RAPPORT TER TERECHTZITTING
in zaak 2/87 ( *1 )
I — De feiten
Verzoeker had op 8 december 1980 een verkeersongeval en werd daarop aansluitend tien dagen in een ziekenhuis behandeld. Hoewel hij sedertdien verscheidene medische behandelingen heeft ondergaan, ondervindt hij nog steeds moeilijkheden en lijdt hij pijn.
Tussen 14 september 1981 en 20 september 1983 raadpleegde verzoeker verscheidene specialisten, die advies hebben gegeven over het aan het betrokken ongeval toe te schrijven invaliditeitspercentage; deze adviezen vermeldden percentages tussen 15 en 40%.
Op basis van een rapport, op 15 november 1983 opgesteld door een arts die was aangewezen overeenkomstig artikel 18 van de Regeling voor de verzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten (hierna: de Regeling), betaalde verweerster op 1 augustus 1984 verzoeker een bedrag overeenkomend met een door deze arts erkende invaliditeit van 6%.
Na te kennen te hebben gegeven dat hij het met dit percentage niet eens was, vroeg verzoeker op 27 augustus 1984 om instelling van een medische commissie, zoals bedoeld in artikel 21 van de Regeling. Deze commissie werd samengesteld uit een door verzoeker en een door verweerster aangewezen arts alsmede een door deze twee commissieleden in onderlinge overeenstemming aangewezen derde arts.
De medische commissie bracht een op 5 december 1985 gedateerd rapport uit, waarin werd geconcludeerd tot een invaliditeitspercentage van 9%, gestabiliseerd op 9 december 1983.
In overeenstemming met de conclusies van de medische commissie erkende verweerster een invaliditeit van 9% en betaalde zij verzoeker een bedrag overeenkomend met het verschil tussen het oorspronkelijk erkende percentage van 6% en het door de medische commissie vastgestelde percentage van 9%.
Tegen dit besluit diende verzoeker op 9 juni 1986 een klacht in, waarin hij de werkzaamheden van de medische commissie bestreed en verzocht om nietigverklaring van het deskundigenrapport van deze commissie, benoeming van een medische supercommissie en betaling van moratoire interessen.
Verweerster wees deze klacht af bij besluit van 8 oktober 1986.
II — Scliriftelijkc procedure en conclusies van partijen
Bij op 6 januari 1987 ter griffie neergelegd verzoekschrift heeft verzoeker het onderhavige, op artikel 28 van de Regeling gebaseerde beroep ingesteld, waarin hij concludeert dat het den Hove behage:
a)
de medische rapporten nietig te verklaren, doch in ieder geval dat van de medische commissie;
b)
het besluit tot afwijzing van verzoekers klacht nietig te verklaren;
c)
te gelasten alle deskundigenonderzoeken opnieuw te doen verrichten door een nieuwe medische supercommissie, die met name rekening zal moeten houden met de psychische gevolgen van het ongeval;
d)
verweerster te verwijzen in de kosten van het geding.
De Rekenkamer concludeert in haar op 6 maart 1987 ter griffie van het Hof neergelegd verweerschrift, dat het den Hove behage:
a)
het beroep te verwerpen;
b)
verzoeker te verwijzen in de kosten van het geding.
Het Hof (Vierde kamer) heeft, op rapport van de rechterrapporteur, de advocaatgeneraal gehoord, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
III — Middelen en argumenten van partijen
Beide partijen beroepen zich op de door 's Hofs rechtspraak ontwikkelde beginselen, volgens welke het rechterlijk toezicht op de vaststelling van een invaliditeitspercentage door een medische commissie zich beperkt tot de samenstelling en de regelmatige werking van de commissie, waarbij het onderzoek van het Hof zich niet kan uitstrekken tot de medische beoordelingen (arrest van 29 november 1984, Suss, Jurispr. 1984, blz. 4029). Maar terwijl verzoeker stelt dat de samenstelling en de werking van de medische commissie in casu gebreken vertoonde, betoogt verweerster, dat geen enkel middel dienaangaande kan slagen.
1. De samenstelling van de medische commissie
Verzoeker meent dat de medische commissie gebrekkig was samengesteld, omdat er een arts deel van uitmaakte, die in de eerste plaats door twee betrokken partijen werd betaald (daar hij zowel de vertrouwensarts van de verzekeraar was als de door de Rekenkamer gekozen deskundige) en in de tweede plaats het eerste door de Rekenkamer in aanmerking genomen deskundigenonderzoek had verricht. Bovendien was hij de coördinator geweest van alle werkzaamheden van de medische commissie, die zich er nagenoeg toe had beperkt, het door hemzelf opgestelde eerste deskundigenrapport te bevestigen.
