Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Bij tussenarrest van 27 maart 1990(1) heeft het Hof de Commissie veroordeeld tot vergoeding van de helft van de schade die Grifoni heeft geleden ten gevolge van zijn val van het dak van het weerstation van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek te Ispra op 24 oktober 1985. Het arrest gaf partijen bovendien zes maanden om in onderlinge overeenstemming het schadebedrag vast te stellen; bij gebreke van overeenstemming moesten partijen binnen dezelfde termijn het Hof hun eigen becijfering doen toekomen.
2. Aangezien binnen de gestelde termijn geen overeenstemming werd bereikt, diende Grifoni op 8 oktober 1990 overeenkomstig voornoemd arrest zijn conclusies in met betrekking tot de wijze van vaststelling van het schadebedrag, dat volgens hem in totaal 2 777 781 579 LIT bedroeg.(2) Hij vorderde derhalve betaling van de helft van dit bedrag (1 388 190 789 LIT) vermeerderd met wettelijke interessen, en verzocht dat tevens rekening zou worden gehouden met de geldontwaarding vanaf november 1990 tot de daadwerkelijke betaling, en dat de kosten, ten minste 50 000 000 LIT, ten laste van de Commissie zouden komen.
De Commissie beperkte zich ertoe de afwijzing van verzoekers vorderingen te vragen, en had vooral bezwaren tegen het bedrag van het jaarinkomen en het percentage van blijvende invaliditeit, dat Grifoni als grondslag voor de berekening van de schadevergoeding had genomen.
3. Ten einde het bestaan en het percentage van Grifoni' s blijvende invaliditeit vast te stellen, gelastte het Hof bij beschikking van 4 juni 1991 een gerechtelijk geneeskundig onderzoek, dat op 13 september 1991 plaatsvond. Blijkens het medisch rapport kan Grifoni' s invaliditeitspercentage "worden geraamd op 35 %, zowel vanuit het oogpunt van de fysieke schade als vanuit dat van het arbeidsvermogen". Partijen hebben dit percentage niet bestreden, en hebben in hun opmerkingen over dit onderzoek hiervan akte genomen en voor het overige hun eerdere conclusies bevestigd.
4. Hieraan zij toegevoegd, dat het Hof in februari 1993, na te hebben vastgesteld dat partijen niet tot een minnelijke schikking waren gekomen, hoewel het invaliditeitspercentage inmiddels vast stond, partijen en de Italiaanse regering enkele schriftelijke vragen heeft gesteld. In het bijzonder verzocht het Grifoni, van de rekeningen van alle door het ongeval veroorzaakte kosten, waarvan reeds fotokopieën bij de conclusie van 8 oktober 1990 waren gevoegd, de originelen over te leggen alsmede schriftelijke bewijzen van zijn inkomsten in 1982 en 1983.
Naast de door het Hof verlangde stukken legde Grifoni op 15 maart 1993 eveneens stukken over betreffende zijn inkomsten in 1981, 1984 en 1985; de stukken betreffende 1984 bleken evenwel nagenoeg geheel te verschillen van die welke - voor hetzelfde jaar - reeds in bijlage bij zijn conclusie van 8 oktober 1990 waren gevoegd, zodat ten bewijze van de juistheid van zijn inkomsten over één jaar twee reeksen documenten zijn overgelegd.
Dit komt hierop neer, dat Grifoni dus ten opzichte van zijn conclusies over de becijfering van de schade, de door hem ten bewijze van zijn inkomen in 1984 verschafte gegevens heeft gewijzigd. Hieruit volgt mijns inziens, dat de laatst overgelegde stukken niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat, gezien de bij de conclusie van 8 oktober 1990 gevoegde stukken, enkel en uitsluitend de originele stukken en de andere door het Hof verlangde stukken in aanmerking kunnen worden genomen.
5. De Italiaanse regering wees er in haar antwoord op, dat Grifoni een dagvergoeding voor tijdelijke volledige invaliditeit heeft ontvangen en dat hij sinds 1986 een invaliditeitsuitkering geniet, beide toegekend door het INAIL (Istituto nazionale per l' assicurazione contro gli infortuni sul lavoro). Aangezien het INAIL evenwel niet heeft geïntervenieerd in de procedure voor het Hof, doen eventuele problemen inzake subrogatie en regres met betrekking tot de door deze instelling gemaakte kosten in de onderhavige procedure niet ter zake.
