Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Onderhavig nietigheidsberoep betreft een verordening van de Commissie waarin invoercertificaten werden verdeeld tussen gegadigde ondernemingen . Het gaat om verordening ( EEG ) nr . 2806/87 ( 1 ), meer bepaald de tweede alinea van artikel 1 van deze verordening :
"Wanneer een aanvraag betrekking heeft op een hoeveelheid die groter is dan de bij verordening ( EEG ) nr . 2539/87 beschikbaar gestelde hoeveelheid van 4 617 ton, wordt zij slechts tot ten hoogste deze laatste hoeveelheid in aanmerking genomen ."
Reglementaire achtergrond
2 . De basisverordening in de sector rundvlees is verordening ( EEG ) nr . 805/68 van de Raad . ( 2 )
Met ingang van 1 januari 1980 wordt in het kader van de Gatt-verplichtingen van de Gemeenschap jaarlijks een tariefcontingent geopend voor vers, gekoeld of bevroren rundvlees van hoge kwaliteit van de posten 02.01 A II a ) en 02.01 A II b ) van het Gemeenschappelijk douanetarief ( hierna : GDT ). In het kader van dat contingent wordt het recht van het GDT dat van toepassing is, vastgesteld op 20 %.
Het openen van dit tariefcontingent gebeurde voor het eerst bij verordening ( EEG ) nr . 2957/79 van de Raad ( 3 ) en voor wat de feiten van deze zaak betreft bij verordening ( EEG ) nr . 3928/86 van de Raad ( 4 ). In artikel 2 van de zojuist vermelde verordening nr . 2957/79 van de Raad ( en in hetzelfde artikel van de verordeningen van de volgende jaren ) wordt gesteld dat uitvoeringsbepalingen moeten worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 27 van de basisverordening ( hierna : de procedure van het Comité ). In de tweede overweging van de aanhef wordt als doelstelling aangeduid "dat met name dient te worden gewaarborgd dat alle betrokkenen in de Gemeenschap te allen tijde en in gelijke mate gebruik kunnen maken van dit contingent ".
Het vaststellen van uitvoeringsbepalingen gebeurde voor het eerst in verordening ( EEG ) nr . 2972/79 ( 5 ) van de Commissie, en dan elk jaar opnieuw vlak na de opening van een tariefcontingent . Met betrekking tot het hier relevante jaar 1987 gebeurde dat in verordening ( EEG ) nr . 3985/86 van de Commissie waarop hierna ( in nr . 6 ) wordt ingegaan . In die jaarlijkse verordeningen werd telkens een verdeling gegeven van het globale tariefcontingent en werden tegelijk regels gegeven voor de echtheidscertificaten waarmee de oorsprong van partijen vlees kan worden bewezen .
3 . Overeenkomstig de procedure van het Comité werden echter ook nog andere uitvoeringsbepalingen vastgesteld . Zo is er verordening ( EEG ) nr . 2377/80 van de Commissie ( 6 ) waarvan de juridische basis zowel in de basisverordening van de Raad ( o.m . haar artikelen 13 en 14 ) ( 7 ) ligt als in verordening nr . 2957/79 van de Raad met betrekking tot de opening van een communautair tariefcontingent . ( 8 ) Deze verordening nr . 2377/80 organiseert in het algemeen, voor een reeks uiteenlopende regelingen in de sector rundvlees waaronder de hier besproken regeling, de aanvraag en de afgifte van in - en uitvoercertificaten . In deze zaak staan de artikelen 12 en 15 centraal . Verzoekster beweert immers dat de hiervoor ( in nr . 1 ) aangehaalde bepaling van de aangevochten verordening strijdig is met verordening nr . 2377/80 .
De artikelen 12 en 15 werden, zo blijkt uit de stukken, tweemaal gewijzigd op een manier die van invloed is op de uitlegging van de betreffende wetgeving, namelijk eenmaal in 1983, door verordening ( EEG ) nr . 3578/82 ( 9 ), en eenmaal met ingang van 1 januari 1988, namelijk door verordening ( EEG ) nr . 3434/87 . ( 10 )
Omwille van de overzichtelijkheid geef ik hier de drie versies van zowel artikel 12 als artikel 15 weer .
4 . De tekst van artikel 12, lid 1, sub a, luidde oorspronkelijk, dat wil zeggen met ingang van 1 oktober 1980, tot einde 1982 :
"Om in aanmerking te komen voor toepassing van de bijzondere invoerregeling bedoeld in artikel 1, lid 1, sub d, van verordening nr . 2972/79 moeten :
a ) certificaataanvraag of de door dezelfde belanghebbende ingediende certificaataanvragen betrekking hebben op de totale hoeveelheid die overeenkomt met minimaal vijf ton uitgedrukt in gewicht van het produkt, en maximaal 10 % van de hoeveelheid die overeenkomstig artikel 7 van verordening nr . 2972/79 is vastgesteld voor de betrokken regeling en voor het kwartaal waarin de certificaataanvraag wordt ingediend ."
Nu volgt de tekst zoals die gold met ingang van 1 januari 1983 tot einde 1987, dat wil zeggen in de periode van de feiten die aan de grondslag liggen van het geschil ten gronde :
"... de certificaataanvraag of de door dezelfde belanghebbende ingediende certificaataanvragen [moeten] betrekking hebben op een totale hoeveelheid die overeenkomt met minimaal 5 ton vlees, uitgedrukt in gewicht van het produkt, voor de betrokken regeling en voor de maand waarin de certificaataanvraag of -aanvragen worden ingediend ."
De belangrijkste wijziging ( het overstappen van kwartaal - naar maandberekening schijnt niet relevant te zijn ) is het laten vervallen van de zin "en maximaal 10% van de hoeveelheid die overeenkomstig artikel 7 van verordening nr . 2972/79 is vastgesteld", d.w.z . maximaal 10% van de hoeveelheid "Hilton beef" waarvoor tijdens het gegeven jaar een contingent wordt toegekend . ( 11 ) Deze wijziging wordt gemotiveerd in de aanhef van verordening nr . 3578/82 die deze wijziging invoerde als een middel om "de regeling op een veel soepeler wijze te beheren om een optimaal gebruik ervan mogelijk te maken ". ( 12 )
Ten slotte de tekst zoals hij van kracht is sinds 1 januari 1988 ( 13 ):
"... heeft, respectievelijk hebben betrekking op een totale hoeveelheid die overeenkomt met minimaal 5 ton vlees, uitgedrukt in gewicht van produkt, en met maximaal de beschikbare hoeveelheid voor de betrokken regeling en voor het kwartaal ( 14 ) waarin de certificaataanvraag, respectievelijk -aanvragen wordt, respectievelijk worden ingediend ;".
