Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Ouderdoms - en overlijdensverzekering - Berekening van verzekeringstijdvakken - Gelijkstelling van krachtens wetgeving van derde staat vervulde verzekeringstijdvakken met krachtens Duitse wetgeving vervulde tijdvakken voor vaststelling van door Duits verzekeringsorgaan verschuldigd pensioen - Toelaatbaarheid - Inaanmerkingneming voor toepassing van communautaire regeling - Uitgesloten
( Verordening nr . 1408/71 van de Raad, artikel 46, lid 1 )
Samenvatting
Verordening nr . 1408/71 belet niet, dat de Duitse verzekeringsorganen bij de beslissing over het meetellen van premievrije tijdvakken in de zin van de Duitse sociale-zekerheidswetgeving, met krachtens de Duitse wetgeving verplicht betaalde premies of bijdragen en aansluiting bij de Duitse verzekering gelijkstellen niet alleen de in andere Lid-Staten verplicht betaalde premies of bijdragen en de aansluiting bij de pensioenverzekering aldaar, maar ook de verplichte premie - of bijdragebetalingen en de aansluiting bij de verzekering in een derde land, waarmee de Bondsrepubliek Duitsland een verdrag inzake wederzijdse gelijkstelling van verzekeringstijdvakken heeft gesloten .
Het is echter niet zo, dat de krachtens de wettelijke regeling van een derde staat vervulde tijdvakken enkel omdat zij door het Duitse orgaan op grond van een door de Bondsrepubliek Duitsland gesloten bilaterale overeenkomst in aanmerking worden genomen, als "krachtens de wettelijke regelingen van de Lid-Staten vervulde" tijdvakken in de zin van artikel 46 van de verordening gaan tellen . Er is derhalve geen bepaling die de verzekeringsorganen van de andere Lid-Staten verplicht, bij hun berekeningen overeenkomstig artikel 46 die "derde" tijdvakken in aanmerking te nemen; dat die tijdvakken ingevolge de Duitse wettelijke regeling wel worden meegeteld, brengt geen uitbreiding van hun verplichtingen mee .
Partijen
In zaak 21/87,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Bundessozialgericht, in het aldaar aanhangig geding tussen
Felix Borowitz
en
Bundesversicherungsanstalt fuer Angestellte,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van verordening nr . 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen ( PB 1971, L 149, blz . 2 ), zoals gewijzigd bij onder meer verordening nr . 1390/81 van de Raad van 12 mei 1981 houdende uitbreiding van eerstgenoemde verordening tot zelfstandigen en hun gezinsleden ( PB 1981, L 143, blz . 1 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde kamer ),
samengesteld als volgt : O . Due, kamerpresident, T . Koopmans, K . Bahlmann, C . Kakouris en T . F . O' Higgins, rechters,
advocaat-generaal : Sir Gordon Slynn
griffier : D . Louterman, administrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J . Gruenwald, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
- de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, voor de schriftelijke procedure vertegenwoordigd door A . Dittrich, Oberregierungsrat, en ter terechtzitting door M . Seidel, Ministerialrat, beiden van het Bondsministerie van Economische Zaken,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door H . R . L . Purse van het Treasury Solicitor' s Department, Queen Anne' s Chambers, als gemachtigde,
- de Bundesversicherungsanstalt fuer Angestellte, vertegenwoordigd door T . Herrmann als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 11 februari 1988,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 april 1988,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 25 november 1986, ingekomen ten Hove op 27 januari daaraanvolgend, heeft het Bundessozialgericht krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van verordening nr . 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen ( PB 1971, L 149, blz . 2 ), zoals gewijzigd bij onder meer verordening nr . 1390/81 van de Raad van 12 mei 1981 houdende uitbreiding van eerstgenoemde verordening tot zelfstandigen en hun gezinnen ( PB 1981, L 143, blz . 1 ).
2 Deze vraag is gerezen in een geschil tussen F . Borowitz ( hierna : verzoeker ) en de Bundesversicherungsanstalt fuer Angestellte ( hierna : verweerster ) over de hoogte van het aan eerstgenoemde uit te keren ouderdomspensioen .