Ten slotte zij opgemerkt, dat de Commissie, die eerst in deze fase van de procedure (voor het eerst) de schade heeft becijferd, het totale bedrag ervan op 101 961 431 LIT heeft geraamd. Ter terechtzitting heeft de Commissie Grifoni evenwel een schikking aangeboden van 260 000 000 LIT, die hij heeft geweigerd. Het behoeft geen betoog, dat dit voorstel zeker niet kan worden opgevat als een erkenning door de Commissie van het bedrag van de door Grifoni geleden schade, nu zij de door hem gehanteerde criteria voor de begroting van de schade steeds heeft betwist.
6. In dit verband zij opgemerkt, dat Grifoni de schade heeft becijferd overeenkomstig de desbetreffende Italiaanse regeling, en dat ook de Commissie tijdens de schriftelijke behandeling uitsluitend naar het Italiaanse recht heeft verwezen. Daarentegen zijn de becijfering van de schade door de Commissie, die voortvloeit uit de antwoorden van maart 1993, en de ter terechtzitting aan Grifoni aangeboden schikking gebaseerd op de naar Belgisch recht geldende berekeningswijze.
Artikel 188, tweede alinea, EGA-Verdrag, inzake niet-contractuele aansprakelijkheid, dat in de onderhavige zaak van toepassing is, bepaalt dat de Gemeenschap "overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der Lid-Staten gemeen hebben", de schade moet vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden is veroorzaakt. Het gemeenschapsrecht verwijst dus voor de vaststelling van de inhoud en de grenzen van de aansprakelijkheid van de Gemeenschap naar de algemene beginselen die de nationale rechtsstelsels gemeen hebben.
De door Grifoni geleden schade kan dus niet uitsluitend overeenkomstig de Italiaanse regeling inzake niet-contractuele aansprakelijkheid worden vastgesteld en vergoed. Uitgegaan dient te worden van de algemene beginselen die de rechtsstelsels der Lid-Staten gemeen hebben, zodat in casu de voor vergoeding in aanmerking komende schadecategorieën en eventueel de berekeningswijze moeten worden vastgesteld.
7. Op basis van de algemene beginselen kunnen de te vergoeden schadecategorieën zeer gemakkelijk worden vastgesteld. Ongeacht de terminologische verschillen erkennen alle nationale rechtsstelsels immers het recht van de gelaedeerde op vergoeding van zijn vermogensschade, waartoe is te rekenen de rechtstreeks met het ongeval verband houdende kosten en het geleden of nog te lijden inkomensverlies, en van zijn schade niet zijnde vermogensschade, die de lichamelijke en geestelijke gevolgen van het schadeveroorzakende feit omvat, niet gebonden aan economische factoren doch wel aan de persoon als zodanig.
De methode die voor elk van deze categorieën voor de schadeberekening moet worden gehanteerd, ligt minder voor de hand. Er zijn natuurlijk geen problemen voor de door het ongeval veroorzaakte kosten, die worden vergoed op basis van de werkelijke onkosten. De begroting van de schade niet zijnde vermogensschade is evenmin problematisch, omdat, afgezien van de verschillende nationale geplogenheden, in de rechtsstelsels van alle Lid-Staten wordt erkend, dat alle subjectieve en objectieve omstandigheden van het concrete geval in aanmerking worden genomen, en dat de rechter de schade discretionair en naar billijkheid raamt.
8. Anders is het echter wat de berekening van het gederfde inkomen van de gelaedeerde betreft, met name van het toekomstige inkomensverlies. Blijkens de door de diensten van het Hof opgestelde onderzoeksnota, is het, gezien de zeer aanzienlijke verschillen tussen de nationale rechtsstelsels in dit opzicht, immers nagenoeg onmogelijk tot een "gemeenschappelijke" oplossing te komen. De verschillende berekeningswijzen kunnen namelijk in ten minste drie geheel verschillende categorieën worden ingedeeld: de begroting "in concreto", die met name in Duitsland wordt toegepast; de indexering, gebruikelijk in de common law-landen; en de toepassing van actuariële tabellen gebaseerd op het invaliditeitspercentage en op een coëfficiënt die de levensverwachting van de betrokkene uitdrukt. Op deze laatste methode zijn de berekeningen van Grifoni (formule van het Italiaanse recht) en van de Commissie (formule van het Belgische recht) gebaseerd, zij het dat zij verschillen vanwege de onderscheiden coëfficiënten in de respectieve actuariële tabellen.
