Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Smanor SA is een Franse vennootschap, gespecialiseerd in de produktie en de groothandelsverkoop van diepvriesprodukten, waaronder gewone yoghurt en yoghurt met vruchten, die zij diepvriest volgens een geoctrooieerd procédé dat zijzelf heeft ontwikkeld . Vanaf 1977 hebben de Franse autoriteiten herhaaldelijk gepoogd haar te verbieden die produkten onder de benaming "yoghurt" in de handel te brengen en haar te verplichten ze in Frankrijk onder de benaming "diepgevroren gefermenteerde melk" te verkopen .
2 . In Frankrijk wordt het gebruik van de benaming "yoghurt" namelijk geregeld door artikel 2 van decreet nr . 63-695 van 10 juli 1963 betreffende de bestrijding van fraude ter zake van yoghurt en gefermenteerde melk, zoals gewijzigd bij decreet nr . 82-184 van 22 februari 1982 . Dit artikel bepaalt :
"De benaming yoghurt mag alleen worden gebruikt voor verse gefermenteerde melk, volgens vaste en eerlijke gebruiken verkregen door de enkele ontwikkeling van de specifieke thermofiele melkbacteriën lactobacillus bulgaricus en streptococcus thermophilus, die tegelijkertijd op het produkt moeten worden geënt en er op het ogenblik van verkoop levend moeten in voorkomen naar verhouding van ten minste 100 miljoen bacteriën per gram .
Voor de vervaardiging van yoghurt mag geen wedersamengestelde melk worden gebruikt . Er mag evenwel - al dan niet magere - melkpoeder aan worden toegevoegd tot maximaal 5 gram melkpoeder per 100 gram gebruikte melk .
De yoghurt mag na het stremmen van de melk geen andere behandeling ondergaan dan koeling en eventueel verdeling .
De in de yoghurt aanwezige hoeveelheid vrij melkzuur mag bij de verkoop aan de verbruiker niet minder dan 0,8 gram per 100 gram bedragen ."
3 . De door het tribunal de commerce te L' Aigle, waarvoor verzoekster in het kader van een "procédure de redressement judiciaire" ( gerechtelijk-herstelprocedure ) is gedagvaard, aan het Hof gestelde prejudiciële vraag betreft de uitlegging ten aanzien van de nationale regeling, van :
1 ) de artikelen 30 tot en met 36 EEG-Verdrag, en
2 ) de artikelen 5, 15 en 16 van richtlijn 79/112 van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame . ( 1 )
1 . De artikelen 30 tot en met 36 EEG-Verdrag
4 . In haar schriftelijke opmerkingen betoogt de Franse regering, "dat het Hof in het onderhavige geval wordt verzocht uitspraak te doen over een situatie waarop het gemeenschapsrecht, en met name de artikelen 30 en volgende EEG-Verdrag, niet van toepassing is, daar het bodemgeschil enkel betrekking heeft op de toepassing van Frans recht op een Franse vennootschap, die op Frans grondgebied diepgevroren 'yoghurt' vervaardigt", die, zo voegt zij er wat verder aan toe, "bestemd is voor de Franse markt ".
5 . De Franse Staat geeft het Hof derhalve in overweging, voor recht te verklaren "dat de artikelen 30 en volgende EEG-Verdrag niet van toepassing zijn op situaties die het kader van de Lid-Staat niet te buiten gaan, gelijk de onderhavige ".
6 . Allereerst zij opgemerkt, dat de Franse regeling inderdaad alleen van toepassing is op produkten die in Frankrijk worden verkocht . Zij heeft dus geen gevolgen voor de uitvoer, en behoeft mijns inziens dan ook niet te worden getoetst aan artikel 34 EEG-Verdrag, dat betrekking heeft op maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve uitvoerbeperkingen . In de procedure wegens niet-nakoming die zij intussen tegen de Franse Republiek heeft ingesteld, lijkt de Commissie overigens ook enkel te stellen dat de betrokken Franse wettelijke regeling in strijd is met artikel 30 van het Verdrag .