3 Blijkens de verwijzingsbeschikking was verzoeker, die in 1910 in Polen werd geboren, na de voltooiing van zijn studie eerst aangesloten bij de Poolse pensioenverzekering . Gedurende de oorlog bevond hij zich in krijgsgevangenschap en daarna was hij werkzaam in Nederland, waar hij bijdragen aan de Nederlandse pensioenverzekering betaalde . Van 1952 tot aan zijn pensionering werkte hij in de Bondsrepubliek Duitsland - van welk land hij overigens de nationaliteit verwierf - en betaalde hij overeenkomstig het Duitse Angestelltenversicherungsgesetz ( hierna : AVG ) bijdragen aan de Duitse pensioenverzekering voor werknemers, waarvan verweerster het uitvoerend orgaan is .
4 Daar verzoeker op basis van zijn in de Bondsrepubliek Duitsland vervulde verzekeringstijdvakken recht had op ouderdomspensioen, kende verweerster hem een pensioen toe . Overeenkomstig artikel 46, lid 1, tweede alinea, van verordening nr . 1408/71 werd het pensioenbedrag vastgesteld volgens de op de Duitse en de Nederlandse verzekeringstijdvakken gebaseerde prorataberekening, aangezien dit bedrag hoger was dan het enkel op de Duitse tijdvakken gebaseerde bedrag .
5 Bij de berekening van het pensioenbedrag telde het bevoegde verzekeringsorgaan overeenkomstig het AVG de periode waarin verzoeker na zijn zestiende levensjaar in Polen voortgezet en hoger onderwijs had gevolgd, als premievrij tijdvak mee .
6 Die premievrije tijdvakken kunnen volgens het AVG enkel worden meegeteld, indien is voldaan aan de voorwaarde van de zogenoemde halve dekking . Dit betekent, dat het tijdvak tussen de aansluiting bij de verzekering en het intreden van de verzekerde gebeurtenis minstens voor de helft moet zijn gedekt door uit hoofde van de uitoefening van een beroep betaalde bijdragen .
7 Aan die door de Duitse wetgeving gestelde voorwaarde voor de meetelling van premievrije tijdvakken is in bijlage VI van verordening nr . 1408/71 een aparte bepaling gewijd . In paragraaf C ( Duitsland ), sub 2 a, van die bijlage wordt namelijk bepaald dat, om vast te stellen of premievrije tijdvakken als zodanig in aanmerking moeten worden genomen, de krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat verplicht betaalde premies of bijdragen en de aansluiting bij de pensioenverzekering van een andere Lid-Staat, worden gelijkgesteld met de krachtens de Duitse wetgeving verplicht betaalde premies of bijdragen en de aansluiting bij de Duitse pensioenverzekering .
8 In verzoekers geval was aan de voorwaarde van halve dekking voldaan, aangezien het tijdvak tussen verzoekers aansluiting bij de Nederlandse verzekering en het intreden van de verzekerde gebeurtenis voor meer dan de helft was gedekt door aan de Nederlandse en de Duitse pensioenverzekering betaalde bijdragen .
9 Na de inwerkingtreding van het op 9 oktober 1975 te Warschau ondertekende verdrag tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Volksrepubliek Polen inzake pensioen - en ongevallenverzekering ( BGBl . 1976 II, blz . 396 ), zag het bevoegde verzekeringsorgaan zich evenwel genoodzaakt, verzoekers pensioen opnieuw te berekenen .
10 Ingevolge dat verdrag moeten de Duitse verzekeringsorganen bij de vaststelling van een pensioen, de in Polen vervulde verzekeringstijdvakken en de daarmee gelijkgestelde tijdvakken beschouwen als te zijn vervuld in de Bondsrepubliek Duitsland .
11 De dienovereenkomstige pensioenberekening op basis van de in de Bondsrepubliek Duitsland en in Polen vervulde verzekeringstijdvakken en daarmee gelijkgestelde tijdvakken leidde tot een hoger bedrag dan verzoeker tot dan toe had ontvangen, en dit hogere bedrag werd hem daarop ook uitgekeerd .