In deze omstandigheden gaat het niet op, de in de respectieve Lid-Staten voor de becijfering van de vermogensschade geldende formules op louter wiskundige grondslag met elkaar te vergelijken; hooguit moet worden gezocht naar de algemene strekking die aan deze regels ten grondslag ligt, en worden nagegaan tot welke resultaten zij leiden. Een "gemeenschappelijke" oplossing zou alleen hierin kunnen bestaan, dat wordt uitgegaan van de in de respectieve Lid-Staten toegepaste formules en vervolgens een gewogen gemiddelde van de twaalf verkregen resultaten wordt berekend. Het behoeft geen betoog, dat deze handelwijze eerder onpraktisch is en dat deze oplossing hoe dan ook niet in overeenstemming is met de algemene beginselen die de rechtsstelsels der Lid-Staten gemeen hebben. Gelet op een en ander stel ik voor, mede omdat de diversiteit van de methoden en vooral van de verkregen resultaten - ten minste voor een deel - wordt verklaard door de economische en sociale situatie die in elke Lid-Staat anders is, de gemeenschappelijke beginselen enkel aan te wenden om de aard van de te vergoeden schade te bepalen, en voor de becijfering van de vermogensschade de methode toe te passen van het land waar de gebeurtenis plaatsvindt (plaats van het ongeval, nationaliteit en woonplaats van het slachtoffer).
I - Vermogensschade
9. Hieronder volgt dan de becijfering van de schade, om te beginnen van de vermogensschade, namelijk het door de gelaedeerde gederfde inkomen, ook voor de toekomst, en de door het ongeval veroorzaakte onkosten.
- Bepaling van het jaarinkomen
10. In zijn conclusie van 8 oktober 1990, de enige die ter zake dienend is, vorderde Grifoni 1 342 297 760 LIT voor blijvende invaliditeit, 180 360 000 LIT voor tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid en 32 732 000 LIT voor tijdelijke gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, welke bedragen met de helft zijn verminderd, omdat zij waren berekend op basis van een invaliditeitspercentage van 70 %, dat vervolgens in overeenstemming met de conclusies van het door het Hof gelast gerechtelijk geneeskundig onderzoek is vastgesteld op 35 %. Zoals gezegd, is dit laatste percentage overigens niet betwist.
Om het door Grifoni ten gevolge van zijn ongeval geleden inkomensverlies te kunnen berekenen, dient eerst te worden vastgesteld welk inkomen in aanmerking moet worden genomen. Dat is allesbehalve gemakkelijk, want het gaat om een inkomen uit een vrij beroep; bovendien stelt Grifoni dat hij inkomsten zwart heeft ontvangen en persoonlijke uitgaven ten onrechte in mindering heeft gebracht op het op de belastingaangifte vermelde inkomen. Over het bedrag van het inkomen dat als grondslag moet dienen voor de berekening van de vermogensschade, nemen partijen volkomen uiteenlopende standpunten in.
11. Met betrekking tot het referentiejaar of de referentiejaren vorderde Grifoni met een beroep op artikel 4 van het Italiaanse wetsdecreet nr. 857 van 23 december 1976, dat de schadevergoeding zou worden berekend op basis van zijn inkomen in 1984, het hoogste inkomen volgens belastingaangifte van de drie jaren vóór het ongeval. Ik kan volstaan met op te merken, dat er geen reden bestaat om aan dit verzoek geen gevolg te geven, zeker nu in de rechtsstelsels van de andere Lid-Staten soortgelijke criteria gelden voor de bepaling van het inkomen van zelfstandigen.
Deze conclusie lost het probleem van de vaststelling van het inkomen evenwel niet op; Grifoni heeft namelijk als grondslag voor de schadevergoeding het bedrag van 147 000 000 LIT genomen, naar eigen zeggen zijn werkelijk inkomen in 1984 (referentiejaar), terwijl hij voor datzelfde jaar een inkomen van slechts 31 346 000 LIT voor de belasting heeft aangegeven. In zijn conclusie van 8 oktober 1990 stelde Grifoni immers, dat bij het op de belastingaangifte vermelde inkomen de volgende bedragen moesten worden opgeteld:
- 16 236 000 LIT voor afschrijvingen;
- 12 918 000 LIT voor aankoop van kapitaalgoederen;
- 39 488 128 LIT voor aankoop van bouwmateriaal en goederen voor persoonlijk gebruik;
- 47 192 800 LIT voor niet op de belastingaangifte vermelde inkomsten.
In werkelijkheid blijkt uit de betrokken aangifte inkomstenbelasting, dat de omzet van het bedrijf Grifoni in 1984 420 260 000 LIT bedroeg, waarop Grifoni het bedrag van 388 914 000 LIT, waaronder 16 236 000 LIT voor afschrijvingen, als aftrekpost in mindering heeft gebracht, zodat het netto inkomen 31 346 000 LIT bedraagt.
