr . 170/83 van 25 januari 1983 en uit de artikelen 1 en 6 tot en met 10 van verordening nr . 2057/82 van 29 juni 1982, in samenhang met de verordeningen van de Raad betreffende de vaststelling van de quota voor de betrokken jaren;
- het Koninkrijk der Nederlanden te veroordelen in de kosten .
5 . Verweerder concludeert dat het den Hove behage :
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
- voor zover het beroep ontvankelijk is, het ongegrond te verklaren;
- de Commissie te veroordelen in de kosten .
6 . Verweerder betoogt, dat de quota-overschrijdingen te wijten zijn aan omstandigheden waarvoor hij niet verantwoordelijk was, zoals bij voorbeeld illegale vangsten of te late mededeling van vangstgegevens van aanlandingen in buitenlandse havens .
7 . Zijns inziens is het beroep niet-ontvankelijk, omdat het voorwerp van de procedure in het verzoekschrift onvoldoende is bepaald .
8 . Voor een uitvoeriger uiteenzetting van de feiten en de middelen en argumenten van partijen verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting .
B - Standpuntbepaling
I - De ontvankelijkheid
9 . Verweerder verweert zich in de eerste plaats met een exceptie van niet-ontvankelijkheid, op grond dat het voorwerp van de procedure in het verzoekschrift onvoldoende is bepaald . Bijgevolg moet worden nagegaan, of het beroep, indien het gegrond is, de grondslag voor een arrest houdende vaststelling van een schending van het Verdrag kan vormen . Het petitum geeft aan, wat verzoekster vastgesteld wil zien .
10 . De formulering van het beroep, in combinatie met de toepasselijke bepalingen, dient dus zo te zijn, dat een niet-nakoming van de verwerende Lid-Staat, neerkomend op een schending van het Verdrag, aannemelijk kan voorkomen . In het complex geformuleerde verzoekschrift worden diverse inbreuken aangevoerd .
11 . 1 . In de eerste plaats wordt geklaagd over schending van artikel 5, lid 2, van verordening nr . 170/83, de basisverordening tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden . Die bepaling legt de Lid-Staten de verplichting op om in overeenstemming met de geldende communautaire bepalingen de voorschriften vast te stellen voor het gebruik van de hun toegewezen quota . Volgens de tweede zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr . 170/83 kunnen uitvoeringsbepalingen worden vastgesteld volgens de beheerscomitéprocedure . Telkens wanneer regelingen van de Lid-Staten inzake het quotabeheer zich niet met het geldende gemeenschapsrecht verdragen, kan dat een inbreuk op dat voorschrift opleveren . Ook het verzuim van een Lid-Staat om uitvoeringsbepalingen vast te stellen, kan een schending van het Verdrag opleveren .
12 . Artikel 5, lid 2, van verordening nr . 170/83 legt derhalve een concrete verplichting op, waarvan de niet-inachtneming tot een veroordeling in het kader van een niet-nakomingsprocedure kan leiden .
13 . 2 . Voorts klaagt verzoekster over schending van de artikelen 1 en 6 tot en met 10 van verordening nr . 2057/82 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de activiteiten van vissersvaartuigen uit de Lid-Staten . Krachtens artikel 1 inspecteert elke Lid-Staat de vissersvaartuigen die de vlag van een Lid-Staat voeren of in een Lid-Staat zijn geregistreerd en die zich bevinden in de havens op zijn grondgebied of in de onder zijn soevereiniteit of jurisdictie vallende maritieme wateren, ten einde te waarborgen dat alle geldende regelingen met betrekking tot de instandhoudings - en controlemaatregelen worden nageleefd . Daarmee is de Lid-Staten een algemene toezichtverplichting opgelegd, die concrete instandhoudings - en controlemaatregelen impliceert . Lid 2 van dezelfde bepaling legt de Lid-Staten bovendien de verplichting op om in geval van niet-naleving van de instandhoudings - en controlemaatregelen strafrechtelijke of administratieve stappen te ondernemen en dus de rechtsschending te bestraffen . Ten slotte moeten de Lid-Staten met het oog op de grootst mogelijke doeltreffendheid hun controle-activiteiten cooerdineren .
