Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Mevrouw Klein was ambtenaar bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen in de rang LA 4 en haar echtgenoot, de heer Lorentzen, was ambtenaar bij de Raad in de rang LA 5 . Omdat zij geen kinderen ten laste hadden en de bezoldiging van ieder van beide hoger was dan het vastgestelde minimum, kwamen zij aanvankelijk niet in aanmerking voor de kostwinnerstoelage uit hoofde van artikel 67 Ambtenarenstatuut en artikel 1, lid 3, van bijlage VII bij het Statuut . Met ingang van 1 mei 1986 kende de Commissie aan mevrouw Klein een invaliditeitspensioen toe krachtens artikel 78 Ambtenarenstatuut . Als gevolg daarvan kon haar echtgenoot aanspraak maken op de kostwinnerstoelage, die hem van toen af door de Raad stipt werd betaald .
2 . Met ingang van 1 oktober 1986 werd Lorentzen overeenkomstig de bepalingen van verordening nr . 3518/85 van 12 december 1985 tot vaststelling van bijzondere maatregelen betreffende de beëindiging van de dienst van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen in verband met de toetreding van Spanje en Portugal ( PB 1985, L 335, blz . 56 ) gemachtigd om de dienst van de Raad te
verlaten . Bij die verordening werden de communautaire instellingen gemachtigd om ten aanzien van bepaalde ambtenaren "maatregelen tot beëindiging van de dienst te nemen" ( artikel 1 ). Bepaald werd, dat de ambtenaar op wie die maatregel is toegepast, "recht ( heeft ) op een maandelijkse vergoeding gelijk aan 70% van het basissalaris dat behoort bij de rang en de salaristrap die de betrokkene bij zijn vertrek uit de dienst had" ( artikel 4, lid 1 ). Artikel 4, lid 5, van de verordening luidt als volgt : "Overeenkomstig het bepaalde in artikel 67 van het Statuut en in de artikelen 1, 2 en 3 van bijlage VII van het Statuut worden de gezinstoelagen ... betaald aan de rechthebbende op de in het lid bedoelde vergoeding ...; de hoogte van de kostwinnerstoelage wordt berekend op basis van deze vergoeding ."
Anderzijds wordt in artikel 81 van het Statuut bepaald : "Degene die recht heeft ... op invaliditeitspensioen ... heeft onder de in bijlage VII vermelde voorwaarden recht op de in artikel 67 bedoelde gezinstoelagen; de kostwinnerstoelage wordt berekend op de grondslag van het pensioen van de rechthebbende ." Bijgevolg rees de vraag, of de kostwinnerstoelage voortaan nog moest worden uitgekeerd aan de echtgenoot op de grondslag van zijn vergoeding krachtens verordening nr . 3518/85, of dat hiermee moest worden gestopt en de kostwinnerstoelage diende te worden uitbetaald aan de echtgenote op de grondslag van het bedrag van haar invaliditeitspensioen . Die laatste oplossing zou hebben geleid tot een beduidend hogere uitkering .
3 . Bij brief van 1 november 1986 verzocht Klein aan de Commissie, de kostwinnerstoelage vanaf 1 oktober 1986 aan haar uit te betalen . Bij brief van 17 december 1986 werd dit door de Commissie geweigerd . In een klaarblijkelijk op 4 maart 1987 ontvangen klacht overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut herhaalde Klein haar verzoek . Die klacht werd door de Commissie afgewezen bij besluit van 1 juli 1987, dat bij brief van 10 juli 1987 ter kennis werd gebracht . Bij een op 8 oktober 1987 bij het Hof ingediend verzoekschrift heeft Klein nietigverklaring gevorderd van het besluit van de Commissie van 17 december 1986 waarbij haar de kostwinnerstoelage werd geweigerd en, voor zover nodig, nietigverklaring van het besluit van 1 juli 1987 tot afwijzing van haar klacht, met verwijzing van de Commissie in de kosten .