12 Bij de berekening van dat nieuwe bedrag telde het bevoegde verzekeringsorgaan in eerste instantie verzoekers school - en studiejaren in Polen als premievrije tijdvakken mee . Later stelde het evenwel vast, dat de door verzoeker aan de Poolse en de Duitse pensioenverzekering betaalde bijdragen niet toereikend waren om het tijdvak tussen zijn aansluiting bij de Poolse verzekering en het intreden van de verzekerde gebeurtenis voor de helft te dekken .
13 Verzoeker verzocht daarop, dat voor de berekening van de halve dekking ook zijn aan de Nederlandse pensioenverzekering betaalde bijdragen in aanmerking zouden worden genomen . Het bevoegde verzekeringsorgaan wees dat verzoek af met de verklaring, dat het gehouden was twee verschillende pensioenberekeningen te maken : de ene uitsluitend aan de hand van de Duitse wetgeving en het Duits-Poolse verdrag, de andere uitsluitend op grond van de Duitse wetgeving en het gemeenschapsrecht, zodat iedere vorm van "vermenging" zou zijn uitgesloten .
14 Het Bundessozialgericht, waaraan het door dit afwijzende besluit ontstane geschil in "Revision" is voorgelegd, is van oordeel, dat het door verweerster ingenomen standpunt geen steun kan vinden in het nationale recht . Volgens het Bundessozialgericht valt uit zijn rechtspraak af te leiden, dat bij de vaststelling van het pensioen in beginsel rekening moet worden gehouden met alle volgens de betrokken wetgeving relevante omstandigheden om zo één enkele pensioenberekening te maken . Het Duits-Poolse verdrag zou aan het maken van één pensioenberekening evenmin in de weg staan . Het is volgens het Bundessozialgericht enkel de vraag of het gemeenschapsrecht al dan niet toestaat, dat één pensioenberekening wordt gemaakt op basis van nationaal recht, genoemd bilateraal verdrag en verordening nr . 1408/71 . Derhalve heeft het de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag gesteld :
"Is het op grond van verordening nr . 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, toegestaan, dat een Duits verzekeringsorgaan bij de beslissing over het meetellen van premievrije tijdvakken, met de krachtens de Duitse wetgeving verplicht betaalde premies of bijdragen en de aansluiting bij de Duitse verzekering niet alleen gelijkstelt de in andere Lid-Staten verplicht betaalde premies of bijdragen en de aansluiting bij de pensioenverzekering aldaar, maar ook de verplicht betaalde premies of bijdragen en de aansluiting bij de verzekering in een derde land ( in casu Polen ), waarmee de Bondsrepubliek Duitsland een verdrag inzake wederzijdse gelijkstelling van verzekeringstijdvakken heeft gesloten?"
15 Voor een nadere uiteenzetting van de relevante nationale bepalingen, de feiten van het hoofdgeding en de bij het Hof ingediende opmerkingen, wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dit noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
16 Verweerster en de regering van de Bondsrepubliek Duitsland betogen, dat de vraag van de nationale rechter ontkennend moet worden beantwoord . Het probleem waar het in deze vraag om draait, is volgens hen reeds opgelost door een in januari 1964 genomen besluit van de Administratieve Commissie voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers, dat betrekking had op de gevallen waarin één der betrokken Lid-Staten door een bilaterale overeenkomst met een derde staat gebonden is . Volgens dat besluit zou de niet door de overeenkomst gebonden Lid-Staat zijn pensioenuitkeringen moeten berekenen overeenkomstig de verordeningen nrs . 3 en 4 - later vervangen door verordening nr . 1408/71 - en de door de overeenkomst gebonden Lid-Staat afzonderlijk moeten berekenen, welk evenredig gedeelte er in het kader van de EEG respectievelijk in het kader van de overeenkomst verschuldigd is, om het hoogste van beide bedragen uit te keren . Bovendien zou gelijktijdige toepassing van de bepalingen van een bilaterale overeenkomst en van de EEG-verordening in strijd zijn met de algemene beginselen van het volkenrecht en het gemeenschapsrecht, aangezien elk van beide regelingen een op zich zelf staand cooerdinatiesysteem vormt, dat specifiek is toegesneden op de sociale-zekerheidsstelsels die er door worden gecooerdineerd .
