Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Ambtenaren - Pensioenen - Pensioenrechten verworven vóór indiensttreding bij Gemeenschappen - Overschrijving naar gemeenschappelijk stelsel - Verplichtingen van Lid-Staten - Vaststelling van maatregelen om overschrijving mogelijk te maken - Modaliteiten - Vervaltermijn voor indiening van
verzoek - Niet-toepasselijk wanneer verzoek binnen gestelde termijn in overeenstemming met administratieve praktijk bij gemeenschapsinstelling is ingediend
( Ambtenarenstatuut, bijlage VIII, artikel 11, lid 2 )
Samenvatting
Artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut is een bij verordening vastgestelde bepaling en als zodanig verbindend en rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat, zodat de Lid-Staten gehouden zijn alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen opdat de ambtenaren gebruik kunnen maken van de hen bij die bepaling verleende mogelijkheid om hun onder een nationaal pensioenstelsel verworven rechten over te schrijven naar het pensioenstelsel van de Gemeenschappen .
De Lid-Staten zijn bevoegd om een vervaltermijn te bepalen waarbinnen de ambtenaren hun verzoek om overschrijving moeten indienen . Een termijn van bij voorbeeld één jaar vanaf de datum van vaste aanstelling is in overeenstemming met het doel van de betrokken bepaling van het Statuut, daar hij de betrokkene voldoende bedenktijd laat om een weloverwogen beslissing te nemen .
Het verval van recht kan evenwel niet worden tegengeworpen aan een gemeenschapsambtenaar die zijn verzoek om overschrijving vóór het verstrijken van de termijn bij zijn gemeenschapsinstelling heeft ingediend, overeenkomstig een administratieve praktijk welke tussen die instelling en de bevoegde nationale instantie is ontstaan en die bij de betrokkene een gewettigd vertrouwen heeft gewekt .
Partijen
In zaak 129/87,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Cour de cassation van het Groothertogdom Luxemburg, in het aldaar aanhangig geding tussen
E . Fingruth, echtgenote Decker, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Arlon,
en
Caisse de pension des employés privés, te Luxemburg,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij verordening nr . 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling
van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn ( PB 1968, L 56, blz . 1 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde kamer ),
samengesteld als volgt : O . Due, kamerpresident, T . Koopmans, K . Bahlmann, C . N . Kakouris en T . F . O' Higgins, rechters,
advocaat-generaal : M . Darmon
griffier : D . Louterman, administrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- E . Fingruth, vertegenwoordigd door A . Bonn, advocaat,
- Caisse de pension des employés privés, vertegenwoordigd door F . Entringer, advocaat,
- de Luxemburgse regering, vertegenwoordigd door G . Schroeder en C . Ewen als gemachtigden,
- de Britse regering, vertegenwoordigd door S . J . Hay van het Treasury Solicitor' s Department,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H . Étienne als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 3 mei 1988,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 juli 1988,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 9 april 1987, ingekomen ten Hove op 21 april daaraanvolgend, heeft de Cour de cassation van het Groothertogdom Luxemburg krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij verordening nr . 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn ( PB 1968, L 56, blz . 1; hierna : het Ambtenarenstatuut ).
2 Die vraag is gerezen in een geding tussen E . Fingruth, ambtenaar van het Europees Parlement, verzoekster in het hoofdgeding ( hierna : verzoekster ), en de Caisse de pension des employés privés ( CPEP ) van het Groothertogdom Luxemburg, verweerster in het hoofdgeding ( hierna : verweerster ).
3 Verzoekster had, vóór zij op 1 april 1981 bij het Europees Parlement in vaste dienst werd aangesteld, in de particuliere sector in Luxemburg gewerkt en uit dien hoofde bij verweerster pensioenrechten verworven .
