Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Op basis van groenten en fruit verwerkte produkten - Produktiesteun - Toekenningsvoorwaarden - Verplichting tot bijhouden van voorraadboekhouding - Strekking - Wettigheid
( Verordening nr . 516/77 van de Raad, artikel 3 ter, lid 5; Verordening nr . 1530/78 van de Commissie, artikel 4, lid 2 )
Samenvatting
Artikel 4, lid 2, van verordening nr . 1530/78 van de Commissie houdende uitvoeringsbepalingen van de steunregeling voor sommige op basis van groenten en fruit verwerkte produkten, moet aldus worden uitgelegd, dat het bijhouden van een voorraadboekhouding die alle in die bepaling genoemde gegevens bevat, een voorwaarde is voor toekenning van de in verordening nr . 516/77 van de Raad bedoelde produktiesteun, en dat eventuele twijfel over de juistheid van bepaalde opgaven in deze voorraadboekhouding met behulp van andere, aanvullende documenten kan worden weggenomen .
Aangezien de in artikel 4, lid 2, van verordening nr . 1530/78 aan de ondernemingen opgelegde verplichting een element is van de controle - en bewijsregeling, nodig om de goede werking van de steunregeling te verzekeren, heeft de Commissie met de vaststelling van deze bepaling de haar bij verordening nr . 516/77 verleende bevoegdheden niet overschreden .
Partijen
In zaak 121/87,
bereffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main, in het aldaar aanhangig geding tussen
Bayernwald Fruechteverwertung GmbH
en
Bondsrepubliek Duitsland,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 4, lid 2, van verordening nr . 1530/78 van de Commissie van 30 juni 1978, houdende uitvoeringsbepalingen van de steunregeling voor sommige op basis van groenten en fruit verwerkte produkten ( PB 1978, L 179, blz . 21 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vierde kamer ),
samengesteld als volgt : T . Koopmans, kamerpresident, C . N . Kakouris en G . C . Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal : Sir Gordon Slynn
griffier : B . Pastor, administrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- Bayernwald Fruechteverwertung GmbH, verzoekster in het hoofdgeding, voor de schriftelijke procedure en ter terechtzitting vertegenwoordigd door K . Schiller, advocaat te Keulen;
- de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, verweerster in het hoofdgeding, voor de schriftelijke procedure vertegenwoordigd door J . Apelt als gemachtigde, en ter terechtzitting door A . Bergemann als gemachtigde;
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, voor de schriftelijke procedure en ter terechtzitting vertegenwoordigd door D . Booss als gemachtigde;
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 6 juli 1988,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van dezelfde dag;
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 19 maart 1987, ingekomen bij het Hof op 7 april daaraanvolgend, heeft het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging en de geldigheid van artikel 4, lid 2, van verordening nr . 1530/78 van de Commissie van 30 juni 1978 houdende uitvoeringsbepalingen van de steunregeling voor sommige op basis van groenten en fruit verwerkte produkten ( PB 1978, L 179, blz . 21 ).
2 Deze vraag is gerezen in het kader van een geschil over de voorwaarden voor toekenning van bedoelde steun, tussen Bayernwald Fruechteverwertung GmbH ( hierna : Bayernwald ), verzoekster in het hoofdgeding, en het Bundesamt fuer Ernaehrung und Forstwirtschaft, de door de Bondsrepubliek Duitsland, verweerster in het hoofdgeding, aangewezen instantie voor de uitvoering van die steunregeling .
De relevante bepalingen
3 Bij artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr . 516/77 van de Raad van 14 maart 1977 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten ( PB 1977, L 73, blz . 1 ), zoals gewijzigd bij verordening nr . 1152/78 van de Raad van 30 mei 1978 ( PB 1978, L 144, blz . 1 ), is een regeling ingevoerd voor steun bij de produktie van de in bijlage I bis bij die verordening genoemde produkten, verkregen op basis van in de Gemeenschap geoogste groenten en fruit . Bij verordening nr . 1639/79 van de Raad van 24 juli 1979 houdende wijziging van verordening nr . 516/77 ( PB 1979, L 192, blz . 3 ), is die steunregeling met ingang van het verkoopseizoen 1980/1981 uitgebreid tot geconserveerde kersen op siroop van post 20.06 B van het gemeenschappelijk douanetarief .
4 In artikel 3 ter, lid 1, van de verordening wordt de ratio van deze regeling vermeld : het bedrag van de steun wordt zodanig vastgesteld, dat het verschil tussen de prijzen van de communautaire produkten en die van de produkten uit derde landen wordt overbrugd .
5 Blijkens de leden 2 en 3 van artikel 3 bis berust de steunregeling op een stelsel van contracten voor een nader te bepalen periode tussen enerzijds producenten van het onbewerkte produkt en anderzijds de verwerkende bedrijven . Voor de leveringen op basis van deze contracten wordt op gemeenschapsniveau een door de verwerkende bedrijven aan de producenten te betalen minimumprijs vastgesteld .
6 Volgens artikel 3 ter, lid 4, wordt "de steun bij de produktie toegekend aan de verwerkende bedrijven die contracten hebben afgesloten als bedoeld in artikel 3 bis ."