17 Blijkens haar opmerkingen ter terechtzitting is de regering van het Verenigd Koninkrijk van mening, dat de prejudiciële vraag bevestigend kan worden beantwoord, echter met dien verstande dat de gelijkstelling van in derde landen vervulde verzekeringstijdvakken op generlei wijze - rechtens noch feitelijk - gevolgen mag hebben voor de verplichtingen die verordening nr . 1408/71 aan de andere Lid-Staten van de Gemeenschap oplegt .
18 Volgens de Commissie ten slotte moet de vraag van de nationale rechter bevestigend worden beantwoord, gezien de bepaling van bijlage VI, paragraaf C, sub 2 a, van verordening nr . 1408/71, op grond waarvan de krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat betaalde premies of bijdragen worden gelijkgesteld met de krachtens de Duitse wetgeving betaalde premies of bijdragen . Het begrip "Duitse wetgeving" zou moeten worden uitgelegd aan de hand van de in artikel 1, sub j, van de verordening gegeven definitie, volgens welke met de term "wetgeving" met name wordt gedoeld op de wetten van de Lid-Staten, waaronder derhalve ook de wetten vallen waarbij de Lid-Staten een bilaterale overeenkomst inzake sociale zekerheid hebben goedgekeurd . Ter terechtzitting voegde de Commissie hieraan toe, dat het in feite uitsluitend om een probleem van intern Duits recht gaat . Van de bepalingen betreffende de premievrije tijdvakken en de voorwaarde van halve dekking zou geen pendant bestaan in de wetgeving van de andere Lid-Staten . Geen enkele bepaling van de verordening zou eraan in de weg staan, dat de Duitse verzekeringsorganen rekening houden met de in Polen vervulde verzekeringstijdvakken, zoals anderzijds ook geen bepaling de verzekeringsorganen van de andere Lid-Staten de verplichting zou opleggen, die tijdvakken in aanmerking te nemen .
19 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie ( zie het arrest van 14 mei 1981, zaak 98/80, Romano, Jurispr . 1981, blz . 1241 ) de besluiten van de Administratieve Commissie voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers geen normatief karakter hebben en derhalve niet bepalend kunnen zijn voor de uitlegging van een door de Raad vastgestelde verordening . Overigens heeft de Commissie ter terechtzitting meegedeeld, dat bovengenoemd besluit geen deel uitmaakt van de besluiten van de Administratieve Commissie die na de inwerkingtreding van verordening nr . 1408/71 van kracht zijn gebleven .
20 Vervolgens moet de door de nationale rechter opgeworpen vraag worden beschouwd binnen het totale kader van verordening nr . 1408/71 .
21 In dit verband moet er in de eerste plaats op worden gewezen, dat een werknemer als verzoeker in het hoofdgeding, die onderdaan is van een Lid-Staat en op wie de sociale-zekerheidswetgeving van verschillende Lid-Staten van toepassing is geweest, valt onder de personele werkingssfeer van verordening nr . 1408/71, zoals omschreven in artikel 2, lid 1 .
22 Wanneer voorts, zoals in casu, reeds aan de voorwaarden voor toekenning van een ouderdomspensioen is voldaan zonder dat hiervoor de krachtens de wettelijke regelingen van andere Lid-Staten vervulde tijdvakken van verzekering of wonen worden meegeteld, dient de vaststelling van dit pensioen te geschieden overeenkomstig artikel 46, lid 1, van verordening nr . 1408/71 .
23 Nadat het door de nationale rechter opgeworpen vraagstuk aldus is afgebakend, zij er nog op gewezen dat, gelijk het Hof van Justitie meermalen heeft vastgesteld ( zie bij voorbeeld de arresten van 12 juli 1979, zaak 266/78, Brunori, Jurispr . 1979, blz . 2705; 12 juni 1980, zaak 733/79, Laterza, Jurispr . 1980, blz . 1915, en 9 juli 1980, zaak 807/79, Gravina, Jurispr . 1980, blz . 2205 ), verordening nr . 1408/71 niet een gemeenschappelijk stelsel van sociale zekerheid heeft ingevoerd, maar verschillende nationale stelsels heeft laten voortbestaan, waarvan zij slechts de cooerdinatie beoogt .