4 Daar verzoekster te kennen had gegeven dat zij belang stelde in de overschrijving van haar pensioenrechten van het Luxemburgse stelsel naar het gemeenschappelijke stelsel, verzocht de administratie van het Europees Parlement verweerster om mededeling van het juiste bedrag van de over te schrijven bijdragen . Verzoekster ontving die staat op 24 november 1981 via de administratie van het Parlement en diende nog dezelfde dag bij die administratie een verzoek in om overschrijving van het totale bedrag van haar bijdragen, te weten 618 192 LFR, naar het pensioenstelsel van de Gemeenschap . De administratie van het Parlement maakte dit verzoek eerst op 27 mei 1982, dat wil zeggen meer dan een jaar na verzoeksters aanstelling in vaste dienst, aan verweerster over .
5 Op 2 juni 1982 wees verweerster het verzoek om overschrijving af, op grond dat het was ingediend na het verstrijken van de in de Luxemburgse wet bepaalde termijn . Artikel 18 van de Luxemburgse wet van 16 december 1963 tot cooerdinatie van de pensioenstelsels, zoals gewijzigd bij de wet van 14 maart 1979, bepaalt immers, dat het verzoek om overschrijving op straffe van verval moet worden ingediend binnen een termijn van één jaar te rekenen vanaf de datum waarop de ambtenaar in vaste dienst is aangesteld .
6 Nadat het geschil door alle ter zake bevoegde rechterlijke instanties was behandeld, heeft de Cour de cassation uiteindelijk beslist, de behandeling van de zaak te schorsen in afwachting van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie over de navolgende vraag :
"Staat artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen, zoals vastgesteld bij verordening nr . 259/68 van de Raad van 29 februari 1968, waarin geen termijn is bepaald voor de indiening van een verzoek om overschrijving van pensioenrechten van een bij de Gemeenschappen in dienst tredend ambtenaar, eraan in de weg, dat een Lid-Staat in het kader van zijn nationale maatregelen ter uitvoering van die gemeenschapsbepaling, de uitoefening van het aan de ambtenaar verleende recht beperkt door voor de indiening van het verzoek om overschrijving een termijn te bepalen en de niet-inachtneming van die termijn met verval van recht te bestraffen?"
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de betrokken nationale en communautaire bepalingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
8 Verzoekster stelt, dat artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut de nationale wetgever niet toestaat een vervaltermijn te bepalen voor de indiening van verzoeken om overschrijving van pensioenrechten . Een dergelijke termijn zou immers afbreuk doen aan een door de individuele ambtenaar aan een gemeenschapsbepaling ontleend recht .
9 Verweerster is van mening, dat artikel 11, lid 2, Ambtenarenstatuut zich niet verzet tegen de vaststelling van een dergelijke uit hoofde van administratieve eisen gerechtvaardigde termijn . Dat is ook het standpunt van de Luxemburgse en de Britse regering . De Commissie erkent weliswaar dat de Lid-Staten het recht hebben om een vervaltermijn te bepalen, doch betoogt, dat het verstrijken van een dergelijke termijn niet kan worden tegengeworpen aan een ambtenaar die zijn keuze binnen die termijn aan zijn instelling heeft meegedeeld, wanneer die keuze als gevolg van administratieve vertragingen door die instelling niet tijdig aan de nationale autoriteiten is overgemaakt .
10 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat, gelijk het Hof in zijn arrest van 20 oktober 1981 ( zaak 137/80, Commissie/België, Jurispr . 1981, blz . 2393 ) overwoog, artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut verbindend en in elke Lid-Staat rechtstreeks toepasselijk is, zodat de Lid-Staten gehouden zijn alle passende, algemene of bijzondere maatregelen tot uitvoering van die bepaling te treffen .
11 Gezien deze taakverdeling moet worden erkend, dat de Lid-Staten bevoegd zijn om een termijn te bepalen waarbinnen gemeenschapsambtenaren hun verzoek om overschrijving van hun pensioenrechten naar het gemeenschappelijk pensioenstelsel moeten indienen, ten einde onzekerheid omtrent hun aansluiting bij een verzekeringsstelsel te vermijden, gelijk genoemde regeringen en de Commissie terecht hebben opgemerkt .
12 Met betrekking tot de lengte van een dergelijke vervaltermijn, dient te worden aangenomen, dat een termijn als die welke in de Luxemburgse wettelijke regeling is voorzien, te weten één jaar vanaf de datum waarop de ambtenaar in vaste dienst is aangesteld, in overeenstemming is met artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut, daar hij de betrokkene voldoende bedenktijd laat om een weloverwogen beslissing te nemen .