7 In lid 5 van hetzelfde artikel worden drie voorwaarden genoemd voor steunverlening . De bepaling luidt als volgt :
"De steun wordt op verzoek van de betrokkenen uitgekeerd zodra het orgaan dat is aangewezen door de Lid-Staat waar de verwerking plaatsvindt, heeft geconstateerd dat :
- het verwerkende bedrijf aan de producent een prijs heeft betaald die ten minste gelijk is aan de minimumprijs;
- de produkten ten aanzien waarvan contracten zijn gesloten, inderdaad zijn verwerkt;
- de produkten die bij de verwerking zijn verkregen, overeenstemmen met de geldende kwaliteitsnormen ."
8 Overeenkomstig artikel 3 quater van de verordening worden de uitvoeringsbepalingen van artikel 3 bis en artikel 3 ter vastgesteld volgens de procedure van artikel 20, dat wil zeggen door de Commissie volgens de procedure van het Comité van beheer .
9 Op grond van deze machtiging heeft de Commissie verordening nr . 1530/78 vastgesteld . Volgens artikel 4, lid 1, daarvan moeten de in verordening nr . 516/77 bedoelde controles met name de verificatie omvatten van de verwerking van de op grond van de contracten geleverde hoeveelheden basisprodukten, en van de conformiteit van de verwerkte produkten met de geldende kwaliteitsnormen .
10 Lid 2 van genoemd artikel luidt als volgt :
"De verwerkende bedrijven voeren een voorraadboekhouding waaruit met name blijkt :
a ) voor iedere in artikel 1, lid 2, bedoelde periode :
- de partijen basisprodukten die werden gekocht en per dag in de onderneming werden afgeleverd, met afzonderlijke opgave van de hoeveelheden waarvoor verwerkingscontracten of nadere overeenkomsten zijn gesloten en de nummers van de ontvangstbewijzen die eventueel voor deze partijen werden afgegeven,
- het gewicht van elke partij en, voor de partijen waarvoor de bovengenoemde contracten zijn gesloten, de naam en het adres van de medecontractant;
b ) de hoeveelheden eindprodukt die per dag na de verwerking van de basisprodukten zijn verkregen, met afzonderlijke opgave van de hoeveelheden verkregen uit produkten die op grond van de verwerkingscontracten zijn geleverd ."
Het hoofdgeding
11 Op 8 augustus 1980 diende Bayernwald uit hoofde van bovengenoemde verordening voor het verkoopseizoen 1980/1981 een aanvraag in voor produktiesteun ter zake van de verwerking tot conserven van 55 ton zoete kersen, welke verwerking in 1980 had plaatsgevonden . De kersen waren uit hoofde van zes contracten geleverd .
12 Het Bundesamt fuer Ernaehrung und Forstwirtschaft, het door de Bondsrepubliek Duitsland voor de uitvoering van de steunregeling aangewezen orgaan, wees bij beschikking van 28 april 1982 de steunaanvraag af, op grond dat bij een controle in het bedrijf was gebleken dat de leveringsdocumenten, de facturen en de berekeningen onderling niet overeenstemden en een behoorlijke voorraadboekhouding ontbrak . Met name ontbraken de volgens de verordening vereiste opgaven per dag; uit de in plaats daarvan overgelegde berekeningen was niet op te maken, hoeveel per dag was geproduceerd .
13 Tegen die beschikking stelde verzoekster in het hoofdgeding beroep in bij het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main . Bij beschikking van 19 maart 1987 heeft het Verwaltungsgericht de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd :
"Bevat artikel 4, lid 2, van verordening nr . 1530/78 van de Commissie van 30 juni 1978 ( PB 1978, L 179, blz . 21 ) een extra voorwaarde voor het recht op toekenning van produktiesteun, welke de Commissie zonder overschrijding van haar regelgevende bevoegdheid mocht invoeren, of houdt genoemde bepaling enkel in, dat uitsluitend de voorraadboekhouding als bewijsmiddel is toegelaten?"
14 De verwijzende instantie geeft op deze vraag de volgende toelichting :
In de eerste plaats rijst de vraag, of de door het omstreden voorschrift aan de ondernemers opgelegde verplichting een voorraadboekhouding bij te houden, een extra voorwaarde is voor het ontstaan van het recht op steun, waaraan naast de drie voorwaarden van artikel 3 ter, lid 5, van verordening nr . 516/77 moet zijn voldaan .
Zo ja, dan doet zich vervolgens de vraag voor, of de Commissie daarbij binnen haar bevoegdheid is gebleven, aangezien zij op grond van de hierboven genoemde regeling slechts gemachtigd is, uitvoeringsbepalingen van de artikelen 3 bis en 3 ter van verordening nr . 516/77 vast te stellen .
Luidt het antwoord op de eerste vraag ontkennend, dan stelt zich het probleem, welke consequenties en eventuele sancties aan het ontbreken van de voorraadboekhouding moeten worden verbonden . De verordening zelf bevat op dit punt geen uitdrukkelijke regeling . Moet dus de bij te houden voorraadboekhouding als het enige bewijsmiddel worden beschouwd of kan dit eventueel door andere bewijsmiddelen worden aangevuld?