14 . Een schending van het Verdrag wegens niet-inachtneming van artikel 1 van verordening nr . 2057/82 kan bij voorbeeld hierin zijn gelegen, dat de vereiste controlemaatregelen onvoldoende worden toegepast . Voor de vaststelling van een inbreuk zou dan nader moeten aangegeven, welke instandhoudings - en controlemaatregelen onvoldoende zijn nageleefd en, in voorkomend geval, hoe dat dan wel had moeten gebeuren .
15 . Verder kan men zich inbreuken voorstellen op de nader omschreven verplichtingen van de artikelen 6 tot en met 10 van verordening nr . 2057/82, zoals de toetsing van de door de kapitein krachtens artikel 6, lid 1, verstrekte verklaringen ( artikel 6, lid 2 ), de verplichting tot registratie van de aanlandingen ( artikel 9, lid 1 ) en de tijdige mededeling daarvan aan de Commissie ( artikel 9, lid 2 ) alsook de tijdige stopzetting van de visvangst ( artikel 10 ).
16 . Ook zonder dat op bepaalde instandhoudings - en controlemaatregelen wordt gewezen, kan een schending van de verplichtingen van de Lid-Staten wegens niet-inachtneming van artikel 1, lid 2, van verordening nr . 2057/82 worden vastgesteld, namelijk wanneer niet is gedreigd met strafrechtelijke of administratieve stappen in de zin van die bepaling of wanneer geconstateerde overtredingen niet zijn vervolgd .
17 . Artikel 1 van verordening nr . 2057/82 legt zowel rechtstreeks als in verbinding met de artikelen 6 tot en met 10 van dezelfde verordening concrete gedragsverplichtingen op, waarvan miskenning een schending van het Verdrag kan opleveren .
18 . Het beginsel van de bepaaldheid van het beroep dient ter afbakening van het voorwerp van geschil en moet - indien het beroep gegrond is - een veroordeling mogelijk maken . Verdergaande eisen met betrekking tot de bepaaldheid van het voorwerp van de procedure als ontvankelijkheidsvereiste dienen niet te worden gesteld . Aan deze processuele minimumvereisten voldoet het beroep in de onderhavige niet-nakomingsprocedure ook . Bijgevolg treft de exceptie van niet-ontvankelijkheid geen doel .
19 . Niettemin moet nog enige twijfel worden weggenomen met betrekking tot de omvang van het voorwerp van geschil . In zoverre het verzoek luidt om vast te stellen, dat verweerder de artikelen 1 en 6 tot 10 van verordening nr . 2057/82 heeft geschonden, omvat het ook eventuele inbreuken op de uit artikel 9 van dezelfde verordening voortvloeiende verplichting tot regelmatige registratie . Hetzelfde geldt ten aanzien van de mededeling, vóór de vijftiende van elke maand, van de in de voorafgaande maand aangelande hoeveelheden ( artikel 9, lid 2 ).
20 . In het met redenen omkleed advies van 16 december 1986 is de gehele problematiek echter uitdrukkelijk uitgezonderd van het voorwerp van geschil . Dat geldt zonder enige beperking voor 1983 en 1984 . Blijkens punt 2.2 en 3.6 van het met redenen omkleed advies is de kwestie rond artikel 9 van verordening nr . 2057/82 niet in geding en wenste de Commissie die apart te behandelen . Hetzelfde geldt echter eveneens voor de problemen in verband met de registratie in 1985, die in punt 3.1 van het met redenen omkleed advies voorlopig waren aangehouden en daarna nooit meer uitdrukkelijk aan de orde zijn gesteld .
21 . Ingevolge de regel dat het met redenen omkleed advies in een niet-nakomingsprocedure het voorwerp van het geschil ook voor de gerechtelijke procedure bepaalt, kunnen de verplichtingen ex artikel 9 van verordening nr . 2057/82 thans geen grond voor een veroordeling in de procedure voor het Hof opleveren .
22 . Overigens is zowel in de schriftelijke behandeling als ter terechtzitting herhaaldelijk gezegd, dat het registratieprobleem in een afzonderlijke procedure aan de orde zou worden gesteld . Bijgevolg zijn de meningsverschillen over de uitlegging en toepassing van artikel 9 van verordening nr . 2057/82 in de onderhavige niet-nakomingsprocedure niet in geding .
