Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Gemeenschapsrecht - Beginselen - Gelijkheid van behandeling - Discriminatie op grond van nationaliteit - Stelsel van overheidsfinanciering van instellingen voor niet-universitair hoger onderwijs - Inaanmerkingneming van aantal studenten - Weigering onderdanen van andere Lid-Staten in aanmerking te nemen - Verbod
( EEG-Verdrag, artikel 7; Verordening nr . 1612/68 van de Raad, artikel 12 )
Samenvatting
Een wettelijke regeling van een Lid-Staat die voor het bepalen van de overheidstoelagen en van het aantal personeelsleden van de instellingen voor niet-universitair hoger onderwijs, de inaanmerkingneming van studenten die onderdaan zijn van andere Lid-Staten boven een bepaald quotum per instelling en onder voorbehoud van limitatief opgesomde uitzonderingen uitsluit, heeft in feite tot gevolg dat deze studenten van dit onderwijs worden uitgesloten . Deze uitsluiting, die neerkomt op een discriminatie op grond van nationaliteit op een gebied dat binnen de werkingssfeer van het EEG-Verdrag valt, levert een schending op van artikel 7 van het Verdrag .
Voor zover deze wettelijke regeling eveneens de kinderen betreft van een migrerend werknemer die in die Lid-Staat arbeid heeft verricht doch er niet meer verblijft of overleden is, is zij eveneens in strijd met artikel 12 van verordening nr . 1612/68, naar luid waarvan de kinderen van een onderdaan van een Lid-Staat, die op het grondgebied van een andere Lid-Staat arbeid verricht of heeft verricht, indien zij aldaar woonachtig zijn, onder dezelfde voorwaarden als de eigen onderdanen van deze Staat worden toegelaten tot het algemene onderwijs, het leerlingstelsel en de beroepsopleiding .
Partijen
In zaak 42/87,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J . Griesmar als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, in de persoon van de minister van Buitenlandse Betrekkingen, vertegenwoordigd door R . Hoebaer, bestuursdirecteur bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, als
gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, résidence Champagne, 4, rue des Girondins,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Koninkrijk België, door verscheidene categorieën studenten die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat en onderwijs wensen te volgen in instellingen voor hoger niet-universitair onderwijs, uit te sluiten van financiering door de Staat, een discriminatie naar nationaliteit met betrekking tot de toelating tot het beroepsonderwijs in het leven roept, en aldus de krachtens het gemeenschapsrecht op hem rustende verplichtingen niet nakomt,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : Mackenzie Stuart, president, G . Bosco en O . Due, kamerpresidenten, T . Koopmans, K . Bahlmann, C . N . Kakouris, R . Joliet, T . F . O' Higgins en F . A . Schockweiler, rechters,
advocaat-generaal : Sir Gordon Slynn
griffier : B . Pastor, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 24 mei 1988,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 juni 1988,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 9 februari 1987, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag beroep ingesteld, strekkende tot vaststelling dat het Koninkrijk België niet heeft voldaan aan een aantal verplichtingen die op hem rusten krachtens de artikelen 7 van het EEG-Verdrag en 12 van verordening nr . 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap ( PB 1968, L 257, blz . 2 ).
2 De Commissie verwijt de Belgische regering inzonderheid dat zij de studenten die onderdaan zijn van andere Lid-Staten dan België en het Groothertogdom Luxemburg en verzoeken om inschrijving voor en toelating tot cursussen gegeven aan een instelling van hoger niet-universitair onderwijs, onder de categorie der niet voor financiering door de Staat in aanmerking komende studenten heeft gebracht, en daardoor een situatie in het leven heeft geroepen die de vrije toegang van deze studenten tot het beroepsonderwijs belemmert .
3 Volgens de geldende Belgische wettelijke regeling, worden voor de financiering door de Staat van de instellingen van hoger onderwijs, een aantal limitatief opgesomde en aan verschillende beperkende voorwaarden onderworpen categorieën buitenlandse studenten "onder de regelmatige studenten in aanmerking genomen naast de studenten van Belgische of Luxemburgse nationaliteit ". De laatste van deze categorieën omvat de buitenlandse studenten in het algemeen tot een maximum van 2 % van het aantal Belgische studenten dat het voorgaande academiejaar voor de betrokken instelling in aanmerking werd genomen . Verder wordt bepaald dat "de Staat geen enkele buitenlandse student te zijnen laste neemt, die door de inrichtende machten boven ( genoemde ) categorieën werd toegelaten" en dat "de hoofden van rijksinstellingen van hoger onderwijs de inschrijving kunnen weigeren aan studenten die niet in aanmerking komen voor de financiering ".