Verweerster betoogt dat geen enkele bepaling en geen enkel rechtsbeginsel zich ertegen verzet, dat de instelling dezelfde vertrouwensarts aanwijst voor het in artikel 18 van de Regeling bedoelde onderzoek en als lid van de medische commissie. Voorts wijst zij erop, dat het commissierapport was opgesteld door dr. Schumacher, de in gemeenschappelijk overleg door de twee andere leden aangewezen arts, dat het zonder bezwaar door de vertrouwensarts van verzoeker was goedgekeurd en getekend, en dat de conclusies van het rapport verschillen van die van de vertrouwensarts van verweerster.
2. De werkwijze van de medische commissie
Verzoeker voert verscheidene middelen aan met betrekking tot de werkwijze van de medische commissie.
Om te beginnen heeft de commissie de rechten van het slachtoffer niet geëerbiedigd, doordat zij verzoeker niet heeft opgeroepen om voor de commissie zijn eigen mening te geven.
In de tweede plaats heeft de commissie ten onrechte melding gemaakt van een scanneronderzoek; dit onderzoek is nooit verricht, want verzoeker is enkel onderworpen aan een röntgenonderzoek en een tomodensimetrie.
In de derde plaats heeft de commissie geen aandacht geschonken aan de adviezen en expertises van artsen die verzoeker vroeger al had geraadpleegd, maar zich enkel gebaseerd op het rapport van een zenuwartsdeskundige, dr. Kratzenberg. Met betrekking tot diens rapport merkt verzoeker op:
a)
dr. Kratzenberg heeft zijn opdracht als zenuwartsdeskundige niet gekregen van de medische commissie, maar van het commissielid dat reeds het (door verzoeker bestreden) rapport van 15 november had opgesteld, dat zelf weer op het rapport van dr. Kratzenberg was gebaseerd;
b)
het rapport van 15 november 1983 is verbazend genoeg gebaseerd op het rapport van dr. Kratzenberg, dat is gedateerd op 22 december 1983 met een aanvulling van 23 december; dit rapport is dus van latere datum.
Volgens verzoeker blijkt hier wel uit, hoe wanordelijk het medisch onderzoek is verlopen.
Tegen deze argumenten voert verweerster in de eerste plaats aan, dat de Regeling, die de evenwichtige samenstelling en de objectiviteit van de medische commissie garandeert, zoals het Hof reeds heeft vastgesteld in het arrest van 21 mei 1981 (Morbelli, Jurispr. 1981, blz. 1357), niet voorziet in het horen van het slachtoffer; zijn belangen kunnen immers worden gewaarborgd door de door hemzelf aangewezen vertrouwensarts. Het door verzoeker aangesneden probleem van de onjuiste volgorde van de data is van geen belang, want het heeft geen betrekking op het rapport van de medische commissie, maar op de voorafgaande rapporten, die niet de grondslag vormen van het door verzoeker bestreden besluit van de Rekenkamer. Ten slotte vermeldt verweerster dat, naar uit het dossier blijkt, er op 5 augustus 1985 wel degelijk een scanneronderzoek heeft plaatsgehad; zij spreekt zich niet uit over de nieuwe kwalificatie die verzoeker geeft van het soort onderzoek dat hij heeft ondergaan.
3. Het resultaat van de werkzaamheden van de medische commissie
Verzoeker bestrijdt ten slotte het resultaat van de werkzaamheden van de commissie. Deze zou het door het Hof in het arrest van 18 maart 1982 (Chaumont-Barthel, Jurispr. 1982, blz. 1003) gemaakte onderscheid hebben miskend tussen schadevergoeding voor blijvende invaliditeit en schadevergoeding voor elke verwonding die, zonder het arbeidsvermogen van de ambtenaar te verminderen, een aantasting vormt van zijn lichamelijke integriteit en een onmiskenbaar nadelige invloed uitoefent op zijn sociale betrekkingen. Voorts miskent de commissie het duidelijke onderscheid dat het Hof heeft gemaakt in zijn arrest van 8 oktober 1986 (zaak 169/83, Leussink, Jurispr. 1986, blz. 2801) tussen gevolgen van economische aard en gevolgen voor de gezinsrelaties en sociale betrekkingen. Bovendien heeft de commissie geen rekening gehouden met de richtlijnen voor uitlegging van de Regeling, door enkel — en dan nog onvoldoende — de anatomisch-functionele invaliditeit te vergoeden en de invaliditeit van psychische aard geheel te verwaarlozen. Immers, heel het medische onderzoek lang wordt gesproken van een sinistrose waaraan verzoeker ten gevolge van het ongeluk zou lijden, zonder dat daarmee echter rekening is gehouden op het moment waarop de hoogte van de schadevergoeding werd vastgesteld.