23 . Met de vraag of de feiten die met betrekking tot andere verplichtingen van de Lid-Staten zijn gesteld, volstaan om tot schending van het Verdrag te kunnen concluderen, komen wij bij de gegrondheid van de zaak . Hiervoor moet verzoekster feiten aantonen, die schending opleveren van de krachtens de toepasselijke rechtsnormen op de Lid-Staten rustende verplichtingen .
II - De gegrondheid
24 . In het kader van het gemeenschappelijke visserijbeleid worden jaarlijks totale vangstquota ( 3 ) vastgesteld en worden aan de Lid-Staten per bestand of groep bestanden quota toegekend . Soms worden aanvankelijk voorlopige vangstquota voorgeschreven en worden de definitieve TAC' s en de quota van de Lid-Staten eerst later vastgesteld . Deze gang van zaken doet echter niet af aan het verbindende karakter van de telkens bij verordening vastgelegde vangsthoeveelheden . Wat de in casu aan de orde zijnde periode betreft, dat wil zeggen de jaren 1983-1985, zijn de TAC' s en de aan de Lid-Staten toekomende quota vastgesteld bij verordeningen nrs . 172/83 ( 4 ), 198/83 ( 5 ), 3220/83 ( 6 ) en 3624/83 ( 7 ) voor het jaar 1983, verordeningen nrs . 320/84 ( 8 ) en 3434/84 ( 9 ) voor het jaar 1984 en verordeningen nrs . 1/85 ( 10 ) en 3720/85 ( 11 ) voor het jaar 1985 .
25 . Verweerder heeft de hem in de jaren 1983, 1984 en 1985 toegekende quota overschreden, in sommige gevallen zelfs met een veelvoud van de quota . Hij ontkent die overschrijdingen niet, doch schrijft ze toe aan oorzaken die buiten zijn verantwoordelijkheid vallen . ( 12 ) Verzoekster brengt daar tegen in, dat verweerder zijn communautaire verplichtingen onvoldoende is nagekomen . De quota-overschrijdingen wijzen op een gebrekkige uitvoering door verweerder van de hem opgedragen taak om de vissers de quota te doen naleven .
26 . Verzoekster erkent, dat de quota-overschrijding als zodanig niet rechtstreeks als schending van het Verdrag is aan te merken, aangezien het de vissers zijn die de vangstquota hebben overschreden . Maar dat het zover is kunnen komen, zou het gevolg zijn van het feit dat verweerder de op hem rustende communautaire verplichtingen onvoldoende is nagekomen . Uit de quota-overschrijding zou dus de niet-nakoming van bepaalde verplichtingen kunnen worden geconcludeerd . Welke bepalingen van gemeenschapsrecht zijn geschonden, wordt globaal aangegeven en ten dele gemotiveerd .
27 . De afzonderlijke grieven
1 ) Artikel 5, lid 2, van verordening nr . 170/83
28 . Telkens wanneer de door de Lid-Staten vastgestelde uitvoeringsbepalingen met betrekking tot het gebruik van de quota in strijd zijn met het gemeenschapsrecht, of een Lid-Staat gewoon heeft nagelaten dergelijke bepalingen vast te stellen, kan dat schending van artikel 5, lid 2, van verordening nr . 170/83 opleveren .
29 . Verzoekster heeft echter helemaal niet gespecificeerd, welke bepaling betreffende het quotabeheer tegen het geldende gemeenschapsrecht indruiste . Evenmin heeft zij aangegeven, welke maatregelen hadden moeten worden vastgesteld om de instructienorm van artikel 5, lid 2, van verordening nr . 170/83 op te volgen .
30 . Ook al wijzen quota-overschrijdingen inderdaad in de richting van een ontoereikend toezicht door een Lid-Staat, is dat niet voldoende om een rechtsvermoeden van schending van de instandhoudings - en controlemaatregelen te rechtvaardigen . Dat is des te minder mogelijk, wanneer er een reeks verschillende verplichtingen zijn die elk op een regelmatig quotabeheer zijn gericht . Zelfs indien de Lid-Staat nalatigheid bij het toezicht op de vangsten kan worden verweten, kan uit die algemene bewering niet worden afgeleid, welke van de afzonderlijke verplichtingen nu juist niet is nagekomen . Eén punt, dat mogelijk op zich tot het gewraakte resultaat heeft kunnen leiden, namelijk de onregelmatigheden bij de registratie van de vangsten, is geen voorwerp van geschil .
