Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A - De feiten
1 . In de zaak waarin ik thans conclusie neem, gaat het opnieuw om het soms netelige probleem, hoe beginselen van gemeenschapsrecht in betrekkingen met derde landen toepassing kunnen vinden .
2 . In de loop van de jaren tachtig ondervond de Italiaanse Republiek, interveniënte in het onderhavige geding, bepaalde moeilijkheden in haar handelsbetrekkingen met Algerije . Algerije reserveerde namelijk het lijndienstvervoer tussen Italië en Algerije zoveel mogelijk voor Algerijnse schepen . Het aandeel van Italië in dat vervoer was in die periode gedaald van circa 40 % tot circa 12 %.
3 . In juli 1985 stelde Italië de andere Lid-Staten en de Commissie van de Europese Gemeenschappen ( verzoekster ) van die problemen in kennis . Een diplomatieke demarche van de Gemeenschap en de Lid-Staten in oktober 1985 leverde echter niets op .
4 . Op 17 maart 1987 legde de Italiaanse regering de Commissie een op 30 januari 1987 geparafeerde en op 28 februari daaraanvolgend ondertekende Overeenkomst inzake zeevervoer en zeescheepvaart met de Volksrepubliek Algerije ( 1 ) voor .
5 . Die stap van de Italiaanse regering werd door de gemeenschapsinstellingen beschouwd als een mededeling in de zin van artikel 6, lid 1, van de op 1 januari 1987 in werking getreden verordening nr . 4055/86 van de Raad houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de Lid-Staten onderling en tussen de Lid-Staten en derde landen.(2 )
6 . Op 6 juli 1987 legde de Commissie de Raad - verweerder - een voorstel voor een beschikking als bedoeld in artikel 6, lid 2, van verordening nr . 4055/86 voor . Volgens dat voorstel moest Italië worden gemachtigd om de overeenkomst met Algerije te bekrachtigen, op voorwaarde dat
- Italië zo spoedig mogelijk toetreedt tot het Verdrag van de Verenigde Naties inzake een Gedragscode voor lijnvaartconferences;
- de in de overeenkomst opgenomen vrachtverdelingsregelingen in overeenstemming worden gebracht met het gemeenschapsrecht;
- de vrachtverdelingsregelingen ophouden te gelden, zodra de Gedragscode van toepassing is op het verkeer tussen Italië en Algerije en in elk geval uiterlijk drie jaar na de datum van de betrokken beschikking .
7 . Op 17 september 1987 gaf de Raad met eenparigheid van stemmen de thans in geding zijnde beschikking betreffende het zeevervoer tussen Italië en Algerije ( 3 ), waarbij de Italiaanse Republiek werd gemachtigd de overeenkomst met Algerije te ratificeren, "met dien verstande dat Italië ( nell' intesa che essa; étant entendu que )"
- de nodige stappen onderneemt om zo spoedig mogelijk toe te treden tot de Gedragscode;
- opnieuw tegenover Algerije verklaart dat de bepalingen van de overeenkomst zullen worden toegepast conform het gemeenschapsrecht .
8 . Inmiddels had Algerije de Gedragscode geratificeerd en was deze op 12 juni 1987 voor dat land in werking getreden . In Italië is de ratificatie van de Gedragscode en van de overeenkomst in behandeling bij het Parlement, maar op de dag van de terechtzitting was die parlementaire behandeling nog niet afgerond .
9 . Verzoekster is van mening, dat verweerder met zijn beschikking de artikelen 5 en 6 van verordening nr . 4055/86 alsmede artikel 7 EEG-Verdrag heeft geschonden . Bovendien zouden wezenlijke vormvoorschriften niet in acht zijn genomen .
10 . Zij verzoekt het Hof dan ook om nietigverklaring van de litigieuze beschikking .
11 . Verweerder en interveniënte vorderen verwerping van het beroep . Zij achten de beschikking rechtmatig .
12 . Ik zal hierna ingaan op de inhoud van de overeenkomst, op de bijzonderheden van het voorstel voor de beschikking en op de door partijen aangevoerde argumenten . Voor het overige verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting .
B - Discussie
De ontvankelijkheid
13 . Over de ontvankelijkheid van het beroep is niet veel twijfel mogelijk . Bij het onderzoek van de gegrondheid van het beroep zal immers blijken, dat interveniënte, wanneer het beroep slaagt, aan dezelfde communautaire verplichtingen is onderworpen als wanneer het beroep wordt verworpen . De communautaire verplichtingen van interveniënte worden door de onderhavige zaak echter slechts indirect geraakt . Het gaat hier primair om de rechtmatigheid van een beschikking van verweerder, en verzoekster kan deze aan het Hof ter toetsing voorleggen zonder dat een bijzonder procesbelang behoeft te worden aangetoond . ( 4 )
De bevoegdheid van de Lid-Staten om volkenrechtelijke overeenkomsten op het gebied van het zeevervoer te sluiten
14 . In de considerans van haar voorstel voor de thans in geding zijnde beschikking had verzoekster aangevoerd, dat het onderhandelen over en het sluiten van een overeenkomst waarin een vrachtverdelingsregeling is neergelegd, eigenlijk tot de bevoegdheid van de Gemeenschap behoort . Ook ter terechtzitting heeft verzoekster dat beginsel verdedigd, doch zij heeft daarbij verklaard, dat onder omstandigheden, met name wanneer er reeds is onderhandeld over een volkenrechtelijke overeenkomst en wanneer bij de ratificatie slechts bepaalde wijzigingen moeten worden aangebracht, de Lid-Staat kan worden gemachtigd de overeenkomst te sluiten .
15 . Hoewel verzoekster dat standpunt niet verder heeft uitgediept, acht ik het toch nodig erop in te gaan, omdat de afbakening van bevoegdheden tussen de Gemeenschap en de Lid-Staten, met name ten aanzien van met derde landen aangegane volkenrechtelijke verplichtingen die niet eenzijdig kunnen worden opgezegd, van bijzonder belang is voor de constitutionele orde van de Gemeenschap .
16 . Zoals bekend, heeft de Raad op 22 december 1986 een aantal rechtshandelingen op het gebied van het zeevervoer vastgesteld : verordening nr . 4055/86 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de Lid-Staten onderling en tussen de Lid-Staten en derde landen; verordening nr . 4056/86 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag op het zeevervoer; verordening nr . 4057/86 betreffende oneerlijke tariefpraktijken in het vervoer over zee, en verordening nr . 4058/86 betreffende een gecooerdineerd optreden ter vrijwaring van de vrije toegang tot lading in het vervoer over zee . ( 5 )
17 . De Gemeenschap heeft daarmee ook het vervoer over zee aan een communautaire regeling onderworpen . Als gevolg daarvan zijn de Lid-Staten volgens de rechtspraak van het Hof niet meer gerechtigd om, individueel of zelfs collectief optredend, met derde landen verplichtingen aan te gaan, welke deze regels aantasten .
18 . Immers, naar gelang die gemeenschappelijke regels worden ingevoerd, is alleen de Gemeenschap in staat verbintenissen jegens derde staten op zich te nemen en na te komen met werking voor het gehele toepassingsgebied van de communautaire rechtsorde . ( 6 ) Men mag het stelsel van de interne maatregelen der Gemeenschap derhalve niet scheiden van dat der buitenlandse betrekkingen .
19 . Zoals in genoemd arrest van 31 maart 1971 ( 7 ) eveneens werd gesteld, ware die bevoegdheidsverdeling slechts in acht te nemen in geval van onderhandelingen die waren aangevangen op een moment dat de toekenning van bevoegdheid aan de Gemeenschap, hetzij op grond van het Verdrag zelf hetzij op grond van door de instellingen getroffen bepalingen, haar beslag had gekregen . De onderhandelingen tussen Italië en Algerije hebben grotendeels plaatsgevonden vóór 1 januari 1987, de datum van inwerkingtreding van verordening nr . 4055/86 . De principiële bevoegdheidsverdeling tussen de Gemeenschap en de Lid-Staten liet het sluiten van een overeenkomst door Italië dus nog toe .
20 . Die conclusie vindt bovendien steun in het feit, dat vóór 1 juli 1986 bestaande nationale beperkingen overeenkomstig artikel 2 van verordening nr . 4055/86 volgens een bepaald tijdschema moeten worden afgeschaft : voor het vervoer over zee tussen de Lid-Staten en derde landen moet dit, al naar gelang het geval, uiterlijk op 31 december 1991 of 1 januari 1993 zijn gebeurd . Uit de hieraan ten grondslag liggende idee, waarop men zich ook in de onderhavige zaak kan beroepen omdat de onderhandelingen tussen Italië en Algerije immers al vóór 1 januari 1987 waren begonnen, blijkt, dat aan de gemeenschapsrechtelijke opvattingen over het zeevervoer tussen de Lid-Staten en derde landen niet noodzakelijkerwijs meteen, maar geleidelijk aan gestalte moet worden gegeven .