12. Nu, zoals ook blijkt uit de onderzoeksnota van de diensten van het Hof, onder de meeste nationale rechtsstelsels voor de bepaling van het werkelijke inkomen een hoger inkomen mag worden aangetoond dan het inkomen volgens belastingaangifte, dient te worden nagegaan of Grifoni dienaangaande bewijsstukken heeft overgelegd.
Het in de aangifte inkomstenbelasting vermelde bedrag van 16 236 000 LIT voor afschrijvingen lijkt mijns inziens als zodanig niet te kunnen worden opgeteld bij Grifoni' s inkomsten uit arbeid, omdat het bedrijfskosten betreft. Hetzelfde geldt voor de leasing van een kraan voor een bedrag van 12 958 000 LIT (document G bij de conclusie van 8 oktober 1990), die vervolgens zou zijn verkocht aan het Centrum te Ispra, en voor de 39 000 000 LIT voor de aankoop van bouwmateriaal. Grifoni heeft ter zake immers een aantal rekeningen overgelegd waarmee de aankoop van het betrokken materiaal daadwerkelijk wordt aangetoond (document H bij de conclusies van 8 oktober 1990): het betreft derhalve bedrijfskosten die als zodanig terecht op zijn inkomsten in mindering zijn gebracht.
Zoals gezegd, kunnen naar mijn mening evenmin de door Grifoni bij het antwoord van 15 maart 1993 gevoegde nieuwe bijlagen in aanmerking worden genomen, waaruit zou blijken dat de betrokken bedragen (51 516 000 LIT) betrekking hebben op uitgaven van zuiver persoonlijke aard (benzine, telefoon, restaurant, gas), die ten onrechte op de op de belastingaangifte vermelde inkomsten in mindering zouden zijn gebracht (kolom VI van de inkomstentabel).
13. Ten slotte zijn er de inkomsten die hij zwart zou hebben ontvangen: in de conclusie van 8 oktober 1990 stelde Grifoni, dat hij 47 192 800 LIT zwart had ontvangen, tot staving waarvan hij een aantal cheques en stortingsbewijzen heeft overgelegd ten bewijze dat hij werkelijk voor een dergelijk bedrag (uit diverse bronnen afkomstige) cheques had ontvangen en het geld op zijn rekening had gestort. In zijn antwoord van 15 maart 1993 heeft Grifoni zijn versie van de feiten evenwel gedeeltelijk gewijzigd en stelde hij, dat zijn zwarte inkomsten, 49 832 000 LIT, uitsluitend betrekking hadden op in het Centrum te Ispra voor rekening van de Gemeenschap zelf verrichte werkzaamheden.
Afgezien van het feit dat het merkwaardig is, dat hij zwarte betalingen van een gemeenschapsinstelling zou hebben ontvangen, is in werkelijkheid nagenoeg geen van de cheques waarvan kopie in bijlage bij zijn conclusie van 8 oktober 1990, afkomstig van het Centrum te Ispra; bovendien bewijzen zij enkel stortingen en verder niets. Grifoni heeft met voornoemd antwoord van 15 maart 1993 weliswaar nieuwe stukken overgelegd; nog afgezien van de hierboven uiteengezette ontvankelijkheidsvraag, moet er evenwel op worden gewezen, dat deze documenten geen enkele bewijskracht hebben, nu het uitsluitend kopieën van rekeningafschriften en van door zijn bank geregistreerde overschrijvingen betreft.
Aangezien de beweerdelijk niet voor de belasting aangegeven inkomsten niet in aanmerking kunnen worden genomen of in elk geval niet met bewijzen zijn gestaafd, dient voor de berekening van het gederfde inkomen dan ook uitsluitend rekening te worden gehouden met het inkomen volgens belastingaangifte, dat wil zeggen met een bedrag van 31 346 000 LIT. Mitsdien zal de door Grifoni gevorderde schadevergoeding op deze grondslag worden berekend.
- Blijvende invaliditeit
14. Voor de berekening van de blijvende invaliditeit stelde Grifoni de volgende formule voor: 147 000 000 LIT (inkomen) x 35 % (invaliditeitspercentage) x 16,318 (leeftijdsgebonden kapitalisatiecoëfficiënt(3)) - 20 % (verschil tussen levensduur en arbeidsleven). Volgens deze formule zou de schadevergoeding 671 148 880 LIT bedragen.