31 . Nu verzoekster niet aantoont hoe verweerder artikel 5, lid 2, van verordening nr . 170/83 heeft geschonden, moet het beroep tot vaststelling van schending van die bepaling ongegrond worden verklaard .
2 ) Artikel 1, lid 2, van verordening nr . 2057/82
32 . Een inbreuk op de verplichting ex artikel 1, lid 2, van verordening nr . 2057/82 om tegen kapiteins die de bestaande voorschriften inzake instandhoudings - en controlemaatregelen niet naleven, strafrechtelijke of administratieve stappen te ondernemen, is slechts in zeer algemene termen gesteld .
33 . Dat verweerder strafmaatregelen heeft genomen en ook inbreuken bestraft, blijkt alleen al hieruit, dat in een dergelijke strafprocedure het Hof om een prejudiciële beslissing is gevraagd ( zaak 46/86 ( 13 )). Verzoeker heeft onweersproken aangevoerd, dat alleen al in afwachting van het arrest van het Hof in zaak 46/86 ongeveer 3 000 soortgelijke strafzaken waren opgeschort . Voorts is het het Hof bekend ( zaak 2/88 ( 14 )), dat misdrijven in de visserijsector in Nederland worden vervolgd . Nu verweerder noch het totaal ontbreken van strafbepalingen, noch een weigering om te vervolgen kan worden verweten, is een inbreuk alleen dan genoegzaam aangetoond, wanneer concrete feiten worden aangevoerd . Uit de quota-overschrijding alleen kan echter in geen geval tot schending van artikel 1, lid 2, van verordening nr . 2057/82 worden geconcludeerd . Ook al wordt een quota-overschrijding vervolgd, toch tellen illegale vangsten mee bij de berekening van de in totaal gevangen hoeveelheden . Daar verzoekster ook hier de vereiste feiten niet aantoont, moet het beroep op dit punt ongegrond worden verklaard .
3 ) Artikel 1, lid 2, juncto artikel 6, lid 2, van verordening nr . 2057/82
34 . Hetzelfde geldt voor de gevraagde vaststelling van een inbreuk op artikel 1, lid 2, juncto artikel 6, lid 2, van verordening nr . 2057/82, daar verzoekster niet eens heeft gesteld dat verweerder de verklaringen van de kapiteins niet heeft gecontroleerd . De blote stelling, dat de autoriteiten niet zonder meer aan de verklaringen van de kapiteins zijn gebonden, als antwoord op verweerders stelling dat de autoriteiten tot het bewijs van het tegendeel moeten uitgaan van de juistheid van de verklaringen, kan niet als concretisering van een niet-nakoming worden gezien .
4 ) Artikel 1, lid 1, juncto artikel 9 en andere van verordening nr . 2057/82
35 . Reeds bij de bespreking van de ontvankelijkheid heb ik erop gewezen, dat een eventuele inbreuk door verweerder op zijn verplichtingen ex artikel 1, lid 1, juncto artikel 9 van verordening nr . 2057/82 hier niet aan de orde is en dat daarover dan ook niet kan worden geoordeeld . Daar de artikelen 6, 7 en 8 van de verordening geen verdere verplichtingen voor de Lid-Staten, maar rechtstreeks werkende voorschriften voor de kapiteins van vissersvaartuigen bevatten, moet alleen nog worden nagegaan of er sprake kan zijn van een niet-nakoming van artikel 1, lid 1, juncto artikel 10 van de verordening .
36 . Volgens de vertegenwoordiger van verzoekster ter terechtzitting is het niet-tijdig stopzetten van de visvangst de hoofdgrief van het beroep . Daar echter het beroep niet formeel is beperkt, ook niet na een desbetreffende vraag van de president, moet in het arrest ook op de bijkomende grieven worden beslist . Bijgevolg moest ik daaromtrent conclusie nemen .