15 Met de aan het Hof voorgelegde vraag, zoals hierboven nader toegelicht, wenst de nationale rechter in wezen te vernemen :
a ) of artikel 4, lid 2, van verordening nr . 1530/78 aldus moet worden uitgelegd, dat het bijhouden van de verlangde voorraadboekhouding door de betrokken verwerkingsbedrijven een noodzakelijke voorwaarde is voor het recht op toekenning van de produktiesteun, dan wel aldus, dat het bijhouden van een voorraadboekhouding enkel niet als enig bewijsmiddel wordt verlangd, dus dat dit bewijsmiddel kan worden vervangen door andere voor het bewijs dat aan de drie materiële voorwaarden van artikel 3 ter, lid 5, van verordening nr . 516/77 is voldaan;
b ) of genoemd artikel 4, lid 2, ongeldig is, doordat de Commissie bij het vaststellen van deze bepaling de haar bij artikel 3 quater van verordening nr . 516/77 gedelegeerde bevoegdheid heeft overschreden .
16 De twee vragen dienen in deze volgorde te worden beantwoord .
17 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, de toepasselijke bepalingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De vraag sub a
18 Zoals uit de considerans van verordening nr . 1530/78 blijkt, heeft artikel 4, lid 2, tot doel, de goede werking van de steunregeling in alle Lid-Staten te verzekeren door de invoering van een eenvormig controlestelsel . Die controle moet de bevoegde nationale instanties in staat stellen te verifiëren, of voldaan is aan de in de basisverordening gestelde materiële voorwaarden voor steunverlening . Die verificatie vormt een goede grond voor het vereiste, dat een voorraadboekhouding moet worden bijgehouden om voor de steun in aanmerking te komen .
19 Verder moet worden vastgesteld, dat de ingevolge deze verplichting bijgehouden voorraadboekhouding als noodzakelijk minimum ten minste alle in artikel 4, lid 2, vermelde gegevens moet bevatten, welke gegevens bovendien door bewijsstukken moeten worden gestaafd . Wanneer dit noodzakelijke minimum aan gegevens ontbreekt, kan de verplichting om een voorraadboekhouding bij te houden, niet worden geacht te zijn nagekomen . Bestaat er twijfel over de juistheid van bepaalde opgaven in de voorraadboekhouding, dan sluit artikel 4, lid 2, echter niet uit, dat ter aanvulling gebruik wordt gemaakt van andere documenten om de gerezen twijfel weg te nemen .
20 Op deze vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat artikel 4, lid 2, van verordening nr . 1530/78 van de Commissie aldus moet worden uitgelegd, dat het bijhouden van een voorraadboekhouding die alle in die bepaling genoemde gegevens bevat, een voorwaarde is voor toekenning van de in verordening nr . 516/77 van de Raad bedoelde produktiesteun, en dat eventuele twijfel over de juistheid van bepaalde opgaven in deze voorraadboekhouding met behulp van andere, aanvullende documenten kan worden weggenomen .
De vraag sub b
21 Het bijhouden van een voorraadboekhouding, zoals vereist in artikel 4, lid 2, van verordening nr . 1530/78, is een element van de controle - en bewijsregeling die nodig was om de goede werking van de steunregeling te verzekeren . Dit vereiste is een van de uitvoeringsbepalingen van de artikelen 3 bis en 3 ter van verordening nr . 516/77, die de Commissie krachtens artikel 3 quater van die verordening gemachtigd was vast te stellen .
22 Aangezien het dossier niets bevat waaruit men zou kunnen concluderen dat de Commissie bij de invoering van dat controlestelsel verder is gegaan dan voor de goede werking van de steunregeling nodig is, moet worden vastgesteld dat de Commissie de haar verleende bevoegdheid niet heeft overschreden .
23 Mitsdien moet op deze vraag worden geantwoord, dat bij onderzoek ervan niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 4, lid 2, van verordening nr . 1530/78 van de Commissie kunnen aantasten .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
24 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vierde kamer ),
uitspraak doende op de door het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main bij beschikking van 19 maart 1987 gestelde vragen, verklaart voor recht :
1 ) Artikel 4, lid 2, van verordening nr . 1530/78 van de Commissie houdende uitvoeringsbepalingen van de steunregeling voor sommige op basis van groenten en fruit verwerkte produkten, moet aldus worden uitgelegd, dat het bijhouden van een voorraadboekhouding die alle in die bepaling genoemde gegevens bevat, een voorwaarde is voor toekenning van de in verordening nr . 516/77 van de Raad bedoelde produktiesteun, en dat eventuele twijfel over de juistheid van bepaalde opgaven in deze voorraadboekhouding met behulp van andere, aanvullende documenten kan worden weggenomen .
2 ) Bij onderzoek van de gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 4, lid 2, van verordening nr . 1530/78 van de Commissie kunnen aantasten .
Full & Egal Universal Law Academy