Er wordt dus opnieuw een maximum genoemd, maar een ander dan tevoren : waar het tot 1982 10 % van de beschikbare hoeveelheid bedroeg, is het vanaf 1988 de hele beschikbare hoeveelheid ( of 100 %).
5 . Vanaf 1 oktober 1980 luidde artikel 15, lid 6, sub a, als volgt :
"De op grond van de artikelen 9 tot en met 12 ( 15 ) aangevraagde hoeveelheden kunnen met een uniform percentage worden verminderd ."
Vanaf 1 januari 1983 gold met betrekking tot de bijzondere invoerregeling waarover het hier gaat, het volgende artikel 15, lid 6, sub d :
"De Commissie beslist in welke mate gevolg kan worden gegeven aan de op grond van artikel 12 ingediende aanvragen . Indien de hoeveelheden waarvoor de certificaten zijn aangevraagd groter zijn dan de beschikbare hoeveelheden, stelt de Commissie een uniform percentage vast waarmee de aangevraagde hoeveelheden worden verminderd . Indien de totale hoeveelheid waarvoor aanvragen zijn ingediend beneden de beschikbare hoeveelheid ligt, bepaalt de Commissie de overblijvende hoeveelheid ."
Wat de discussie voor het Hof betreft is de bevoegdheid cruciaal welke de Commissie als algemeen regelgever, in het hierboven geciteerde artikel 15, lid 6, aan zichzelf als dagelijks beheerder heeft verleend om het ( geschikte ) uniform percentage vast te stellen waarmee de aangevraagde hoeveelheden eventueel verminderd worden . In die bevoegdheidsregeling kwam, zoals men ziet, geen verandering door de wijziging die inging op 1 januari 1983 . Zij werd evenmin veranderd door de latere wijziging welke inging op 1 januari 1988 ( 16 ).
De concrete organisatie van de inschrijving voor 1987
6 . Bij verordening nr . 3928/86 ( 17 ) werd door de Raad het jaarlijks communautair tariefcontingent voor 1987 geopend voor vers, gekoeld of bevroren rundvlees van hoge kwaliteit van de posten 02.01 A II a ) en b ), voor de totale hoeveelheid van 29 800 ton ( artikel 1 ).
In verordening nr . 3985/86 stelt de Commissie een week later ( 18 ) de uitvoeringsbepalingen van de voorgaande verordening vast, die eveneens op 1 januari 1987 in werking treden . Met name wordt erin gepreciseerd dat, binnen het algemene rundvleesinvoercontingent van 29 800 ton, 10 000 ton zogenaamde "Hilton beef" ( 19 ) wordt toegekend . Bovendien wordt in artikel 7 van deze verordening gesteld dat voor het indienen van de certificaataanvragen en het afgeven van de invoercertificaten het bepaalde in de artikelen 12 en 15 van verordening nr . 2377/80 geldt; deze artikelen 12 en 15 werden hiervoor ( nrs . 4 en 5 ) gedeeltelijk weergegeven .
In het Publikatieblad van 21 februari 1987 verscheen Commissie-verordening ( EEG ) nr . 519/87 ( 20 ) met betrekking tot "Hilton beef ". In de aanhef van deze verordening staat, in de laatste overweging, dat de inmiddels ingediende aanvragen betrekking hebben op hoeveelheden die de beschikbare hoeveelheden overschrijden;
"dat het in die omstandigheden en met het oog op een billijke verdeling van de beschikbare hoeveelheden dienstig is om de hoeveelheden procentueel ( 21 ) te verminderen ".
De vermindering werd in artikel 1 van deze verordening vastgesteld als volgt : de aanvragen worden voldaan voor 3,343 % van de erin gevraagde hoeveelheid .
Het is niet betwist tussen partijen dat uiteindelijk het aantal aldus toegekende invoercertificaten toch niet volledig werd benut, zodanig dat er een "overschot" van invoermogelijkheden was . Om daaraan te verhelpen werd door de Commissie een nieuwe "aanvraagmogelijkheid" geopend voor "Hilton beef", door verordening nr . 2539/87 van 24 augustus 1987 . ( 22 ) In deze verordening werd de mogelijkheid gegeven om tijdens de eerste tien dagen van september 1987 certificaataanvragen in te dienen voor de totale hoeveelheid van 4 617 ton rundvlees van oorsprong en van herkomst uit de Verenigde Staten van Amerika en Canada .
Door de aangevochten verordening nr . 2806/87 van 18 september 1987 besliste de Commissie opnieuw over de reductie van tijdens de supplementaire inschrijvingsperiode ingediende aanvragen, aangezien die ook nu de totale beschikbare hoeveelheden overschreden . Deze "aangevochten" verordening is, qua functie, te vergelijken met verordening nr . 519/87 van 20 februari 1987 ( 23 ), die besliste over de afgifte van invoercertificaten met betrekking tot de eerst beschikbare 10 000 ton waarop in februari 1987 kon worden ingeschreven .
De betwiste verordening
7 . De betwisting draait dus rond de manier waarop de Commissie de supplementaire inschrijvingsperiode van tien dagen in september 1987 afwikkelde : de Commissie stelde in artikel 1, alinea 1, het percentage van "voldoening" van de aanvragen als volgt vast : 0,2425 % van de gevraagde hoeveelheid .
Het punt van betwisting is de hiervoor ( nr.1 ) reeds geciteerde tweede alinea van artikel 1, waarin gezegd wordt dat aanvragen die betrekking hebben op een hoeveelheid die groter is dan de totaal beschikbaar gestelde hoeveelheid van 4 617 ton, slechts tot ten hoogste deze laatste hoeveelheid in aanmerking genomen worden . Dit betekent concreet dat de aanvragen van verzoeker, die betrekking hadden op 80 000 plus 240 000, dit is 320 000 ton, slechts ten belope van 4 617 ton in aanmerking werden genomen, zodat verzoekster slechts een hoeveelheid toegewezen kreeg van 0,2425 % van 4 617 ton, dit is iets meer dan 11 ton .