Harerzijds meent verweerster dat, gezien 's Hofs rechtspraak in de zaken Morbelli en Suss, volgens welke de toetsing van het Hof zich niet kan uitstrekken tot de eigenlijke medische beoordelingen, het irrelevant is beoordelingen van medische aard ter discussie te stellen — zoals het al dan niet bestaan van psychische of sociale schade — die afkomstig zijn van een overeenkomstig artikel 23 van de Regeling regelmatig samengesteld medisch orgaan. Zij meent dat er in het Statuut ook geen grondslag is voor verzoekers vordering een medische supercommissie in te stellen.
4. De vordering van moratoire interessen
Verzoeker vordert betaling van moratoire interessen over de hem verschuldigde bedragen vanaf de datum van de stabilisatie van de gevolgen, welke datum door de deskundigen is bepaald op 9 december 1983. Hij voegt hier echter aan toe, dat hij zich op dit punt refereert aan de wijsheid van het Hof.
Verweerster betoogt dienaangaande, dat volgens de rechtspraak van het Hof (arrest van 14 juli 1981, Suss, Jurispr. 1981, blz. 2041, r. o. 16) enkel interessen kunnen worden gevorderd, indien de rechthebbenden kunnen bewijzen dat de betaling van de schadevergoeding zonder reden door de administratie is vertraagd. Verweerster heeft echter in casu noch de betaling vertraagd van de volgens het oorspronkelijke rapport aan verzoeker verschuldigde schadevergoeding, noch van het aanvullende bedrag op grond van het rapport van de medische commissie.
G. C. Rodríguez Iglesias
rechter-rapportcur
( *1 ) Procestaai: Frans.
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
19 januari 1988 ( *1 )
In zaak 2/87,
Erich Biedermann, ambtenaar van de Rekenkamer, wonende te Rameldange (Groothertogdom Luxemburg), bijgestaan en vertegenwoordigd door V. Biel, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg te diens kantore, 18 a, rue des Glacis,
verzoeker,
tegen
Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Becker en M. Ekelmans als respectievelijk gemachtigde en medegemachtigde, en bijgestaan door J. A. Stoll als raadsman, domicilie gekozen hebbende te haren zetel te Luxemburg, 29, rue Aldringen,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het rapport van de medische commissie van 5 december 1985 houdende vaststelling van het percentage van invaliditeit als gevolg van een aan verzoeker overkomen ongeval, alsmede van het besluit van de Rekenkamer van 8 oktober 1986 tot afwijzing van de tot annulering van dat rapport strekkende klacht van verzoeker,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, kamerpresident, T. Koopmans en C. Kakouris, rechters,
advocaatgeneraal: J. L. da Cruz Vilaça
griffier: P. Heim
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 6 oktober 1987,
gehoord de conclusie van de advocaatgeneraal ter terechtzitting van 27 oktober 1987,
het navolgende
Arrest
1
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 6 januari 1987, heeft E. Biedermann, ambtenaar van de Rekenkamer, beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van de Rekenkamer waarbij hem een invaliditeitspercentage van slechts 9% is toegekend en van het aan dit besluit ten grondslag liggende rapport van de medische commissie, met verzoek aan het Hof te gelasten dat alle deskundigenonderzoeken door een nieuwe medische supercommissie opnieuw zullen worden verricht met bijzondere aandacht voor de psychische gevolgen van het ongeval.
2
Verzoeker werd op 8 december 1980 het slachtoffer van een verkeersongeval. De mate van blijvende gedeeltelijke invaliditeit die daarvan het gevolg was, werd vastgesteld op 6% door een arts die door de verwerende instelling was aangewezen overeenkomstig artikel 18 van de Regeling voor de verzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten (hierna: de Regeling).
3
Dit percentage werd niet geaccepteerd door verzoeker, die overeenkomstig de artikelen 21 tot en met 23 van de Regeling verzocht om instelling van een medische commissie, die advies zou moeten uitbrengen over het aan te houden invaliditeitspercentage. Deze commissie is inderdaad ingesteld en heeft geconcludeerd tot een invaliditeitspercentage van 9%.