Naast het in aanmerking te nemen bedrag van het inkomen dient ook bovengenoemde coëfficiënt te worden gecorrigeerd, omdat hij betrekking heeft op Grifoni' s leeftijd op het tijdstip van het ongeval, terwijl rekening moet worden gehouden met zijn leeftijd aan het begin van de blijvende invaliditeit. Aangezien Grifoni toentertijd 41 jaar was, is blijkens de in voetnoot 3 aangehaalde tabel de toepasselijke coëfficiënt 16,104.
De blijvende invaliditeit wordt dus berekend als volgt:
31 346 000 LIT x 35 % x 16,104 - 20 % = 141 342 875 LIT, tegen
50 % = 70 671 438 LIT.
- Tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid
15. Blijkens zijn conclusie van 8 oktober 1990 was Grifoni negen maanden (270 dagen) volledig arbeidsongeschikt. Volgens zijn berekening bedraagt de vergoeding voor zijn tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid dus 668 000 LIT (daginkomen) vermenigvuldigd met 270. Het bedrag van het daginkomen kan niet als juist worden beschouwd, ook niet wanneer wordt uitgegaan van verzoekers hypothese van een inkomen van 147 000 000 LIT. Uitgaand van een inkomen van 31 346 000 LIT, bedraagt de vergoeding voor zijn tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid: 85 879 LIT (daginkomen) x 270 = 23 187 450 LIT, tegen 50 % = 11 593 725 LIT.
- Tijdelijke gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
16. Vooraf zij opgemerkt, dat een vergoeding voor een tijdelijke gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van 50 % volstrekt uitgesloten is, aangezien een dergelijke arbeidsongeschiktheid door geen van de overgelegde documenten, behalve een eigenhandig geschreven mededeling (bijlage A, blz. 73c), wordt aangetoond.(4) Daarbij komt nog, dat Grifoni blijkens het medisch rapport van zijn vertrouwensarts in juli 1986 klinisch genezen is verklaard, wat logischerwijs inhoudt, dat op die datum de periode van tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid is geëindigd en de periode van blijvende invaliditeit, later vastgesteld op 35 %, is ingegaan.
Uit hoofde van gederfd inkomen heeft Grifoni dus recht op:
70 671 438 LIT (blijvende invaliditeit) + 11 593 725 LIT (tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid) = 82 265 163 LIT.
- Door het ongeval veroorzaakte onkosten
17. Door het Hof om overlegging verzocht van de originele rekeningen en kwitanties met betrekking tot de door het ongeval van 24 oktober 1985 veroorzaakte onkosten, antwoordde Grifoni, dat hij slechts een gedeelte hiervan over kon leggen, aangezien het merendeel tijdens de overstroming van 1 en 2 juni 1992 was vernietigd. De ten bewijze hiervan bijgevoegde stukken zijn evenwel niet ter zake dienend, omdat hieruit alleen blijkt, dat het op 1 en 2 juni 1992 in Lombardije uitzonderlijk slecht weer was. Derhalve worden hier slechts die uitgaven in aanmerking genomen, waarvoor de originele kwitantie of rekening is overgelegd, en die in beginsel reeds zijn opgevoerd in de conclusie van 8 oktober 1990.
a) In de conclusie van 8 oktober 1990 opgevoerde onkosten
18. In de conclusie van 8 oktober 1990 vorderde Grifoni ter vergoeding van de uit het ongeval voortvloeiende onkosten een bedrag van 19 194 000 LIT, waarvan 6 200 000 LIT voor niet met bewijsstukken aangetoonde kosten. Deze laatste moeten vanzelfsprekend buiten beschouwing blijven. Met betrekking tot de onkosten die wel met documenten zijn bewezen, vordert Grifoni:
a) 551 000 LIT voor doktersbehandeling;
b) 5 760 000 LIT voor fysiotherapie;
c) 5 376 000 LIT voor huishoudhulp;
d) 1 307 000 LIT voor huur van een auto (agentschap Pinton) in verband met bezoeken aan arts, ziekenhuis of INAIL-kantoor.