De juridische betwisting
8 . Het standpunt van verzoeksters, ondersteund door de Nederlandse regering, luidt dat de betwiste verordening nr . 2806/87, omschreven in nummer 6, onbevoegderwijs werd genomen, onvoldoende gemotiveerd was, ten onrechte niet gepaard ging met raadpleging van het Comité, en een schending van het gelijkheidsbeginsel en de rechtszekerheid meebracht, omdat deze aangevochten verordening een afwijking betekende van de voorwaarden van verordening nr . 2377/80, in het bijzonder artikel 12 daarvan .
Het standpunt van de Commissie, daarentegen, is dat de aangevochten tweede alinea van artikel 1 van de aangevochten verordening niet meer is dan de logische conclusie uit reeds in de algemenere regels vervatte beginselen .
Onbetwiste feiten
9 . Op 11 september 1987, dat wil zeggen de dag na de afsluiting van de ( tweede ) aanvraagperiode, heeft het Produktschap voor Vee en Vlees ( hierna : Produktschap ) het totaal der aanvragen in Nederland per telex aan de Commissie meegedeeld; het bedroeg 1 033 970 ton, wat duidelijk ver boven de totaal voor de gehele Gemeenschap te begeven hoeveelheid van 4 617 ton ligt . Zoals hiervoor werd gezegd bedroeg de aanvraag van Weddel 80 000 plus 240 000 dat is 320 000 ton, dat is ongeveer één derde van het Nederlandse totaal .
Per telex van 15 september 1987 heeft de Commissie daarop geantwoord en gewezen op het feit dat "alhoewel er sedert 1982 geen specifiek plafond meer bestaat in het kader van dit regime, uit de gegeven omstandigheden alsmede uit de tekst van verordening nr . 2539/87 ( 24 ) volgt dat een certificaataanvraag in geen geval de hoeveelheid van 4 617 ton, beschikbaar in het begin van de lopende maand, mag overtreffen ". Het Produktschap liet hierop weten verrast te zijn door de telex van 15 september, die volgens haar in tegenstelling stond tot eerdere uitspraken van de Commissie, onder meer in het beheerscomité voor het rundvlees van 11 september 1987 . Verder stelde het Produktschap dat, zelfs wanneer de stellingname van de Commissie juist zou zijn, in elk geval vereist werd dat "de door u gecreëerde situatie een praktische en billijke oplossing" zou krijgen "voor de betrokken bedrijven"; "ten minste zouden de betrokken bedrijven alsnog de kans moeten krijgen om certificaataanvragen in te dienen voor de hoeveelheden waarvoor per 10 september aanvragen zijn ingediend en waarborgen zijn gesteld volgens uw huidige interpretatie ".
De Commissie is niet ingegaan op het verzoek van het Produktschap en heeft op 18 september de betwiste verordening nr . 2806/87 aangenomen, waarin staat dat de aanvragen slechts ten belope van 4 617 ton werden in aanmerking genomen .
Betwiste feiten
10 . Voornamelijk met het oog op de argumentatie over de schending van de rechtszekerheid of de aanwezigheid van verboden retroactiviteit, twisten partijen over wat al dan niet in het beheercomité voor het rundvlees op 11 september zou gezegd zijn over de vraag van de toelaatbaarheid van aanvragen met betrekking tot een grotere hoeveelheid dan de aangekondigde, te verdelen hoeveelheid ( hierna : overmatige aanvragen ).
Volgens verzoekster steunde het Produktschap voor zijn stellingname op de vaststelling dat er, na de weglating van een zinsnede uit artikel 12 van verordening nr . 2377/80, geen plafonering was aan de aanvragen; in de repliek luidt het echter dat het Produktschap hiervoor steunde op de praktijk in andere landbouwverordeningen ( 25 ), en dat het in zijn overtuiging werd bevestigd door wat voorviel op de vergadering van het Comité op 11 september . Daar vroeg namelijk een vertegenwoordiger van het Verenigd Koninkrijk of overmatige aanvragen konden, waarop de Commissie geen antwoord had en zei dat ze de vraag nog moest bestuderen ( aldus het verslag van het Comité ).
De Commissie repliceert dat de vergadering van 11 september in elk geval na afloop van de inschrijvingsperiode plaats had, dat de Commissie ter vergadering niet gesteld heeft dat een aanvraag, boven de totaal te begeven hoeveelheid aanvaardbaar was, en dat er in elk geval geen sprake kon zijn van een "mening van het Comité", alleen van een informatieve vraag van een lid en een evasief, niet-verbindend, antwoord van de vertegenwoordiger van de Commissie .
In haar repliek antwoordt verzoekster ( die zelf niet op die vergadering aanwezig was en het dus "van horen zeggen" moet weten ) dat de notulen van het beheerscomité zoals opgesteld door de Commissie een onjuiste weergave inhouden; volgens het Produktschap zou de Commissie zonder voorbehoud geantwoord hebben dat aanvragen voor meer dan het maximum toegelaten waren . In de repliek wordt ook nog meegedeeld dat de Nederlandse regering later een krachtig protest zou hebben laten horen tegen wat zij als een wijziging in het standpunt van de Commissie zag . ( 26 )
In antwoord op de repliek zegt de Commissie in de dupliek dat de Nederlandse vertegenwoordiger van het Comité de juistheid van de notulen niet heeft aangevochten, en dat eventuele uitlatingen van de Commissie tegenover het Produktschap gedaan na de relevante periode van tien dagen in elk geval niet door een individuele onderneming tegen de Commissie kunnen worden ingeroepen .
Ontvankelijkheid
11 . Verweerster betwist de ontvankelijkheid van het beroep . Volgens haar is verzoekster niet rechtstreeks en individueel geraakt door de aangevochten verordening . Hiervoor zoekt zij steun in drie arresten : Moksel ( 27 ) , Binderer ( 28 ) en Deutz ( 29 ).
Verzoekster meent daarentegen dat haar verzoek overeenkomstig de arresten International Fruit Company ( 30 ) en Usines coopératives de déshydratation du vexin ( 31 ) ontvankelijk is .
12 . Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat het onderhavige verzoek ontvankelijk is indien de aangevochten bepaling "geen bepaling van algemene strekking is in de zin van artikel 189, tweede alinea van het Verdrag, maar moet beschouwd worden als een bundel door de Commissie ... genomen individuele beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, ieder de rechtspositie van één der aanvragers beïnvloeden ". ( 32 )
Wanneer is een verordening in feite een bundel individuele beschikkingen, en derhalve aanvechtbaar door individuele rechtsonderhorigen?
