Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Ambtenaren - Personeelsstatuut van EGKS - Rechtskracht
2 . Ambtenaren - Pensioenen - Pensioenrechten verworven vóór indiensttreding bij Gemeenschappen - Overschrijving naar gemeenschappelijk stelsel - Verplichtingen van Lid-Staten - Vaststelling van maatregelen om overschrijving mogelijk te maken - Nationale wettelijke regeling die zowel overschrijving als behoud van rechten uitsluit - Niet-toepasselijkheid
( Ambtenarenstatuut van EGKS, bijlage VIII, artikel 11, lid 2 )
Samenvatting
1 . Aan de eenheid van de drie Gemeenschappen wat de rechtspositie van hun ambtenaren betreft, zou afbreuk worden gedaan, indien het Ambtenarenstatuut van de EGKS van 1962, wegens de omstandigheden waarin het is vastgesteld, juridisch minder waarde had dan de Ambtenarenstatuten van de andere Gemeenschappen, waardoor het personeel van de EGKS de rechten en bevoegdheden zou missen die de andere gemeenschapsambtenaren wel hebben . Een dergelijke inbreuk op het gelijkheidsbeginsel ware onverenigbaar met de fundamentele beginselen van het gemeenschapsrecht .
2 . Ingevolge artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut van de EGKS is elke Lid-Staat verplicht de nodige maatregelen voor de toepassing ervan te treffen, en is vanaf zijn inwerkingtreding op 1 januari 1962 de toepassing uitgesloten van de wettelijke regeling van een Lid-Staat, volgens welke een gemeenschapsambtenaar die aangesloten was geweest bij de sociale zekerheid van die Lid-Staat, verplicht was tegen uitbetaling van een enkel met zijn eigen bijdragen overeenkomende afkoopsom definitief afstand te doen van zijn voordien onder het nationale stelsel opgebouwde pensioenrechten, zonder mogelijkheid om die pensioenrechten naar het gemeenschappelijk stelsel te doen overschrijven .
Partijen
In zaak 130/87,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Cour de cassation van het Groothertogdom Luxemburg, in het aldaar aanhangig geding tussen
F . Retter, ambtenaar van de Commissie, wonende te Brussel,
en
Caisse de pension des employés privés, te Luxemburg,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde kamer ),
samengesteld als volgt : T . Koopmans, kamerpresident, G . F . Mancini, C . N . Kakouris, F . A . Schockweiler en M . Díez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal : M . Darmon
griffier : D . Louterman, administrateur, en bij de heropening van de mondelinge behandeling H . A . Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door :
-- F . Retter, vertegenwoordigd door G . Margue, advocaat,
-- Caisse de pension des employés privés, vertegenwoordigd door F . Entringer, advocaat,
- de Luxemburgse regering, vertegenwoordigd door G . Schroeder als gemachtigde,
- de Britse regering, vertegenwoordigd door S . J . Hay van het Treasury Solicitor' s Department,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H . Étienne als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting, zoals aangevuld, en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 3 mei en 15 december 1988,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 juli 1988 en, na de heropening van de mondelinge behandeling, ter terechtzitting van 24 januari 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 9 april 1987, ingekomen ten Hove op 21 april daaraanvolgend, heeft de Cour de cassation van het Groothertogdom Luxemburg krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen .
2 Die vraag is gerezen in een geding tussen F . Retter, ambtenaar van de Commissie, verzoeker in het hoofdgeding ( hierna : verzoeker ), en de Luxemburgse Caisse de pension des employés privés ( CPEP ), verweerster in het hoofdgeding ( hierna : verweerster ).
3 Voor hij op 5 februari 1962 als ambtenaar in vaste dienst werd aangesteld bij de Hoge Autoriteit van de EGKS, had verzoeker in de particuliere sector in Luxemburg gewerkt en uit dien hoofde bij verweerster pensioenrechten verworven op grond van 61 maanden aansluiting . Op 1 april 1964 verzocht hij verweerster om terugbetaling van de helft van de op zijn naam ingeschreven bijdragen, die op dat moment in totaal 58 538 LFR bedroegen . Daarop werd hem 29 269 LFR uitbetaald .
4 De Luxemburgse wettelijke regeling die in 1964 van kracht was, bood geen mogelijkheid tot overschrijving van onder het nationale stelsel verworven pensioenrechten naar het gemeenschappelijk stelsel . Zij stond enkel de betaling toe van een afkoopsom aan verzekerden die, zonder een pensioen te genieten, het Luxemburgse sociale-zekerheidsstelsel definitief verlieten, voor zover zij vóór hun uittreding gedurende ten minste 30 maanden bijdragen hadden betaald . Het verzoek om afkoop diende op straffe van verval van recht te worden ingediend binnen een termijn van twee jaar te rekenen na het einde van de aansluiting bij het Luxemburgse sociale-zekerheidsstelsel, en de verzekerde die een dergelijke afkoopsom ontving, verloor iedere aanspraak op prestaties van verweerster .