4
Omdat hij het niet eens was met het door de medische commissie bepaalde percentage, heeft verzoeker een klacht ingediend als bedoeld in artikel 90 Ambtenarenstatuut. Nadat die klacht door verweerster was afgewezen, heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld.
5
Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, de procedure voor het Hof en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
6
Allereerst moet ambtshalve worden vastgesteld, dat de conclusies die ertoe strekken „dat het Hof zal gelasten, dat alle deskundigenonderzoeken door een nieuwe medische supercommissie opnieuw zullen worden verricht met bijzondere aandacht voor de psychische gevolgen van het ongeval”, niet-ontvankelijk zijn.
7
Verzoekers grieven hebben zowel betrekking op de samenstelling van de medische commissie als op het verloop en de resultaten van haar werkzaamheden.
8
Alvorens op deze middelen in te gaan, zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak (zie laatstelijk het arrest van 29 november 1984, zaak 265/83, Suss, Jurispr. 1984, blz. 4029) de beroepsmiddelen die het Ambtenarenstatuut biedt, in beginsel slechts in die zin kunnen worden aangewend, dat het toezicht van het Hof zich beperkt tot de samenstelling en de regelmatige werking van de medische commissies, waarbij het onderzoek van het Hof zich niet kan uitstrekken tot de eigenlijke medische beoordelingen, die moeten worden beschouwd als definitief, wanneer zij onder normale omstandigheden hebben plaatsgehad.
9
Verzoeker stelt dat de medische commissie gebrekkig was samengesteld, doordat de door de verwerende instelling aangewezen deskundige niet over de nodige onafhankelijkheid beschikte, aangezien hij het bestreden eerste medische rapport had opgesteld en artsdeskundige was bij de bij de zaak betrokken verzekeraar.
10
Dienaangaande heeft het Hof reeds overwogen in het arrest van 14 juli 1981 (zaak 186/80, Suss, Jurispr. 1981, blz. 2041), dat de Regeling de ambtenaren een dubbel onderzoek wil verzekeren, eerst door een vertrouwensarts van de instelling en, bij gebreke van overeenstemming, door een medische commissie waarin elk van beide partijen een arts aanwijst die haar vertrouwen geniet, waarbij de bescherming van de belangen van de ambtenaar wordt gewaarborgd door de aanwezigheid in de medische commissie van een arts die zijn vertrouwen geniet, en door de aanwijzing van de derde arts in onderlinge overeenstemming door de twee door elk der partijen benoemde leden en bij gebreke van overeenstemming door de voorzitter van het Hof.
11
Uit hetzelfde arrest blijkt, dat er onder die omstandigheden geen bezwaar tegen bestaat, dat de instelling dezelfde arts kiest als zij reeds in het kader van artikel 19 van de Regeling had aangewezen om het eerste medische rapport op te stellen, en dat er evenmin bezwaar tegen bestaat, dat de ambtenaar een arts aanwijst die hem reeds heeft onderzocht om op zijn verzoek een rapport op te stellen, zoals hij in het onderhavige geval heeft gedaan.
12
Ten slotte heeft het Hof in genoemd arrest reeds vastgesteld, dat het feit dat de verwerende instelling een arts heeft gekozen die ook door de verzekeringsmaatschappij is erkend, de belangen van de ambtenaar niet kan schaden.
13
In casu is de derde arts in onderlinge overeenstemming aangewezen door de vertrouwensartsen van de instelling en van de ambtenaar en is het rapport van de commissie door al haar leden zonder voorbehoud ondertekend. Onder deze omstandigheden moet worden vastgesteld, dat de commissie op regelmatige wijze was samengesteld en dat de vereisten van evenwichtigheid en objectiviteit, die ten grondslag liggen aan de artikelen 19 tot en met 23 van de Regeling, zijn geëerbiedigd.
14
Mitsdien moet verzoekers eerste middel worden afgewezen.
15
Verzoeker voert enige grieven aan met betrekking tot de werkwijze van de medische commissie, waarvan de werkzaamheden op onregelmatige wijze zouden zijn verlopen.