Het arrest International Fruit betrof het beroep tegen een verordening waarin bepaald werd dat aan aanvragen om invoervergunningen die tot een bepaalde in het nabije verleden gelegen datum werden ingediend slechts zouden worden ingewilligd tot 80% van een referentiehoeveelheid . Verzoekster had in die voorbije periode aanvragen ingediend . Haar verzoek was ontvankelijk omdat "op het moment van de vaststelling van genoemde verordening het aantal aanvragen dat daardoor kon worden betroffen, vaststond" en "geen enkele nieuwe aanvraag daaraan kon worden toegevoegd ". ( 33 )
De sleutel tot de ontvankelijkheid lijkt met andere woorden te liggen bij de fixatie in het verleden van het door de aangevochten verordening bestreken toepassingsgebied : alleen verordeningen die rechtsgevolgen vastleggen voor een definitief gesloten kring van rechtssubjecten kunnen door individuele rechtsonderhorigen aangevochten worden . Doorslaggevend is daarbij niet het groot of klein aantal betroffenen, noch het "feit dat het aantal - of zelfs de identiteit - van de rechtssubjecten op wie de handelingen op een bepaald ogenblik van toepassing is, bepaalbaar is ". ( 34 ) Maar wel dat de aangevochten verordening op het ogenblik waarop zij werd aangenomen de situatie beïnvloedde van een gesloten kring van rechtssubjecten . ( 35 )
In de omstandigheden van de arresten Moksel en Usines coopératives de déshydratation du vexin bracht de aangevochten verordening rechtsgevolgen teweeg voor een open kring van rechtssubjecten : het ging immers in beide zaken om het instellen van een schorsingsperiode die zich uitstrekte tot na de datum van de verordening zelf . ( 36 ) De behandeling van een ongekend en onkenbaar aantal aanvragen die er zonder de aangevochten verordening nog zouden geweest zijn werd zo juridisch beïnvloed .
In het arrest Binderer was de vordering onontvankelijk ondanks het feit dat verzoekster en twee andere ondernemingen de enigen waren die bepaalde wijnsoorten invoerden uit twee welbepaalde derde landen en aldus nadeel ondervonden van de aangevochten verordening . Als reden voor de onontvankelijkheid gaf het Hof op dat "de bestreden bepaling van de verordening ... het gebruik van bepaalde vertalingen ( van de wijnbenamingen ) verbiedt aan alle handelaren die de betrokken wijnen uit derde landen in de Gemeenschap invoeren of nog zullen invoeren ". ( 37 )
In onderhavige zaak werd de aangevochten verordening aangenomen op 18 september 1987 en gepubliceerd in het Publikatieblad van 19 september 1987 . Zij besliste over het gevolg dat werd gegeven aan de aanvragen die tussen 1 en 10 september 1987 waren ingediend . De kring van aanvragers waarop de verordening een invloed uitoefende was derhalve duidelijk gesloten : er kon geen rechtssubject meer bijkomen op het ogenblik dat de verordening werd genomen . De aanvragers werden bijgevolg rechtstreeks en individueel geraakt door de aangevochten verordening, die even goed als een bundel of reeks individuele beschikkingen kan worden beschouwd . Het beroep is met andere woorden ontvankelijk .
Argumenten ten gronde in verband met bevoegdheid, motivering en procedure
13 . Ik behandel drie argumenten van verzoekster samen, namelijk gebrek aan motivering, bevoegdheidsoverschrijding en schending van een wezenlijk vormvoorschrift, namelijk de raadpleging van het Comité, omdat deze drie grieven mijns inziens een grote samenhang vertonen en trouwens ook door verweerster globaal worden behandeld .
Volgens verzoekster is de aanhef van de aangevochten verordening ongeveer gelijk aan die van de enkele maanden tevoren uitgevaardigde en gelijkaardige verordening nr . 519/87 ( 38 ), maar worden in vergelijking zeer verstrekkende gevolgen toegevoegd aan artikel 1, door het invoegen van de tweede alinea daarvan, die de individuele aanvragen beperkt tot de totaal beschikbare hoeveelheid . Het onvoldoende motiveren hiervan zou artikel 190 van het Verdrag schenden .
Tegelijk maakt die tweede alinea volgens verzoekster een bevoegdheidsoverschrijding uit, aangezien daarmee meer wordt gedaan dan een beslissing te nemen waartoe de Commissie gemachtigd was overeenkomstig artikel 15, lid 6, sub d, van verordening nr . 2377/80 ( 39 ): in de aangevochten tweede alinea geeft de Commissie immers een regel met betrekking tot de voorwaarden voor aanvraag, die verder gaat dan de regels vervat in artikel 12 van dezelfde verordening nr . 2377/80 . De aangevochten verordening zou dus meer doen dan een beslissing nemen tot afwikkeling van de inschrijvingsprocedure (( zoals voorzien in artikel 2 van de hiervoor ( nr . 6 ) geciteerde verordening nr . 3928/86 ( 40 ))) maar daarentegen een bevoegdheid usurperen door bijkomende voorwaarden in procedure - of uitvoeringsbepalingen vast te stellen .
Ten slotte verwijt verzoekster aan verweerster dat zij een wezenlijk procedure - en/of vormvoorschrift heeft geschonden dat erin bestaat dat, bij inhoudelijke wijzigingen van verordening nr . 2377/80 ( 41 ), in casu het artikel 12 daarvan, het advies van het Comité moet worden gevraagd, zoals voorgeschreven in artikel 27 van de basisverordening . ( 42 ) In dat opzicht trekt verzoekster een argument a contrario uit het feit dat door verordening nr . 3434/87 ( 43 ) de procedure van artikel 12 van verordening nr . 2377/80 werd gewijzigd met ingang van 1 januari 1988 hetgeen wel degelijk gebeurde na raadpleging van het Comité en met uitdrukkelijke motivering . Daaruit zou nogmaals blijken dat de aangevochten tweede alinea van artikel 1 een nadere formele grondslag behoefde en miste . Bovendien zou uit de latere wijziging die slechts inging op 1 januari 1988 blijken dat er geen spoedeisende omstandigheden aanwezig waren op het moment van de uitvaardiging van de aangevochten bepaling, die een soort "noodwetgevende" usurpatie van bevoegdheid zouden hebben kunnen motiveren .
14 . Het antwoord van de Commissie op deze drie grieven ligt globaal vervat in wat in het verweer heet, de weergave van de "achtergrond van de maximeringsregel ". Volgens verweerster is het aangevochten artikel 1, alinea 2, slechts een verduidelijking en geen wijziging van het systeem van de artikelen 12 en 15 van verordening nr . 2377/80 van de Commissie ( 44 ). Dit zou blijken uit twee elementen, namelijk de tekst van verordening nr . 2539/87 waardoor de tweede inschrijvingsperiode werd geopend ( 45 ), en het hele relevante stelsel .