7 . Vaststaat, dat laatstgenoemd artikel niet van toepassing is op situaties die het kader van de Lid-Staat niet te buiten gaan . Zo heeft het Hof bij voorbeeld in zijn arrest van 15 december 1982 ( zaak 286/81, Oosthoek' s Uitgeversmaatschappij, Jurispr . 1982, blz . 4575 ) uitdrukkelijk verklaard, dat "de toepassing van de Nederlandse wettelijke regeling op de verkoop in Nederland van aldaar geproduceerde encyclopedieën, inderdaad geen verband houdt met de invoer of uitvoer van de goederen en dus niet onder de artikelen 30 en 34 EEG-Verdrag valt" ( r.o . 9 ).
8 . Men mag echter niet uit het oog verliezen, dat het Hof in het kader van een prejudiciële procedure niet wordt verzocht rechtstreeks kennis te nemen van het bodemgeschil en van de concrete feiten . Het staat aan de nationale rechter te beslissen of de feiten van het bodemgeschil een interne aangelegenheid vormen .
9 . Indien de nationale rechter tot de conclusie komt, dat het hem voorgelegde geschil slechts betrekking heeft op de toepassing van de Franse wettelijke regeling op de verkoop in Frankrijk van aldaar geproduceerde yoghurt, heeft die zaak inderdaad geen enkel verband met de invoer van goederen en valt zij niet onder artikel 30 .
10 . Volgens vaste rechtspraak staat het evenwel aan de nationale rechter om in het licht van de concrete feiten te beoordelen of het voor het wijzen van zijn vonnis noodzakelijk is, een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof . ( 2 ) Het Hof heeft nooit geweigerd een dergelijke prejudiciële vraag te beantwoorden, ook niet indien nauwelijks was te zien, hoe de aan het Hof gevraagde antwoorden van invloed konden zijn voor de beslechting van het hoofdgeding ( 3 ), behalve wanneer de uitleggingsvragen waren gesteld in het kader van een "speciaal met dat doel gevoerde procedure ". ( 4 ) Dat is in casu duidelijk niet het geval .
11 . In de onderhavige zaak lijkt de nationale rechter van mening te zijn, dat het hem voorgelegde probleem op zijn minst een verband heeft met het intracommunautaire handelsverkeer . Hij vraagt het Hof immers niet zijn standpunt te bepalen met betrekking tot de situatie van Smanor ten aanzien van de wettelijke regeling, maar stelt in zijn prejudiciële vraag twee problemen in verband met de uitlegging van het gemeenschapsrecht aan de orde .
12 . Allereerst wenst hij te vernemen, of artikel 30 EEG-Verdrag eraan in de weg staat, dat een Lid-Staat het gebruik van de benaming "yoghurt" voorbehoudt aan het verse produkt met uitsluiting van het diepgevroren produkt .
13 . Het Hof wordt dus eens te meer geconfronteerd met het welbekende probleem van een nationale regeling die zonder onderscheid van toepassing is op nationale en ingevoerde ( of voor invoer in aanmerking komende ) produkten .
14 . Dienaangaande kan niet worden betwijfeld, dat een regeling als die waarop de verwijzende rechter doelt, moet worden aangemerkt als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van 's Hofs vaste rechtspraak, voor het eerst geformuleerd in het arrest van 11 juli 1974 ( zaak 8/74, Dassonville, Jurispr . 1974, blz . 837 ), volgens hetwelk "iedere handelsregeling der Lid-Staten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren, als een maatregel van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen is te beschouwen" ( r.o.5 ).
15 . Deze regeling verbiedt immers dat de produkten die in andere Lid-Staten rechtmatig onder de benaming "yoghurt" zijn vervaardigd en in de handel gebracht, in Frankrijk onder die benaming worden verkocht, en zulks op de enkele grond dat die produkten een andere behandeling hebben ondergaan dan koeling of verdeling, namelijk diepgevroren zijn geweest . Uit de door de Commissie ingediende opmerkingen blijkt immers, dat in het Verenigd Koninkrijk en Ierland diepgevroren yoghurt wordt geproduceerd en rechtmatig onder die benaming in de handel wordt gebracht . Er bestaat dus op zijn minst potentieel handelsverkeer .