4 . Het recht op de kostwinnerstoelage vloeit voor beide echtgenoten voort uit artikel 1 van bijlage VII bij het Statuut, dat op Klein van toepassing is krachtens artikel 81 van het Statuut en op haar echtgenoot ingevolge artikel 4, lid 5, van verordening nr . 3518/85 . Artikel 1, lid 3, van bijlage VII luidt als volgt :
" 3 . De ambtenaar die recht heeft op de kostwinnerstoelage en wiens echtgenoot een winstgevende bezigheid als beroep uitoefent die een beroepsinkomen oplevert van meer dan het jaarlijkse basissalaris van een ambtenaar van de rang C 3 in de derde salaristrap, op welk salaris de aanpassingscoëfficiënt is toegepast van het land waar de echtgenoot zijn beroep uitoefent vóór belasting, geniet deze toelage niet, behoudens bijzonder besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag . ..."
In artikel 1, lid 4, van bijlage VII wordt bepaald :
" 4 . Indien krachtens bovenstaande bepalingen echtgenoten die in dienst van de Gemeenschappen zijn beiden recht hebben op de kostwinnerstoelage, wordt deze slechts uitgekeerd aan de echtgenoot met het hoogste basissalaris ."
5 . Klein past artikel 1, lid 4, mutatis mutandis toe op het geval van haar en haar echtgenoot, en zij betoogt dat omdat haar invaliditeitspensioen hoger is dan de uitkering van haar echtgenoot krachtens verordening nr . 3518/85, de kostwinnerstoelage aan haar moet worden betaald op de grondslag van haar invaliditeitspensioen en wel met ingang van 1 oktober 1986, de datum waarop haar echtgenoot het recht verkreeg op een uitkering krachtens verordening nr . 3518/85 .
6 . De Commissie stelt in wezen dat Lorentzen moet worden aangezien als een persoon die "een winstgevende bezigheid als beroep uitoefent" in de zin van artikel 1, lid 3, van bijlage VII, zodat Klein op grond van die bepaling haar recht op de kostwinnerstoelage verliest . Bijgevolg draait deze zaak om de vraag, of degene die recht heeft op een uitkering krachtens verordening nr . 3518/85, kan worden beschouwd als iemand "die een winstgevende bezigheid als beroep uitoefent" in de zin van artikel 1, lid 3, van bijlage VII bij het Statuut .
7 . De Commissie geeft - mijns inziens terecht - toe, dat haar interpretatie niet in overeenstemming is met de feitelijke bewoordingen van artikel 1, lid 3 . Artikel 1 van verordening nr . 3518/85 voorziet in maatregelen "tot beëindiging van de dienst" van ambtenaren . Letterlijk bezien, kan een ambtenaar wiens dienst op die manier is "beëindigd", onmogelijk worden beschouwd als iemand die een "winstgevende bezigheid als beroep" uitoefent .
8 . De Commissie beweert evenwel dat de strekking van artikel 1, lid 3 is, dat een ambtenaar slechts recht heeft op de kostwinnerstoelage wanneer de echtgenoot van de ambtenaar geen beroepsinkomen ontvangt dat hoger is dan een bepaald bedrag . Overeenkomstig die doelstelling zou artikel 1, lid 3, aldus moeten worden uitgelegd, dat het niet alleen geldt voor inkomen uit een feitelijke actuele tewerkstelling, maar ook voor inkomen dat verband houdt met arbeid, hoewel het daar niet rechtstreeks uit voortvloeit, zoals financiële uitkeringen van sociale zekerheidsorganen bij ziekte, loon dat wordt betaald terwijl een ambtenaar met ziekteverlof is, werkloosheidsuitkeringen, ontslagvergoedingen, vut-uitkeringen of vergoedingen die aan ambtenaren worden betaald in het kader van bijzondere maatregelen betreffende de beëindiging van de dienst van ambtenaren als gevolg van de toetreding van nieuwe Lid-Staten . In feite wilde de wetgever de kostwinnerstoelage onthouden aan ambtenaren zonder kinderen ten laste, indien hun echtgenoot inkomen uit arbeid had boven een bepaald bedrag . De uitdrukking "winstgevende bezigheid als beroep" doelt op het meest voorkomende geval van beroepsinkomen, maar was niet bedoeld ter uitsluiting van zeldzame gevallen zoals ziekengeld, vut-uitkeringen of vergoedingen zoals die ingevolge verordening nr . 3518/85 . De letterlijke uitlegging van artikel 1, lid 3, zou resultaten opleveren, die in strijd zijn met de bedoeling van de wetgever en met het gelijkheidsbeginsel . Letterlijk bezien zou bij voorbeeld een gehuwd paar van ambtenaren in de graad A zonder kinderen ten laste, geen recht hebben op de kostwinnerstoelage wanneer zij beiden werken, doch zouden zij wel recht krijgen op de toelage indien een van hen een uitkering ontvangt krachtens verordening nr . 3518/85, hoewel het echtpaar nog steeds veel meer zou verdienen dan een echtpaar van ambtenaren in de graad C 4 of een echtpaar waarvan de echtgenoot in de privé-sector een loon verdient dat een beetje boven de in artikel 1, lid 3, vastgestelde drempel ligt .