Wat de tekst van verordening nr . 2539/87 betreft : in deze verordening, die de "oproep" bevat om aanvragen in te dienen, staat in artikel 1 dat certificaataanvragen kunnen worden ingediend "voor een totale hoeveelheid van 4 617 ton rundvlees ". ( 46 )
Wat het stelsel betreft wijst verweerster erop dat uit artikel 15, lid 6, sub d, van verordening nr . 2377/80 blijkt dat een aanvraag voor meer dan het voor de gehele Gemeenschap te begeven totaal niet alleen irreëel maar ook speculatief is . Het zou meer bepaald tot onaanvaardbare resultaten leiden die niet met het functioneren van de marktordening zijn te verzoenen : ten eerste, discriminatie ten opzichte van de kleinere handelaars, die niet de ( grote ) borgstelling kunnen geven die met een overmatige aanvraag moet samengaan, en ten tweede, handelsverleggingen en zo een onbillijke verdeling tussen de Lid-Staten wanneer in sommige Lid-Staten overmatige aanvragen zouden worden toegelaten, in andere Lid-Staten niet . Verweerster besluit dat zij, toen ze werd geconfronteerd met het bestaan van de praktijk van overdreven grote aanvragen in sommige Lid-Staten, geen andere keuze had dan als logische consequentie van artikel 15, lid 6, sub d, en van het hele stelsel, de bewuste tweede alinea in te voegen in verordening nr . 2806/87 .
15 . Verzoekster repliceert dat de zojuist weergegeven stelling van de Commissie onhoudbaar is, om de volgende redenen :
- het feit dat later, met ingang van 1 januari 1988, dezelfde regeling werd getroffen maar dan volgens "de procedure van het comité" van artikel 27 van de basisverordening, zou bewijzen dat het niet ging om een "conclusie" uit een reeds voorhanden stelsel; dit is het hiervoor ( nr . 13 ) al vermelde a-contrario-argument;
- het beroep op artikel 15, lid 6, sub d, zou ongepast zijn aangezien dat artikel op het bewuste tijdstip juist door toedoen van verordening nr . 3578/82 was versoepeld ( zie hiervoor, nr . 4 ), en er de voorwaarde van een maximum per aanvraag was uit weggehaald; de Commissie kreeg erin slechts de bevoegdheid om een procentuele vermindering door te voeren;
- een procentuele vermindering betekent een algemene verlaging, en staat in contrast met het verminderen van individuele aanvragen, bij voorbeeld van al degene die over het te begeven totaal bedrag uitgaan; verzoekster beklemtoont het verschil tussen enerzijds procentuele, algemene verminderingen, waartoe de Commissie zou bevoegd zijn, en anderzijds individuele verminderingen waartoe ze onbevoegd zou zijn; zij wordt daarin gesteund door de tussenkomst van de Nederlandse regering .
Wat betreft de door verweerster gesuggereerde onaanvaardbare resultaten, bestaande uit ten eerste discriminatie tegenover kleinere handelaars en ten tweede handelsverleggingen, zegt verzoekster het volgende : de discriminatie tegenover kleineren zou een ongegronde vrees zijn, aangezien borgstellingen ( voor overmatige aanvragen ) weinig kosten . Over de handelsverleggingen - een punt dat mijns inziens eerder ter sprake komt bij de latere bespreking van het gelijkheidsbeginsel - stelt verzoekster dat het de door verweerster voorgestane interpretatie is die tot een onaanvaardbare ongelijkheid leidt, namelijk tussen ondernemingen die, zoals verzoekster, een overmatige aanvraag open en eerlijk indienen, enerzijds, en degenen die, zoals bij voorbeeld - volgens verzoekster - in Groot-Brittannië gebeurde, via 299 stromannen een totaal van 300 aanvragen indienen voor telkens 4 617 ton .
Ter terechtzitting heeft verweerster daar dan weer op geantwoord dat het oneigenlijk gebruik van de aanvraagprocedure door middel van openlijke overmatige aanvragen eenvoudiger te herkennen en de pas af te snijden is dan het oneigenlijk gebruik dat erin bestaat via stromannen talrijke aanvragen in te dienen . Het is de taak van de Commissie om oneigenlijk gebruik van de procedures tegen te gaan, in de mate dat dit kan . Als daarbij sommige vormen van oneigenlijk gebruik sneller of meer worden gehinderd dan is dat een louter feitelijk gegeven . Bij de behandeling van het gelijkheidsargument van verzoekster komt dit nog opnieuw ter sprake .
16 . Mijn beoordeling van de bevoegdheidsvraag valt samen met mijn beoordeling van de vraag of de aangevochten alinea een expliciete motivering behoefde, en of daarmee ingegaan werd tegen een gerechtvaardigd vertrouwen van verzoekster . Het antwoord op deze drie vragen hangt mijns inziens af van het antwoord dat gegeven wordt op de volgende vraag : kon de Commissie in de aangevochten tweede alinea verduidelijken, op een ogenblik dat de aanvragen reeds allen ingediend waren, dat elk van de aanvragen slechts ten belope van de totale beschikbare hoeveelheid van 4 617 ton zou worden in aanmerking genomen?
Ik gebruikte het werkwoord "verduidelijken" om aan te duiden dat het wel degelijk moet gaan om de bevestiging van een vanzelfsprekendheid . Heeft de Commissie meer gedaan, dan komt de problematiek in een ander daglicht te staan .
Indien het Hof van oordeel is dat de beperking van de aanvragen tot de beschikbare hoeveelheid logisch en rechtstreeks voortvloeide uit de doelstelling of het systeem van het hele stelsel van aanvragen, dan kon verzoekster ook geen gerechtvaardigd vertrouwen koesteren dat haar aanvraag voor meer dan het beschikbaar totaal zou worden meegeteld . Het gemeenschapsrechtelijk beginsel van gerechtvaardigd vertrouwen beschermt tegen onvoorzienbare wijzigingen in een rechtssituatie, niet tegen verkeerd begrip van een stabiele rechtssituatie . Trouwens, de beoordeling van een concrete rechtssituatie is geen louter subjectieve aangelegenheid : alleen dat vertrouwen komt voor bescherming in aanmerking dat in redelijkheid kon bestaan in hoofde van een rechtssubject . Daar komt nog bij dat het vertrouwen, zo het al gerechtvaardigd was, hier zou opgewekt zijn door een verklaring waarvan de inhoud betwist is en tegengesproken wordt door de regelmatig vastgestelde notulen van de vergadering van het comité van beheer, en die aan de telefoon zou zijn afgelegd door een individuele ambtenaar van de Commissie ( 47 ) ten overstaan van andere personen dan verzoekster : allemaal redenen om het beweerdelijk opgewekte vertrouwen niet tegenwerpelijk te achten aan de Commissie .