16 . Gelijk het Hof in zijn arrest Fietje van 16 december 1980 ( zaak 27/80, Jurispr . 1980, blz . 3839, r.o . 10 ) overwoog, sluit de verplichting om ook bij ingevoerde produkten een bepaalde aanduiding op het etiket aan te brengen, weliswaar de invoer in de betrokken Lid-Staat van uit andere Lid-Staten afkomstige produkten of produkten die zich in die staten in het vrije verkeer bevinden, niet absoluut uit, maar kan zij niettemin hun verhandeling bemoeilijken ... ( en ) daardoor op zijn minst indirect de handel tussen de Lid-Staten belemmeren ( zie ook r.o . 15 van het reeds aangehaalde arrest Oosthoek ).
17 . De buitenlandse producent die verplicht wordt een andere benaming te laten drukken op het etiket van de produkten die hij voor de Franse markt bestemt ( terwijl op de verpakking eventueel reeds in verschillende talen de aanduiding "diepgevroren yoghurt" voorkomt ), kan daardoor ertoe worden gebracht van die export af te zien .
18 . Exporteert hij toch, dan kan de verkoop van het produkt bij de verbruikers op heel wat aarzeling stuiten; veel verbruikers zouden misschien geneigd zijn om "diepgevroren yoghurt" te kopen, maar worden niet noodzakelijkerwijze aangelokt door de benaming "diepgevroren gefermenteerde melk ".
19 . Daartegenover staat dat, gelijk de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen ( punt 48 ) terecht heeft opgemerkt, een maatregel als de in geding zijnde, ook al is hij zonder onderscheid van toepassing op nationale en ingevoerde produkten, leidt tot benadeling van ingevoerde produkten - waarvan de distributie daadwerkelijk wordt gebaat door het vervoer en de opslag in diepgevroren toestand - ten opzichte van de nationale produkten, die gemakkelijker vers in de handel kunnen worden gebracht .
20 . Derhalve kan worden geconcludeerd, dat een dergelijke regeling slechts met het EEG-Verdrag verenigbaar is voor zover zij gerechtvaardigd is uit hoofde van een der in artikel 36 EEG-Verdrag genoemde gronden of uit hoofde van een "dwingende eis" in de zin van het arrest van het Hof van 20 februari 1979 in de zaak "Cassis de Dijon ". ( 5 )
21 . Het is immers vaste rechtspraak ( 6 ), dat bij gebreke van een gemeenschappelijke regeling inzake de verhandeling van de betrokken produkten, belemmeringen van het intracommunautaire verkeer als gevolg van dispariteiten van de nationale wettelijke regelingen moeten worden aanvaard, voor zover de betrokken regeling, die zonder onderscheid van toepassing is op nationale en ingevoerde produkten, gerechtvaardigd is uit hoofde van in artikel 36 genoemde gronden verband houdende met het algemeen belang, zoals de bescherming van de gezondheid van personen, of uit hoofde van dwingende eisen verband houdende met, onder meer, de bescherming van consumenten of de eerlijkheid der handelstransacties . Een dergelijke regeling moet echter ook evenredig zijn aan het beoogde doel . Heeft een Lid-Staat de keuze tussen verschillende middelen waarmee hetzelfde doel kan worden bereikt, dan moet hij het middel kiezen dat het vrije handelsverkeer het minst belemmert .