9 . Ik ben niet van mening, dat een letterlijke uitlegging van artikel 1, lid 3, zou leiden tot een schending van het gelijkheidsbeginsel, zoals de Commissie beweert . Dat zou het geval zijn, indien gelijke situaties verschillend zouden worden behandeld, maar in de door de Commissie gegeven voorbeelden gaat het om verschillende situaties : in de voorbeelden is de echtgenoot, ongeacht of die ambtenaar is of in de privésector werkt, in actieve dienst, terwijl met de maatregel die ten opzichte van de echtgenoot in het onderhavige geval is genomen krachtens verordening nr . 3518/85, de dienst definitief is beëindigd .
10 . Het argument dat met artikel 1, lid 3, werd beoogd een aantal andere inkomensvormen dan inkomen uit feitelijke actuele arbeid onder de regeling te brengen, lijkt mij niet van kracht ontbloot, maar in het licht van de duidelijke bewoordingen van die bepaling is een zo ruime interpretatie als die welke de Commissie voorstaat, mijns inziens niet houdbaar . In artikel 1, lid 3, wordt de betrokkene in de Engelse versie omschreven als een persoon die "gainfully employed" is en in de Franse versie als een persoon die "exerce une activité professionnelle lucrative ". Ik interpreteer die uitdrukkingen aldus, dat zij duidelijk uitsluitend het feitelijk en actueel verrichten van werk als bron van inkomen benadrukken . De bewoordingen zijn te duidelijk om naast zich neer te worden gelegd door een interpretatie zoals die welke de Commissie aanvoert .
11 . Zelfs indien zou worden aanvaard, dat de toepassing van artikel 1, lid 3, moet worden uitgebreid tot bepaalde vormen van - in de omschrijving van de Commissie - "vervangend inkomen", dan nog is het eigenlijke doel van een dergelijke uitbreiding nogal onduidelijk . Terwijl men zou kunnen stellen, dat ziekengeld tijdens een tijdelijke ziekte als "vervangend inkomen" kan worden beschouwd, omdat de arbeidsverhouding blijft bestaan, geven andere bronnen van inkomen grotere moeilijkheden . Enerzijds lijkt de Commissie dus te aanvaarden dat ouderdoms - en invaliditeitspensioenen buiten de werkingssfeer vallen van artikel 1, lid 3, en anderzijds beweert zij dat vut-uitkeringen moeten worden behandeld alsof zij wel onder de werking ervan vallen . Het valt echter moeilijk in te zien, om welke redenen ouderdomspensioenen daarbuiten zouden moeten vallen, terwijl vut-uitkeringen eronder zouden vallen . Bovendien is niet duidelijk of vut-uitkeringen, waarop aanspraak kan worden gemaakt op grond van het nationale recht, wel kunnen worden gelijkgesteld met de vergoeding die wordt toegekend krachtens verordening nr . 3518/85, met name omdat zij een uiteenlopend doel hebben . In deze zaak zijn argumenten aangevoerd aangaande eventuele overeenkomsten en verschillen tussen ouderdomspensioenen en vut-uitkeringen in de zin van het nationale recht en van verordening nr . 1408/71, maar het is niet duidelijk in hoeverre zij relevant zijn binnen het afwijkende kader van het Ambtenarenstatuut . Mijns inziens geven die problemen aan, dat een herdefiniëring van de werkingssfeer van artikel 1, lid 3, zo deze nodig is, een aangelegenheid is die moet worden geregeld door wetgeving en niet door casuïstische rechtspraak, aangezien een dergelijke casuïstische rechtspraak een onaanvaardbare graad van rechtsonzekerheid riskeert te creëren .