17 . Ik kom nu tot de beantwoording van de zojuist geformuleerde vraag . Uitgangspunt is hierbij de doelstelling van het stelsel van aanvragen en van inkorting van die aanvragen, namelijk het verdelen van de beschikbare hoeveelheid tussen de gegadigden in geval van over-inschrijving . Dat dit de doelstelling is blijkt uit de hiervoor in nummer 2 geciteerde tweede overweging van de aanhef van verordening nr . 2957/79 van de Raad (" dat alle betrokkenen in de Gemeenschap ... in gelijke mate gebruik kunnen maken van dit contingent ").
Tegen die achtergrond komt het mij voor dat een onderneming die een aanvraag indient voor een hoeveelheid die de totale beschikbare hoeveelheid voor de hele Gemeenschap verschillende malen overtreft, niet bona fide handelt, of althans niet een handeling stelt waarop zij een rechtmatige aanspraak kan steunen . ( 48 ) De enige bedoeling van de overmatige aanvraag kan immers zijn de achteraf door de Commissie door te voeren procentuele reductie van de verschillende aanvragen in het eigen voordeel scheef te trekken . Indien dit toegelaten was, dan zou een overmatige aanvraag van bij voorbeeld duizend maal de beschikbare hoeveelheid voldoende zijn om, bij "normaal" gedrag van de andere aanvragers, bijna de hele beschikbare hoeveelheid naar zich toe te halen . Verzoekster heeft er zelf op gewezen ( hiervoor, nr . 14 ) dat de kosten van de bankwaarborg of borgstelling geen hinderpaal zouden zijn voor zulk optreden . Alle andere "normale" aanvragen zouden dan ongeveer niets opleveren . De logisch te verwachten reactie van de teleurgestelde "normale" aanvragers zou erin bestaan bij een eerstvolgende gelegenheid het gedrag van verzoekster na te bootsen . Daarmee zou het hele stelsel tot een soort pokerspel verworden, en volledig ineenstorten . Hieruit blijkt mijns inziens dat het in aanmerking nemen van individuele aanvragen ten belope van de totale beschikbare hoeveelheid met het oog op de latere reductie uit de aard van de zaak voortvloeit, en verzoekster er in redelijkheid niet mocht op betrouwen dat de communautaire overheid anders zou handelen .
Op grond van de schriftelijke stukken kwam het mij voor dat aan het voorgaande slechts op één grond zou kunnen getwijfeld worden, namelijk de bewering van verzoekster dat in andere verordeningen en regelingen van het communautair landbouwbeleid, het "overvragen" of indienen van "overmatige aanvragen" gebruikelijk is en geaccepteerd wordt . In haar antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof heeft verzoekster deze bewering echter niet kunnen staven met concrete voorbeelden uit andere sectoren . Mijn besluit is dan ook dat niet werd aangetoond dat de Commissie in de aangevochten tweede alinea iets anders deed dan expliciteren wat vanzelfsprekend was . Daarvoor was zij zonder enige twijfel bevoegd zonder een andere motivering dan die welke blijkt uit de aard van de zaak en zonder raadpleging van het comité .
In dit verband nog dit . Aan het wegvallen van het maximum van 10 % van de beschikbare hoeveelheid in 1982 ( hiervoor, nr . 4 ) kan mijns inziens niet de betekenis worden gehecht dat daarmee de vanzelfsprekende grens van 100 % is weggevallen . Het laten vallen van die lage maximumgrens van 10 % was bedoeld om het vastgestelde tekort aan aanvragen tegen te gaan . Daarmee kon de Commissie geenszins beogen de inschrijvingsprocedure volkomen te ontwrichten . De argumenten van onbevoegdheid, gebrekkige motivering, schending van het gerechtvaardigd vertrouwen, en niet-raadpleging van het Comité van beheer dienen mijns inziens dan ook verworpen te worden .
Het gelijkheidsbeginsel
18 . Verzoekster stelt dat bij geldigheid van de betwiste tweede alinea een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling zou bestaan tussen wie, zoals zij, in één Lid-Staat één overmatige aanvraag indiende, welke dan wordt "afgetopt" tot 4 617 ton, enerzijds, en degenen die in verschillende, bij voorbeeld twaalf Lid-Staten telkens een aanvraag indienden voor het maximum en dan twaalf maal zoveel zouden krijgen .
Verweerster antwoordt als volgt op dit verwijt : zij geeft toe dat sinds de wijziging van artikel 15, lid 2, sub b, van verordening nr . 2377/80 ( 49 ) door verordening nr . 3578/82 ( 50 ), er geen optelling meer plaatsgrijpt tussen verschillende aanvragen van eenzelfde aanvrager ingediend in verschillende Lid-Staten; gecombineerd met het maximum voorzien in de aangevochten verordening, zo geeft zij toe, zou er een verschil in behandeling mogelijk zijn . Verweerster voegt daar echter aan toe dat er in de praktijk geen aanduidingen waren - in de vorm van handelsverleggingen waarvan het Comité zou op de hoogte gebracht zijn - dat het probleem zich echt ernstig voordeed; anders zou zij ongetwijfeld maatregelen genomen hebben, trouwens op vraag van het Comité; zij veralgemeent dit als volgt : "er is geen absoluut vereiste dat de Commissie onmiddellijk zou reguleren bij de minste kleine imperfectie in een gemeenschappelijke marktordening ".
Ten tweede, zegt verweerster, heeft verzoekster geen invloed van de potentiële verschillende behandeling ondervonden, aangezien ze elders geen aanvragen indiende, en dus een mogelijkheid die bestond niet benutte; zij steunt zich hiervoor op de arresten Cargill/ONIC ( 51 ) en Welding ( 52 ), die zij als volgt samenvat : "wie een onderscheid als discriminatie aanvecht, mag niet verzuimd hebben een voorhanden zijnde mogelijkheid te gebruiken om de aangeklaagde ongelijkheid te ontlopen ".
19 . In de repliek toont verzoekster aan - mijns inziens overtuigend - dat de als tweede weerlegging geciteerde rechtspraak met betrekking tot de gelijkheid niet ter zake is : in die gevallen ging het om een ongelijkheid tussen twee mogelijke wegen waartussen de verzoekers nog de keuze hadden op het moment dat ze hun zaken beredderden; in het onderhavige geval was er echter op het ogenblik dat de Commissie haar interpretatie kenbaar maakte aan het Produktschap, en op het ogenblik dat zij de aangevochten verordening uitvaardigde, geen enkele mogelijkheid meer voor verzoeksters, of concurrenten van hen, om aanvragen in andere Lid-Staten in te dienen; het gaat dus in de woorden van verzoekster, om een nieuwe "discriminatie", althans om een onderscheid gecreëerd door de betwiste regelgeving zelf .
20 . Het antwoord op de vraag of het aangevochten onderdeel van de verordening een discriminatie inhoudt die strijdig is met het gemeenschapsrecht, hangt af van de vraag of verzoekster een handelwijze volgde die haar in staat stelt een gelijke behandeling te eisen . Op dit punt faalt haar verzoek mijns inziens . De vergelijking tussen de openlijke manier waarop verzoekster de methode van aanvraag en toewijzing afwendt met de eerder verdoken manier van handelen die zij toeschrijft aan ondernemingen in andere Lid-Staten, is op zichzelf problematisch . Er bestaat immers geen recht op gelijke behandeling tussen wie een door het gemeenschapsrecht ingesteld reglementair stelsel op een openlijke wijze van zijn doelstellingen afwendt met degenen die eventueel op een verdoken, minder eenvoudig vast te stellen of te beteugelen manier, hetzelfde doen . Het feit dat de tweede soort afwending of misbruik eventueel niet of niet even snel, werd vastgesteld of beteugeld dan wel als een erger misbruik moet worden gekwalificeerd, geeft verzoekster geen enkel recht om de eigen afwending te zien goedkeuren .
Schending van de rechtszekerheid/ontoelaatbare retroactiviteit
21 . Volgens verzoekster en de Nederlandse regering was de interpretatie van de Commissie niet duidelijk af te leiden uit de regelgeving zoals die bestond de eerste tien dagen van september, en bijgevolg niet kenbaar voor de Lid-Staat, de uitvoeringsinstantie ( het Produktschap ) of de betrokken bedrijven; deze interpretatie werd slechts aan het Produktschap meegedeeld nadat de termijn van de verordening nr . 2539/87 ( 53 ) was verstreken . De Commissie repliceert dat, gezien de door haar gegeven "situering" van de aangevochten bepaling in de gehele regeling, er geen sprake kan zijn van schending van de rechtszekerheid; aangezien het bevoegde Comité noch de Commissie de praktijk van overmatige aanvragen had goedgekeurd, was er geen enkele reden erop te betrouwen dat zulke overmatige aanvragen meer zouden betekenen dan aanvragen voor het maximum beschikbare bedrag . Het standpunt van de Commissie komt er derhalve op neer dat er geen gerechtvaardigd vertrouwen was ( dat dan evenmin kon geschonden worden ).
Hier moet in herinnering gebracht worden wat hiervoor ( nr . 17 resp . 20 ) over de bewering met betrekking tot de praktijk in andere landbouwverordeningen en over de gevolgen van verzoeksters handelwijze voor het stelsel werd gezegd . Daaruit volgt dat er geen schending van de rechtszekerheid en ook geen retroactiviteit was aangezien het optreden van de Commissie als een vanzelfsprekende reactie kon worden beschouwd .
Besluit
22 . Op grond van wat voorafgaat stel ik het Hof voor te oordelen dat verzoekster niet heeft doen blijken van elementen die doen twijfelen aan de geldigheid van artikel 1 van verordening ( EEG ) nr . 2806/87 van de Commissie, het nietigheidsberoep derhalve te verwerpen en verzoekster te verwijzen in de kosten van het geding .
(*) Oorspronkelijke taal : Nederlands .
( 1 ) Verordening van 18 september 1987 betreffende de afgifte van invoercertificaten voor vers, gekoeld of bevroren rundvlees van hoge kwaliteit ( PB 1987, L 268, blz . 59 ).
( 2 ) Verordening van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees ( PB 1968, L 148, blz . 24 ).
( 3 ) Verordening van 20 december 1979 betreffende de opening van een communautair tariefcontingent voor vers, gekoeld of bevroren rundvlees van hoge kwaliteit van de posten 02.01 A II a ) en 02.01 A II b ) van het gemeenschappelijk douanetarief ( PB 1979, L 336, blz . 5 ).
( 4 ) Verordening van 16 december 1986 betreffende de opening van een communautair tariefcontingent voor vers, gekoeld of bevroren rundvlees van hoge kwaliteit van de posten 02.01 . A II a ) en 02.01 . A II b ) van het gemeenschappelijk douanetarief ( 1987 ) ( PB 1986, L 365, blz . 2 ).
( 5 ) Verordening van 21 december 1979 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van de invoerregelingen die in de sector rundvlees zijn ingesteld bij verordening ( EEG ) nr . 2957/79 en 2958/79 ( PB 1979, L 336, blz . 37 ).
( 6 ) Verordening van 4 september 1980 houdende bijzondere bepalingen voor de toepassing van het stelsel van invoer - en uitvoercertificaten in de sector rundvlees ( PB 1980, L 241, blz . 5 ).
( 7 ) Zie hiervoor, voetnoot 2 .
( 8 ) Zie hiervoor, voetnoot 3 .
( 9 ) Verordening van 23 december 1982 houdende derde wijziging van verordening ( EEG ) nr . 263/81 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van de invoerregelingen die in de sector rundvlees zijn ingesteld bij de verordeningen ( EEG ) nr . 217/81 en 218/81 en houdende zesde wijziging van verordening nr . 2377/80 ( PB 1982, L 373, blz . 59 ).
( 10 ) Verordening van 17 november 1987 tot wijziging van de verordeningen nrs . 2973/79 en 2377/80 ten aanzien van bepaalde invoer - en uitvoerregelingen voor rundvlees ( PB 1987, L 327, blz . 7 ).
( 11 ) Artikel 7 van deze verordening verwees naar artikel 1, lid 1, sub d van dezelfde verordening, waarin het contingent voor "Hilton beef" werd vastgesteld binnen het globale contingent voor 1980 . In het hier relevante jaar 1987 verwees artikel 7 van verordening nr . 3985/86 van de Commissie evenzo naar artikel 1, lid 1, sub d van dezelfde verordening .
( 12 ) Er werden blijkbaar - dit wordt niet betwist tussen partijen - tijdens het begin van de jaren tachtig onvoldoende hoeveelheden aangevraagd, zodanig dat de contingenten niet volledig opgebruikt werden .
( 13 ) Sinds verordening nr . 3434/87, hiervoor geciteerd in voetnoot 10 .
( 14 ) Kennelijk is weer overgeschakeld naar kwartaalberekening .
( 15 ) In artikel 12 werd de bijzondere invoerregeling van verordening nr . 2972/79 behandeld .
( 16 ) Alleen de laatste zin van artikel 15, lid 6, sub d, werd met ingang van 1 januari 1988 gewijzigd; hij betreft de hypothese van onder-inschrijving; ons probleem gaat over over-inschrijving .
( 17 ) Zie hoger voetnoot 4 .
( 18 ) Verordening van 23 december 1986 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van de invoerregelingen die in de sector rundvlees zijn ingesteld bij de verordeningen nrs . 3927/86 en 3928/86 van de Raad ( PB 1986, L 370, blz . 37 ).
( 19 ) Voor de officiële omschrijving, zie artikel 1, lid 1, sub d; zowel Weddel als de Nederlandse regering gebruiken de omschrijving "Hilton beef ".
( 20 ) Verordening van 20 februari 1987 betreffende de afgifte van invoercertificaten voor vers, gekoeld of bevroren rundvlees van hoge kwaliteit ( PB 1987, L 52, blz . 12 ).
( 21 ) In het Nederlands staat er "procentueel"; in de acht andere talen staat er "proportioneel ".
( 22 ) Verordening van 24 augustus 1987 betreffende de hoeveelheid rundvlees van hoge kwaliteit die uit de Verenigde Staten van Amerika en uit Canada mag worden ingevoerd in het kader van de bij verordening nr . 3928/86 van de Raad vastgestelde regeling ( PB 1987, L 241, blz . 6 ).
( 23 ) Zie hiervoor, voetnoot 20 .
( 24 ) De Commissie doelde hier, zoals in de stukken van het dossier blijkt, op de hierna gecursiveerde passage van artikel 1 van de geciteerde verordening, die in een nieuwe inschrijvingsperiode voorzag ( hiervoor, nr . 6 ): "Overeenkomstig artikel 12 ... kunnen gedurende de eerste tien dagen van september ... certificaataanvragen worden ingediend voor een totale hoeveelheid van 4 617 ton rundvlees van oorsprong en van herkomst uit de Verenigde Staten van Amerika en uit Canada ."
( 25 ) Zie hierover meer hierna, in nr . 17 .
( 26 ) Protest van 30 september 1987, op vraag van het Hof meegedeeld .
( 27 ) Arrest van 25 maart 1982, zaak 45/81, Moksel/Commissie, Jurispr . 1982, blz . 1129 .
( 28 ) Arrest van 29 januari 1985 in zaak 147/83, Binderer/Commissie, Jurispr . 1985, blz . 257 .
( 29 ) Arrest van 24 februari 1987, zaak 26/86, Deutz/Raad, Jurispr . 1987, blz . 941 .
( 30 ) Arrest van 13 mei 1971, zaken 41/70, 42/70, 43/70 en 44/70, Jurispr . 1971, blz . 411 .
( 31 ) Arrest van 21 november 1989, zaak 244/88, Usines coopératives de déshydratation du vexin e.a./Commissie, Jurispr . 1989, blz . 3811 .
( 32 ) Arrest International Fruit, r.o . 21 . Ook reeds het arrest van 14 december 1962, zaken 16/62 en 17/62, Confédération nationale/Raad, Jurispr . 1962, blz . 999-1000, en in het bijzonder de conclusie van advocaat-generaal Lagrange, blz . 963, op blz . 971, waar sprake is van een "collectieve beschikking", die in feite de betekenis heeft van een "reeks individuele beschikkingen ".
( 33 ) Rechtsoverwegingen 17 en 18 .
( 34 ) Arrest Deutz, r.o . 8 .
( 35 ) Zie arrest Usines coopératives de déshydratation du vexin, r.o . 10 .
( 36 ) Dit punt wordt beklemtoond in r.o . 12 van het arrest Usines coopératives de déshydratation du vexin en komt ook duidelijk tot uiting als grond voor de onontvankelijkheid in r.o . 16 en 17 van het arrest Moksel .
( 37 ) Rechtsoverweging 13 ( mijn cursivering ).
( 38 ) Zie hiervoor, voetnoot 20 .
( 39 ) Zie hiervoor, voetnoot 6 .
( 40 ) Zie hiervoor, voetnoot 4 .
( 41 ) Zie hiervoor, voetnoot 6 .
( 42 ) Zie hiervoor, voetnoot 2 .
( 43 ) Zie hoger, voetnoot 10 .
( 44 ) Zie hoger, voetnoot 6 .
( 45 ) Zie hoger, voetnoot 22 .
( 46 ) Zie het citaat, in voetnoot 24 .
( 47 ) In het arrest van 16 november 1983 in zaak 188/82, Thyssen/Commissie, Jurispr . 1983, blz . 3721, stelde het Hof in r.o . 11, met betrekking tot een ingeroepen rechtstreeks contact tussen Commissieambtenaren en verzoekster :
"Ook het argument volgens hetwelk ambtenaren van de Commissie toezeggingen zouden hebben gedaan, faalt, aangezien geen enkele ambtenaar zich rechtsgeldig kan verbinden het gemeenschapsrecht buiten toepassing te laten . Zulk een toezegging, indien al gedaan, vermag geen situatie te scheppen waarin er van een gewettigd vertrouwen zou kunnen worden gesproken ."
( 48 ) Voor het vereiste van goede trouw bij wie gerechtvaardigd vertrouwen inroept, kan reeds verwezen worden naar het arrest van het Hof van 22 maart 1961, zaken 42/59 en 49/59, S.N.U.P.A.T./Hoge Autoriteit, Jurispr . 1961, blz . 111, op blz . 162 .
( 49 ) Zie hiervoor, voetnoot 6 .
( 50 ) Zie hiervoor, voetnoot 9 .
( 51 ) Zaak 27/77, Jurispr . 1977, blz . 1535, r.o . 19 .
( 52 ) Zaak 87/78, Jurispr . 1978, blz . 2457, r.o . 8 .
( 53 ) Zie hoger, voetnoot 22 .
Full & Egal Universal Law Academy