5 ) Artikel 1, lid 1, juncto artikel 10, lid 2, van verordening nr . 2057/82
37 . Ingevolge artikel 10, lid 2, eerste zin, van verordening nr . 2057/82 stelt iedere Lid-Staat de datum vast waarop het voor hem geldende quotum wordt geacht volledig te zijn gebruikt .
38 . Volgens lid 3 stelt de Commissie na mededeling door de Lid-Staat of ook op eigen initiatief de datum vast waarop het toegewezen quotum wordt geacht volledig te zijn gebruikt . Dit voorschrift kan - althans ten dele - worden beschouwd als een bevoegdheid die in concurrentie staat met de verplichting van de Lid-Staten krachtens lid 2 . Onder welke omstandigheden het in voorkomend geval aangewezen is, dat de Commissie zelf optreedt, behoeft hier niet te worden besproken, daar de bevoegdheid van de Commissie krachtens artikel 10, lid 3, in elk geval niets wezenlijks verandert aan de krachtens artikel 10, lid 2, op de Lid-Staten rustende verplichting .
39 . Verzoekster stelt nu, dat verweerder zich niet heeft gehouden aan de verplichting van artikel 10, lid 2, om de visvangst tijdig stop te zetten, hetgeen tot de betrokken quota-overschrijdingen heeft geleid . Tot staving daarvan voert zij in de eerste plaats aan, dat artikel 10, lid 2 een resultaatsverplichting inhoudt, zodat uit de quota-overschrijding alleen al de niet-nakoming van de verplichting blijkt . Derhalve zou de verwijtbare niet-nakoming niet nader behoeven te worden gespecificeerd .
40 . Daarmee kan ik niet instemmen . Verzoekster zelf geeft toe, dat alleen op grond van een quota-overschrijding een veroordeling in het kader van een niet-nakomingsprocedure niet mogelijk is, omdat niet de Lid-Staat zelf, dat wil zeggen zijn organen, teveel hebben gevist, maar de vissers . De fout van de Lid-Staat is gelegen in een ontoereikend toezicht op de visserij-activiteiten .
41 . In een systeem inzake beheer en naleving van quota, dat uit een reeks gedragsverplichtingen bestaat, kan men niet één bepaalde verplichting uitkiezen en aan de naleving daarvan het succes of de mislukking van het hele systeem verbinden . Zelfs de naleving van alle verplichtingen is nog geen garantie voor succes, hetgeen onder meer hieruit blijkt, dat ter perfectionering van het systeem andere gemeenschapsverordeningen zijn vastgesteld . ( 15 ) Aangezien artikel 10, lid 2, van verordening nr . 2057/82 dus niet als een resultaatsverplichting is te zien, moet een concrete niet-nakoming in het kader van deze bepaling worden aangetoond . Op welk moment een Lid-Staat de visvangst moet stopzetten, wordt bepaald door het doel van die maatregel, dat wil zeggen de naleving van de quota . Bij de keuze van de datum moet rekening worden gehouden met de nog te verwachten vangsten, tardieve mededelingen van aanlandingen in buitenlandse havens, bekendmakingstermijnen en in voorkomend geval moeilijkheden bij de mededeling van gegevens aan de betrokken vissers . Met de beslissing mag niet worden getalmd tot de quota duidelijk zo goed als opgebruikt zijn . Dat blijkt reeds uit de bewoordingen van de betrokken bepaling : "Iedere Lid-Staat stelt de datum vast waarop ... het ... geldende quotum wordt geacht volledig te zijn gebruikt ." Deze formulering wijst op een fictie . De tijdsruimte tussen de vermoedelijke en de daadwerkelijke uitputting van de quota biedt een zekere speelruimte om met de genoemde onzekere factoren rekening kunnen te houden .
42 . Verweerder nu ontkent, dat hij in verband met de tijdige stopzetting van de visvangst niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht . Hij betoogt, bij zijn beslissing rekening te hebben gehouden met voormelde onzekere factoren en steeds vóór de algehele uitputting van de quota de stopzetting van de visvangst te hebben bevolen . Dat de quota niettemin zijn overschreden, zou te wijten zijn aan omstandigheden waarvoor hij niet verantwoordelijk is, zoals de overtreding van het reeds uitgevaardigde vangstverbod .