22 . In dit verband moet allereerst worden opgemerkt, dat er tot voor kort geen gemeenschappelijke of geharmoniseerde regeling betreffende de produktie of de verhandeling van yoghurt bestond . In dat geval staat het aan de Lid-Staten om, ieder op zijn eigen grondgebied, een regeling te treffen voor al hetgeen de samenstelling, de bereiding en het in de handel brengen van die produkten raakt . ( 7 )
23 . Intussen is verordening ( EEG ) nr . 1898/87 van de Raad van 2 juli 1987 betreffende de bescherming van de benaming van melk en zuivelprodukten bij het in de handel brengen, in werking getreden . ( 8 ) Die verordening is weliswaar uitdrukkelijk van toepassing op yoghurt ( zie haar bijlage ), doch bevat geen specifieke voorschriften betreffende de vervaardiging en de samenstelling ervan en blijft in artikel 2, lid 2, tweede streepje, verwijzen naar de benamingen in de zin van artikel 5 van richtlijn 79/112 van de Raad, te weten - zoals wij verder zullen zien - de benamingen die zijn vermeld in de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die in de Lid-Staten op de betrokken produkten van toepassing zijn . Verder bepaalt artikel 5 van de verordening, dat de Lid-Staten hun nationale voorschriften die op hun grondgebied een beperking inhouden van de bereiding en het in de handel brengen van produkten die niet voldoen aan de in artikel 2 genoemde voorwaarden, slechts mogen handhaven met inachtneming van de algemene bepalingen van het Verdrag . Gelijk het Hof in zijn arrest van 23 februari 1988 ( zaak 216/84, Commissie/Frankrijk, Jurispr . 1988, r.o . 22 ) overwoog, volgt daaruit, dat wanneer de betrokken nationale regeling in strijd is met artikel 30 EEG-Verdrag, zij in ieder geval niet voldoet aan de voorwaarden van genoemd artikel 5 .
24 . Bijgevolg dient in ieder geval te worden onderzocht, of de Franse regeling, die als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking is aan te merken, in casu haar rechtvaardiging vindt in één van de hiervoor genoemde gronden .
25 . De bescherming van de volksgezondheid is niet in het geding, want de Franse regeling verbiedt niet de verhandeling van het diepgevroren produkt, maar alleen het gebruik van de benaming "yoghurt ". Verder blijkt uit de processtukken, dat de Franse autoriteiten met het oog op de uitvoer van de betrokken produkten naar derde landen hebben erkend dat de betrokken produkten "gezond, en van goede handelskwaliteit zijn", en dat "bij de vervaardiging ervan geen stoffen zijn gebruikt die een gevaar opleveren van de gezondheid van de consument ".
26 . Met betrekking tot de bescherming van de consumenten heeft het Hof inderdaad herhaaldelijk overwogen ( 9 ), dat het streven van een Lid-Staat om te voorkomen dat bij de consumenten verwarring ontstaat tussen soortgelijke produkten met verschillende kenmerken en om erop toe te zien dat de consumenten zo correct mogelijk worden voorgelicht over die verschillen, inzonderheid de verschillen in de vervaardiging en de samenstelling van die produkten, op zichzelf volledig rechtmatig is en niet kan worden betwist .
27 . De bescherming van de consumenten kan in het algemeen evenwel doeltreffend worden "verzekerd door ... middelen die de invoer van in andere Lid-Staten rechtmatig vervaardigde en in het verkeer gebrachte produkten niet belemmeren, met name door de verplichting een passend etiket aan te brengen waarop de eigenschappen van het verkochte produkt zijn vermeld ". ( 10 )
28 . Dit zou in casu het geval kunnen zijn, indien de Franse regeling het gebruik van de benaming "yoghurt" voor de betrokken produkten toeliet op voorwaarde dat daaraan het woord "diepgevroren" wordt toegevoegd om de bijzondere behandeling die de produkten hebben ondergaan voor iedereen duidelijk te maken .
29 . Dit klemt te meer daar uit de expertise waarmee de heer Hermier, directeur Onderzoek van het Institut national de recherches agronomiques, in het kader van Smanor' s beroep bij de Franse Conseil d' État tegen decreet nr . 82-184 van 22 februari 1982 was belast, blijkt dat :
"zowel verse als diepgevroren yoghurt leefbare melkbacteriën bevatten . In verse yoghurt kan hun aantal constant blijven gedurende de gehele wettelijke verkooptermijn . Bij diepgevroren yoghurt daarentegen, daalt het aantal leefbare melkbacteriën onvermijdelijk gedurende het diepvriezen en gedurende de bewaring in diepgevroren toestand . Niettemin kan dit aantal bij een temperatuur van - 18 °C gedurende enkele maanden nog steeds hoger zijn dan het minimum van 100 miljoen bacteriën per gram ( bij decreet van 22 februari 1982 vastgestelde waarde voor verse yoghurt )."