4 Volgens de Commissie, is deze wettelijke regeling in strijd met het in artikel 7 EEG-Verdrag neergelegde verbod van discriminatie op grond van de nationaliteit alsmede, voor zover zij betrekking heeft op kinderen van een migrerende werknemer die in België heeft gewerkt doch er niet meer woont of overleden is, met artikel 12 van verordening nr . 1612/68 .
5 Voor een nadere uiteenzetting van de toepasselijke bepalingen, de feiten van de zaak en de argumenten van partijen, wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
6 Allereerst moet worden vastgesteld, dat het Koninkrijk België de gegrondheid van het standpunt van de Commissie nooit heeft betwist doch enkel heeft verklaard dat het van plan is de betrokken wettelijke regeling te wijzigen .
7 Wat de eerste grief betreft, dient erop te worden gewezen dat het Hof in een eerdere zaak reeds heeft geoordeeld dat de voorwaarden voor de toegang tot beroepsopleiding binnen de werkingssfeer van het EEG-Verdrag vallen ( arrest van 13 februari 1985, zaak 293/83, Gravier, Jurispr . 1985, blz . 593 ).
8 In dat verband moet worden opgemerkt dat de betrokken wettelijke regeling, voor zover zij de financiering van de instellingen voor hoger beroepsonderwijs op voornoemde wijze beperkt, in feite rechtstreeks tot gevolg heeft dat studenten die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat, van dit beroepsonderwijs worden uitgesloten zodra het maximum van 2 % is bereikt, terwijl een dergelijke beperking niet is voorzien voor de Belgische studenten . Derhalve vormt deze beperking een door artikel 7 EEG-Verdrag verboden discriminatie op grond van de nationaliteit .
9 Bijgevolg moet de aan artikel 7 EEG-Verdrag ontleende grief van de Commissie gegrond worden verklaard .
10 Met betrekking tot de tweede grief behoeft slechts te worden herinnerd aan artikel 12, eerste alinea, van verordening nr . 1612/68, naar luid waarvan "de kinderen van een onderdaan van een Lid-Staat, die op het grondgebied van een andere Lid-Staat arbeid verricht of heeft verricht, indien zij aldaar woonachtig zijn, onder dezelfde voorwaarden als de eigen onderdanen van deze Staat worden toegelaten tot het algemene onderwijs, het leerlingstelsel en de beroepsopleiding ". Ingevolge artikel 7 juncto artikel 3 van verordening nr . 1251/70 blijft dit recht op gelijke behandeling behouden ten behoeve van de kinderen van een overleden migrerende werknemer .
11 Bijgevolg moet ook de door de Commissie aan artikel 12 van verordening nr . 1612/68 ontleende grief gegrond worden verklaard .
12 Uit het voorgaande volgt, dat het Koninkrijk België, door studenten die onderdaan zijn van andere Lid-Staten dan België en Luxemburg, en die, in het kader van het beroepsonderwijs, wensen te worden ingeschreven voor en toegelaten tot cursussen gegeven aan een instelling voor hoger niet-universitair onderwijs, te brengen onder de categorie studenten die niet voor financiering door de Staat in aanmerking komen, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 7 EEG-Verdrag en artikel 12 van verordening nr . 1612/68 .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
13 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien verweerder in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten te worden verwezen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verklaart :
1 ) Door studenten die onderdaan zijn van andere Lid-Staten dan België en Luxemburg, en die, in het kader van het beroepsonderwijs, wensen te worden ingeschreven voor en toegelaten tot cursussen gegeven aan een instelling voor hoger niet-universitair onderwijs, te brengen onder de categorie studenten die niet voor financiering door de Staat in aanmerking komen, is het Koninkrijk België de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 7 EEG-Verdrag en artikel 12 van verordening nr . 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap .
2 ) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten van de procedure .
Full & Egal Universal Law Academy