Naar mijn mening kunnen de onkosten onder c) en d) niet in aanmerking worden genomen. Met betrekking tot de onkosten onder c) heeft Grifoni mijns inziens namelijk enerzijds niet aangetoond, dat een huishoudhulp na zijn ongeval noodzakelijk was en heeft hij anderzijds geen behoorlijke rekening overgelegd. Ten aanzien van de uitgaven onder d), die betrekking hebben op zes door Grifoni gemaakte ritten, twee naar het ziekenhuis in Angera, twee naar het INAIL-kantoor te Varese, één op 24 april 1986 voor een consult van een orthopedist te Bergamo (293 000 LIT) en één op 13 mei 1986 voor een consult van een neuroloog te Firenze (840 000 LIT), kan worden volstaan met op te merken, dat uit de betrokken kwitanties niet blijkt dat Grifoni zich op de genoemde data naar het ziekenhuis heeft begeven of de orthopedist te Bergamo en de neuroloog te Firenze heeft bezocht; wat ten slotte de op verzoek van het INAIL ondernomen reizen betreft, blijkt uit bijlage 57a bij de conclusie van 8 oktober 1990, dat het INAIL de kosten op vertoon van de plaatsbewijzen vergoedt volgens het tarief voor het goedkoopste vervoermiddel, evenals de aldus verloren arbeidstijd.
Daarbij komt nog, dat Grifoni niet het origineel van de betrokken rekening heeft overgelegd, maar bij zijn antwoord van maart 1993 zonder enige toelichting een 30 april 1990 gedateerde en niet ondertekende kwitantie ten bedrage van 293 000 LIT heeft gevoegd voor een rit naar Bergamo (bijlage 3, nr. 14). Zelfs indien het om dezelfde rit gaat als die waarop de kwitantie van 30 juni 1986 betrekking heeft, blijft het probleem hetzelfde.
Voor vergoeding komen dus alleen in aanmerking, de kosten voor fysiotherapie en doktersbehandeling, namelijk 6 301 000 LIT, tegen 50 % = 3 150 500 LIT.
b) Andere in het antwoord van 15 maart 1993 opgevoerde onkosten (met bewijsstukken)
19. Grifoni heeft bij het antwoord op de vragen van het Hof kwitanties voor een bedrag van 275 800 LIT gevoegd betreffende twee andere doktersconsulten, en drie kwitanties voor in totaal 202 400 LIT voor de afgifte van klinische documenten, afschriften daarvan en een roentgenfoto.
Deze onkosten zijn gemaakt na de neerlegging van zijn conclusie van 8 oktober 1990, en konden daarin dus niet worden opgevoerd. Zij belopen, te zamen met die welke hiervoor zijn onderzocht, in totaal 3 389 600 LIT, welk bedrag aan Grifoni moet worden vergoed.
20. Uitgaand van de algemene ervaring, ben ik evenwel van mening, dat Grifoni' s totale onkosten kunnen worden begroot op 10 000 000 LIT.
II - Schade niet zijnde vermogensschade
21. Met betrekking tot de schade niet zijnde vermogensschade vorderde Grifoni in zijn conclusie van 8 oktober 1990 vergoeding van schade wegens lichamelijk letsel en van immateriële schade. Vooraf zij opgemerkt, dat naar Italiaans recht immateriële schade in een geval als het onderhavige niet wordt vergoed (bij ontbreken van een strafbaar feit), en dat alle andere rechtsstelsels wel het begrip immateriële schade kennen, doch niet het begrip schade wegens lichamelijk letsel, die in een geval als dat van Grifoni juist wel wordt vergoed.
Dit betekent, dat de twee categorieën geen aanleiding kunnen geven tot twee verschillende schadevergoedingen, zodat gelet op het recht van de andere Lid-Staten, de enige praktische oplossing erin bestaat, Grifoni naar billijkheid een forfaitair bedrag toe te kennen ter vergoeding van het lichamelijk en geestelijk lijden als gevolg van zijn ongeval. Gezien de aard van de letsels van Grifoni en de gevolgen daarvan, komt het mij billijk voor, hem een forfaitair bedrag toe te kennen van 80 000 000 LIT, tegen 50 % dus 40 000 000 LIT.
22. Afgezien van geldontwaarding en interessen, heeft Grifoni dus recht op een vergoeding van 82 265 163 LIT (gederfd inkomen) + 10 000 000 LIT (door het ongeval veroorzaakte onkosten) + 40 000 000 LIT (andere dan vermogensschade) = 132 265 163 LIT.
III - Interessen en geldontwaarding
23. In zijn conclusie van 8 oktober 1990 vorderde Grifoni voor de periode van oktober 1985 tot en met oktober 1990 een toeslag van 25 % voor interessen (tegen de wettelijke rentevoet van 5 % per jaar) en een toeslag van 30,30 % ter compensatie van de geldontwaarding. In die conclusies verzocht Grifoni, het aldus verkregen totaalbedrag te verhogen met de wettelijke interessen en een toeslag ter compensatie van de geldontwaarding vanaf november 1990 tot de dag van betaling. Deze verzoeken zijn volstrekt in overeenstemming met de Italiaanse regeling en rechtspraak op het gebied van schadevaststelling.