30 . Ter terechtzitting heeft de gemachtigde van de Franse regering erkend, dat gedurende de eerste drie tot vier maanden bevriezing inderdaad aan de door de Franse regeling opgelegde grenswaarde kan worden voldaan . De recentere wetenschappelijke studies, waarop hij zich beroept om aan te tonen dat de "werkelijke activiteit", de "werkzaamheid" of de "vitaliteit" van de overlevende melkbacteriën gedurende die periode de neiging heeft om te dalen, zijn mijns inziens in casu niet relevant, daar de bestreden Franse regeling alleen vereist dat de bacteriën levend zijn .
31 . Zoals gezegd, blijkt ten slotte uit de opmerkingen van de Commissie, dat in andere Lid-Staten, met name in Ierland en in het Verenigd Koninkrijk, inderdaad diepgevroren yoghurt wordt vervaardigd en rechtmatig onder die benaming in de handel wordt gebracht, dat slechts vier Lid-Staten de aanwezigheid van een - overigens variërend - minimum aantal levende bacteriën voorschrijven, en vooral, dat in geen enkele andere Lid-Staat dan Frankrijk voor yoghurt of diepgevroren gefermenteerde melk een andere regeling geldt dan voor verse yoghurt of gefermenteerde melk . De codex alimentarius van de FAO en van de Wereldgezondheidsorganisatie (( nr . A-11 ( a ) )) eist enkel, dat "het eindprodukt een grote hoeveelheid levensvatbare micro-organismen bevat ".
32 . In die omstandigheden levert ook de andere "dwingende eis" in de zin van het arrest "Cassis de Dijon", namelijk de eerlijkheid der handelstransacties, geen rechtvaardigingsgrond op voor een door een Lid-Staat uitgevaardigd verbod op de verkoop onder de benaming "yoghurt" van gefermenteerde melk uit andere Lid-Staten, zelfs al is die diepgevroren, wanneer die gefermenteerde melk in de Lid-Staat van oorsprong volgens bonafide en vanouds toegepaste methodes wordt vervaardigd en onder dezelfde benaming in de handel wordt gebracht, en voor een passende voorlichting van de koper is gezorgd .
33 . Het is immers vaste rechtspraak van het Hof, dat "in een stelsel van een gemeenschappelijke markt belangen als de eerlijkheid der handelstransacties ... worden verzekerd met wederzijdse eerbiediging van de bonafide praktijken die in de verschillende Lid-Staten vanouds worden toegepast ". ( 11 )
34 . In andere Lid-Staten vervaardigde diepgevroren yoghurt moet dus in Frankrijk in de handel kunnen worden gebracht, a fortiori wanneer hij na een diepvriesbehandeling nog voldoet aan de in de importerende Lid-Staat voor verse yoghurt gestelde voorwaarden ter zake van het gehalte aan levende melkbacteriën, het specifieke bestanddeel van "yoghurt ".
35 . Op grond van een en ander geef ik het Hof in overweging, op het eerste deel van de prejudiciële vraag van het tribunal de commerce te L' Aigle te antwoorden :
"Het verbod op maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag staat eraan in de weg, dat een Lid-Staat op produkten die zijn ingevoerd uit een andere Lid-Staat een nationale regeling toepast, volgens welke de benaming 'yoghurt' enkel mag worden gebruikt voor verse yoghurt, met uitsluiting van diepgevroren yoghurt, wanneer deze produkten in hun Lid-Staat van oorsprong volgens bonafide en vanouds toegepaste methodes zijn vervaardigd en er onder de benaming 'diepgevroren yoghurt' in de handel zijn gebracht, en voor een passende voorlichting van de koper is gezorgd ."
2 . Richtlijn 79/112 van de Raad
36 . Gelet op de gegevens waarover het Hof beschikt, is het tweede deel van de prejudiciële vraag van het tribunal de commerce te L' Aigle in wezen erop gericht te vernemen, of de artikelen 5, 15 en 16 van richtlijn 79/112 van de Raad aldus moeten worden uitgelegd, dat zij zich ertegen verzetten dat een nationale regeling betreffende de verkoopbenamingen het gebruik van de benaming "yoghurt" verbiedt voor yoghurt die diepgevroren is geweest .
37 . De Franse regering stelt terecht, dat de betrokken richtlijn erop is gericht de wetgevingen van de Lid-Staten inzake etikettering en presentatie van de levensmiddelen nader tot elkaar te brengen en de bevoegdheid ter zake van de verkoopbenaming van de levensmiddelen aan de Lid-Staten overlaat .