5 Na de vaststelling van de wet van 14 maart 1979, waarbij de Luxemburgse wettelijke regeling aldus werd aangepast, dat wie bij de Gemeenschappen in dienst trad, zijn pensioenrechten kon doen overschrijven in voege als bij het Ambtenarenstatuut bepaald, diende verzoeker op 4 februari 1983 bij verweerster een verzoek in om de verrichting van 1964 ongedaan te maken en zijn pensioenrechten te doen herleven tegen terugbetaling van het in 1964 uitbetaalde bedrag, vermeerderd met interessen . Dit verzoek werd door verweerster afgewezen op 15 maart 1983, op grond dat volgens artikel 65 van de wet van 1979 degenen die de in de wet van 1964 voorziene afkoopsom hadden ontvangen, werden geacht elke aanspraak op prestaties van verweerster te hebben verloren; zij konden derhalve geen gebruik maken van de nieuwe regeling .
6 Nadat het geschil voor de ter zake bevoegde rechterlijke instanties was gebracht, besloot ten slotte de Cour de cassation de behandeling van de zaak te schorsen in afwachting van een prejudiciële beslissing van het Hof over de navolgende vraag :
"Moet artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen aldus worden uitgelegd, dat het reeds bij zijn inwerkingtreding op 1 januari 1962 met rechtstreekse werking een recht op overschrijving - onder de in die bepaling vastgestelde voorwaarden - van de pensioenrechten van EGKS-ambtenaren van het nationale naar het gemeenschappelijk pensioenstelsel heeft doen ontstaan, en kan die gemeenschapsbepaling bijgevolg, wat het daarin neergelegde principiële recht op overschrijving betreft, sedert 1 januari 1962 worden geacht deel uit te maken van de nationale pensioenwetgeving, en met name van de wettelijke regeling betreffende de cooerdinatie van de verschillende pensioenstelsels?"
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de betrokken nationale en communautaire bepalingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
8 Er zij op gewezen, dat het hoofdgeding zijn oorsprong vindt in de afkoop van pensioenrechten, die in 1964 tussen partijen in het hoofdgeding plaatsvond . Verzoeker was toen ambtenaar van de Hoge Autoriteit van de EGKS en viel als zodanig onder de door de Commissie van Voorzitters van de EGKS vastgestelde, op 1 januari 1962 in werking getreden verordening houdende het Statuut van de ambtenaren en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Gemeenschap . De door de nationale rechter gevraagde uitlegging heeft dus betrekking op het Statuut van de ambtenaren van de EGKS .
9 Artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij dat Statuut van 1962 kwam overeen met artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Economische Gemeenschap, respectievelijk van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, vastgesteld bij verordening nr . 31 ( EEG ), nr . 11 ( EGA ) van de Raden van 18 december 1961 ( PB 1962, blz . 1385 ) en eveneens op 1 januari 1962 in werking getreden . Al die bepalingen zijn woordelijk overgenomen in artikel 11, lid 2, van bijlage VIII van verordening ( EEG, Euratom, EGKS ) nr . 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn ( PB 1968, L 56, blz . 1 ).
10 Anders dan de Statuten van de ambtenaren van de EEG en van de EGA werd het Statuut van de ambtenaren van de EGKS niet bekendgemaakt in het Publikatieblad . Over de eventuele gevolgen van die omstandigheid zijn door partijen opmerkingen gemaakt na de heropening van de mondelinge behandeling, door het Hof ( Zesde kamer ) gelast op 4 oktober 1988, de advocaat-generaal gehoord .
11 Voor het antwoord op de vraag of artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren van de EGKS deze ambtenaren vanaf zijn inwerkingtreding op 1 januari 1962 het recht verleende om hun onder een nationaal stelsel verworven pensioenrechten naar het overeenkomstige gemeenschappelijk stelsel te doen overschrijven, dient te worden onderzocht of die bepaling een zodanige werking had, dat zij kon worden tegengeworpen aan de wettelijke regeling van een Lid-Staat, die, in de periode die voor het geschil van belang is, niet slechts de overschrijving van pensioenrechten, maar ook het behoud van die rechten onder het nationale stelsel uitsloot . Om de verwijzende rechter een bruikbaar antwoord te kunnen geven, dienen achtereenvolgens de juridische context waarin het Statuut van de ambtenaren van de EGKS van 1962 werd vastgesteld, en de draagwijdte van de handelingen van de Commissie van Voorzitters op het gebied van het communautaire openbare ambt te worden onderzocht .