21 . Tot slot wordt die conclusie ook bevestigd door een vergelijking met de eveneens op 22 december 1986 vastgestelde verordening nr . 4056/86 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag op het zeevervoer . Artikel 9, lid 2, van deze op 1 juli 1987 volledig in werking getreden verordening, voorziet eveneens in de mogelijkheid om in geval van internationale rechtsconflicten overeenkomsten met derde landen te sluiten, en de daarbij te volgen onderhandelingsprocedure is ontleend aan die van artikel 113 EEG-Verdrag . Dit lijkt erop te wijzen, dat het daarbij gaat om door de Gemeenschap te sluiten akkoorden .
22 . De zaak ligt echter anders bij artikel 6, lid 2, van verordening nr . 4055/86, dat in minder strikte bewoordingen is gesteld en daardoor meer ruimte laat voor een ten dele slechts geleidelijk aan plaatsvindende toepassing .
23 . Concluderend moet dus worden gesteld, dat Italië bevoegd is om met Algerije een overeenkomst inzake zeevervoer te sluiten .
Schending van de artikelen 5 en 6 van verordening nr . 4055/86
24 . Verzoekster betoogt in wezen, dat de overeenkomst tussen Italië en Algerije een vrachtverdelingsregeling bevat, terwijl niet is voldaan aan de voorwaarden waaronder verweerder een Lid-Staat kan toestaan, een dergelijke regeling overeen te komen .
25 . Volgens verweerder en - zij het minder uitgesproken - interveniënte daarentegen wordt met de overeenkomst primair beoogd, een lijnvaartconference op te richten, en niet, regels vast te stellen voor de verdeling van lading .
26 . Artikel 4 van de overeenkomst luidt als volgt :
"De reders nemen in het kader van een conference of een andere redersorganisatie voor de maximale exploitatie van de lijnen de maatregelen die nodig zijn voor de organisatie van het vervoer en de verdeling ervan volgens het in de Gedragscode voor lijnvaartconferences neergelegde verdelingsbeginsel, met wederzijdse inachtneming van de verplichtingen van elk der partijen op internationaal vlak ."
27 . Verweerder heeft stellig gelijk waar hij stelt, dat de betrokken bepaling geen expliciete vrachtverdelingsregeling behelst . Er is echter wèl bepaald, dat de betrokken reders die verdeling verrichten in het kader van een conference of een andere organisatie .
28 . Een dergelijke bepaling kan mijns inziens zonder meer worden aangemerkt als een vrachtverdelingsregeling in de zin van de artikelen 5 en 6 van verordening nr . 4055/86 . Dit volgt niet dwingend uit het door verzoekster aangevoerde argument, dat uit de bewoordingen van de Franse tekst van de verordening (" arrangement en matière de partage des cargaisons ") valt op te maken dat het begrip vrachtverdelingsregeling ruim moet worden opgevat, zodat daaronder iedere regeling valt die voorziet in of leidt tot een verdeling van het vervoer . Beslissend lijkt mij evenwel te zijn, dat, gelet op de geest en het doel van verordening nr . 4055/86, vrachtverdelingsregelingen in beginsel ongewenst zijn en slechts in uitzonderingsgevallen zijn toegestaan . Wanneer het de Lid-Staten dus in de regel niet is toegestaan, op eigen houtje vrachtverdelingsregelingen te sluiten, dan zijn zij evenmin bevoegd om het overeenkomen van dergelijke regelingen door particulieren te stimuleren of voor te schrijven .
29 . Ik ben dan ook van mening, dat artikel 4 van de overeenkomst als een vrachtverdelingsregeling in de zin van de artikelen 5 en 6 van verordening nr . 4055/86 moet worden aangemerkt .
30 . Daarmee is echter nog niet gezegd, dat de betrokken vrachtverdelingsregeling onrechtmatig is . Immers, ingevolge artikel 6, lid 2, van de verordening kunnen ook in toekomstige overeenkomsten met derde landen vrachtverdelingsregelingen worden opgenomen, namelijk in uitzonderlijke omstandigheden, wanneer de lijnvaartondernemingen van de Gemeenschap anders geen daadwerkelijke gelegenheid zouden hebben lijndiensten van en naar het betrokken derde land te onderhouden, of wanneer een vergelijkbare situatie dreigt te ontstaan .
31 . Het staat buiten kijf, dat de handelwijze van Algerije - het reserveren van het goederenvervoer naar Algerije voor onder Algerijnse vlag varende schepen - het aandeel van Italië in de totale hoeveelheid vervoerde lading aanzienlijk heeft doen dalen, namelijk van 40 % naar 12 %. Een dergelijke, door een derde land opzettelijk teweeggebrachte wijziging in het vervoersaandeel moet worden gezien als een uitzonderlijke omstandigheid, waaraan met de in artikel 6 van verordening nr . 4055/86 voorziene middelen het hoofd kan worden geboden .
32 . Aangezien vrachtverdelingsregelingen krachtens verordening nr . 4055/86 in beginsel zijn verboden, valt zeer veel te zeggen voor verzoeksters opvatting, dat men alleen in het uiterste geval, wanneer alle andere mogelijkheden zijn uitgeput, zijn toevlucht mag nemen tot vrachtverdelingsregelingen om de scheepvaartondernemingen daadwerkelijk in de gelegenheid te stellen, lijndiensten van en naar een bepaald derde land te onderhouden .
33 . Een dergelijke, minder tegen het gemeenschapsrecht ingaande mogelijkheid is volgens verzoekster de toetreding van de betrokken Lid-Staat tot het verdrag van de Verenigde Naties inzake een Gedragscode voor lijnvaartconferences overeenkomstig verordening nr . 954/79 van de Raad van 15 mei 1979 ( 8 ), waartoe zowel genoemde verordening als artikel 5 EEG-Verdrag de Lid-Staten verplicht .
34 . Om te beginnen zij opgemerkt, dat ook artikel 2 van de Gedragscode bepaalt, dat de vervoersaandelen van de bij een conference aangesloten ondernemingen door die conference worden vastgesteld . Het is niet duidelijk - en er is trouwens geen enkel argument in die zin aangevoerd -, waarin de "vaststelling van de vervoersaandelen" verschilt van een vrachtverdelingsregeling in de zin van verordening nr . 4055/86 . Bovendien bepaalt artikel 4 van de overeenkomst tussen Italië en Algerije, dat het vervoer in het kader van een conference wordt georganiseerd en verdeeld "volgens het in de Gedragscode voor lijnvaartconferences neergelegde verdelingsbeginsel ". Aangezien de overeenkomst naar de Gedragscode verwijst en deze de vaststelling van vervoersaandelen toestaat, valt niet in te zien, waarom de oplossing van de problemen tussen Italië en Algerije in het kader van de code "meer met het gemeenschapsrecht" zou stroken dan de met de overeenkomst beoogde oplossing .
35 . Verzoekster heeft aangevoerd, dat bij een vervoersregeling in de zin van de Gedragscode, aan de scheepvaartondernemingen van de andere Lid-Staten van de Gemeenschap overeenkomstig artikel 3 van verordening nr . 954/79 een billijk aandeel in het door de conference verzorgde vervoer wordt gewaarborgd, aangezien de hoeveelheid lading die toekomt aan de groep nationale lijnvaartondernemingen van elke Lid-Staat die aan dat vervoer deelneemt, wordt herverdeeld .
36 . Reeds uit de bewoordingen van artikel 3, lid 1, van verordening nr . 954/79 blijkt evenwel, dat er bij eenstemmigheid ook andere regelingen kunnen worden getroffen . Doorslaggevend is evenwel, dat verordening nr . 954/79 een zuiver intracommunautaire regeling is, waardoor derde landen in geen enkel opzicht worden gebonden . Bovendien maakt artikel 3 van de verordening niet eens deel uit van de reserves die de Lid-Staten bij de bekrachtiging van de Gedragscode moeten maken . En zelfs al was dat wel het geval, dan is daarmee nog niets gezegd over de vraag, in hoeverre derde landen die reserves moeten aanvaarden of, sterker nog, eerbiedigen .
37 . De door verzoekster voorgestane uitlegging van de artikelen 5 en 6 van verordening nr . 4055/86 zou er overigens op neerkomen, dat Lid-Staten die zich in "uitzonderlijke omstandigheden" bevinden, verplicht zijn tot de Gedragscode toe te treden . Dat zou betekenen, dat voor de verplichting van de Lid-Staten om tot die code toe te treden verschillende regelingen gelden, aangezien, anders dan verzoekster meent, aan verordening nr . 954/79 een dergelijke verplichting niet kan worden ontleend . Dat blijkt zonneklaar, wanneer men het door de Commissie voor die verordening gedane voorstel, waarin een dergelijke verplichting wèl was opgenomen en zelfs een tijdschema was opgesteld voor de nakoming ervan, vergelijkt met de uiteindelijk door de Raad vastgestelde tekst .
38 . Beter gezegd, verordening nr . 954/79 voorziet slechts in maatregelen voor het geval Lid-Staten tot de Gedragscode toetreden, doch bevat geen verplichting tot toetreding .
39 . Bij de vaststelling van verordening nr . 954/79, toen het gemeenschappelijk beleid met betrekking tot het zeevervoer nog geen gestalte had gekregen, waren de Lid-Staten ongetwijfeld gerechtigd om tot de Gedragscode toe te treden . Sedert de vaststelling van de rechtshandelingen van 22 december 1986, waardoor het gemeenschappelijk beleid op het gebied van het zeevervoer een flinke impuls heeft gekregen, is het echter de vraag, of de Lid-Staten thans ueberhaupt nog tot de Gedragscode mogen toetreden . Gelet op de in het arrest van 31 maart 1971 ( zaak 22/70 ) geformuleerde beginselen inzake de bevoegdheidsverdeling tussen Gemeenschap en Lid-Staten, betwijfel ik dat ten zeerste en mijn twijfels kunnen zelfs niet worden weggenomen door de opmerking, dat ingevolge artikel 48 van de Gedragscode enkel staten gerechtigd zijn om tot de Code toe te treden . De Gedragscode moet desnoods worden gewijzigd om toetreding van de Gemeenschap mogelijk te maken, hetzij door middel van de vereenvoudigde wijzigingsprocedure van artikel 51, hetzij door middel van de herziening waarin in artikel 52 van de Gedragscode voorziet .
40 . Onder deze omstandigheden kan van de door Commissie gestelde verplichting tot toetreding geen sprake zijn .
Schending van het discriminatieverbod
41 . Met betrekking tot het subsidiair aangevoerde middel, dat de litigieuze beschikking het in artikel 7 EEG-Verdrag neergelegde discriminatieverbod schendt, wil ik om te beginnen opmerken, dat in artikel 3 van de overeenkomst tussen Italië en Algerije uitsluitend sprake is van onder Algerijnse of Italiaanse vlag varende schepen . Artikel 3 bepaalt echter tegelijkertijd, dat de bepalingen van de overeenkomst geen afbreuk doen aan de vervoersrechten van schepen van derde landen . Bovendien staat het de verdragsluitende partijen vrij, schepen van derde landen te charteren, en ten slotte hebben de conferences ingevolge artikel 4 van de overeenkomst tot taak, het vervoer te verdelen met wederzijdse inachtneming van de verplichtingen van elk der partijen op internationaal vlak .
42 . Deze bepalingen stellen interveniënte in elk geval in staat, bij de uitvoering van de overeenkomst ook haar communautaire verplichtingen na te komen, zoals natuurlijk de eerbiediging van artikel 7 EEG-Verdrag en artikel 6, lid 4, van verordening nr . 4055/86, waarin het discriminatieverbod van artikel 7 EEG-Verdrag nader is uitgewerkt .
43 . Artikel 7 EEG-Verdrag brengt dus indirect de verplichting tot eerbiediging van artikel 6, lid 4, van de verordening mee, net zoals dat direct het geval zou zijn, wanneer de bestreden beschikking werd nietig verklaard en interveniënte zich in de in artikel 6, lid 3, van de verordening beschreven situatie bevond, dat de Raad had nagelaten een besluit te nemen .
44 . Aangezien verweerder interveniënte op grond van een en ander in de betrokken beschikking heeft opgedragen, opnieuw tegenover Algerije te verklaren dat de bepalingen van de overeenkomst zullen worden toegepast conform het gemeenschapsrecht, kan de aan interveniënte verleende machtiging om de overeenkomst te ratificeren, niet als een schending van het discriminatieverbod worden aangemerkt; de beschikking gaat immers uit van een "met het gemeenschapsrecht strokende" toepassing van de overeenkomst en een dergelijke toepassing is ook mogelijk .