12 . Ik zou hoe dan ook niet aanvaarden, dat de krachtens verordening nr . 3518/85 van de Raad betaalde vergoeding zou worden aangemerkt als een "vervangend inkomen" zoals ik dat begrip interpreteer . In de verordening worden "maatregelen tot beëindiging van de dienst" vastgesteld, met andere woorden de definitieve beëindiging van de arbeid, zoals bijzonder duidelijk blijkt uit de Franse versie (" cessation definitive de fonctions "). In die omstandigheden kan er geen sprake zijn van vervanging van verdiend inkomen, aangezien de arbeidsverhouding is beëindigd . Aan die conclusie wordt mijns inziens niet afgedaan door het feit, dat een ambtenaar ingevolge artikel 4, lid 7, van de verordening de mogelijkheid heeft om bijdragen te blijven betalen voor een ouderdomspensioen .
13 . De Commissie voert ook aan, dat artikel 1, lid 3, van de bijlage niet letterlijk mag worden geïnterpreteerd, omdat het was opgesteld voordat er ooit maatregelen waren genomen tot beëindiging van de dienst van ambtenaren in verband met de toetreding van nieuwe Lid-Staten ( zoals die van verordening nr . 3518/85 ), aangezien het voorschrift dat nu is vervat in artikel 1, lid 3, voor het eerst in het Ambtenarenstatuut van 1962 was vastgesteld . De huidige versie van het Statuut is echter het resultaat van zo een 46 wijzigingen . In het bijzonder zijn de voornaamste bepalingen van artikel 1, lid 3, van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut ingevoegd bij een wijziging in 1973 : door verordening nr . 558/73 van 26 februari 1973 ( PB 1973, L 55, blz . 1 ). Die wijziging werd aanvaard kort na de eerste uitbreiding van de Gemeenschappen, toen er juist voor de eerste keer een verordening was aanvaard houdende vaststelling van bijzondere maatregelen betreffende de beëindiging van de dienst van ambtenaren in verband met de toetreding van nieuwe Lid-Staten, namelijk verordening nr . 2530/72 van 4 december 1972 ( PB 1972, L 272, blz . 1 ). Het was heel goed mogelijk geweest om de situatie te regelen bij de wijziging van artikel 1, lid 3, in 1973, of in latere wijzigingen van het Ambtenarenstatuut, met name ter gelegenheid van de twee volgende uitbreidingen van de Gemeenschappen in 1981 en 1986 . Een andere mogelijkheid was geweest om, indien men dit nodig had gevonden, een bijzondere bepaling in te voegen in de verordeningen houdende vaststelling van bijzondere maatregelen tot beëindiging van de dienst van ambtenaren in verband met de toetreding van nieuwe Lid-Staten, inzonderheid in verordening nr . 3518/85 die in casu in het geding is . Geen van deze wijzigingen werden vastgesteld, in weerwil van de talrijke gelegenheden om zulks te doen sedert de eerste vaststelling van maatregelen tot beëindiging van de dienst van ambtenaren in verband met de toetreding van nieuwe Lid-Staten . Bijgevolg ben ik van mening, dat het argument dat de Commissie ontleent aan de ouderdom van het betrokken voorschrift, niet kan slagen .
14 . Mijns inziens is doorslaggevend, dat de bewoordingen van artikel 1, lid 3, van bijlage VII duidelijk en ondubbelzinnig zijn, en dat ambtenaren mogen afgaan op de duidelijke bewoordingen van de verordeningen zoals die zijn vastgesteld . Ik ben van mening, dat een ambtenaar als Lorentzen, die een uitkering krijgt krachtens verordening nr . 3518/85, niet kan worden geacht "een winstgevende bezigheid als beroep" uit te oefenen, waardoor hij binnen de werkingssfeer van artikel 1, lid 3, van bijlage VII zou vallen . Die bepaling is niet van toepassing in het onderhavige geval, dat dus moet worden afgehandeld op basis van artikel 1, lid 4, van de bijlage, krachtens hetwelk Klein per 1 oktober 1986 recht heeft op de kostwinnerstoelage, berekend op de grondslag van het bedrag van haar invaliditeitspensioen .
15 . Dienovereenkomstig geef ik in overweging, het besluit van de Commissie van 17 december 1986 waarbij haar de toekenning van de kostwinnerstoelage werd geweigerd, nietig te verklaren en de Commissie in de kosten te verwijzen .
(*) Oorspronkelijke taal : Engels .
Full & Egal Universal Law Academy