38 . Inderdaad, ofschoon zij in artikel 3 een limitatieve opsomming geeft van gegevens - waaronder allereerst de verkoopbenaming - die, onder voorbehoud van bepaalde afwijkingen, op de etikettering van levensmiddelen moeten worden vermeld, is er geen sprake van een harmonisatie van de inhoud van die vermeldingen . Integendeel, artikel 5, lid 1, bepaalt uitdrukkelijk :
"De verkoopbenaming van een levensmiddel is de benaming vermeld in de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die daarop van toepassing zijn; bij het ontbreken van dergelijke bepalingen, is de verkoopbenaming de benaming die in de Lid-Staat waarin het levensmiddel aan de eindverbruiker wordt verkocht, gebruikelijk is ..."
39 . Mijns inziens volgt daaruit dat, gelijk de Franse regering overigens heeft betoogd, de verwijzing naar de artikelen 15 en 16 van de richtlijn niet relevant is .
40 . Artikel 16 voorziet in een communautaire procedure, volgens welke de Lid-Staten naast de algemene bepalingen van de richtlijn nationale voorschriften kunnen handhaven of invoeren ( zie de negende overweging van de considerans ). Volgens de bewoordingen van artikel 16 is die procedure van toepassing in de gevallen waarin er uitdrukkelijk naar wordt verwezen; in artikel 5 is dit niet het geval .
41 . Artikel 15 bepaalt :
"De Lid-Staten mogen de handel in levensmiddelen die beantwoorden aan de voorschriften van deze richtlijn, niet verbieden door de toepassing van niet-geharmoniseerde nationale bepalingen inzake etikettering en presentatie van bepaalde levensmiddelen of van levensmiddelen in het algemeen ."
Hiermee zijn dus duidelijk de niet-geharmoniseerde nationale regelingen inzake etikettering bedoeld en niet de regelingen betreffende de verkoopbenaming, die bepalend zijn voor een der vermeldingen die op het etiket moeten voorkomen .
42 . Artikel 5 verwijst weliswaar naar de benamingen die zijn vermeld in de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten, maar zijn betekenis en zijn juiste draagwijdte dienen te worden beoordeeld tegen de achtergrond van de algemene context waarin dit artikel zich situeert .
43 . De zesde overweging van de considerans van richtlijn 79/112 herinnert eraan, dat
"bij iedere vorm van reglementering op het gebied van de etikettering van levensmiddelen in de eerste plaats dient te worden uitgegaan van de noodzaak de consumenten voor te lichten en te beschermen ."
Blijkens de zevende overweging is daartoe de lijst vastgesteld van de vermeldingen - waaronder de verkoopbenaming - die in beginsel op de etiketten moeten voorkomen .
44 . De twaalfde overweging preciseert dat
"bij de voorschriften inzake de etikettering eveneens moet worden verboden de koper te misleiden" en "dat dit verbod ten einde efficiënt te kunnen worden toegepast, moet worden uitgestrekt tot de presentatie van de levensmiddelen en de reclame die ervoor wordt gemaakt ."
45 . Dit verbod wordt ten uitvoer gelegd in artikel 2, waarvan lid 1, met name het volgende bepaalt :
"De etikettering en de wijze waarop deze is uitgevoerd :
a ) mogen de koper niet kunnen misleiden, onder meer :
i ) ten aanzien van de kenmerken van het levensmiddel, en met name van de aard, identiteit, hoedanigheden, samenstelling, hoeveelheid, houdbaarheid, oorsprong of herkomst, wijze van vervaardiging of verkrijging, ..."
46 . De Lid-Staten moeten die regel ook volgen bij de vaststelling van nationale bepalingen betreffende de verkoopbenaming . Daar de verkoopbenaming een van de vermeldingen is die ingevolge artikel 3 op het etiket moeten voorkomen, mag zij immers niet van dien aard zijn dat de koper erdoor wordt misleid . Het is overigens tekenend dat, naar luid van artikel 5, lid 1, bij het ontbreken van dergelijke bepalingen de verkoopbenaming bestaat uit
"een omschrijving van het levensmiddel en zo nodig van de wijze waarop dit kan worden gebruikt, die zo duidelijk is gesteld dat de koper de ware aard van het produkt kan begrijpen en het kan onderscheiden van soortgelijke produkten waarmede het zou kunnen worden verward ."