12 Met betrekking tot de juridische context waarin het Statuut van de ambtenaren van de EGKS werd vastgesteld, zij eraan herinnerd, dat bij artikel 78, lid 3, van het EGKS-Verdrag en paragraaf 7, derde alinea, van de Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen bedoeld in artikel 85 van dat Verdrag, de bevoegdheid om het Statuut vast te stellen, is opgedragen aan de Commissie van Voorzitters, bestaande uit de president van het Hof van Justitie als voorzitter van de Commissie, en de voorzitters van de Hoge Autoriteit, de Gemeenschappelijke Vergadering en de Bijzondere Raad van Ministers . Anders dan in artikel 15, derde alinea, van het EGKS-Verdrag is niet bepaald dat de maatregelen van de Commissie van kracht worden door het feit van hun bekendmaking .
13 De toekenning van een regelgevende bevoegdheid aan de Commissie van Voorzitters impliceerde, in het kader van het EGKS-Verdrag, dat zij subjectieve rechten voor particulieren in het leven kon roepen . Het Hof heeft in zijn arrest van 16 december 1960 ( zaak 6/60, Humblet, Jurispr . 1960, blz . 1171 ) het bestaan van dergelijke rechten erkend, die hun rechtvaardiging vonden in het belang van de goede werking en de onafhankelijkheid van de gemeenschapsadministratie . Blijkens dit arrest, waarin het Hof de verplichtingen heeft gepreciseerd die voor de Lid-Staten voortvloeiden uit het Protocol bij het EGKS-Verdrag betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, kan de communautaire rechtsorde in het kader van het Statuut subjectieve rechten in het leven roepen ten behoeve van de ambtenaren, waarop dezen zich tegenover de autoriteiten van de Lid-Staten kunnen beroepen .
14 Naast de bepalingen die de dienstverhouding regelen, bevat het door de Commissie van Voorzitters vastgestelde Ambtenarenstatuut ook bepalingen die van belang zijn voor de betrekkingen tussen de ambtenaren en de sociale-zekerheidsinstellingen van de Lid-Staat waar zij vroeger verzekerd waren .
15 Met betrekking tot het rechtskarakter van de bepalingen van dat Statuut dient eraan te worden herinnerd dat, gelijk het Hof besliste in zijn arrest van 20 oktober 1981 ( zaak 137/80, Commissie/België, Jurispr . 1981, blz . 2393 ), de bevoegdheid om pensioenrechten te doen overschrijven, rechtsgevolg heeft ten aanzien van de Lid-Staten . Artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut beoogt te bewerkstelligen, dat de door de gemeenschapsambtenaren in hun eigen staat verworven rechten, ofschoon deze wellicht beperkt of zelfs voorwaardelijk of toekomstig zijn, of nog niet voldoende om onmiddellijk aanspraak op pensioen te geven, ten gunste van die ambtenaren blijven bestaan en in aanmerking kunnen worden genomen door het pensioenstelsel waarbij de belanghebbende aan het eind van zijn loopbaan zal zijn aangesloten, in casu het gemeenschappelijk stelsel .
16 Bij de voorbereiding in 1961 van de nieuwe statutaire regelingen voor het personeel van de gemeenschapsadministratie hadden de Raden van de EEG en de EGA en de Commissie van Voorzitters van de EGKS zich tot doel gesteld, tot een eenvormige regeling te komen . In de processsen-verbaal van de vergaderingen van de Commissie van Voorzitters wordt gewag gemaakt van een nauwe samenwerking tussen dit orgaan en de Raden . In dat overleg diende het personeelsstatuut van de EGKS als model voor de Raden van de EEG en de EGA .
17 Gelet op deze wetgevingsgeschiedenis, zou afbreuk worden gedaan aan de eenheid van de drie Gemeenschappen wat de rechtspositie van hun ambtenaren betreft, in het licht gesteld in het arrest van 15 juli 1960 ( gevoegde zaken 27 en 39/59, Campolongo, Jurispr . 1960, blz . 825 ), indien het Ambtenarenstatuut van de EGKS juridisch minder waarde had dan de Ambtenarenstatuten van de EEG en de EGA, waardoor dat personeel de rechten en bevoegdheden zou missen die de andere gemeenschapsambtenaren wel hebben . Een dergelijke inbreuk op het gelijkheidsbeginsel ware onverenigbaar met de fundamentele beginselen van het gemeenschapsrecht .