43 . In de loop van het geding heeft verzoekster erkend, dat illegale vangsten de totale vangsthoeveelheden konden verhogen, zonder dat verweerder daarom een onjuiste toepassing van artikel 1, lid 2, van verordening nr . 2057/82 kan worden verweten . De illegale vangsten zouden zijn terug te voeren op ontoereikende controle en vervolging van onregelmatigheden .
44 . Indien de gestelde niet-nakoming wordt betwist, ligt de bewijslast van de niet-nakoming volgens intussen gevestigde rechtspraak van het Hof op verzoekster . ( 16 ) "Zij dient het Hof de gegevens te verschaffen die dit nodig heeft om te kunnen vaststellen of er inderdaad sprake is van een verzuim ..." ( 17 ) Wat het bewijs betreft, is verzoekster van mening, dat de quota-overschrijding een vermoeden van verzuim doet rijzen . Dit standpunt moet worden afgewezen op dezelfde gronden als die welke tegen een uit artikel 10, lid 2, van verordening nr . 2057/82 voortvloeiende resultaatsverplichting spreken . Aangezien enerzijds verscheidene verplichtingen de naleving van de quota beogen te waarborgen, en anderzijds ook illegale vangsten, zelfs wanneer zij strafrechtelijk worden vervolgd, in de totale hoeveelheid meetellen, zodat uit die totale vangsthoeveelheden niet blijkt welke vangsten vóór het tijdstip van de stopzetting zijn gedaan en welke erna, kan uit de quota-overschrijding geen vermoeden van een inbreuk op artikel 10, lid 2, van verordening nr . 2057/82 worden afgeleid . In zaak 96/81 heeft het Hof overigens gesteld, dat de Commissie zich niet op "een of ander rechtsvermoeden" kan beroepen om het verzuim aan te tonen . 17
45 . Met betrekking tot de jaren 1983 en 1984 vermeldt het overgelegde bewijsmateriaal uitsluitend de totale vangsthoeveelheden, zodat niet kan worden nagegaan of verweerder de visvangst tijdig heeft stopgezet .
46 . Reeds op grond van de bekendgemaakte cijfers en gegevens had verzoekster haar betoog kunnen substantiëren . Krachtens artikel 9, lid 2, van de verordening beschikt de Commissie vanaf de vijftiende van elke maand over de cijfers betreffende de in de voorafgaande maand aangelande hoeveelheden . De beslissing om voor een bestand of groep bestanden de visvangst stop te zetten, wordt in de regel in officiële overheidspublikaties, in Nederland de Staatscourant, bekendgemaakt . Op basis van deze informatie alleen al kan worden beoordeeld, of voor bepaalde bestanden of groepen bestanden de stopzetting van de visvangst in een correcte verhouding tot de bekende vangsthoeveelheden staat . Indien de argumentatie aldus was gespecificeerd, had het aan verweerder gestaan om ze te weerleggen .
47 . Bij de overgelegde cijfers voor 1985 liggen de zaken anders . Hier is het mogelijk na te gaan, of de stopzetting van de visvangst tijdig bevolen en bekendgemaakt is . Uit de tabel blijkt, dat zowel de keuze van het tijdstip waarop tot stopzetting van de visserij is besloten, als de termijn tot aan de bekendmaking op zijn minst ten dele verkeerd en dus onwettig waren .
48 . Het quotum voor kabeljauw bij voorbeeld bedroeg in 1985 voor de zones II a en IV 28 380 ton . Naar verluidt werd op basis van een hoeveelheid van 28 310 ton op 10 november de stopzetting bevolen, wat echter eerst op 22 november werd bekendgemaakt; naar uit die bekendmaking zelf blijkt, trad het verbod op 23 november in werking .
49 . Aangenomen dat de beslissing op basis van 28 310 ton ( 18 ) correct was, had de inwerkingtreding ervan niet nog veertien dagen op zich mogen laten wachten . In een dergelijk geval is de datum van de beslissing zelf niet meer van belang, daar deze voor de betrokkenen slechts een interne handeling is, die als zodanig geen rechtsgevolgen teweegbrengt .