47 . Artikel 5, lid 3, bepaalt overigens :
"De verkoopbenaming dient een aanwijzing te omvatten of vergezeld te zijn van een aanwijzing inzake de fysische toestand waarin het produkt zich bevindt of de specifieke behandeling die het heeft ondergaan ( bij voorbeeld poeder, gevriesdroogd, diepvries, concentraat, gerookt ) indien het weglaten van deze aanwijzing bij de koper verwarring zou kunnen doen ontstaan ."
48 . Met de Commissie ben ik van mening, dat uit het voorgaande terecht mag worden afgeleid, dat een Lid-Staat een produkt een bepaalde benaming niet kan ontzeggen op de enkele grond dat dit produkt een specifieke behandeling zoals diepvries heeft ondergaan, voor zover dit produkt natuurlijk ook na die behandeling nog voldoet aan de andere voorwaarden die de nationale regeling voor de toekenning van de betrokken benaming stelt .
49 . Elke andere oplossing zou leiden tot een resultaat dat in strijd is met het nagestreefde doel . Het verbod om diepgevroren yoghurt "yoghurt" te noemen, zou de koper immers kunnen misleiden en zou de ware aard van het produkt voor hem verborgen houden . De door de Franse autoriteiten voorgeschreven benaming "diepgevroren gefermenteerde melk" lijkt uit dit oogpunt bijzonder vatbaar voor kritiek, daar gefermenteerde melk normalerwijs geen kiemen van de streptococcus thermophilus en de lactobacillus bulgaricus bevat, terwijl dat voor het in geding zijnde produkt wel het geval is .
50 . De vraag of een produkt na diepvries nog steeds voldoet aan de andere voorwaarden die de nationale regeling voor de toekenning van de benaming "yoghurt" stelt, heeft betrekking op de feiten en moet in het kader van een prejudiciële procedure dus door de nationale rechter worden beantwoord .
51 . Deze laatste zal hiervoor waardevolle aanwijzingen vinden in het reeds genoemde deskundigenverslag van de heer Hermier, directeur Onderzoek bij het Institut national de recherches agronomiques . Hij zal met name moeten nagaan hoe het diepvriezen heeft plaatsgevonden en zal rekening houden met de minimale houdbaarheidsduur die Smanor op de produkten vermeldt ( die vermelding is inderdaad een van de gegevens die volgens artikel 3 van verordening 79/112 op het etiket van de levensmiddelen moeten voorkomen ).
52 . Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging, op het tweede deel van de prejudiciële vraag van het tribunal de commerce te L' Aigle te antwoorden :
"De bepalingen van richtlijn 79/112, en met name artikel 5 daarvan, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij eraan in de weg staan, dat een Lid-Staat het gebruik van de verkoopbenaming 'yoghurt' verbiedt voor ingevoerde of inheemse produkten die diepgevroren zijn geweest, wanneer deze produkten voor het overige voldoen aan de voorwaarden die de nationale regeling stelt voor toekenning van deze benaming aan de verse produkten ."
53 . Alvorens mijn conclusie te beëindigen, zou ik echter nog twee opmerkingen willen formuleren :
"1 ) Daar richtlijn 79/112 van toepassing is op de etikettering en de presentatie van in de gehele Gemeenschap verkochte levensmiddelen, zonder dat daarbij onderscheid kan worden gemaakt naar gelang van hun herkomst ( 12 ), zou het zoëven voorgestelde antwoord op de tweede vraag de nationale rechter ook in staat moeten stellen, het hem voorgelegde geschil te beslechten wanneer hij met de Franse regering zou moeten vaststellen dat de feitelijke situatie van Smanor buiten het toepassingsgebied van de artikelen 30 en volgende EEG-Verdrag valt .