Om te kunnen vaststellen of deze vorderingen kunnen worden toegewezen, dient eerst de ontvankelijkheid ervan te worden onderzocht, gelet op de beginselen die de rechtsstelsels der Lid-Staten gemeen hebben, als bedoeld in artikel 188 EGA-Verdrag. In de nationale rechtsstelsels zijn inzake interessen zeer uiteenlopende regelingen tot stand gekomen: in sommige stelsels zijn de betaling ervan en de datum met ingang waarvan zij zijn verschuldigd, overgelaten aan het discretionair oordeel van de rechter, in andere stelsels is deze datum de datum van ingebrekestelling van de schuldenaar of van de rechterlijke uitspraak, of verschilt hij naar gelang van het voorwerp van die interessen. Deze diversiteit betreft echter veeleer de vorm dan de inhoud, aangezien het er in wezen om gaat, of bij de vaststelling van het schadebedrag rekening wordt gehouden met het tijdsverloop tussen het schadeveroorzakende feit en de datum van de rechterlijke beslissing. Overigens blijkt uit een onderzoek van de nationale rechtspraak ter zake, dat inzake niet-contractuele aansprakelijkheid bij de vaststelling van schadevergoeding eveneens rekening wordt gehouden met de mogelijke invloed van omstandigheden die zich na de schadeveroorzakende gebeurtenis voordoen, zoals waardeschommelingen van de munteenheid tussen de datum van het schadeveroorzakende feit en die van de uitspraak.(5)
In de regel houdt de rechter bij de vaststelling van de schade rekening met het tijdsverloop tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en de vaststelling van het schadebedrag. Die tendens ligt in de lijn van het doel van de schadevergoedingsplicht, die ertoe strekt het geleden vermogensverlies goed te maken. Wordt namelijk bij de vaststelling van het schadebedrag geen rekening gehouden met de tijd die kan verlopen voordat de vergoeding wordt betaald, of met waardeverminderingen van de munt, dan is die berekening illusoir en waarborgt zij het daadwerkelijk herstel van de vermogenstoestand van de gelaedeerde niet.
24. In de rechtspraak van het Hof ter zake van schadevaststelling, waarin op basis van de gemeenschappelijke beginselen de vordering tot betaling van interessen steeds ontvankelijk is verklaard, is tot dusverre telkens wanneer de Gemeenschap tot betaling van interessen is veroordeeld, overwogen, dat deze verplichting ontstaat op de datum van de uitspraak van het arrest waarbij de aansprakelijkheid van de Gemeenschap is vastgesteld.
In de zeldzame gevallen waarin men er, aan het einde van een schadevorderingsprocedure, in is geslaagd de vastgestelde schade te vereffenen, kon de hoogte van het te vergoeden bedrag op het tijdstip van de vaststelling van de aansprakelijkheid evenwel reeds direct worden vastgesteld, omdat het bij voorbeeld overeenstemde met het bedrag van de restituties die voor een bepaalde periode waren verschuldigd maar niet betaald. Overigens verklaarde het Hof, dat het, door de interessen vast te stellen op de datum van het tussenarrest, "de schade wenste te begroten naar de toestand op die datum"(6), waarbij dus ook rekening moest worden gehouden met de gevolgen van de waardeschommelingen van de munt sedert het schadeveroorzakende feit.
Het onderhavige geval ligt enigszins anders, omdat op het tijdstip van de uitspraak van het tussenarrest de criteria voor de begroting van de schade zelfs niet waren vastgesteld; veelbetekenend is dat het Hof, anders dan in de andere tussenarresten op het stuk van niet-contractuele aansprakelijkheid, in zijn arrest van 27 maart 1990 niet de datum heeft vastgesteld waarop de interessen beginnen te lopen, noch het toepasselijke percentage. Dit betekent, dat in het onderhavige geval de schade pas kan worden becijferd op de datum van het eindarrest houdende vaststelling van de schade.
25. Het vastgestelde schadevergoedingsbedrag moet dus worden vermeerderd met interessen ter compensatie van de geldontwaarding. Gezien de toegepaste schadeberekeningsmethode(7), is dit immers de enige manier om te voorkomen, dat de negatieve gevolgen van de uitgestelde uitbetaling van de vergoeding en van de waardevermindering van de munteenheid ten laste van het slachtoffer komen.
Gelet op een en ander, ben ik derhalve van mening, dat ter compensatie van de geldontwaarding aan Grifoni over het vastgestelde bedrag interessen moeten worden toegekend tegen een forfaitaire rentevoet van 10 % per jaar, tot op heden dus 105 812 130 LIT, zodat het totaalbedrag van de vergoeding op 238 077 293 LIT komt.