13 Ten einde de nationale rechter een antwoord te geven dat nuttig is voor het beslechten van het concrete geschil, dient evenwel te worden onderzocht, of het verstrijken van de betrokken termijn kan worden tegengeworpen aan een ambtenaar die zijn verzoek om overschrijving binnen de door de nationale wettelijke regeling gestelde termijn bij zijn gemeenschapsinstelling heeft ingediend overeenkomstig een tussen die gemeenschapsinstelling en de bevoegde nationale instantie ontstane administratieve praktijk, wanneer zijn verzoek door de bevoegde dienst van de gemeenschapsinstelling eerst na het verstrijken van die termijn is overgemaakt .
14 Uit de processtukken blijkt immers, dat de Luxemburgse bevoegde instantie had aanvaard, dat het verzoek om overschrijving haar via de bevoegde dienst van die instelling diende te worden overgemaakt . Aldus had het Parlement verweerster eerst verzocht om mededeling van het bedrag van verzoeksters pensioenrechten met het oog op de overschrijving ervan naar het gemeenschappelijk stelsel, en had verweerster het Parlement daarop een staat van verzoeksters voor overschrijving in aanmerking komende bijdragen overgemaakt .
15 In die omstandigheden en in weerwil van het bestaan van een vervaltermijn voor de uitoefening van het recht op overschrijving van pensioenrechten, is de bevoegde nationale instantie, wegens het gewettigd vertrouwen dat zij aldus bij de betrokken gemeenschapsambtenaar heeft opgewekt, verplicht te waarborgen dat het recht op overschrijving daadwerkelijk kan worden uitgeoefend, wanneer die ambtenaar daartoe vóór het verstrijken van de termijn de nodige stappen heeft gedaan . Bijgevolg kan het verstrijken van een dergelijke termijn niet worden tegengeworpen aan een gemeenschapsambtenaar die zijn verzoek om overschrijving binnen de door de nationale wettelijke regeling gestelde termijn en overeenkomstig genoemde administratieve praktijk bij zijn gemeenschapsinstelling heeft ingediend, wanneer die termijn nadien buiten zijn wil verstrijkt .
16 Mitsdien moet op de vraag van de nationale rechter worden geantwoord, dat artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut aldus moet worden uitgelegd, dat deze bepaling niet belet dat een Lid-Staat een vervaltermijn van een jaar bepaalt voor de indiening van verzoeken om overschrijving van pensioenrechten . Het feit dat die termijn verstreken is, kan door de nationale instantie evenwel niet worden tegengeworpen aan een gemeenschapsambtenaar die zijn verzoek om overschrijving binnen de door de nationale wettelijke regeling gestelde termijn bij zijn gemeenschapsinstelling heeft ingediend, wanneer de indiening van het overschrijvingsverzoek door tussenkomst van die instelling in overeenstemming was met een administratieve praktijk die op dit gebied tussen de gemeenschapsinstelling en de bevoegde nationale instantie was ontstaan .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
17 De kosten door de Luxemburgse en de Britse regering en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident de beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde kamer ),
uitspraak doende op de door de Cour de cassation van het Groothertogdom Luxemburg bij beschikking van 9 april 1987 gestelde vraag, verklaart voor recht :
Artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut moet aldus worden uitgelegd, dat deze bepaling niet belet dat een Lid-Staat een vervaltermijn van een jaar bepaalt voor de indiening van verzoeken om overschrijving van pensioenrechten . Het feit dat die termijn verstreken is, kan door de nationale instantie evenwel niet worden tegengeworpen aan een gemeenschapsambtenaar die zijn verzoek om overschrijving binnen de door de nationale wettelijke regeling gestelde termijn bij zijn gemeenschapsinstelling heeft ingediend, wanneer de indiening van het overschrijvingsverzoek door tussenkomst van die instelling in overeenstemming was met een administratieve praktijk die op dit gebied tussen de gemeenschapsinstelling en de bevoegde nationale instantie was ontstaan .
Full & Egal Universal Law Academy