2 ) Daar artikel 30 EEG-Verdrag niet tot doel heeft de nationale goederen in alle gevallen dezelfde behandeling te waarborgen als ingevoerde goederen ( 13 ), kan de Franse wetgever bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht zijn regeling, met name ter zake van het gehalte aan levende bacteriën, handhaven voor de nationale produkten . Dit zou tot een "omgekeerde discriminatie" ten nadele van nationale produkten kunnen leiden, doordat een Lid-Staat zich niet kan verzetten tegen het in de handel brengen op zijn grondgebied onder de benaming "yoghurt" van uit een andere Lid-Staat ingevoerde diepgevroren yoghurt, die aldaar rechtmatig is vervaardigd en in de handel gebracht, maar eventueel niet aan de Franse wettelijke voorschriften voldoet . Hoe betreurenswaardig een dergelijke situatie ook is, zij kan alleen worden vermeden door een harmonisatie van de nationale wettelijke voorschriften inzake de vervaardiging en het in de handel brengen van yoghurt ."
(*) Vertaald uit het Frans .
( 1 ) PB 1979, L 33, blz . 1 .
( 2 ) Zie met name het arrest van 29 september 1987, zaak 126/86, Gimenez Zaera, Jurispr . 1987, blz . 3697, r.o . 7 .
( 3 ) Zie met name het arrest van 12 juni 1986, gevoegde zaken 98, 162 en 258/85, Bertini en anderen, Jurispr . 1986, blz . 1885, r.o . 8 .
( 4 ) Zie het arrest van 16 december 1981, zaak 244/80, Foglia, Jurispr . 1981, blz . 3045, inzonderheid r.o . 18 .
( 5 ) Zaak 120/78, Rewe, Jurispr . 1979, blz . 649 .
( 6 ) Zie, naast r.o . 8 van het arrest "Cassis de Dijon" van 20 februari 1979, reeds aangehaald, onder meer het "bier"-arrest van 12 maart 1987, zaak 178/84, Commissie/Duitsland, Jurispr . 1987, blz . 1227, r.o . 28, en de arresten van 26 juni 1980, zaak 788/79, Gilli, Jurispr . 1980, blz . 2071, r.o . 6, 9 december 1981, zaak 193/80, Commissie/Italië, Jurispr . 1981, blz . 3019, r.o . 21, en 10 november 1982, zaak 261/81, Rau, Jurispr . 1982, blz . 3961, r.o . 12 .
( 7 ) Zie het zeer recente arrest "melksurrogaten" van 23 februari 1988, zaak 216/84, Commissie/Frankrijk, Jurispr . 1988, blz . 793, r.o . 6 .
( 8 ) PB 1987, L 182, blz . 36 .
( 9 ) Zie bij voorbeeld : het arrest van 4 december 1986 (" pétillant de raisin "), zaak 179/85, Commissie/Duitsland, Jurispr . 1986, blz . 3879, r.o . 11; het arrest van 12 maart 1987, (" bier "), zaak 178/84, Commissie/Duitsland, Jurispr . 1987, blz . 1227, r.o . 35; en het arrest van 23 februari 1988, (" melksurrogaten "), zaak 216/84, Commissie/Frankrijk, Jurispr . 1988, blz . 793, r.o . 10 .
( 10 ) Zie met name het "bier"-arrest, reeds aangehaald, r.o.35, waarin wordt verwezen naar het arrest van 9 december 1981, zaak 193/80, Commissie/Italië, Jurispr . 1981, blz . 3019, r.o . 27 .
( 11 ) Zie met name de arresten van 26 november 1985, Miro, Jurispr . 1985, blz . 3731, r.o . 24, en 4 december 1986, "pétillant de raisin", Jurispr . 1986, blz . 3879, r.o . 11, reeds aangehaald, die beide verwijzen naar het arrest van 13 maart 1984, zaak 16/83, Prantl, Jurispr . 1984, blz . 1299 . Zie in dezelfde zin het arrest "Cassis de Dijon", reeds aangehaald, r.o . 13 .
( 12 ) Zie het arrest van 18 februari 1987, zaak 98/86, Mathot, Jurispr . 1987, blz . 809, r.o . 11 .
( 13 ) Zie in die zin het arrest Mathot, reeds aangehaald, r.o . 7 .
Full & Egal Universal Law Academy