26. Dit bedrag is te vermeerderen met moratoire interessen vanaf de datum van het arrest tot de daadwerkelijke betaling. Met betrekking tot het percentage hiervan moet mijns inziens worden beklemtoond, dat de door Grifoni gevorderde rente van 5 % 's jaars is ingegeven door de in Italië geldende wettelijke rente, die in november 1990, onmiddellijk na de neerlegging van zijn conclusie, is opgetrokken tot 10 %. Daar het Hof zich evenwel niet gebonden acht door de wettelijke rentevoet die geldt in de Lid-Staat van de verzoeker, maar een rentevoet vaststelt die in het algemeen schommelt tussen 6 en 8 %(8), en het in elk geval nimmer een hogere rente vaststelt dan door de verzoeker is gevorderd(9), moet Grifoni' s schadebedrag worden vermeerderd met 8 % moratoire interessen 's jaars, vanaf de datum van de uitspraak van het arrest tot de daadwerkelijke betaling.
IV - Kosten
27. In zijn conclusie van 8 oktober 1990 verzocht Grifoni het Hof de proceskosten en de "met het ongeval verband houdende" reiskosten vast te stellen op een bedrag dat niet lager mag zijn dan 50 000 000 LIT, nu bij, afgezien van de door zijn advocaten gemaakte kosten, voor twee consulten van advocaten in totaal 6 605 000 LIT, en voor het door het Hof gelaste gerechtelijk geneeskundig onderzoek 4 000 000 LIT heeft betaald. De Commissie daarentegen verzocht om compensatie van de kosten.
Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Artikel 69, lid 3, bepaalt, dat het Hof de kosten geheel of gedeeltelijk kan compenseren, indien partijen onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Onbetwistbaar is evenwel, dat partijen in het gedeelte van de procedure dat is afgesloten met het tussenarrest (aansprakelijkheid van 50 %) en ook met betrekking tot de begroting van de schade gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, tenzij men van oordeel mocht zijn, dat de verlaging van de door verzoeker gevorderde bedragen gevolgen moet hebben voor de kostenverdeling. Ik geef het Hof derhalve in overweging, elk der partijen de eigen kosten te laten dragen.
28. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof derhalve in overweging,
1) de Gemeenschap te veroordelen om aan verzoeker, ter vergoeding van de schade als gevolg van het hem op 24 oktober 1985 overkomen ongeval, een bedrag van 238 077 293 LIT te betalen, vermeerderd met moratoire interessen op de voet van 8 % 's jaars, vanaf de datum van het arrest tot de daadwerkelijke betaling;
2) te verstaan dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
(*) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
(1) - Zaak C-308/87, Grifoni, Jurispr. 1990, blz. I-1203.
(2) - In werkelijkheid behield Grifoni zich het recht voor, het bedrag van de geleden schade op een later tijdstip te becijferen en legde hij te zamen met zijn verzoekschrift enkel een medisch attest over waaruit bleek, dat zijn ongeval een volledige arbeidsongeschiktheid van negen maanden en een invaliditeit van 30 % tot gevolg had.
(3) - Ingevolge de bij koninklijk decreet nr. 1403 van 9 oktober 1922 goedgekeurde tabel.
(4) - Verbazingwekkend is, dat Grifoni voor een periode van 98 dagen een schadevergoeding van 50 % vorderde, en verder in dezelfde conclusie stelde voor 70 % blijvend invalide te zijn.
(5) - Zie de nationale rechtspraak door advocaat-generaal Capotorti aangehaald in zijn conclusie in de zaak Dumortier (gevoegde zaken 64/76 en 113/76, 167/78 en 239/78, 27/79, 28/79 en 45/79, Jurispr. 1982, blz. 1752 e.v.).
(6) - Arrest van 19 mei 1982, Dumortier, reeds aangehaald, r.o. 11.
(7) - Opgemerkt zij, dat volgens de formule voor de kapitalisatie van het gederfd inkomen, de voor de vervroegde aanwending van het kapitaal te verrekenen interessen in mindering worden gebracht.
(8) - Zie bij voorbeeld de arresten van 26 juni 1990 (zaak C-152/88, Sofrimport, Jurispr. 1990, blz. I-2477) en 19 mei 1992 (gevoegde zaken C-104/89 en C-37/90, Mulder, Jurispr. 1992, blz. I-3061).
(9) - Zie arrest Mulder, reeds aangehaald, r.o. 36.
Full & Egal Universal Law Academy