18 Deze eenheid van de Statuten - bij alle verschillen in de procedures die de onderscheiden autoriteiten bij de vaststelling ervan hebben gevolgd, en in de regels inzake de bekendmaking van die handelingen - vindt bevestiging in artikel 83, lid 3, van de drie op 1 januari 1962 in werking getreden Ambtenarenstatuten . Volgens deze bepaling werden de betaling van de pensioenen der ambtenaren van de EGKS en de verdeling van de uit die pensioenen voortvloeiende lasten over het pensioenfonds van de EGKS en de begrotingen van de EEG en de EGA, nader geregeld bij een in gemeenschappelijk overleg door de Raden en de Commissie van Voorzitters van de EGKS vastgestelde verordening . Die nadere regeling werd met terugwerkende kracht tot 1 januari 1962 vastgesteld bij verordening nr . 5/63/Euratom - nr . 100/63/EEG van 10 juli 1963 ( PB 1963, blz . 2301 ), waarvan de considerans naar de genoemde Ambtenarenstatuten van de drie Gemeenschappen verwijst . Op dezelfde basis werd voorts door de Raden van de EEG en van de EGA en de Commissie van Voorzitters van de EGKS het besluit van 10 juli 1963 genomen tot aanwijzing van de instelling belast met het verrichten van de uitkeringen op grond van de pensioenregeling ( PB 1963, blz . 2303 ), waarin door die Instellingen geen onderscheid tussen de drie Ambtenarenstatuten werd gemaakt .
19 Opgemerkt zij nog dat, na de inwerkingtreding van de drie Statuten, de Vergadering tijdens de debatten over een voorstel van de Raden voor een verordening tot wijziging van artikel 109 van het Statuut van de ambtenaren van de EEG en van de EGA, een resolutie heeft aangenomen, waarin zij de Commissie van Voorzitters van de EGKS uitnodigde ook het Statuut van de ambtenaren van de EGKS te wijzigen ( PB 1962, blz . 2673 ). De Commissie van Voorzitters heeft daaraan gevolg gegeven en de overeenkomstige bepaling van het Ambtenarenstatuut van de EGKS gewijzigd .
20 Het bestaan van een statutaire regeling voor de ambtenaren van de EGKS werd bovendien bekrachtigd door het Reglement voor de procesvoering van het Hof, met betrekking tot de geschillen bedoeld in artikel 58 van het Personeelsstatuut van de EGKS van 21 februari 1957 ( PB 1957, blz . 110 ), en door het Algemeen Huishoudelijk Reglement van de diensten van de Hoge Autoriteit van 20 april 1960 ( PB 1960, blz . 747 ), dat in artikel 6, tweede alinea, aan het Personeelsstatuut van de EGKS refereert .
21 Uit het voorgaande volgt, dat de omstandigheden waarin het Statuut van de ambtenaren van de EGKS in 1962 is vastgesteld, niet ertoe kunnen leiden, dat de bepalingen ervan niet de hiervoor bedoelde gelijke rechtsgevolgen zouden hebben als de Ambtenarenstatuten van de andere Gemeenschappen .
22 In die omstandigheden en gelet op de bepalingen van de in geding zijnde nationale wettelijke regeling, moet worden vastgesteld dat, gelijk het Hof in zijn arrest van 20 oktober 1981 ( reeds aangehaald ) heeft beklemtoond, artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut voor elke Lid-Staat de verplichting doet ontstaan de nodige maatregelen voor de toepassing ervan te treffen, en derhalve in de weg staat aan de toepassing van elke nationale regeling die de mogelijkheid om pensioenrechten te doen overschrijven uitsluit en aldus de ambtenaar berooft van een recht dat hem door het Ambtenarenstatuut is verleend .
23 Mitsdien moet op de vraag van de Cour de cassation van het Groothertogdom Luxemburg worden geantwoord, dat artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren van de EGKS aldus moet worden uitgelegd, dat het vanaf zijn inwerkingtreding op 1 januari 1962 de toepassing uitsloot van de wettelijke regeling van een Lid-Staat, volgens welke een gemeenschapsambtenaar die aangesloten was geweest bij de sociale zekerheid van die Lid-Staat, verplicht was tegen uitbetaling van een enkel met zijn eigen bijdragen overeenkomende afkoopsom definitief afstand te doen van zijn voordien onder het nationale stelsel opgebouwde pensioenrechten, zonder mogelijkheid om die pensioenrechten te behouden of naar het gemeenschappelijk stelsel te doen overschrijven .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
24 De kosten door de Luxemburgse en de Britse regering en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde kamer ),
uitspraak doende op de door de Cour de Cassation van het Groothertogdom Luxemburg bij arrest van 9 april 1987 gestelde vraag, verklaart voor recht :
Artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut moet aldus worden uitgelegd, dat het vanaf zijn inwerkingtreding op 1 januari 1962 de toepassing uitsloot van de wettelijke regeling van een Lid-Staat, volgens welke een gemeenschapsambtenaar die aangesloten was geweest bij de sociale zekerheid van die Lid-Staat, verplicht was tegen uitbetaling van een enkel met zijn eigen bijdragen overeenkomende afkoopsom definitief afstand te doen van zijn voordien onder het nationale stelsel opgebouwde pensioenrechten, zonder mogelijkheid om die pensioenrechten te behouden of naar het gemeenschappelijk stelsel te doen overschrijven .
Full & Egal Universal Law Academy