24 Bovendien mag verordening nr . 1408/71 volgens vaste rechtspraak ( zie met name het arrest van 10 januari 1980, zaak 69/79, Jordens-Vosters, Jurispr . 1980, blz . 75 ) niet worden uitgelegd in die zin, dat zij in de weg staat aan nationale regelingen krachtens welke sociale uitkeringen worden toegekend die een ruimere sociale bescherming bieden dan uit de toepassing van de verordening voortvloeit .
25 Bij de berekeningen overeenkomstig artikel 46, lid 1, bepaalt het bevoegde orgaan de in aanmerking te nemen verzekeringstijdvakken volgens de door hem toegepaste wettelijke regeling, tenzij de verordening uitdrukkelijk anders bepaalt . Geen enkele bepaling van de verordening sluit echter uit, dat het Duitse orgaan de krachtens de Poolse wettelijke regeling vervulde verzekeringstijdvakken gelijkstelt met krachtens de eigen wetgeving vervulde tijdvakken, of dat dit orgaan, om na te gaan of aan de voorwaarde van halve dekking is voldaan, niet alleen de krachtens de Duitse en de Poolse wettelijke regeling, maar ook de krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken in aanmerking neemt .
26 Het is echter niet zo, dat dergelijke krachtens de wettelijke regeling van een derde staat vervulde tijdvakken als "krachtens de wettelijke regelingen van de Lid-Staten vervulde" tijdvakken in de zin van artikel 46 van de verordening gaan tellen, enkel omdat zij door het Duitse orgaan op grond van een bilaterale overeenkomst in aanmerking worden genomen . De verordening bevat derhalve geen bepaling die de verzekeringsorganen van de andere Lid-Staten verplicht, bij hun berekeningen overeenkomstig artikel 46 dergelijke "derde" tijdvakken in aanmerking te nemen; dat de Duitse verzekeringsorganen die tijdvakken wel meetellen, brengt dus geen uitbreiding van hun verplichtingen mee .
27 Mitsdien moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat verordening nr . 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, niet belet dat de Duitse verzekeringsorganen bij de beslissing over het meetellen van premievrije tijdvakken in de zin van de Duitse sociale-zekerheidswetgeving, met krachtens de Duitse wetgeving verplicht betaalde premies of bijdragen en aansluiting bij de Duitse verzekering gelijkstellen, niet alleen de in andere Lid-staten verplicht betaalde premies of bijdragen en de aansluiting bij de pensioenverzekering aldaar, maar ook de verplichte premie - of bijdragebetaling en de aansluiting bij de verzekering in een derde land ( in casu Polen ), waarmee de Bondsrepubliek Duitsland een verdrag inzake wederzijdse gelijkstelling van verzekeringstijdvakken heeft gesloten .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
28 De kosten door de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde kamer ),
uitspraak doende op de door het Bundessozialgericht bij beschikking van 25 november 1986 gestelde vraag, verklaart voor recht :
Verordening nr . 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, belet niet dat de Duitse verzekeringsorganen bij de beslissing over het meetellen van premievrije tijdvakken in de zin van de Duitse sociale-zekerheidswetgeving, met krachtens de Duitse wetgeving verplicht betaalde premies of bijdragen en aansluiting bij de Duitse verzekering gelijkstellen, niet alleen de in andere Lid-Staten verplicht betaalde premies of bijdragen en de aansluiting bij de pensioenverzekering aldaar, maar ook de verplichte premie - of bijdragebetaling en de aansluiting bij de verzekering in een derde land ( in casu Polen ), waarmee de Bondsrepubliek Duitsland een verdrag inzake wederzijdse gelijkstelling van verzekeringstijdvakken heeft gesloten .
Full & Egal Universal Law Academy