45 . Interveniënte moet ervoor zorgen, dat de overeenkomst ook daadwerkelijk conform het gemeenschapsrecht wordt toegepast . In het kader van de haar bij artikel 155 EEG-Verdrag opgedragen algemene taak, toe te zien op de toepassing zowel van de bepalingen van het Verdrag als van de bepalingen die de instellingen krachtens het Verdrag vaststellen, heeft verzoekster ook tot taak, de toepassing van de overeenkomst in de gaten te houden en zo nodig maatregelen als bedoeld in artikel 169 EEG-Verdrag te nemen .
Schending van de motiveringsplicht
46 . Verzoekster wrijft verweerder aan, dat hij, door artikel 4 van de overeenkomst niet als vrachtverdelingsregeling aan te merken en door evenmin aan te geven, in welke "uitzonderlijke omstandigheden" interveniënte zich bevond, de uit artikel 190 EEG-Verdrag voortvloeiende motiveringsplicht heeft geschonden .
47 . Dit middel treft geen doel . Verweerder heeft in zijn beschikking juist gewezen op de Algerijnse praktijk, op de door interveniënte gedane mededeling alsmede op het voorstel van verzoekster . Het was voor de betrokkenen dus duidelijk, voor welke situatie de beschikking was bedoeld .
48 . Dat verweerder heeft nagelaten, artikel 4 van de overeenkomst als vrachtverdelingsregeling aan te merken, kan hem evenmin worden verweten . De beschikking heeft betrekking op de inhoud van artikel 4 . De juridische kwalificatie daarvan is in het kader van de motivering van de beschikking niet van doorslaggevend belang . Per slot van rekening zijn in geval van uitzonderlijke omstandigheden ook vrachtverdelingsregelingen toegestaan .
Schending van het initiatiefrecht van verzoekster
49 . Volgens verzoekster heeft verweerder de grenzen van het hem krachtens artikel 149, lid 1, EEG-Verdrag toekomende recht van amendement overschreden . Het moge dan zo zijn, dat de Raad met eenparigheid van stemmen een voorstel van de Commissie kan wijzigen, dat betekent nog niet, dat hij dat voorstel - zoals in casu - in zijn tegendeel kan doen verkeren .
50 . Reeds uit de bewoordingen van het voorstel voor de beschikking en van de beschikking zelf blijkt, dat dat middel moet falen .
51 . De door verzoekster ter terechtzitting gemaakte opmerking, als zou zij verweerder een afwijzende beschikking hebben voorgesteld, is onjuist . Zij heeft veeleer voorgesteld, interveniënte te machtigen de overeenkomst te bekrachtigen, maar daar wel bepaalde voorwaarden aan te verbinden .
52 . Verweerder heeft in zijn beschikking die machtiging verleend, doch hij heeft de door verzoekster voorgestelde "voorwaarden" afgezwakt tot taken .
53 . Aangezien het voorstel voor de beschikking en de uiteindelijke beschikking in wezen met elkaar overeenstemmen en slechts verschillen vertonen op het punt van de voorwaarden waaronder de machtiging wordt verleend, acht ik het in casu niet noodzakelijk in te gaan op de principiële vraag, of aan het recht van amendement van de Raad ingevolge artikel 149, lid 1, EEG-Verdrag bepaalde grenzen zijn gesteld, en zo ja, waar die grenzen dan zouden kunnen liggen .
C - Conclusie
54 . Concluderend geef ik het Hof in overweging :
1 ) het beroep te verwerpen .
2 ) verzoekster te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen die van interveniënte .
(*) Oorspronkelijke taal : Duits .
( 1 ) Die ontwerp-overeenkomst wordt hierna kortweg als "overeenkomst" aangehaald .
( 2 ) PB 1986, L 378, blz . 1 .
( 3 ) PB 1987, L 272, blz . 37 .
( 4 ) Arrest van het Hof van 26 maart 1987, zaak 45/86, Commissie/Raad, Jurispr . 1987, blz . 1493 .
( 5 ) PB 1986, L 378, blz . 1, 4, 15 en 21 .
( 6 ) Arrest van het Hof van 31 maart 1971, zaak 22/70, Commissie/Raad, Jurispr . 1971, blz . 263, 275 .
( 7 ) Loc . cit ., blz . 281-282 .
( 8 ) Verordening nr . 954/79 van de Raad van 15 mei 1979 betreffende de bekrachtiging door de Lid-Staten van of de toetreding van de Lid-Staten tot het Verdrag van de Verenigde Naties inzake een gedragscode voor lijnvaartconferences, PB 1979, L 121, blz . 1 .
Full & Egal Universal Law Academy