50 . Een ander voorbeeld van de onjuiste toepassing van artikel 10, lid 2, van verordening nr . 2057/82 is de stopzetting van de scholvangst . Voor de zones II a en IV werd bij een quotum van 79 540 ton op 28 november op basis van 79 839 ton tot stopzetting van de vangst besloten . Ten tijde van die beslissing was het quotum dus reeds overschreden . Na de bekendmaking op 28 november en de inwerkingtreding op 29 november van de beslissing werd een vangsthoeveelheid van 90 950 ton geregistreerd .
51 . Deze voorbeelden tonen genoegzaam aan, dat verweerder in 1985 onzorgvuldig heeft gehandeld met betrekking tot artikel 10, lid 2, van verordening nr . 2057/82 . De vertegenwoordiger van verweerder heeft ter terechtzitting toegegeven, dat in een aantal gevallen de visvangst te laat was stopgezet .
52 . Daaruit kan worden geconcludeerd, dat verweerder in ieder geval in 1985 zijn verplichtingen ex artikel 10, lid 2, van verordening nr . 2057/82 niet is nagekomen .
Kosten
53 . Daar het beroep op nagenoeg alle punten moet worden verworpen omdat de feiten niet genoegzaam zijn aangetoond, moet de Commissie in de kosten worden verwezen .
C - Conclusie
54 . Ik geef het Hof in overweging voor recht te verklaren :
"1 ) Door voor bepaalde bestanden of groepen bestanden in 1985 niet tijdig de stopzetting van de visvangst te bevelen en bekend te maken, is het Koninkrijk der Nederlanden de krachtens artikel 10, lid 2, van verordening nr . 2057/82 op hem rustende verplichtingen niet nagekomen .
2 ) Voor het overige wordt het beroep verworpen .
3 ) De Commissie wordt verwezen in de kosten ."
(*) Oorspronkelijke taal : Duits .
( 1 ) Verordening nr . 2057/82 van de Raad van 29 juni 1982 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de activiteiten van vissersvaartuigen uit de Lid-Staten ( PB 1982, L 220, blz . 1 ).
( 2 ) Verordening nr . 170/83 van de Raad van 25 januari 1983 tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden ( PB 1983, L 24, blz . 1 ).
( 3 ) Total allowable catch ( TAC ).
( 4 ) PB 1983, L 24, blz . 30 .
( 5 ) PB 1983, L 25, blz . 32 .
( 6 ) PB 1983, L 318, blz . 20 .
( 7 ) PB 1983, L 365, blz . 1 .
( 8 ) PB 1984, L 37, blz . 1 .
( 9 ) PB 1984, L 318, blz . 6 .
( 10 ) PB 1985, L 1, blz . 1 .
( 11 ) PB 1985, L 361, blz . 1 .
( 12 ) Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van verweerder toegegeven, dat in 1985 de visvangst in een aantal gevallen te laat was gesloten .
( 13 ) Arrest van 16 juni 1987 in zaak 46/86, Romkes ( Jurispr . 1987, blz . 2671, 2681 ).
( 14 ) Aanhangige zaak - Rechter-commissaris te Groningen .
( 15 ) Zie verordening nr . 2241/87 van de Raad van 23 juli 1987 ( PB 1987, L 207, blz . 1 ) en verordening nr . 3483/88 van de Raad van 7 november 1988 ( PB 1988, L 306, blz . 2 ).
( 16 ) Zie de arresten van 25 mei 1982, zaak 96/81, Commissie/Nederland, Jurispr . 1982, blz . 1791, r.o . 6, 15 januari 1986, zaak 121/84, Commissie/Italië, Jurispr . 1986, blz . 107, r.o . 12, 22 september 1988, zaak 272/86, Jurispr . 1988, blz . 4875, r.o . 17, en 25 april 1989, zaak 141/87, Jurispr . 1989, blz . 943, r.o . 16 en 17 .
( 17 ) Zie het arrest in zaak 96/81, t.a.p ., r.o . 6 .
( 18 ) Dit wil zeggen bij een quotagebruik van 99,75 %.
Full & Egal Universal Law Academy