16
Allereerst stelt hij, dat men hem niet heeft toegestaan zijn eigen mening te uiten. Dienaangaande zij opgemerkt, dat de Regeling nergens verlangt dat de betrokkene door de medische commissie wordt gehoord. Gelet op de aard van de werkzaamheden van de commissie, die er niet toe strekken een contradictoir debat te beslechten, maar medische vaststellingen te doen, brengt ook het beginsel inzake de eerbiediging van het recht van verweer een dergelijke verplichting niet mee.
17
In de tweede plaats stelt verzoeker, dat de medische commissie in haar rapport melding maakt van een ander onderzoek dan wat in werkelijkheid heeft plaatsgehad. Anders dan in het rapport wordt gezegd, zou hij nooit een scanneronderzoek hebben ondergaan, maar alleen een röntgenonderzoek en een tomodensimetrie.
18
Dienaangaande zij vastgesteld, dat verzoekers grief de medische kwalificatie betreft van een onderzoek waarvan hij niet betwist dát het heeft plaatsgehad. Uit de door verzoeker niet weersproken verklaring van dokter Arendt in diens als bijlage bij het verweerschrift gevoegde brief blijkt echter dat de arts die het onderzoek heeft verricht, dit uitdrukkelijk heeft gekwalificeerd als een „röntgen- en scanner-onderzoek”.
19
In de derde plaats stelt verzoeker, dat de commissie geen acht heeft geslagen op de vroegere, op zijn verzoek opgestelde rapporten van verscheidene artsen. Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het Hof in zijn arrest van 29 november 1984 (reeds aangehaald) heeft erkend, dat de taak die deze commissie heeft om objectief en onafhankelijk over medische vragen te oordelen, medebrengt dat zij bij het vormen van haar oordeel over volkomen vrijheid moet beschikken. Het staat dientengevolge aan de medische commissie te beslissen, in hoeverre vroegere medische rapporten, die op verzoek van de ambtenaar dan wel van de instelling zijn opgesteld, in aanmerking moeten worden genomen. In casu blijkt uit het dossier, dat de medische commissie rekening heeft gehouden met vroegere onderzoeken en dat zij deze kritisch heeft geëvalueerd.
20
Ten slotte stelt verzoeker, dat de commissie zich gebaseerd heeft op een rapport van een zenuwartsdeskundige, dat ook als grondslag had gediend voor het op verzoek van de Rekenkamer krachtens, artikel 18 uitgebrachte, door verzoeker bestreden eerste rapport en een latere datum draagt dan dat rapport.
21
Dienaangaande zij vastgesteld, dat de door verzoeker gesignaleerde incoherentie van die data betrekking heeft op het eerste op verzoek van de verwerende instelling overeenkomstig artikel 18 van de Regeling uitgebrachte medische rapport. Juist omdat de ambtenaar het niet eens was met dit eerste rapport, is de medische commissie bijeengekomen om zijn letsel nogmaals te onderzoeken. Daar het door deze commissie opgestelde rapport onafhankelijk is van het rapport dat overeenkomstig artikel 18 was uitgebracht en het het enige is waarop het besluit van de Rekenkamer is gebaseerd, kunnen de beweerde formele onregelmatigheden van het eerste rapport er geen gevolg voor hebben.
22
Mitsdien kunnen verzoekers grieven met betrekking tot de regelmatigheid van de werkzaamheden van de commissie niet worden aanvaard.
23
Verzoeker bestrijdt ten slotte de resultaten van de werkzaamheden van de medische commissie, op grond dat deze in haar conclusies de uit het ongeval voortvloeiende psychische en maatschappelijke schade niet in aanmerking heeft genomen en aldus 's Hofs rechtspraak dienaangaande heeft miskend.
24
Op dit punt moet worden vastgesteld, dat de medische commissie blijkens het dossier verzoekers klachten betreffende de psychische en sociale gevolgen heeft onderzocht en, gebruik makend van haar medische beoordelingsvrijheid, enige ervan ongegrond heeft verklaard, doch niettemin bij de vaststelling van het invaliditeitspercentage rekening heeft gehouden met „subjectieve somatische stoornissen”. Mitsdien moet ook deze grief worden afgewezen.
25
Uit het voorgaande volgt dat het beroep moet worden verworpen.
Kosten
26
Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Volgens artikel 70 van dit Reglement blijven echter in beroepen van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen de kosten door de instellingen gemaakt te haren laste.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
rechtdoende :
1)
Verwerpt het beroep.
2)
Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Rodríguez Iglesias
Koopmans
Kakouris
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 19 januari 1988.
De griffier
P. Heim
De president van de Vierde kamer
G. C. Rodríguez Iglesias
( *1 ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy